ECLI:NL:PHR:2026:599

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
24/02907
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 9 lid 4 SrArt. 27 lid 1 SrArt. 281 lid 1 SvArt. 328 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onrechtmatige strafcombinatie bij witwassen en vuurwerkhandel

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor witwassen, medeplegen van overtreding milieubeheer, handelen in strijd met de Wet wapens en munitie en overtreding van de Telecommunicatiewet. Het hof legde een gevangenisstraf van 20 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uur.

In cassatie werden drie middelen aangevoerd: het eerste middel betrof de afwijzing van een aanhoudingsverzoek voor het horen van een medeverdachte als getuige; het tweede middel richtte zich op de betrouwbaarheid van die getuige; het derde middel klaagde over de combinatie van straffen die het hof oplegde.

De Hoge Raad oordeelt dat het eerste en tweede middel falen omdat het aanhoudingsverzoek terecht werd afgewezen en de getuigenverklaring voldoende betrouwbaar werd geacht. Het derde middel slaagt echter omdat het hof een combinatie van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan zes maanden en een taakstraf heeft opgelegd, wat strijdig is met artikel 9 lid 4 Sr Pro.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe strafoplegging. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe strafoplegging.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02907
Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 16 juli 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-001007-22) wegens witwassen (zaak A, onder 2 primair), “medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan” (zaak B, onder 1 én onder 2), “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” (zaak B, onder 3) en “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.9, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan” (zaak B, onder 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Ook heeft het hof beslist over het beslag.
1.2
Er bestaat samenhang met de (ontnemings)zaken 24/02906 en 24/02853. In die zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 26 juli 2024 ingesteld namens de verdachte. S.J. van der Aart, advocaat in Koog aan de Zaan, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de afwijzing van een aanhoudingsverzoek door het hof. Het tweede middel keert zich tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 in zaak B. Het derde middel bevat de klacht dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd.
1.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel behelst de klacht dat art. 6 EVRM Pro is geschonden, “doordat [de] verdediging geen gelegenheid is geboden tot
effectieveondervraging van getuige [medeverdachte 1] , terwijl de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate op zijn verklaring berust”. Uit de toelichting op het middel maak ik op dat wordt geklaagd dat de beslissing van het hof om het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak af te wijzen i) onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is en ii) tot gevolg heeft gehad dat “onvoldoende gelegenheid is geboden tot een effectieve ondervragingsmogelijkheid” van de getuige (en medeverdachte) [medeverdachte 1] en het gebruik van zijn verklaring voor het bewijs “niet in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces”.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2024 houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoot):
“De advocaat-generaal doet het verzoek om de verklaring van de [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2024, in aanwezigheid van de [verdachte] en zijn raadsvrouw afgelegd, te voegen in het dossier van de verdachte.
De raadsvrouw deelt mede:
De verklaring van de [medeverdachte 1] komt onverwacht. Als het hof het verzoek toewijst, dan wil de verdediging de [medeverdachte 1] kunnen horen. Daar hebben wij voorbereidingstijd voor nodig. De verklaringen van de medeverdachten zijn in eerste aanleg niet gevoegd in het dossier van de verdachte. De verdediging heeft onvoldoende tijd gehad om zich voor te bereiden op een getuigenverhoor van [medeverdachte 1] .
(…)
De raadsvrouw deelt mede:
(…)
De verklaring van [medeverdachte 1] acht de verdediging niet betrouwbaar vanwege het gebrek aan consistentie in de verklaring. Hij heeft bij de rechter-commissaris ook afwijkend verklaard. (…)
Het hof onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting in beide zaken voor beraad in raadkamer.
Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting in beide zaken deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede:
- het verzoek tot het horen van [medeverdachte 1] als getuige wordt
toegewezen;
- het verzoek tot aanhouding van de zaken teneinde het getuigenverhoor van [medeverdachte 1] voor te bereiden (…) wordt afgewezen. Het dossier wordt verondersteld de verdediging bekend te zijn. (…)
De voorzitter deelt mede dat de personalia van de getuige [medeverdachte 1] al bekend zijn. De getuige verklaart geen bloed- of aanverwant van de verdachte te zijn. De voorzitter deelt mede dat hij het recht heeft zich te verschonen van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen indien bij zichzelf daarmee belast. De getuige legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.
De getuige
[medeverdachte 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, vrachtwagenchauffeur van beroep, verklaart:
op vragen van het hof:
Ik blijf als getuige bij hetgeen ik eerder vandaag als verdachte heb verklaard. Hetgeen de rechtbank in mijn strafzaak heeft vastgesteld, klopt. Ik heb die feiten gepleegd. In 2016 ben ik begonnen met werken bij [verdachte] . Rond het einde van het jaar zei hij dat hij al meerdere jaren vuurwerk verkoopt en of ik hem wilde helpen. Ik wilde meer verdienen, dus ik ben hem gaan helpen. Dat had ik nooit moeten doen. Ik moest een keer naar Duitsland, ik moest een keer naar [plaats] , ik haalde spullen op en ik bracht spullen weg. Ik kreeg € 100,00 à € 150,00 voor een keer helpen ‘s avonds. Dit was in 2016. Ik reed samen met [verdachte] naar [plaats] om daar vuurwerk in het busje te laden en dat bracht ik weg naar [plaats] . De afspraken in [plaats] werden door [verdachte] geregeld, ik kreeg van hem de gegevens. Het vuurwerk werd in mijn auto geladen, ik reed naar de mensen toe, nam het geld in ontvangst en reed weer weg. [verdachte] ging naar de garagebox, gaf mij een briefje met een tijdstip en een straatnaam en ik reed vervolgens in mijn eentje naar de afnemers van het vuurwerk. Ik leverde het vuurwerk grotendeels alleen af. Heel soms ging [verdachte] mee naar de afnemers. Ik had geen geld en ik was gevoelig voor makkelijk geld verdienen, ik kon de consequenties niet overzien. Ik werkte de hele dag bij [verdachte] , dus daar communiceerden wij. Het initiatief lag bij hem. Ik kende niemand in de vuurwerkhandel, maar ik wist wel dat het om illegaal vuurwerk ging. Ik ontving het geld voor mijn diensten contant. In totaal heb ik er € 10.000,00 à € 12.000,00 mee verdiend. Ik heb ook een keer voor [verdachte] geld overgemaakt naar Tsjechië, dat is verkeerd gegaan, dat geld heb ik teruggekregen en dat mocht ik houden van [verdachte] .
Het klopt dat ik heb geïnformeerd naar het postpakket. Ik werkte zwart bij [verdachte] . Hij wilde zelf niet informeren naar het postpakket, want die zag de bui natuurlijk al hangen. Ik wist niet dat mijn telefoonnummer geregistreerd zou worden als ik zou informeren naar het postpakket. We gingen samen naar de opslagplaats van het vuurwerk, ik had daar geen sleutel van. Ik wist toentertijd de verschillen tussen vuurwerk nog niet goed, daarom ging hij altijd mee. [verdachte] zette op een briefje hoeveel er betaald moest worden voor het vuurwerk. Ik deelde niet mee in de winst. Ik heb nooit geld opgestuurd. [verdachte] stuurde geld op en de ontvangers van het geld stuurde dan vuurwerk terug. De verklaring van [verdachte] dat wij het contante geldbedrag uit het postpakket hebben gespaard, klopt niet. Ik heb nooit geïnvesteerd in een partij vuurwerk. Ik heb wel eens vuurwerk gekocht van [verdachte] en weer doorverkocht aan buurjongens, maar nooit zelf vuurwerk ingekocht. [verdachte] heeft zijn verklaring verzonnen om zijn hachje te redden. Het vuurwerk dat ik van hem kocht kostte normaal gesproken € 100,00, maar ik mocht het voor € 70,00 of € 80,00 kopen, dan verdiende ik eraan. Dit heb ik misschien vijf of zes keer gedaan, ik weet het niet precies meer.
Ik was op 29 november 2016 niet aanwezig in de woning van [verdachte] en ik heb geen Profoon in mijn bezit gehad. Het klopt dat ik samen met [verdachte] in [plaats] ben geweest. Ik heb daar het vuurwerk overhandigd aan een jongen. Na werktijd reden we naar [plaats] om het vuurwerk in te laden in het busje en daarna zijn we samen naar [plaats] gereden. Ik heb daar op twee adressen vuurwerk afgeleverd. Op het eerste adres heb ik vuurwerk afgeleverd aan een lange jongen op badslippers en op het tweede adres heb ik vuurwerk afgeleverd aan een oude man met een sigaar op zijn lip. De oude man heeft mij geld overhandigd. Ik weet niet meer of de lange jongen mij geld heeft overhandigd. Het kwam ook wel eens voor dat de afnemers het geld overhandigde aan [verdachte] .
Ik had zelf geen vuurwerk in mijn bezit. [verdachte] had al het vuurwerk in zijn bezit. Wij hebben het vuurwerk samen opgehaald en afgeleverd. Ik was samen met hem aanwezig op de locaties om het vuurwerk in te laden en soms brachten wij het samen weg en soms bracht alleen ik het weg.
op vragen van de raadsvrouw:
Ik heb bij [verdachte] gewerkt, ook al zegt hij van niet. Ik heb daar vanaf 2016 tot 2017 gewerkt. Ik heb geen arbeidsovereenkomst getekend en ik kreeg zwart uitbetaald. Ik heb een eenmanszaak gehad, waarbij ik in het dorp oud ijzer ophaalde en verkocht aan metaalhandelaren. Ik verkocht twee of drie keer per week oud ijzer aan [verdachte] , maar sommige weken verkocht ik ook niets. Ik kreeg betaald voor het oud ijzer dat ik inleverde. Het wisselde per week hoeveel ik verdiende, maar gemiddeld verdiende ik € 200,00 à € 500,00 per week.
Toen ik bij [verdachte] werkte ben ik wel eens in zijn woning geweest. De woning en het kantoor waren in hetzelfde pand, deze zaten aan elkaar vast. Bij de parasol voor de woning bevindt zich de deur naar het kantoor. Bij binnenkomst is een bureau met een bureaustoel waar [betrokkene 1] altijd zat. [verdachte] zat op een andere stoel. Je kon vanuit het kantoor via een deur aan de linkerkant naar de woning lopen, maar dat heb ik nooit gedaan. De woning heeft ook een aparte voordeur. Ik ben nooit alleen in de woning geweest, wel samen met [verdachte] als we ‘s ochtends vroeg koffie gingen drinken. De deur naar de woning moet worden opengemaakt met een sleutel, dus de woning is niet vrij toegankelijk. Ik was op de dag van de doorzoeking niet aanwezig in de woning van [verdachte] . Ik was die dag aan het werk, dus ik was wel aanwezig op het terrein bij de woning. Ik ben tussen de middag in het kantoor geweest.
Het klopt dat [verdachte] mij geld heeft aangeboden om mijn mond te houden. Ik was gedetineerd en moest worden vervoerd naar de rechtbank in hetzelfde busje als waar [verdachte] in zat. Hij zei dat als ik de schuld op mij zou nemen, ik € 25.000,00 van hem zou krijgen, dus dat heb ik gedaan want ik had geen geld. [verdachte] liegt. Ik heb hem alleen geholpen met de vuurwerkhandel en zelf wat gekocht en verkocht. Hij wilde een bestelbusje kopen, dus dat hebben we gedaan. Hij heeft hier € 1.900,00 voor betaald. We hebben de auto op mijn naam gezet per 21 november 2016, maar de papieren aan [verdachte] gegeven. Hij wilde het bestelbusje kopen omdat hij anders vragen zou krijgen als hij elke avond met de Mercedes weg zou gaan. Het bestelbusje stond verderop langs de straat geparkeerd. Met dit bestelbusje reden we naar [plaats] om vuurwerk op te halen en af te leveren bij mensen, onder andere bij [betrokkene 2] . Ik heb samen met [verdachte] het vuurwerk ingeladen, maar bij de aflevering van het vuurwerk was hij op afstand. Hij zat niet bij mij in de auto, hij reed achter mij aan. [betrokkene 2] heeft hem niet gezien, maar mij wel.
[verdachte] kreeg de vuurwerkbestellingen binnen via een forum. Hij schreef het vervolgens op een briefje. Ik was er nooit bij en hij heeft dit mij niet verteld, ik weet het omdat ik het heb gelezen in het dossier. Op het briefje dat ik van [verdachte] kreeg stond een straatnaam, een tijdstip en wat voor auto het zou zijn. Als ik op de locatie was aangekomen dan keek ik uit naar de auto en als ik die zag dan zwaaide ik. Ik heb nooit een afnemer gebeld en afnemers belden mij ook nooit. Ik heb één keer contact gehad met afnemers via mijn privénummer. Ik kreeg geen telefoon mee van [verdachte] . [betrokkene 2] en de oude man met de sigaar kenden [verdachte] , daarom heb ik het vuurwerk naar hun huis gebracht. Het briefje met de informatie over de afnemer werd verscheurd of verbrand. De vader van [verdachte] hield de camera’s van het bedrijf in de gaten, verder werkte er maar één iemand, een chauffeur. Daarom moesten we een bestelbusje aanschaffen, zodat het niet opviel op de camerabeelden als we met het bestelbusje wegreden.
Ik heb een paar keer, vijf of zeven keer, vuurwerk van [verdachte] gekocht om door te verkopen aan jongens bij mij in de buurt. Zij wisten dat ik in de vuurwerkhandel zat. Ik werkte van 7 uur ‘s ochtends tot ongeveer 5 uur ‘s middags, dus ik sprak [verdachte] de hele dag. We belden weinig, maar hadden wel contact via Whatsapp. Ik heb deze gesprekken nog, die zal ik uitdraaien en op de volgende zittingsdag meenemen. In detentie ben ik in beperkingen gesteld, maar ik weet niet meer wanneer en hoe lang. Bij de politie heb ik mij in eerste instantie op mijn zwijgrecht beroepen, omdat ik bang was om te verklaren. Ik keek op tegen [verdachte] en ik was toen bang voor hem. Wij hadden van tevoren afgesproken om niks te zeggen. De reden dat ik nu wel wil verklaren is omdat ik schoon schip wil maken. Ik wil verder met mijn leven, ik ben er klaar mee.
Desgevraagd geven de raadsvrouw en de advocaat-generaal te kennen geen verdere vragen aan de getuige te hebben.
De verdachte geeft te kennen geen vragen te hebben voor de getuige en geen opmerkingen te willen maken naar aanleiding van het verhoor”.
2.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de in het dossier gevoegde pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoot):
“2.8 (…) De A-G heeft naar aanleiding van de feitenbehandeling van medeverdachten [medeverdachte 1] verzocht het P-V van die verklaring te voegen bij de dossierstukken van de zaken van de medeverdachten. De verdediging heeft toen aangegeven alleen met dat verzoek te kunnen instemmen indien [medeverdachte 1] ook als getuige gehoord zou kunnen worden, zodat de verdediging haar eigen vragen kon stellen aan deze getuige. Daarvoor was dan nog wel wat voorbereidingstijd nodig, omdat de verdediging niet was voorbereid op deze ontwikkelingen.
2.9
Uw gerechtshof heeft op alle verzoeken van de verdediging gereageerd, en deze praktisch allemaal afgewezen. (…) voor het horen van getuige [medeverdachte 1] werd geen voorbereidingstijd verleend omdat de verdediging het dossier al eigen gemaakt zou moeten hebben in voorbereiding naar deze zitting. (…)
2.1
Door bovengenoemde beslissingen van uw gerechtshof is de verdediging ernstig in haar belangen geschaad. Uw gerechtshof heeft (te) makkelijk aangenomen dat de verdediging voldoende voorbereidingstijd heeft gehad (…). Hetzelfde geldt voor het feit dat geen voorbereidingstijd verleend is voor het getuigenverhoor van [medeverdachte 1] , terwijl de verdediging niet aanwezig was op de inhoudelijke behandeling van de zaak van [medeverdachte 1] in eerste aanleg, waar hij klaarblijkelijk al eerder belastend heeft verklaard over cliënt. Die stukken zijn ook niet gevoegd in het dossier van cliënt. De verdediging had geen wetenschap van de eerdere belastende verklaringen van [medeverdachte 1] en kon een eventueel getuigenverhoor van hem dus ook niet voorbereiden. Het feit dat de verdediging dossierkennis heeft ten aanzien van de feiten die cliënt worden verweten, maakt niet dat er voldoende kennis bestaat om [medeverdachte 1] kritisch te kunnen ondervragen als getuige.
(…)
2.13
Al met al meent de verdediging dat uw gerechtshof niet-begrijpelijke beslissingen heeft genomen, waardoor zij geschaad is in haar belangen en in haar mogelijkheden deugdelijk verweer te voeren. Niettemin heeft de verdediging alles in het werk gesteld om vandaag met een pleidooi te kunnen komen en op die wijze verweer te voeren. De verdediging meent dat bij het beoordelen van deze zaak rekening dient te worden gehouden met al het voorgaande.”
2.4
Blijkens datzelfde proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw aan hetgeen is opgenomen in de pleitnota mondeling nog het volgende toegevoegd:
“Onder punt 2.13 is vermeld dat de verdediging meent dat bij het beoordelen van de zaak rekening dient te worden gehouden met al het voorgaande. Dit ziet op de getuigenverklaring van [medeverdachte 1] en in hoeverre deze verklaring meegenomen wordt in het bewijs.”
2.5
Het middel bevat, als gezegd, in de eerste plaats de klacht dat de beslissing van het hof om het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak af te wijzen onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is. Daartoe wordt aangevoerd dat “de verdediging (…) niet bedacht had hoeven zijn op een getuigenverhoor van [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep” en dat “algemene c.q. oppervlakkige kennis van (alle) dossierstukken ten behoeve van de voorbereiding van een inhoudelijke behandeling (…) nog niet [maakt] dat een verdediging automatisch voldoende kennis heeft van specifieke dossierstukken ten behoeve van de directe ondervraging van een getuige die voor het eerst belastend verklaart”.
2.6
Bij de beoordeling van de eerste deelklacht stel ik voorop dat een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting een verzoek betreft in de zin van art. 328 Sv Pro in verbinding met art. 331 lid 1 Sv Pro om toepassing te geven aan art. 281 lid 1 Sv Pro. Ingevolge art. 415 lid 1 Sv Pro zijn deze bepalingen ook van toepassing in hoger beroep. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of het belang van het onderzoek de schorsing vordert. Daarvan kan sprake zijn indien het hof de noodzaak daarvan blijkt. [1]
2.7
In de onderhavige zaak heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde zich op het getuigenverhoor van de [medeverdachte 1] te kunnen voorbereiden. Het hof heeft dat aanhoudingsverzoek afgewezen en overwogen dat wordt verondersteld dat de verdediging bekend is met de inhoud van het dossier. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht van oordeel te zijn dat het – in het belang van het onderzoek, meer in het bijzonder: met het oog op de effectuering van het ondervragingsrecht – niet noodzakelijk wordt geacht om de behandeling van de zaak aan te houden. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking de fase van het geding (de inhoudelijke behandeling), dat het gaat om het verhoor van een medeverdachte en dat het feitencomplex waarvan zowel die medeverdachte als de verdachte werd verdacht (het medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben dan wel ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik) mij overzichtelijk voorkomt. Gelet op de summiere onderbouwing van het verzoek tot aanhouding, is dat oordeel ook toereikend gemotiveerd.
2.8
De steller van het middel betrekt daarnaast het standpunt dat de verdediging vanwege de afwijzende beslissing op het aanhoudingsverzoek “onvoldoende gelegenheid is geboden tot een effectieve ondervragingsmogelijkheid” van de [medeverdachte 1] , hetgeen maakt dat de beslissing om het in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde (mede) op grond van de door [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige afgelegde verklaring bewezen te verklaren “niet in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces, en de daaraan verbonden notie van
‘the overall fairness of the trail’”.
2.9
Uit de stukken blijkt niet dat in hoger beroep een dergelijk verweer over de schending van artikel 6 EVRM Pro is gevoerd. Door de raadsvrouw is immers, zonder verwijzing naar voornoemde verdragsbepaling, slechts bepleit dat de verdediging vanwege de afwijzende beslissing op het aanhoudingsverzoek “geschaad is in haar belangen en in haar mogelijkheden deugdelijk verweer te voeren” en dat daar “bij het beoordelen van de zaak rekening [mee] dient te worden gehouden”. Een verweer over de schending van art. 6 EVRM Pro kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, omdat de beoordeling daarvan (mede) een onderzoek van feitelijke aard vergt. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Reeds om die reden faalt het middel.
2.1
Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Na afwijzing van het verzoek tot aanhouding, is de [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2024 als getuige gehoord. Uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt dat de verdediging (veel) inhoudelijke vragen heeft kunnen stellen, de getuige die vragen heeft beantwoord en dat de verdediging na de beëindiging van dat verhoor te kennen heeft gegeven “geen verdere vragen aan de getuige te hebben”. Daarbij is noch in hoger beroep noch in cassatie uiteengezet welke vragen de verdediging niet zou hebben kunnen stellen vanwege het gestelde tekort aan voorbereidingstijd. Dit alles maakt dat het middel hoe dan ook faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 in zaak B en behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verklaring van getuige [medeverdachte 1] betrouwbaar is en voor het bewijs van die feiten kan worden gebruikt onvoldoende gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk is in het licht van i) het terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer van de verdediging en ii) de beslissing tot vrijspraak van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde.
3.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak B, onder 1 en 2, bewezenverklaard dat:
“1.
hij in de periode van 27 november 2016 tot en met 5 december 2016, te [plaats] , in de gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten:
- 2 flowerbeds (artikel Kometa P7905) en
- 600 bangers (artikel Butterfly Cracker BBC 02) en
- 1 flowerbed (artikel Tropic TB201) en
- 1 flowerbed (artikel Kometa LDC 336) en
- 3 flowerbeds (artikel Tropic TB215)
voorhanden heeft gehad;
2.
hij omstreeks 30 november 2016, in de gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten:
- 442 shells (artikel Echaton TNT 75) en
- 1951 bangers (artikel Shark 3) en
- 39 bangers (artikel Super cobra 6) en
- 87 bangers (artikel Super cobra 7) en
- 35 signaalraketten (artikel Zink 902/001) en
- 70 signaalraketten (artikel Thunderking)
voorhanden heeft gehad”.
3.3
Het hof heeft de bewezenverklaring met gebruikmaking van de Promis-werkwijze als volgt gemotiveerd (met weglating van voetnoten):

Bewijsoverweging ten aanzien van het in de zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem in zaak B onder 1 en 2 ten laste is gelegd. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op grond van het dossier kan niet worden bewezen dat de verdachte samen met de [medeverdachte 1] het vuurwerk heeft opgehaald bij de garagebox in [plaats] en naar de zeecontainer in [plaats] heeft gebracht, of dat hij op de hoogte was van het feit dat [medeverdachte 1] dit deed. De Profoon was niet in gebruik bij de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte niet aan [medeverdachte 2] gevraagd om vuurwerk voor hem op te slaan, en was de garagebox in [plaats] niet meer bij de verdachte in gebruik. Ten slotte zijn de verklaringen die de [medeverdachte 1] heeft afgelegd niet betrouwbaar en kunnen deze dus ook niet voor het bewijs gebruikt worden.
Het hof overweegt als volgt. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep in de zaak van de verdachte als getuige een verklaring afgelegd. [medeverdachte 1] heeft hierbij volledige openheid van zaken gegeven over onder meer de gang van zaken met betrekking tot de voorraad vuurwerk, het afleveren/transporteren daarvan en de rol van de verdachte. [medeverdachte 1] heeft hierbij ook zichzelf belast. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd en op grond van het verhandelde ter terechtzitting geen enkele reden om te twijfelen aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaring. De verklaring van [medeverdachte 1] wordt daarnaast ondersteund door de overige bewijsmiddelen.
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte op 29 november 2016 is een huurovereenkomst van een garagebox aan de [a-straat 1] box […] in [plaats] aangetroffen. Achter de huurovereenkomst vonden de verbalisanten bestellijsten van vuurwerk. Bij de doorzoeking van deze garagebox aan de [a-straat] op 30 november 2016 werd een grote hoeveelheid verschillende soorten vuurwerk aangetroffen. Het zou volgens een voorlopig onderzoeksresultaat van de afdeling Centraal Onderzoek Vuurwerk (COV) om ongeveer 740 kilogram vuurwerk gaan. Op basis van de bevindingen van het COV is later vastgesteld dat het vuurwerk aan te merken is als professioneel vuurwerk.
Naar aanleiding van een Meld Misdaad Anoniem melding is op 5 december 2016 in een zeecontainer in [plaats] een hoeveelheid professioneel vuurwerk aangetroffen. Het ging om een pallet met 400 à 450 kilogram vuurwerk. Blijkens onderzoek van COV bleek het om professioneel vuurwerk te gaan.
De (voormalig) [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij door de verdachte is benaderd met de vraag of hij, [medeverdachte 2] , een opslagplaats voor vuurwerk kon regelen. [medeverdachte 2] heeft toen laten weten dat een paar doosjes vuurwerk wel mogelijk waren. Hij heeft met de verdachte een afspraak gemaakt wanneer hij langs zou komen bij de container. De dozen met vuurwerk werden uiteindelijk afgeleverd door een andere persoon. Deze persoon is door [medeverdachte 2] later herkend als de [medeverdachte 1] .
De [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat hij door de verdachte is benaderd om te helpen met het ophalen, wegbrengen en verkopen van vuurwerk. [medeverdachte 1] reed samen met de verdachte naar de garagebox in [plaats] om daar vuurwerk in een busje te laden. [medeverdachte 1] heeft op verzoek van de verdachte ook vuurwerk weggebracht naar de zeecontainer in [plaats] .
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat hij de garagebox in [plaats] huurde, dat hij de huur betaalde en een sleutel had. Volgens de verklaring van [medeverdachte 1] , die grotendeels overeenkomt met de verklaring van [medeverdachte 2] , was het de verdachte die de zaken rondom het ophalen en afleveren van het vuurwerk regelde. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte kon beschikken over de in de garagebox en de zeecontainer aangetroffen partijen vuurwerk. Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte het vuurwerk in de garagebox in [plaats] en in de zeecontainer in [plaats] voorhanden heeft gehad. Gelet op het feit dat de verdachte de afspraken maakte en [medeverdachte 1] het vuurwerk vervoerde, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking het vuurwerk voorhanden heeft gehad.”
3.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de in het dossier gevoegde pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoot):

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]
4.15
De verklaringen van de [medeverdachte 1] zijn belangrijk in deze zaak. Ter gelegenheid van de inhoudelijke behandeling op 18 juni jl. heeft [medeverdachte 1] zich belastend uitgelaten over cliënt. De A-G heeft verzocht het p-v van de zitting te voegen aan de dossiers van de medeverdachten. Klaarblijkelijk wordt door het OM waarde toegekend aan de verklaringen van [medeverdachte 1] .
4.16
De verdediging meent echter dat [medeverdachte 1] een onbetrouwbare getuige c.q. verdachte is en dat zijn verklaringen niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden. [medeverdachte 1] is in eerste instantie als verdachte bij de politie gehoord en heeft toen niets verklaard. Hij heeft toen ook niet belastend over cliënt verklaard.
4.17
Enige tijd later is hij gehoord bij de rechter-commissaris. Hij heeft toen verklaard dat de garagebox een tijdje door hem is gebruikt en dat hij het vuurwerk dat de politie heeft aangetroffen, daar had opgeslagen.
4.18
Nadien zou [medeverdachte 1] een telefoongesprek hebben gevoerd vanuit de PI, waaruit blijkt dat [verdachte] aan [medeverdachte 1] € 25.000,- zou hebben beloofd als hij “niets zegt”. Het OM heeft aangenomen dat [medeverdachte 1] daarom een belang had om [verdachte] te ontlasten, waardoor de verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris ongeloofwaardig zou zijn.
4.19
Echter, zelfs als wordt afgegaan op het gevoerde gesprek vanuit de PI, dan zou aan [medeverdachte 1] niet gevraagd zijn om hem te
ontlasten, maar om
nietste verklaren, zoals hij al had gedaan. [medeverdachte 1] geeft in het getapte gesprek letterlijk aan:
"Denk je wie er achter mij zit. [verdachte] . Ja ik zweer. En [verdachte] zegt "Je moet helemaal niks zeggen zei die ja.. je krijgt van mij 25000 als je vrij bent. Ik zeg nou is goed jonge.'' Kortom: [medeverdachte 1] waant zich hier onbespied en geeft aan dat hij geld zou krijgen van cliënt als hij niets zou zeggen. Dat had hij al gedaan, want op dat moment had hij nog niets belastends verklaard over cliënt. Als hij was gebleven bij zijn zwijgrecht en niets zou verklaren over cliënt, zou hij daarmee ook voldoen aan deze "opdracht". Uit dit gesprek blijkt niet dat [medeverdachte 1] door cliënt gedwongen zou zijn om de schuld op zich te nemen, of specifieke verklaringen af te leggen over bijvoorbeeld het huren van de garagebox of het opslaan van vuurwerk daar.
4.2
Ter terechtzitting op 18 juni jl. is nog aan [medeverdachte 1] gevraagd of hij dan op voorhand afspraken met cliënt zou hebben gemaakt over wat hij wel of niet zou moeten verklaren, maar ook dat ontkent hij. Dat maakt dat, zelfs als zou worden afgegaan op de inhoud van dit telefoongesprek, niet kan komen vast te staan dat [medeverdachte 1] de schuld op zich heeft genomen in opdracht van cliënt, en/of dat [medeverdachte 1] alle omstandigheden waarover hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard ingefluisterd heeft gekregen van cliënt. Dat heeft hij immers niet verklaard, blijkt niet uit het getapte gesprek en blijkt óók niet uit overige dossierstukken.
4.21
[medeverdachte 1] verklaart op momenten overigens ook aantoonbaar onjuist. Hij heeft bijvoorbeeld verklaard dat hij geen toegang had tot de garagebox op de [a-straat] , en dat hij daar ook nooit alleen kwam maar enkel samen met [verdachte] . Uit de zendmastgegevens blijkt dat [medeverdachte 1] op bijvoorbeeld 10 november 2016 in de nabije omgeving van de garagebox op de [a-straat] was, terwijl [verdachte] toen in [plaats] was. Hij verklaart overigens ook dat de Profoon niet aan hem toebehoorde, terwijl die telefoon toen bij hem was en niet bij [verdachte] .
4.22
Dat [medeverdachte 1] zelf toegang had tot de garagebox en daar vaak in zijn eentje was (en vuurwerkbestellingen afhandelde) blijkt uit meerdere dossierstukken, die later in dit pleidooi nog aangehaald zullen worden.
4.23
Vaststaat dat [medeverdachte 1] een aantal keer gewisseld is van verklaring. Klaarblijkelijk is hij eerst ter gelegenheid van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg belastend gaan verklaren over cliënt. Op dat moment was het einddossier gereed. Bij zijn getuigenverhoor op 18 juni jl. heeft [medeverdachte 1] ook duidelijk verklaard dat hij het hele dossier heeft gelezen. Uit zijn antwoorden bleek dat hij de inhoud van het dossier ook eigen had gemaakt. Dat maakt dat [medeverdachte 1] , op het moment dat hij belastend is gaan verklaren over cliënt, de inhoud van het dossier kende en zijn verklaringen daarop kon afstemmen. Toen hij zijn verklaring bij de rechter-commissaris aflegde, was dat nog niet het geval.
4.24
De wisselende verklaringen van [medeverdachte 1] en bovengenoemde omstandigheden maken hem per definitie geen betrouwbare getuige. Als echter beoordeeld moet worden aan welke verklaring van [medeverdachte 1] het meeste gewicht kan worden toegekend, is dat zijn verklaring bij de rechter-commissaris. De details die hij daar heeft gegeven zijn niet ingefluisterd door cliënt maar komen wel overeen met de verklaringen van cliënt. Bovendien kende [medeverdachte 1] op dat moment de inhoud van het dossier niet en blijkt uit het dossier niet dat cliënt aan [medeverdachte 1] gevraagd heeft om de schuld op zich te nemen.”
3.5
Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal in het algemeen niet te motiveren. Dat kan anders zijn, bijvoorbeeld wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en de indringenheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [2]
3.6
Het middel komt, als gezegd, op tegen het oordeel van het hof dat de ter terechtzitting in hoger beroep als getuige afgelegde verklaring van de [medeverdachte 1] voldoende betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebezigd. Volgens de steller van het middel is dat oordeel, (in de eerste plaats) gelet op het hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd omtrent de betrouwbaarheid van die medeverdachte, onvoldoende gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk.
3.7
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw van de verdachte betoogd dat de [medeverdachte 1] een onbetrouwbare getuige is en dat zijn verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat [medeverdachte 1] wisselend heeft verklaard, op momenten ook aantoonbaar onjuist heeft verklaard en dat hij pas belastend is gaan verklaren op het moment dat het einddossier gereed was. Het hof is aan dit verweer voorbijgegaan en heeft de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [medeverdachte 1] betrouwbaar geacht en voor het bewijs van het in de zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde gebruikt. Het hof heeft in dat verband overwogen dat [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep “volledige openheid van zaken heeft gegeven” over onder meer de gang van zaken met betrekking tot de voorraad vuurwerk, het afleveren/transporteren daarvan en de rol van de verdachte, dat hij zichzelf met die in hoger beroep afgelegde verklaring ook heeft belast, dat de door hem in hoger beroep afgelegde verklaring ook wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen en dat het, in hetgeen door de verdediging is aangevoerd, geen enkele reden ziet om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaring.
3.8
Anders dan de steller van het middel betoogt, heeft het hof hiermee op een begrijpelijke en toereikend gemotiveerde wijze uiteengezet waarom het, in weerwil van het betoog van de verdediging, van oordeel is dat de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaring betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt. De klacht faalt.
3.9
Voor zover de steller van het middel zich daarnaast nog op het standpunt stelt dat het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van [medeverdachte 1] onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is, omdat het hof zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde “klaarblijkelijk onvoldoende betrouwbaar” heeft geacht, berust het middel op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde en in dat verband overwogen dat niet voldoende duidelijk is geworden of een in de woning van de verdachte aangetroffen telefoon aan hem is toe te schrijven en of hij de (enige) gebruiker daarvan was, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de verdachte telkens op de plek was waar die telefoon zich bevond. Een en ander heeft naar het oordeel van het hof tot gevolg dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte, zoals aan hem in zaak A onder 1 is ten laste gelegd,
[A-G: ik begrijp: professioneel]vuurwerk aan twee particulieren ter beschikking heeft gesteld dan wel voorhanden heeft gehad. Anders dan de steller van het middel betoogt, volgt uit deze overweging van het hof geenszins dat het hof de getuigenverklaring van de [medeverdachte 1] , voor zover betrekking hebbend op dit feit, onvoldoende betrouwbaar heeft geacht. Het hof heeft slechts tot uitdrukking gebracht van oordeel te zijn dat, met het wegvallen van de telefoon voor het bewijs, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3.1
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.Het derde middel

4.1
Het derde middel bevat de klacht dat de strafoplegging in strijd is met het bepaalde in art. 9 lid 4 Sr Pro, omdat aan de verdachte, naast een taakstraf, ook een gevangenisstraf is opgelegd waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel 10 maanden bedraagt.
4.2
Het dictum van het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:

BESLISSING
Het hof:
(…)
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
20 (twintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf,
groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.”
4.3
Art. 9 lid 4 Sr Pro luidt:
“In geval van veroordeling tot een gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”
4.4
Het hof heeft aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren opgelegd. Het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van deze gevangenisstraf bedraagt aldus meer dan zes maanden. Door daarnaast een taakstraf op te leggen voor de duur van 240 uren heeft het hof aan de verdachte een combinatie van straffen opgelegd die in strijd is met art. 9 lid 4 Sr Pro. [3]
4.5
Het middel slaagt.

5.Slotsom

5.1
Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging. Het derde middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:660,
2.Vgl. onder meer HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072, rov. 2.3 en HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
3.Vgl. HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1214, rov. 4 en HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:336, rov. 3.