Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
Het hek. De verjaring
wilsuiting, dan maken we van bezit, althans van inbezitneming, in feite een rechtshandeling. Dat is niet juist. In de traditionele leer van het bezit heeft wel ook de
animuseen plaats, namelijk om bezit te onderscheiden van houderschap. [23] Of iemand voor zichzelf houdt dan wel voor een ander, wordt volgens art. 3:108 BW Pro naar verkeersopvatting uit uiterlijke feiten afgeleid (aangevuld door enkele bijzondere regels, waaronder dat van het interversieverbod, art. 3:111 BW Pro). Een wilsverklaring, ook niet een stilzwijgende, is voor bezit niet vereist.
Gemeente Landgraafuit 2015 aan de hiervoor 3.12 bedoelde vergelijkingsredenering paal en perk gesteld. De zaak betrof de vraag of een bepaalde strook grond van de gemeente in bezit was genomen door het plaatsen van een stenen huisnummerbord en de aanleg van een pad dat toegang gaf tot het huis van de beweerde bezitters. Het hof ontkende het bezit met de redenering dat ook een huurder een stenen nummerbord kan plaatsen en een pad kan aanleggen. Uw Raad oordeelde dat het hof aldus een onjuiste maatstaf had aangelegd: [24]
Gemeente Landgraafis door Verheul en Tweehuysen betoogd dat een terughoudende benadering met betrekking tot het bezit van beperkte rechten geheel of gedeeltelijk onjuist is. [25] Met betrekking tot het bezit van erfdienstbaarheden zegt Verheul het zo dat ‘voor het aannemen van bezit van een erfdienstbaarheid enkel beslissend is of iemand zich feitelijk gedraagt als gerechtigde tot een erfdienstbaarheid door de aan een erfdienstbaarheid verbonden bevoegdheden uit te oefenen’. [26] Daaraan moet dan mijns inziens nog wel worden toegevoegd: ‘voor zichzelf’ (naar verkeersopvatting te beoordelen), want bezit (ook van een erfdienstbaarheid) is het houden van een goed voor zichzelf. [27]
Als er al een pretentie van bezit zou zijn geweest, was dat dus na 2010. Er zou in dat geval thans nog geen termijn van twintig jaar zijn verstreken.’
onder 2.1goed begrijp, is volgens het middel onjuist dat voor bezit niet nodig zou zijn dat een eigenaar het exclusieve genot van zijn erf heeft verloren. Mijns inziens slaagt die klacht niet. De rechtsopvatting waarvan zij uitgaat, ontkent in feite de mogelijkheid van verkrijgende verjaring van erfdienstbaarheden. Die mogelijkheid is een bewuste keuze van de wetgever (hiervoor 3.3). Ook de zwakkere formulering van de tweede alinea onder 2.1, volgens welke bezit van een erfdienstbaarheid altijd een beperking van het genot van de eigendom van het dienende erf inhoudt, stelt een eis die geen steun in het recht vindt. Hoezeer ook doorgaans juist is dat er enige beperking in het genot voor de eigenaar zal zijn, is dat niet vereist. Denk bijvoorbeeld aan een erfdienstbaarheid om ondergrondse leidingen te dulden.
theoretischook kan passen bij een persoonlijk recht of andersoortig beperkt recht. Die tegenwerping leidt pas ergens toe als er objectieve aanwijzingen waren om de machtsuitoefening door de partij die zich op het bezit beroept te kunnen aanmerken als voortvloeiend uit een andere rechtsverhouding.’
onder 3.1) of een andersoortig beperkt recht (
onder 3.2) pas ergens toe leidt als er objectieve aanwijzingen waren om de machtsuitoefening te kunnen aanmerken als voortvloeiend uit een andere rechtsverhouding.
Gemeente Landgraaf(hiervoor 3.15) niet juist is, maar laat ons raden waarom. Het zou ook kunnen zijn dat de steller van het middel alleen bedoelt dat die leer met betrekking tot het bezit van erfdienstbaarheden niet opgaat, maar ook dan zie ik daarvoor geen reden. Meer kan ik van het onderdeel niet maken.
onder 4.2 en 4.3volgt, begrijp ik aldus dat het hof niet serieus de mogelijkheid zou hebben onderzocht of sprake was van een dulden door de eigenaren van het dienende erf en dus niet van bezit van een erfdienstbaarheid. Ook die klacht slaagt mijns inziens niet. Uit de uiterlijke feiten heeft het hof het bezit vastgesteld. Terecht is het hof ervan uitgegaan dat de theoretische mogelijkheid dat sprake was van een dulden, niet volstaat om het bezit te ontkennen. Ik wijs er nog eens op dat de vergelijkingsredenering die de steller van het middel kennelijk voorstaat (dus: omdat ook de uiterlijke feiten ook uit een dulden zouden kunnen worden verklaard, is er
dusgeen sprake van bezit), ertoe zou leiden dat in feite wel nog na afloop van de twintigjarige verjaringstermijn zou moeten worden vastgesteld of de feitelijke situatie wel of niet rechtmatig was, in strijd met de ratio van de verjaring (hiervoor 3.3).
aanduidt als‘gedogen’ – namelijk niet optreden tegen het rijden van auto’s over haar erf – niet het bezit weerspreekt zoals dit volgens het hof uit de uiterlijke feiten blijkt. Verder blijkt volgens het hof ook niet van een persoonlijke toestemming voor het gebruik.
zijnrecht van erfdienstbaarheid door de aanwezigheid van de parkeervlakken dan ook zelf geen stellingen ingenomen.
onder 6.1voert aan dat bezit een gemengd feitelijk-juridische kwalificatie is. Dat lijkt mij juist. Daaruit volgt echter nog niet wat de steller van het middel daaruit wenst af te leiden, namelijk dat niet toelaatbaar is een oordeel volgens welke het bezit onvoldoende is weersproken. Met betrekking tot de feiten zoals die al dan niet tot de kwalificatie ‘bezit’ aanleiding geven, geldt de regel van art. 149 lid 1 Rv Pro wel degelijk. Ik zie niet in dat het hof in rechtsoverwegingen 3.15 en 3.16 meer zou hebben bedoeld dan dat.
onder 7.1mist mijns inziens feitelijke grondslag. Terecht zeggen de advocaten van Total Security in hun schriftelijke toelichting dat de verwijzing van het hof naar art. 5:74 BW Pro een kennelijke verschrijving is. [40] Het hof vermeldt achter die verwijzing tussen haakjes: ‘het verleggingsrecht’. Dat past niet bij art. 5:74 BW Pro en wel bij de regel van art. 5:73 lid 2 BW Pro, volgens welke de eigenaar van het dienende erf voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid een ander gedeelte van het erf kan aanwijzen, mits die verplaatsing zonder vermindering van genot voor de eigenaar van het heersende erf mogelijk is. Ook uit het vervolg van de overweging volgt dat het hof het recht van Total Security bedoelt om een alternatief pad aan te wijzen.
4.Bespreking van het middel in het incidenteel cassatieberoep
Gootrecht. Hoe wordt het uitgeoefend?
ten vollein aanmerking.
onderdeel 4behoeven geen bespreking.