ECLI:NL:PHR:2026:614

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
25/02803
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:11 BWCArt. 2:14 BWCArt. 6:162 BWCArt. 6:228 BWC
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt nakoming mondelinge overeenkomst en wijst bestuurdersaansprakelijkheid af in Curaçaose zaak Seguros Muskus

Deze zaak betreft een geschil tussen Seguros Muskus N.V. en [verweerder] over de vraag of een mondelinge overeenkomst is gesloten waarin een beloningspakket aan [verweerder] is toegekend, en of sprake is van interne bestuurdersaansprakelijkheid vanwege een tegenstrijdig belang.

Het hof oordeelde dat de mondelinge overeenkomst bestond en dat Seguros deze moet nakomen, maar wees de bestuurdersaansprakelijkheid af. Seguros stelde dat het aandeelhoudersbesluit waarop de overeenkomst is gebaseerd nietig of vernietigbaar is, en dat [verweerder] een ernstig verwijt treft wegens het niet melden van het tegenstrijdig belang en het creëren van een fiscaal risico.

De Hoge Raad concludeert dat het hof de motiveringsplicht correct heeft toegepast en dat Seguros onvoldoende heeft betwist dat de mondelinge overeenkomst bestond. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het aandeelhoudersbesluit niet doorslaggevend is voor de geldigheid van de mondelinge overeenkomst. Ook is de kennis van [verweerder] als bestuurder aan Seguros toe te rekenen, ondanks het tegenstrijdig belang, omdat hij dit aan de algemene vergadering heeft gemeld. Het hof heeft terecht vastgesteld dat Seguros onvoldoende heeft onderbouwd dat [verweerder] een ernstig verwijt kan worden gemaakt, mede gelet op de rol van de opvolgende UBO [betrokkene 1].

Het verzoek van Seguros om een nieuwe mondelinge behandeling werd afgewezen omdat alleen bij gezamenlijk verzoek van partijen een dergelijke behandeling wordt gelast, en [verweerder] daarvan afzag. Het cassatieberoep van Seguros wordt verworpen, waarmee het hofvonnis in stand blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat Seguros de mondelinge overeenkomst moet nakomen, terwijl bestuurdersaansprakelijkheid wordt afgewezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02803
Zitting19 juni 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
Seguros Muskus N.V. (hierna:
Seguros)
tegen
[verweerder] (hierna:
[verweerder])
Inleiding
Deze Curaçaose zaak gaat, kort gezegd, over de vraag of [verweerder] een mondelinge overeenkomst heeft gesloten met Seguros waarin hem een beloningspakket is toegekend. Daarnaast speelt de vraag of sprake is van interne bestuurdersaansprakelijkheid, mede nu [verweerder] die overeenkomst als bestuurder van Seguros sloot met zichzelf, zodat sprake is van een tegenstrijdig belang. Het hof oordeelt dat die overeenkomst is gesloten en kent het beloningspakket toe, maar wijst de bestuurdersaansprakelijkheid af. Verder speelt een procedureel punt. M.i. kunnen de bestreden uitspraken in stand blijven.

1.Feiten

1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 3.1.1-3.1.6 van het bestreden tussenvonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het
tussenvonnisrespectievelijk het
hof). [1]
1.2
Seguros exploiteert een assurantiebemiddelingsbedrijf. [verweerder] is lange tijd managing director van Seguros geweest.
1.3
Op 29 november 2011 heeft KPMG een brief geschreven over de mogelijkheid dat Seguros pensioenrechten zou toekennen aan [verweerder] . [verweerder] was toen nog werkzaam als managing director van Seguros. Hij was 74 jaar oud. [2]
1.4
Tot dan toe had Seguros geen pensioenrechten aan [verweerder] toegekend. In de brief staat onder meer:
“Cc Seguros Muskus N.V.
[verweerder]
Pension rights to [verweerder] /Pension provision Seguros Muskus N.V. per December 31st, 2010
A. Request
On October 28th, 2011 you requested us to verify from a Curaçao tax point of view whether [Seguros, A-G] is allowed to form a pension provision for [ [verweerder] ]. (…)
B. Pension rights as per December 31, 2010
Based on information provided by you (…) we understand that:
- (…)
- [ [verweerder] ] has been employed as Managing-director of [Seguros] since January 1987;
- [ [verweerder] ] became 73 years old in 2010 and currently he owns 25% of the shares of [Seguros];
- [Seguros] never granted pension rights to [ [verweerder] ]. (…)
- [Seguros] is considering to grant pension rights to [ [verweerder] ] as per December 31, 2010.
C. Administration of obligation under own control
(…)
D. Retiring age and annual dotations
(…)
As said before, [Seguros] intends to grant pension rights to [ [verweerder] ] as per December 21, 2010, whereas [ [verweerder] ] already became 73 years in 2010. Please be informed that we do not have any experience with any case like this in which pension rights were granted to an employee after he became 65 years. One important question in this respect is which annual income of the employee has to serve as basis for calculation of the pension rights: (…). To obtain certainty regarding amongst other this issue, we will have to enter into negotiations with the Tax Inspectorate.
(…)
E. Calculation of Pension Provision as per December 31, 2010
1. (…)
2. Based on our considerations, as mentioned in paragraph D, we requested an Actuary to make some new calculations, as in our opinion the Tax Inspector may not agree with the retiring age of 73 years. (…).”
1.5
In 2014 was [verweerder] bestuurder van Shubhalaya B.V. (hiema:
Shubhalaya). In die tijd hield Shubhalaya alle aandelen in Seguros (vijf aandelen A en vijftien aandelen B) en was [verweerder] nog steeds managing director van Seguros. In die tijd verzorgde [betrokkene 1] , ook aangeduid als [betrokkene 1] (hiema:
[betrokkene 1]), de boekhouding van Shubhalaya.
1.6
Shubhalaya heeft alle aandelen in Seguros verkocht aan Abaque Holding B.V. (hierna:
Abaque) tegen een koopprijs van NAf 1.200.000. Deze koopprijs is betaald. Bij notariële akte van 26 september 2014 (hierna: de
overdrachtsakte) heeft Shubhalaya de aandelen aan Abaque geleverd. Artikel A, aanhef en onder h, van de overdrachtsakte luidt:
“A. The Seller guarantees:
(…)
h. that the Financial Statements as per December thirty first, two thousand thirteen as presented to the Buyer, copy of which is attached hereto, represents the financial situation of the Company correctly as per that date.”
1.7
In een "shareholdersresolution" van Seguros van 26 september 2014 (hierna: het
aandeelhoudersbesluit) staat onder meer:
“SHAREHOLDERSRESOLUTION
of limited liability company
SEGUROS MUSKUS N.V.
(…)
(“the company”)
THE UNDERSIGNED
ABAQUE HOLDING B.V.(…)
In it capacity of the sole shareholder of the company,
TAKING INTO CONSIDERATION:
(…)
HEREBY RESOLVE (…):
1. [ [verweerder] , A-G] (…) (the advisor), will become an advisor of the company during coming two (2) years and will resign as such on September 30, 2016;
advisory services during this period are based on two (2) hours per working day.
(…);
2. During the said two (2) years period the terms and conditions regarding salary and allowances of the advisor will remain the same as the advisor had as managing director of the company prior to the transfer of shares;
after this two (2) years period [ [verweerder] ] will have the right to earn his pension from the company as agreed upon, plus:
- an extra monthly amount for expenses of f 3.368,67,
- an extra quarterly amount of f 450,- to pay the Lions Club; and
- an extra yearly amount of f 1.889,- to pay for the services rendered by KPMG to file his tax return;
3. the presently effective medical insurance regarding the advisor and his wife will be continued under the same conditions as it was prior to the transfers of shares and the premium regarding the said insurance will be paid by the company during their lives, so also after the period that [ [verweerder] ] is no longer an advisor of the company;
4. during the said two (2) years period that the said [verweerder] is the advisor of the company, the applicable terms and conditions regarding the use of a company car will be continued and he therefore has the right of using a car on the expenses of the company, similar to the car he is presently using and under the same conditions;
after the said two (2) years period, the advisor will have the right to decide to either buy a car of his own or continue to use a car of the company while he lives in Curaçao, being the company at that time free to choose the type and model of the car.”
1.8
In september 2016 heeft [verweerder] zijn werkzaamheden voor Seguros beëindigd. De huidige achterligger (ultimate beneficial owner; hierna ook: de
UBO) van Seguros en van Abaque is [betrokkene 1] .

2.Procesverloop

In eerste aanleg

2.1
Bij verzoekschrift van 20 juli 2020 (hierna: het
verzoekschrift) heeft [verweerder] Seguros in rechte betrokken bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het
gerecht). Hij vorderde, samengevat, dat het gerecht Seguros:
(i) veroordeelt tot betaling van een bedrag van NAf 162.777,56, te vermeerderen met wettelijke rente en de incassokosten van NAf 24.416,63;
(ii) beveelt tot nakoming van de overeenkomst van 26 september 2014, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
(iii) veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.2
Op 30 november 2020 diende Seguros een conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie (hierna: de
CvA/EiR) in. Daarin concludeerde zij in conventie tot afwijzing van de vorderingen van [verweerder] , met veroordeling van [verweerder] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. In reconventie vorderde Seguros, samengevat, dat het gerecht:
(i) voor recht verklaart dat [verweerder] de aan hem opgedragen bestuurstaak heeft verzaakt en dat hem zodoende een ‘ernstig verwijt’ kan worden gemaakt, hetgeen hem op de voet van art. 2:14 lid 1 BW Pro-Curaçao (hierna: het
BWC) in verbinding met art. 6:162 BWC Pro aansprakelijk maakt ten opzichte van Seguros voor alle ter zake geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat;
(ii) voor recht verklaart dat het aandeelhoudersbesluit (en alle daarop gebaseerde documenten, overeenkomsten, besluiten, etc.) nietig is in de zin van art. 2:21 lid 1 BWC Pro althans reeds is vernietigd, althans het aandeelhoudersbesluit vernietigt op de voet van art. 6:228 lid Pro 1, aanhef en onder a en b BWC;
(iii) voor recht verklaart dat Seguros gerechtigd was en is om al haar eventuele betalingsverplichtingen aan [verweerder] op te schorten en dat Seguros gerechtigd is om haar vorderingen op [verweerder] in reconventie (zoals deels nader vast te stellen in een schadestaatprocedure) te verrekenen met eventuele vorderingen van [verweerder] ;
(iv) voor recht verklaart dat [verweerder] , door het creëren van een pensioenvoorziening voor hemzelf, Seguros heeft benadeeld en dat [verweerder] voor alle gevolgen daarvan ten opzichte van [verweerder] aansprakelijk is;
(v) [verweerder] veroordeelt tot schadevergoeding aan Seguros voor het bedrag van NAf 894.815,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;
(vi) [verweerder] veroordeelt tot terugbetaling aan Seguros van een bedrag van NAf 676.987,40, te vermeerderen met de wettelijke rente;
(vii) [verweerder] veroordeelt in de proces-, beslag- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.3
Op 31 mei 2021 diende [verweerder] een conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie (hierna: de
CvR/CvA) in. Daarin concludeerde hij tot afwijzing van - naar ik begrijp [3] - de vorderingen in reconventie, met veroordeling van Seguros in de proceskosten.
2.4
Op 25 april 2022 diende Seguros een conclusie van dupliek in conventie en een conclusie van repliek in reconventie (hierna: de
CvD/CvR) in.
2.5
Op 20 juni 2022 diende [verweerder] een conclusie van dupliek in reconventie in.
2.6
Op 20 september 2022 vond een comparitie plaats bij het gerecht. Hiervan is geen proces-verbaal opgemaakt.
2.7
Op 21 november 2022 heeft het gerecht vonnis gewezen. [4] Het gerecht heeft in conventie, samengevat, de vorderingen van [verweerder] afgewezen en hem veroordeeld in de proces- en nakosten, uitvoerbaar bij voorraad. In reconventie heeft het gerecht, samengevat:
(i) voor recht verklaard dat het aandeelhoudersbesluit nietig is in de zin van art. 2:21 lid 1 BWC Pro;
(ii) [verweerder] veroordeeld tot terugbetaling aan Seguros van een bedrag van NAf 676.987,40, te vermeerderen met de wettelijke rente;
(iii) [verweerder] veroordeeld in de beslagkosten van NAf 5.445,15, te vermeerderen met de wettelijke rente;
(iv) de proceskosten gecompenseerd.
De onderdelen (iii) en (iv) zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.8
Op 7 december 2022 heeft het gerecht een herstelvonnis gewezen, [5] waarin het herstelt dat de onderdelen (ii) en (iii) uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard (en niet (iii) en (iv)).
In hoger beroep
2.9
Bij akte van appel van 31 december 2022 is [verweerder] bij het hof in hoger beroep gekomen van het vonnis van het gerecht, zoals hersteld bij het herstelvonnis.
2.1
Op 10 februari 2023 heeft Seguros bij akte memorie van grieven in incidenteel appel (hierna: de
MvG i.a.) incidenteel hoger beroep ingesteld en haar eis verminderd. Zij concludeerde tot vernietiging van het vonnis van het gerecht en verzocht het hof, opnieuw rechtdoende, de reconventionele vorderingen van Seguros in eerste aanleg onder (i) t/m (v) en (vii), met inachtneming van een eisvermindering onder (v), [6] alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [verweerder] in de proces- en nakosten.
2.11
Op 11 februari 2023 heeft [verweerder] een memorie van grieven (hierna: de
MvG) ingediend. Daarin concludeerde hij tot vernietiging van het vonnis van het gerecht, tot veroordeling van Seguros zoals verzocht in conventie en tot afwijzing van de vorderingen in reconventie, met veroordeling van Seguros in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.12
Op 18 april 2023 heeft Seguros een memorie van antwoord (hierna: de
MvA) ingediend.
2.13
Bij akte van 17 november 2023 heeft Seguros haar eis verminderd, zodat zij - kort gezegd - voor de begroting van haar vordering onder (v) vraagt om verwijzing naar de schadestaatprocedure.
2.14
Op 19 maart 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het hof. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt (hierna: het
p-v). Seguros heeft daar opnieuw haar eis gewijzigd, zodat zij wat betreft haar vordering onder (i) het hof vraagt haar voorlopige schade als gevolg van bestuurdersaansprakelijkheid vast te stellen op NAf 942.161,55. Voor de begroting van verdere schade vraagt zij om verwijzing naar de schadestaatprocedure.
2.15
Op 27 augustus 2024 heeft het hof het tussenvonnis gewezen, [7] waarin het de zaak heeft verwezen naar een latere rolzitting voor akte aan de zijde van Seguros, waarna [verweerder] de gelegenheid zal krijgen een antwoordakte in te dienen.
2.16
De beoordeling in het tussenvonnis komt, voor zover relevant, neer op het volgende.
- Uit het partijdebat leidt het hof af dat [verweerder] tot 30 september 2014 statutair bestuurder van Seguros was. [verweerder] was ook UBO van Seguros. Uit het partijdebat leidt het hof af dat [betrokkene 1] zijn opvolger is in die laatste hoedanigheid en dat dit in 2014 ook zo beoogd is. (rov. 3.9)
- [verweerder] heeft niet het aandeelhoudersbesluit, maar een mondelinge overeenkomst tussen hem en Seguros ten grondslag gelegd aan zijn vorderingen. De inhoud van die overeenkomst komt overeen met hetgeen is vermeld in het aandeelhoudersbesluit. Aangezien [verweerder] in september 2014 bestuurder van Seguros was, was hij bevoegd Seguros te vertegenwoordigen; Seguros heeft dat ook niet betwist. In het licht van de inhoud van het aandeelhoudersbesluit (geldig of niet) is de betwisting door Seguros van het bestaan van de mondelinge overeenkomst onvoldoende onderbouwd. Ook moet bij gebrek aan voldoende gemotiveerde betwisting worden aangenomen dat de inhoud van de mondelinge overeenkomst, wat betreft het beloningspakket voor [verweerder] , overeenkomt met de inhoud van het aandeelhoudersbesluit. (rov. 3.10) [8]
- Het beroep van Seguros op vernietiging van het aandeelhoudersbesluit wegens dwaling slaagt niet. Eenzijdige rechtshandelingen kunnen niet worden vernietigd wegens dwaling. Bovendien is de vraag of het aandeelhoudersbesluit vernietigbaar is, niet van belang. Voor zover het beroep op dwaling moet worden opgevat als een beroep op vernietiging van de mondelinge overeenkomst wegens dwaling geldt dat sprake is geweest van wederzijdse dwaling. [verweerder] was toen bestuurder van Seguros, zodat zijn wetenschap destijds ook geldt als wetenschap van Seguros. Seguros heeft echter niet gesteld dat [verweerder] zelf uitging van een onjuiste veronderstelling. (rov. 3.11)
- Seguros dient de mondelinge overeenkomst na te komen. De hoogte van de vordering van [verweerder] heeft Seguros niet voldoende gemotiveerd betwist. (rov. 3.12)
- Indien en voor zover Seguros een tegenvordering op [verweerder] heeft uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid, is zij in beginsel bevoegd tot opschorting en verrekening. Haar betalingsverplichting op grond van de mondelinge overeenkomst beantwoordt aan die gestelde tegenvordering. De rechter kan echter een vordering ondanks een beroep op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Het hof houdt ieder verder oordeel hierover aan. (rov. 3.13)
- Bij de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst wist [verweerder] dat tussen hem en Seguros een tegenstrijdig belang bestond. Ingevolge art. 2:11 lid 4 BWC Pro diende hij daarom de algemene vergadering van Seguros hiervan op de hoogte te stellen, wat is gebeurd. Niet gesteld of gebleken is dat de statuten van Seguros [verweerder] tot meer verplichtten. (rov. 3.14)
- Aangenomen moet worden dat [verweerder] op de hoogte was van het advies van KPMG. Daaruit blijkt twijfel over de vraag of de fiscus zou accepteren dat pensioenrechten worden toegekend terwijl hij al ouder was dan 65 jaar. [verweerder] moet daarom hebben geweten dat Seguros een fiscaal risico liep. [verweerder] diende zich als bestuurder het belang van Seguros aan te trekken om dit risico te vermijden. (rov. 3.15)
- Verder kan aan [verweerder] een ernstig verwijt worden gemaakt, indien geoordeeld moet worden dat hij bij het afsluiten van de mondelinge overeenkomst rekening moest houden met een aanmerkelijke kans dat Seguros het beloningspakket van [verweerder] niet zou kunnen dragen zonder in ernstige financiële moeilijkheden te komen. Ook dit belang van Seguros diende [verweerder] zich als bestuurder aan te trekken. (rov. 3.16)
- Aangezien [betrokkene 1] de beoogd opvolgende UBO van Seguros was, lag het op de weg van [verweerder] , ook uit hoofde van zijn taak als bestuurder en mede gelet op zijn tegenstrijdig belang, om in 2014 vóór de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst (i) te verifiëren of [betrokkene 1] op de hoogte was van het fiscale risico en (ii) met [betrokkene 1] te bespreken of Seguros het beloningspakket kon dragen zonder in financiële moeilijkheden te komen. (rov. 3.17)
- Het lag op de weg van [betrokkene 1] als UBO van Abaque, die de aandelen in Seguros kocht, om onderzoek te doen naar de financiële positie van Seguros. (rov. 3.18)
- Het hof is voorshands van oordeel dat [verweerder] bij de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst onvoldoende openheid van zaken aan [betrokkene 1] heeft gegeven en zich (mede daardoor) onvoldoende het belang van Seguros heeft aangetrokken. Of dit een ernstig verwijt oplevert, hangt onder meer af van de financiële situatie in 2014, de financiële vooruitzichten, en wat [verweerder] of [betrokkene 1] daarvan wist of behoorde te weten dan wel onderzoeken. (rov. 3.19)
- Het hof verwijst de zaak naar de rol om Seguros in de gelegenheid te stellen een akte te nemen. [verweerder] zal gelegenheid krijgen tot een antwoordakte. (rov. 3.20)
- Partijen kunnen desgewenst verzoeken om een nieuwe mondelinge behandeling om een minnelijke regeling te onderzoeken. (rov. 3.21)
2.17
Op 3 december 2024 heeft Seguros haar akte (hierna: de
akte na tussenvonnis) genomen.
2.18
[verweerder] zag af van het nemen van een antwoordakte.
2.19
Op 27 mei 2025 heeft het hof vonnis gewezen (hierna: het
eindvonnis). [9] Het hof heeft, samengevat, het vonnis van het gerecht vernietigd en, opnieuw rechtdoende:
(i) Seguros veroordeeld om NAf 162.777,56 aan [verweerder] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
(ii) Seguros bevolen om de mondelinge overeenkomst (van 26 september 2014) na te komen en te blijven nakomen;
(iii) Seguros veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep;
(iv) de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.2
Hiertoe heeft het hof, samengevat en onder meer, als volgt overwogen.
- In de akte na tussenvonnis heeft Seguros gesteld dat het bestuurderschap van [verweerder] per 26 september 2014 is beëindigd, nadat het aandeelhoudersbesluit was genomen. Het hof wijst erop dat de passage die Seguros in nr. 5 van die akte citeert, de datum 30 september 2016 en een periode van twee jaar noemt. Dat biedt steun aan de door het hof in rov. 3.9 tussenvonnis genoemde datum 30 september 2014. Voor de beoordeling van de zaak maken die vier dagen geen verschil. Seguros betwist niet dat [verweerder] statutair bestuurder van Seguros was toen het aandeelhoudersbesluit (geldig of niet) genomen werd. Zij betwist ook niet dat, zoals in rov. 3.1.6 tussenvonnis staat, [verweerder] zijn werkzaamheden voor Seguros heeft beëindigd in september 2016. (rov. 3.2)
- Het zou in strijd zijn met de goede procesorde als het hof de bij akte na tussenvonnis gedane (nadere) betwistingen van bestaan en inhoud van de mondelinge overeenkomst nog zou onderzoeken. Het hof blijft dus bij zijn overweging in rov. 3.10 tussenvonnis. (rov. 3.3)
- In rov. 3.11 tussenvonnis heeft het hof een overweging gegeven over het beroep op dwaling. Hierop gaat het hof hierna nader in, in rov. 3.10 eindvonnis. (rov. 3.4)
- Het hof blijft bij zijn overweging in rov. 3.12 tussenvonnis dat niet van belang is of het aandeelhoudersbesluit nietig is. (rov. 3.5)
- Het hof blijft bij zijn overweging in rov. 3.14 tussenvonnis omtrent het tegenstrijdig belang van [verweerder] . (rov. 3.6)
- Seguros heeft in haar akte betoogd dat de rol van [betrokkene 1] niet van belang is. Zijn rol is echter wel van belang, omdat hij de opvolger is van [verweerder] als UBO van Seguros, wat in 2014 ook zo beoogd is (zie rov. 3.9 tussenvonnis). Wetenschap die [betrokkene 1] ten tijde van de mondelinge overeenkomst had of had behoren te hebben, geldt in ieder geval vanaf het moment waarop [betrokkene 1] de hoedanigheid van UBO van Seguros verkreeg als wetenschap die Seguros had of had behoren te hebben. Indien [verweerder] bij de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 1] bepaalde wetenschap en/of een bepaalde onderzoeksplicht had, kan dat bijdragen aan het oordeel dat [verweerder] geen ernstig verwijt treft. (rov. 3.7)
- Seguros heeft een rapport in het geding gebracht over haar financiële prestaties in de periode 2014-2019. De inhoud van dit rapport is zonder nadere toelichting onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [verweerder] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bovendien is Seguros niet ingegaan op bepaalde vragen van het hof. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat [verweerder] [betrokkene 1] onvoldoende heeft ingelicht over de financiële situatie van het bedrijf. Seguros heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat [verweerder] een ernstig verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de informatieverschaffing aan [betrokkene 1] . Het beroep op bestuurdersaansprakelijkheid dient te worden verworpen. (rov. 3.8)
- Nu geen bestuurdersaansprakelijkheid wordt aangenomen, kan de vordering tot vergoeding van fiscale schade niet worden toegewezen en kan een onderzoek daarnaar achterwege blijven. (rov. 3.9)
- Ten aanzien van het beroep op dwaling overweegt het hof dat de kennis van een bestuurder aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De enkele gestelde omstandigheid dat “Seguros de dwaling later heeft ontdekt” (waarmee kennelijk is bedoeld dat [betrokkene 1] de dwaling later heeft ontdekt) kan, gelet op hetgeen het hof daaraan voorafgaand heeft uiteengezet, niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. Het hof blijft dus bij zijn overweging in rov. 3.11 tussenvonnis dat het beroep op dwaling faalt. (rov. 3.10)
- Het hof passeert de bewijsaanbiedingen van Seguros. (rov. 3.11)
- De betwisting door Seguros van de hoogte van de vordering van [verweerder] is onvoldoende gespecificeerd. (rov. 3.12)
- De vorderingen van [verweerder] moeten worden toegewezen, zij het dat de wettelijke rente op een latere datum gaat lopen. De vordering tot betaling van incassokosten wordt afgewezen. Het hof ziet geen aanleiding om dwangsommen te verbinden aan het bevel tot nakoming. (rov. 3.13)
- De vorderingen van Seguros moeten worden afgewezen. (rov. 3.14)
- Gelet op het afzien door [verweerder] van het nemen van een antwoordakte en de voorgaande oordelen zal het hof geen nieuwe mondelinge behandeling gelasten. (rov. 3.15)
In cassatie
2.21
Bij procesinleiding van 25 augustus 2025 (hierna: de
PI) heeft Seguros (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het tussenvonnis en het eindvonnis. [verweerder] is niet verschenen in cassatie. Seguros heeft haar stellingen schriftelijk toegelicht (hierna ook: de
ST).

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel van Seguros vangt aan met een inleiding zonder (zelfstandige) klacht. Daarna worden verspreid over de onderdelen II.1 t/m II.4 rechts- en motiveringsklachten geformuleerd tegen het tussenvonnis en het eindvonnis.
Onderdeel II.1(“Het hof miskent de (beperkte) motiveringsplicht ter zake van de betwisting door Seguros Muskus van het bestaan van een mondelinge overeenkomst (rov. 3.10-3.11 tussenvonnis, rov. 3.3 eindvonnis)”)
3.2
Het onderdeel vangt aan met een weergave van delen van rov. 3.10-3.11 tussenvonnis en rov. 3.3 eindvonnis, en vervolgt met drie subonderdelen (1.1 t/m 1.3).
3.3
Subonderdeel 1.1stelt dat die oordelen van het hof blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eisen die in dit geval gesteld mogen worden aan de motiveringsplicht ter zake van de betwisting door Seguros van bestaan en inhoud van de door [verweerder] gestelde mondelinge overeenkomst tussen hem en Seguros. [verweerder] heeft zijn vordering ter zake van de vermeende pensioenafspraken voor het eerst in hoger beroep op een beweerde mondelinge (arbeids)overeenkomst gegrond. [10] Ter onderbouwing van de overeenkomst zou [verweerder] niet meer hebben aangedragen dan dat de overeenkomst dezelfde inhoud zou hebben als het aandeelhoudersbesluit, dat de overeenkomst als een arbeidsovereenkomst zou moeten worden gekwalificeerd en dat de overeenkomst gedurende een periode zou zijn uitgevoerd. [11] Seguros zou het bestaan van de overeenkomst uitdrukkelijk hebben betwist, [12] onderbouwd met de stellingen (i) t/m (x) die zijn weergegeven in het subonderdeel. [13] Niet valt in te zien dat Seguros met dit betoog bestaan en inhoud van de overeenkomst onvoldoende onderbouwd heeft betwist. Niet duidelijk is immers welke feiten en omstandigheden Seguros nog meer had moeten aanvoeren of wat voor stukken zij nog meer had moeten overleggen. Dit is te meer het geval, omdat het gaat om een mondelinge overeenkomst die zich naar de aard niet eenvoudig laat bewijzen. Althans, het oordeel van het hof is gelet op dit een en ander zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Hierbij is verder van belang dat Seguros van al haar stellingen (tegen)bewijs heeft aangeboden, ook door middel van getuigen. [14] Het hof heeft miskend dat van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen door middel van getuigen, niet gevergd kan worden dat zij, wil zij tot bewijs worden toegelaten, op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt.
Behandeling
3.4
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.5
In de gedingstukken in feitelijke instanties ben ik, voor zover relevant voor de behandeling van het subonderdeel en samengevat, de volgende stellingen van [verweerder] tegengekomen.
- Bij overeenkomst van 26 september 2014 hebben partijen de voorwaarden van de werkrelatie tussen [verweerder] en Seguros vastgelegd. [15] Partijen zijn onder meer overeengekomen dat [verweerder] voor een periode van twee jaar zou fungeren als adviseur voor Seguros en dat [verweerder] nadien zijn pensioen zou ontvangen van Seguros. [16]
- [verweerder] is in september 2016 gepensioneerd en heeft uit hoofde van de werkrelatie tussen partijen recht op en belang bij nakoming van de overeenkomst door Seguros. [17]
- Ondanks hetgeen is overeengekomen in de overeenkomst van 26 september 2014 komt Seguros haar financiële verplichtingen uit hoofde van de werkrelatie jegens [verweerder] niet meer (geheel) na. Zo heeft Seguros in de periode september 2016 t/m december 2018 structureel te weinig pensioen betaald. Als productie 3 wordt een pensioenslip van [verweerder] overgelegd. [18]
- De beloning van [verweerder] , en dus de grondslag van diens vordering, is door middel van het aandeelhoudersbesluit (door “de achterligger van Muskus”) bevestigd. [19]
- De relatie tussen Seguros en [verweerder] is vormvrij. Daaraan hoeft geen schriftelijke overeenkomst ten grondslag te liggen. Het moet worden gezien als een arbeidsovereenkomst, nu het voldoet aan alle vereisten. Het aandeelhoudersbesluit dient ter bevestiging van de met [verweerder] gemaakte afspraken, en is in deze procedure het bewijs dat [verweerder] heeft dat die afspraken zijn gemaakt. Het maakt niet uit of het aandeelhoudersbesluit wel of niet nietig, dan wel vernietigbaar, is. [20]
- De erkenning door Seguros dat die afspraken ook zijn uitgevoerd, betekent dat ook zij de afspraken kende. De bestuurder van Seguros is ook de UBO van Seguros en kent dus al deze afspraken. [21] , [22]
- [verweerder] heeft het overeengekomen werk verricht en zijn relatie met Seguros wordt beheerst door het arbeidsrecht, dan wel een andersoortige overeenkomst. [23]
- Vanaf het verzoekschrift is aangegeven dat de relatie van [verweerder] met Seguros is gestoeld op een overeenkomst (een arbeidsovereenkomst, of enige andersoortige bijzondere overeenkomst die hier van toepassing kan zijn, denk aan een overeenkomst van opdracht) en niet op een vennootschapsrechtelijk besluit. [24]
- De arbeidsovereenkomst moet worden opgemaakt aan de hand van de omstandigheden van het geval. Het aandeelhoudersbesluit is het meest voor de hand liggende bewijs van de relatie. Dit besluit is een kennelijke vastlegging van de afspraken. Daaruit kunnen de contouren van de overeenkomst worden gehaald. Het bewijs van de relatie is daarmee gegeven. [25]
- Of het aandeelhoudersbesluit nietig of vernietigbaar is, maakt dus niets uit. De rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door een niet schriftelijk aangegane overeenkomst, waarvan de afspraken bekend zijn bij partijen. Partijen hebben die afspraken aanvankelijk ook uitgevoerd. [26]
- Het gerecht is ten onrechte ervan uitgegaan dat de grondslag van de vorderingen van [verweerder] en de grondslag voor de relatie tussen [verweerder] en Seguros ligt in het aandeelhoudersbesluit, en heeft ten onrechte geoordeeld dat het besluit nietig is. [27]
- Er is sprake van een mondeling aangegane arbeidsovereenkomst. [28]
- De in hoger beroep ingediende producties A t/m H betreffen e-mails waaruit blijkt dat Seguros (met name ook [betrokkene 1] ) op de hoogte was van de afspraken aangaande de arbeidsovereenkomst, dat zij deze naleefde, en dat het pensioen van [verweerder] uitgebreid aan bod is geweest. [29]
- De vorderingen van [verweerder] zijn niet gebaseerd op het aandeelhoudersbesluit, maar op een overeenkomst. De geldigheid van die overeenkomst is niet afhankelijk van de geldigheid van het aandeelhoudersbesluit. [30]
3.6
[verweerder] heeft zodoende in ieder geval zijn stelling dat sprake is van een mondelinge overeenkomst met Seguros, en dat daaruit onder meer een vordering tot betaling van pensioen voortvloeit, handen en voeten gegeven. Daarbij heeft hij mede gewezen op het aandeelhoudersbesluit waarin de gemaakte afspraken zouden zijn weergegeven/bevestigd, en op de in hoger beroep overgelegde e-mails waaruit die afspraken ook zouden volgen. Dat het hof dit alles, in totaliteit bezien, aanmerkt als een voldoende concrete onderbouwing van de stelling zijdens [verweerder] dat sprake is van een mondelinge overeenkomst tussen [verweerder] en Seguros met daarin een beloningspakket dat overeenkomt met de inhoud van het aandeelhoudersbesluit, is m.i. niet onbegrijpelijk.
3.7
Tegen deze achtergrond acht ik het evenmin onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat deze stelling van [verweerder] door Seguros onvoldoende gemotiveerd is betwist. [31] Daarbij wijs ik erop dat de stellingen van Seguros waarnaar het subonderdeel verwijst [32] voor een aanzienlijk deel in de sleutel staan dat geen sprake is van een
arbeidsrelatie tussen [verweerder] en Seguros, [33] maar zo’n arbeidsrechtelijke benadering hanteert het hof hier ook niet. Voor zover die stellingen van Seguros betrekking hebben op een
opdrachtrelatie tussen [verweerder] en haar, geldt ten eerste dat weliswaar het hof kennelijk (deels) ook redeneert vanuit zo’n rechtsverhouding, maar dit past bij de inhoud van het aandeelhoudersbesluit. [34] Bovendien heeft Seguros nadrukkelijk niet uitgesloten dat van zo’n rechtsverhouding sprake is geweest en verder slechts in algemene termen opgemerkt, met voorbijgaan aan de (ter zake door [verweerder] ingeroepen) inhoud van het aandeelhoudersbesluit, dat [verweerder] uit dien hoofde of anderszins niets van Seguros te vorderen heeft. [35]
3.8
Die lacune wordt niet weggenomen door de andere stellingen van Seguros waarop het subonderdeel nog wijst, waarbij zij evenmin is ingegaan op de (ter zake door [verweerder] ingeroepen) inhoud van het aandeelhoudersbesluit. Want op de desbetreffende vindplaatsen staat niet meer of anders dan het volgende.
- Hooguit had sprake kunnen zijn van een opdrachtovereenkomst, maar het bestaan daarvan wordt door Seguros in ieder ook geval betwist. Nergens blijkt immers uit dat sprake is van consensus met Seguros over het tot stand brengen van een opdrachtrelatie (of welke andere overeenkomst dan ook) met [verweerder] . [36]
- Linksom of rechtsom kan niet de integrale inhoud van het aandeelhoudersbesluit nu achteraf gegoten worden in de contouren van een overeenkomst met Seguros. Daar is ook geen juridische basis voor. [37]
- Er is geen overeenkomst, maar een aandeelhoudersbesluit. [38]
3.9
Bij deze stand van zaken zie ik niet dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door ter zake te hoge eisen te stellen aan Seguros wat betreft de motivering van haar betwisting van voornoemde stelling van [verweerder] . Het hof past de gewone regels van stelplicht en bewijslast toe, zoals het hier ook moest doen. Daarbij neem ik in aanmerking dat Seguros bij die stellingen waarnaar het subonderdeel verwijst dus niet concreet de inhoud van het aandeelhoudersbesluit heeft betrokken, waar het wel voor de hand had gelegen dat te doen, gezien ook het nadrukkelijke beroep dat [verweerder] ter zake op die inhoud heeft gedaan. Daaraan staat niet in de weg dat het hier gaat om een
mondelingeovereenkomst, te minder nu het aandeelhoudersbesluit op schrift is gesteld. Dat dit een en ander voor het hof ook van belang was, blijkt duidelijk uit rov. 3.10 tussenvonnis:
“ [verweerder] heeft niet het aandeelhoudersbesluit, maar een mondeling tussen [verweerder] en Seguros Muskus gesloten overeenkomst ten grondslag gelegd aan zijn vorderingen. De inhoud van die mondelinge overeenkomst komt overeen met hetgeen in het aandeelhoudersbesluit is vermeld. Aangezien [verweerder] in september 2014 statutair bestuurder van Seguros Muskus was, [39] was hij bevoegd Seguros Muskus te vertegenwoordigen. Seguros Muskus heeft dat ook niet betwist. Zij heeft het bestaan van de mondelinge overeenkomst wel betwist,
maar in het licht van de inhoud van het aandeelhoudersbesluit(geldig of niet) is die betwisting onvoldoende onderbouwd. Ook moet bij gebrek aan voldoende gemotiveerde betwisting worden aangenomen dat de inhoud van de mondeling tussen [verweerder] en Seguros Muskus gesloten overeenkomst, wat het voor [verweerder] bedongen beloningspakket betreft, overeenkomt met de inhoud van het aandeelhoudersbesluit.” [cursivering toegevoegd, A-G]
3.1
De stelling dat het hof heeft miskend dat van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen door middel van getuigen, niet gevergd kan worden dat zij, wil zij tot bewijs worden toegelaten, op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt, gaat niet op. Los van het feit dat ik in het bewijsaanbod waarnaar het subonderdeel verwijst [40] geen bewijsaanbod heb gelezen dat is geënt op (het gebrek aan) een mondelinge overeenkomst tussen [verweerder] en Seguros, biedt het bestreden oordeel geen handvatten om te veronderstellen dat het hof ter zake van Seguros heeft verlangd dat zij haar stellingen op voorhand aannemelijk maakte en zodoende haar motiveringsplicht ongeoorloofd ‘opschroefde’. [41]
3.11
Het behoeft, tot slot, geen betoog dat de uitkomst niet anders wordt door de enkele stelling in het subonderdeel dat Seguros van al haar stellingen (tegen)bewijs heeft aangeboden, ook door middel van getuigen. [42]
3.12
Subonderdeel 1.2stelt dat het hof heeft miskend dat waar [verweerder] zijn betoog heeft doen steunen op de stelling dat de inhoud van de beweerde mondelinge overeenkomst gelijk is aan die van het aandeelhoudersbesluit, wel degelijk relevant is of dit besluit (ver)nietig(baar) moet worden geacht. Aan een nietig of vernietigd aandeelhoudersbesluit kan immers in het kader van de vraag of een daarvan losstaande overeenkomst een bepaalde inhoud heeft, geen enkele (bewijs)waarde worden gehecht. Het hof was dan ook gehouden in te gaan op de vraag of het aandeelhoudersbesluit nietig was, zoals Seguros betoogde. [43] Het slagen van deze klacht tast ook het oordeel in rov. 3.5 eindvonnis aan.
Behandeling
3.13
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.14
Blijkens de schriftelijke toelichting veronderstelt het subonderdeel dat volgens het hof “de ongeldigheid van het besluit de bruikbaarheid als wilsverklaring op zichzelf onverlet laat” [44] (bij dit “besluit” gaat het om het aandeelhoudersbesluit, bij die “wilsverklaring” om de wil van Abaque). Dit zou het hof dan verkeerd zien, omdat bij nietigheid van het aandeelhoudersbesluit (wegens onbevoegdheid van Abaque) [45] de in dit besluit tot uitdrukking gebrachte wil van Abaque irrelevant was voor de inhoud van de mondelinge overeenkomst tussen [verweerder] en Seguros, en bij vernietiging van dit besluit (wegens dwaling van Abaque) [46] de wil van Abaque zelfs niet gericht was op hetgeen in dit besluit tot uitdrukking is gebracht. [47]
3.15
Dát is wat ten grondslag ligt aan het subonderdeel, zoals ook volgt uit de slotsom van de schriftelijke toelichting ter zake: [48]
“Aldus volgt dat tegen de achtergrond van hetgeen Seguros Muskus over de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van het aandeelhoudersbesluit heeft betoogd, geen enkele (bewijs)waarde kan worden gehecht aan het aandeelhoudersbesluit bij de beantwoording van de vraag of een daarvan losstaande overeenkomst een bepaalde inhoud heeft. Het hof heeft dat miskend.”
3.16
Daarmee strandt het subonderdeel reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het tussenvonnis en het eindvonnis. Volgens het hof heeft [verweerder] niet het aandeelhoudersbesluit ten grondslag gelegd aan zijn vorderingen, maar een mondeling tussen hem en Seguros gesloten overeenkomst, waarvan de inhoud “overeen[komt]” met hetgeen in dit besluit is vermeld (rov. 3.10 tussenvonnis). Ten aanzien van dit betoog van [verweerder] oordeelt het hof, samengevat, als volgt (rov. 3.10 tussenvonnis).
- [verweerder] was als haar bestuurder in september 2014 bevoegd Seguros te vertegenwoordigen (dus bij het aangaan van die overeenkomst), wat zij ook niet heeft betwist. [49]
- Seguros heeft het bestaan van die overeenkomst wel betwist, maar onvoldoende gemotiveerd.
- Dit laatste geldt ook voor de stelling van [verweerder] dat de inhoud van die overeenkomst, wat betreft het voor hem bedongen beloningspakket, “overeenkomt” met de inhoud van het aandeelhoudersbesluit.
Kortom: het hof honoreert dit betoog van [verweerder] , met inachtneming van het partijdebat. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, redeneert het hof daarbij dus
niet(mede) vanuit een wilsverklaring van Abaque in verbinding met het aandeelhoudersbesluit.
3.17
Overigens is bij deze stand van zaken prima te volgen dat volgens het hof eventuele nietig- of vernietigbaarheid van het aandeelhoudersbesluit (“(geldig of niet)”) niet fataal is voor voornoemde betoog van [verweerder] . [50] Dat zou immers de inhoud van dit besluit onverlet laten, met welke inhoud die van voornoemde mondelinge overeenkomst volgens [verweerder] correspondeert (“overeenkomt”).
3.18
Subonderdeel 1.3bestrijdt in de eerste plaats als rechtens onjuist het oordeel in rov. 3.3 eindvonnis dat het in strijd met de goede procesorde zou zijn als het hof de bij akte na tussenvonnis gedane (nadere) betwistingen van bestaan en inhoud van de mondelinge overeenkomst nog zou onderzoeken. Want het hof miskent dat het hof Seguros bij tussenvonnis juist op diverse punten in de gelegenheid heeft gesteld haar stellingen nader te specificeren, en dat [verweerder] in de gelegenheid werd gesteld een antwoordakte in te dienen. In ieder geval is het oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat het geen inzicht geeft in de gedachtegang van het hof op dit punt. Voor zover het hof hier relevant zou hebben geacht dat [verweerder] heeft afgezien van een antwoordakte, is zijn oordeel eens temeer onjuist, omdat dit voor risico van [verweerder] komt, althans is zijn oordeel onbegrijpelijk, omdat uit deze processuele omstandigheid niet althans niet zonder nadere, ontbrekende motivering de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat de nadere stellingen van Seguros buiten beschouwing moeten blijven.
Behandeling
3.19
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.2
Het bestreden oordeel moet gelezen worden in het licht van rov. 3.11-3.20 tussenvonnis. Daar gaat het hof, samengevat, in op het beroep van Seguros op vernietiging van het aandeelhoudersbesluit althans de mondelinge overeenkomst wegens dwaling (rov. 3.11) en op de vordering van Seguros op [verweerder] uit hoofde van interne bestuurdersaansprakelijkheid (rov. 3.13-3.19). Daarbij overweegt het hof (rov. 3.12) dat, kennelijk bij de dan voorliggende stand van zaken, [51] Seguros is gehouden de mondelinge overeenkomst na te komen, dat hierbij niet van belang is of het aandeelhoudersbesluit al dan niet (ver)nietig(baar) is, en dat zij de hoogte van de vordering van [verweerder] tot betaling niet voldoende gemotiveerd heeft betwist. Tegen die achtergrond overweegt het hof dan:
“3.20 Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen om Seguros Muskus in de gelegenheid te stellen bij akte [haar] stellingen over het voorgaande nader te specificeren en zich uit te laten over de mogelijkheden om de stellingen te bewijzen. Daarnaast dient Seguros Muskus het hof in te lichten over de laatste stand van zaken wat betreft de fiscale schade en het meest recente standpunt van de fiscus. Seguros Muskus wordt verzocht de door haar ontvangen beschikkingen en schriftelijke mededelingen van de fiscus in het geding te brengen. [verweerder] zal in de gelegenheid worden gesteld een antwoordakte in te dienen.”
3.21
Hieruit valt op te maken dat de in die rov. 3.20 bedoelde akte na tussenvonnis van Seguros, dus zoals het hof die voor ogen heeft, hooguit ziet op haar beroep op vernietiging van de mondelinge overeenkomst wegens dwaling en op haar vordering op [verweerder] uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid. Bestaan en inhoud van de mondelinge overeenkomst tussen partijen - zoals aangevoerd door [verweerder] als basis voor zijn vorderingen - zijn dan in ‘s hofs beoordeling dus hoe dan ook al een gepasseerd station, daarop heeft die rov. 3.20 derhalve géén betrekking; zie ook onder 3.16 hiervoor. Daarmee strookt ‘s hofs vooropstelling in rov. 3.3 eindvonnis. [52] Daarmee strookt ook rov. 3.4-3.10 eindvonnis, waarin het hof wel nader ingaat op dat beroep van Seguros op dwaling en op die vordering van Seguros uit interne bestuurdersaansprakelijkheid (gevolgd door afrondende overwegingen in rov. 3.11-3.16 aldaar, mede inzake het door Seguros gedane bewijsaanbod). Aldus valt prima in te zien dat, zoals het hof oordeelt in die rov. 3.3, het in strijd zou zijn met de eisen van een goede procesorde als het hof de bij akte na tussenvonnis gedane (nadere) betwistingen zijdens Seguros van bestaan en inhoud van de mondelinge overeenkomst nog zou onderzoeken, reden waarom het hof blijft bij zijn overweging (in rov. 3.10 tussenvonnis). Dit is dan onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
3.22
Hierop lopen de eerste rechts- en motiveringsklacht in het subonderdeel vast. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.23
De tweede rechts- en motiveringsklacht stranden eveneens, en wel reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag. Naar volgt uit 3.20-3.21 hiervoor, acht het hof in rov. 3.3 eindvonnis immers niet relevant dat [verweerder] heeft afgezien van een antwoordakte.
3.24
Daarmee is gegeven dat onderdeel II.1 faalt.
Onderdeel II.2(“Onjuiste oordeelsvorming hof t.a.v. dwalingsberoep”)
3.25
Het onderdeel vangt aan met een weergave van delen van rov. 3.11 tussenvonnis en rov. 3.10 eindvonnis, en vervolgt met twee subonderdelen (2.1 en 2.2).
3.26
Subonderdeel 2.1stelt dat de oordeelsvorming in die rechtsoverwegingen onjuist is, omdat het hof miskent dat de dwalingsregeling van art. 6:228 lid 1 BWC Pro wel degelijk (naar analogie) van toepassing is op eenzijdige rechtshandelingen, zoals aandeelhoudersbesluiten.
Behandeling
3.27
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.28
De verwerping door het hof in rov. 3.11 tussenvonnis van het door Seguros gedane beroep op vernietiging van het aandeelhoudersbesluit wegens dwaling wordt zelfstandig gedragen door het oordeel aldaar dat de vraag of het aandeelhoudersbesluit vernietigbaar is, belang mist. Dit oordeel wordt niet bestreden in het onderdeel. Voor zover dit oordeel is bestreden met onderdeel II.1 (dat onderdeel richt zich mede tegen dit oordeel), geldt dat dit onderdeel faalt. Zie, concluderend, onder 3.24 hiervoor. Dit betekent dat het subonderdeel hoe dan ook belang mist, voor zover het klaagt over de andere reden die het hof geeft voor die verwerping: dat eenzijdige rechtshandelingen niet kunnen worden vernietigd wegens dwaling. [53]
3.29
Los daarvan laat het hof zich in rov. 3.11 tussenvonnis en rov. 3.10 eindvonnis niet uit over de toepasselijkheid van de dwalingsregeling van art. 6:228 lid 1 BWC Pro op eenzijdige rechtshandelingen, zoals aandeelhoudersbesluiten. In het vervolg van die rov. 3.11 gaat het over de mondelinge overeenkomst die is gesloten tussen [verweerder] en Seguros, een meerzijdige rechtshandeling. Daarbij zet het hof uiteen waarom een door Seguros gedaan beroep op vernietiging van die overeenkomst wegens dwaling, voor zover zij zo’n beroep heeft gedaan, niet slaagt. In die rov. 3.10 zet het hof uiteen waarom het blijft bij dit laatste oordeel, niettegenstaande de door Seguros in de akte na tussenvonnis nog gestelde omstandigheid (zoals begrepen door het hof) dat [betrokkene 1] de dwaling later heeft ontdekt.
3.3
Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel.
3.31
Subonderdeel 2.2stelt dat het hof miskent dat in de situatie waarin sprake is van een tegenstrijdig belang tussen de (enig) bestuurder van de vennootschap en die vennootschap en de bestuurder in strijd met dit tegenstrijdig belang handelt, de kennis van de bestuurder ter zake van dat handelen niet (zonder meer) kan worden toegerekend aan de vennootschap. In ieder geval is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat het zonder nadere motivering is overgegaan tot toerekening van de kennis van [verweerder] over de beweerde mondelinge overeenkomst aan Seguros, zonder daarbij inzicht te geven in zijn gedachtegang waarom het feit dat sprake is van een situatie van tegenstrijdige belangen niet aan die mogelijkheid in de weg staat. Zo’n motivering mocht wel worden verlangd, omdat het niet voor de hand ligt dat de vennootschap van de hoed en de rand weet omtrent het handelen van de bestuurder in diens eigen belang en ten koste van het vennootschappelijk belang.
Behandeling
3.32
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.33
Vooropgesteld: ‘s hofs oordelen in rov. 3.11 tussenvonnis en rov. 3.10 eindvonnis over de vraag of de wetenschap van [verweerder] ten tijde van de mondelinge overeenkomst tussen [verweerder] en Seguros ook geldt als wetenschap van Seguros in die tijd, zou ik in totaliteit willen bezien. Deze oordelen, die integraal in de sleutel staan van het door Seguros gedane beroep op vernietiging van die overeenkomst wegens dwaling, liggen in elkaars verlengde. In het oordeel in die rov. 3.10 komt het hof terug op het oordeel in die rov. 3.11, naar aanleiding van de akte na tussenvonnis: de uitkomst blijft dat dit beroep van Seguros op dwaling faalt. Bij die uiteindelijke beoordeling let het hof op al hetgeen ter zake voorligt.
3.34
Voor de beantwoording van de vraag of de wetenschap van [verweerder] , die ten tijde van de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst bestuurder was van Seguros, kan worden toegerekend aan Seguros wijst zowel het hof (zie rov. 3.10 eindvonnis) als Seguros in cassatie [54] op het Hoge Raad-arrest inzake
Treston/HDI. [55] Daarin overweegt de Hoge Raad dat in beginsel de aard van de functie van bestuurder van een rechtspersoon meebrengt dat zijn wetenschap in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als wetenschap van de rechtspersoon, maar dit onder bijzondere omstandigheden anders kan zijn. [56] Zoals ook blijkt uit het vervolg van dit Hoge Raad-arrest, [57] dient van-geval-tot-geval te worden onderzocht of die uitzondering in concreto opgeld doet.
3.35
In dit licht bezien, meen ik dat de
rechtsklachtin het subonderdeel niet opgaat. Daarbij betrek ik, naast de categorische insteek van de klacht, het volgende.
3.36
De klacht veronderstelt onder meer dat in cassatie tot uitgangspunt dient dat [verweerder] als de bestuurder van Seguros in het kader van de mondelinge overeenkomst tussen partijen, waarbij sprake was van een tegenstrijdig belang tussen [verweerder] en Seguros, [58] “in strijd met dit tegenstrijdig belang” heeft gehandeld. De klacht - die, net als de schriftelijke toelichting daarop, [59] geen stellingen van partijen in feitelijke instanties noemt, laat staan met vindplaatsen in gedingstukken - maakt evenwel niet duidelijk wat zulk handelen zou behelzen, laat staan waaruit zulk handelen hier dan zou blijken, laat staan waarom zulk handelen in cassatie tot uitgangspunt zou dienen. Het had wel op de weg gelegen van Seguros dit te doen, gezien ook de volgende vaststellingen van het hof (naast dat tegenstrijdig belang tussen [verweerder] en Seguros) [60] die niet passen bij een “situatie” als waarvan de klacht uitgaat.
(i) Blijkens het aandeelhoudersbesluit heeft [verweerder] de algemene vergadering van Seguros, ofwel haar enig aandeelhouder Abaque, op de hoogte gesteld van het tegenstrijdig belang inzake de mondelinge overeenkomst (en daarmee voldaan aan art. 2:11 lid 4 BWC Pro). [61] , [62] Dit sluit logischerwijs in dat [verweerder] de algemene vergadering op de hoogte heeft gesteld van de inhoud van die overeenkomst.
(ii) Gesteld noch gebleken is dat de statuten van Seguros [verweerder] uitdrukkelijk tot meer verplichtten vanwege het bestaan van een tegenstrijdig belang. [63]
(iii) Het beroep door Seguros op bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerder] jegens haar wordt verworpen. Daarbij benadrukt het hof, samengevat, onder meer het volgende. [64]
- Seguros heeft onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat aan [verweerder] een ernstig verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot het beleid dat hij tot 2014 heeft gevoerd.
- Evenmin kan worden aangenomen dat de pensioenregeling die [verweerder] bedongen had, gelet op de financiële situatie en vooruitzichten van Seguros, als dermate onverantwoord moet worden beschouwd dat dit een ernstig verwijt oplevert.
- Niet kan worden vastgesteld dat [verweerder] [betrokkene 1] onvoldoende heeft ingelicht over de financiële situatie van het bedrijf. Daarmee heeft Seguros onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat aan [verweerder] een ernstig verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de informatieverschaffing aan [betrokkene 1] . [65]
(iv) Dit laatste herhaalt het hof nog eens bij de beoordeling van “het beroep op dwaling”: Seguros heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat aan [verweerder] een ernstig verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de informatie die hij aan [betrokkene 1] heeft verschaft. [66]
3.37
Daarbij zij nog bedacht dat de Hoge Raad in
Treston/HDIbijzondere, in die zaak vaststaande omstandigheden opsomt die maken dat het gerechtshof daar kon komen tot het aanvaarden van voornoemde uitzondering, maar wezenlijk verschillen van hetgeen volgens het hof in de onderhavige zaak vaststaat. Zo hebben in die zaak de desbetreffende functionarissen hun tegenstrijdige belangen juist niet gemeld aan (de niet geconflicteerde leden van) het bestuur van de rechtspersoon en evenmin aan (de niet geconflicteerde leden van) de raad van commissarissen of de aandeelhouder van de rechtspersoon. [67] In de onderhavige zaak is dat dus anders, zie onder 3.36 hiervoor: naar ‘s hofs vaststelling hééft [verweerder] de algemene vergadering van Seguros, ofwel haar enig aandeelhouder Abaque, op de hoogte gesteld van het tegenstrijdig belang inzake de mondelinge overeenkomst. Hiermee houdt de klacht evenmin rekening. [68]
3.38
Kortom: hetgeen de klacht aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat de door de klacht bedoelde miskenning door het hof zich voordoet.
3.39
De
motiveringsklachtin het subonderdeel kan evenmin slagen. Ik licht toe.
3.4
Voor zover de klacht veronderstelt dat het hof tot het oordeel komt dat [verweerder] als de bestuurder van Seguros in het kader van de mondelinge overeenkomst tussen partijen heeft gehandeld in diens eigen belang (dus dat van [verweerder] ) en ten koste van het vennootschappelijk belang (dus dat van Seguros), [69] mist de klacht feitelijke grondslag. Op de keper beschouwd, velt het hof zo’n oordeel niet. Zie onder 3.33-3.38 hiervoor.
3.41
Ook voor het overige strandt de klacht. Zij noemt - gelijk de schriftelijke toelichting daarop [70] - geen enkele stelling van partijen in feitelijke instanties, laat staan met vindplaats in de gedingstukken. Dit acht ik hier al fataal. Ten overvloede nog dit.
3.42
In de gedingstukken van Seguros in eerste aanleg lees ik bij het daarin gedane beroep op dwaling geen betoog van de strekking dat en waarom de wetenschap van [verweerder] ten tijde van de mondelinge overeenkomst tussen [verweerder] en Seguros, ook al was hij toen haar bestuurder, niet ook geldt als wetenschap van Seguros in die tijd. [71] Dit gaat ook op wat betreft haar gedingstukken in hoger beroep voor de MvG i.a., de MvA, haar akte opgave verhinderdata tevens houdende vermindering van eis en haar pleitaantekeningen, alsook voor haar opmerkingen die blijken uit het p-v. [72] Onder dit gesternte acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.11 tussenvonnis, wat betreft het beroep van Seguros op vernietiging van die overeenkomst wegens dwaling, niet wijst op een dergelijk betoog van Seguros.
3.43
Dan resteert het enige gedingstuk van Seguros in hoger beroep volgend op het tussenvonnis: de akte na tussenvonnis. Voor zover daarin al een dergelijk betoog van Seguros valt te ontwaren, in het bijzonder wat betreft een beroep door haar op vernietiging van de mondelinge overeenkomst wegens dwaling, [73] draait dit volgens het hof in rov. 3.10 eindvonnis om de redenering dat de gestelde omstandigheid “dat [betrokkene 1] de dwaling later heeft ontdekt” [74] in de weg zou staan aan toerekening aan Seguros van de wetenschap van [verweerder] , haar bestuurder. Ik acht deze uitleg niet onbegrijpelijk. Dat het hof blijkens die rov. 3.10 niet meegaat in die redenering, acht ik onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Zie ook onder 3.36 hiervoor.
3.44
Daarmee is gegeven dat onderdeel II.2 faalt.
Onderdeel II.3(“Tegenstrijdig belang en de maatstaf voor (interne) bestuurdersaansprakelijkheid”)
3.45
Het onderdeel vangt aan met een weergave van rov. 3.14-3.19 tussenvonnis, en vervolgt met acht subonderdelen (3.1 t/m 3.8).
3.46
Subonderdeel 3.1stelt dat het oordeel in rov. 3.14 tussenvonnis onjuist is, omdat het hof miskent dat art. 2:11 lid 4 BWC Pro reeds vóór 2014, toen de beweerde mondelinge overeenkomst werd gesloten, is geschrapt. Het oordeel dat de wet vanwege het bestaan van een tegenstrijdig belang [verweerder] hooguit verplichtte tot het doen van een melding daarvan aan de algemene vergadering van Seguros, gaat daarom uit van een onjuiste rechtsopvatting.
Behandeling
3.47
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.48
Het komt mij nuttig voor om de wettelijke tegenstrijdigbelangregeling van vóór en na 1 januari 2012 woordelijk weer te geven.
Art. 2:11 BWC Pro (oud) [75]
1. De rechtspersoon wordt bij rechtshandelingen met of rechtsgedingen tegen een bestuurder vertegenwoordigd door de raad van commissarissen. Ontbreekt een raad van commissarissen dan wordt de rechtspersoon vertegenwoordigd door de overige bestuurders tezamen of, zo deze ontbreken, door een voor dat geval door de algemene vergadering aan te wijzen persoon. Bij de stichting geschiedt de aanwijzing door de rechter op verzoek van een belanghebbende.
2. Van het bepaalde in het eerste lid kan in de statuten of in een krachtens de statuten door de algemene vergadering, bij de stichting door een ander orgaan, vastgesteld reglement worden afgeweken. Daarbij kunnen ook bijzondere regels inzake de besluitvorming bij tegenstrijdig belang worden vastgesteld. De regeling kan mede betrekking hebben op tegenstrijdige belangen tussen de rechtspersoon enerzijds, een commissaris, lid of aandeelhouder anderzijds.
3. De algemene vergadering is steeds bevoegd om, met gehele of gedeeltelijke terzijdestelling van het eerste lid, de statutaire regeling of het daarop gebaseerde reglement, voor gevallen als bedoeld in het eerste lid, dan wel voor andere gevallen van tegenstrijdig belang tussen de rechtspersoon en een bestuurder, commissaris, lid of aandeelhouder, incidenteel of voor een bepaalde periode, een of meer personen als bijzonder vertegenwoordiger van de rechtspersoon aan te wijzen.
4. De bestuurder of commissaris die weet of behoort te begrijpen dat ter zake van een voorgenomen rechtshandeling sprake is van een tegenstrijdig belang tussen hem en de rechtspersoon, bevordert zoveel mogelijk dat de algemene vergadering, of de aangewezen bijzonder vertegenwoordiger, daarvan tijdig op de hoogte worden gesteld. Indien geen bijzonder vertegenwoordiger is aangewezen geldt het bepaalde in dit lid niet voor de bestuurder of commissaris van een vennootschap waarvan de aandelen op een beurs verhandeld worden, tenzij de statuten anders bepalen.
5. Bij de besluitvorming in de algemene vergadering ingevolge het derde lid heeft degene wiens tegenstrijdig belang in het geding is geen stemrecht. Hetzelfde geldt voor een door de betrokkene beheerste rechtspersoon.
Art. 2:11 BWC Pro (nieuw)
1. De bevoegdheid ter zake van rechtshandelingen met of rechtsgedingen tegen een bestuurder berust bij de raad van commissarissen. Ontbreekt een raad van commissarissen dan berust deze bevoegdheid bij de algemene vergadering of een voor dat geval door de algemene vergadering aan te wijzen persoon of orgaan. Bij de stichting geschiedt de aanwijzing door de rechter op verzoek van een belanghebbende.
2. Van het eerste lid kan in de statuten worden afgeweken. Daarvan kan ook worden afgeweken in een krachtens de statuten door de algemene vergadering, bij de stichting door een ander orgaan dan het bestuur, vastgesteld reglement.
3.49
Bij de wetswijziging van 1 januari 2012 is (onder meer) het vierde lid van art. 2:11 BWC Pro, waarnaar het hof verwijst in rov. 3.14 tussenvonnis, komen te vervallen, zodat de daarin vervatte “informatieplicht” [76] niet meer geldt. In zoverre is de verwijzing van het hof naar dat artikel - inderdaad - onterecht. Dit punt, en daar draait het subonderdeel om, [77] kan Seguros evenwel niet baten. [78]
3.5
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat lid 4 is bedoeld om lid 3 “meer inhoud te geven”. [79] Wel kan niet-nakoming daarvan in beginsel aan de bestuurder of commissaris als onbehoorlijke taakvervulling worden toegerekend. [80] Daarnaast volgt uit de wetgeschiedenis dat desgewenst een regeling in de geest van (het destijds ook geschrapte) lid 3 in de statuten of een daarop gebaseerd reglement kan worden opgenomen, en dat daarin ook elementen als bedoeld in lid 4 kunnen worden opgenomen. [81] Gelet op rov. 3.14, laatste zin tussenvonnis valt aan te nemen dat de statuten van Seguros niet gewijzigd zijn naar aanleiding van het schrappen van lid 4 en dus dat (de algemene vergadering van) Seguros geen aanleiding zag (alsnog), langs die weg, een dergelijke verplichting in het leven te roepen.
3.51
Het in rov. 3.14 tussenvonnis besloten liggende oordeel van het hof dat [verweerder] inzake het tegenstrijdig belang niet een daarop toegespitste wettelijke of statutaire informatieplicht heeft geschonden, en hem in zoverre geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, geeft, tegen deze achtergrond, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij zij bedacht dat het subonderdeel - net als de schriftelijke toelichting daarop [82] - ook niet wijst op een dergelijke informatieplicht, noch op een andere, op het tegenstrijdig belang toegespitste wettelijke of statutaire plicht die [verweerder] geschonden zou hebben.
3.52
Door het schrappen van lid 4 is bovendien een wettelijke verplichting (de genoemde informatieplicht) voor de geconflicteerde bestuurder komen te vervallen. Dit betekent dat [verweerder] dienaangaande in september 2014 volgens art. 2:11 BWC Pro tot minder gehouden was dan vóór 1 januari 2012 het geval was. Op deze grond kan het oordeel van het hof aldus niet gunstiger uitvallen voor Seguros, te meer nu het hof vaststelt dat [verweerder] in september 2014 de algemene vergadering van Seguros op de hoogte hééft gesteld van het tegenstrijdig belang inzake de mondelinge overeenkomst. [83] , [84]
3.53
Subonderdeel 3.2bevat de volgende vier (deels gemengde) klachten.
a. Het oordeel in rov. 3.14-3.19 tussenvonnis is onjuist, omdat het hof miskent dat een bestuurder die besluit of anderszins handelt met veronachtzaming van de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang reeds daarom in strijd handelt met zijn verplichting tot een behoorlijke taakvervulling als bedoeld in art. 2:14 BWC Pro en jegens de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade.
b. Dat geldt temeer in een geval als dit, waar in cassatie tot uitgangspunt dient dat de bestuurder wist of moest weten dat het voorgenomen handelen (in strijd met het aanwezige tegenstrijdig belang) financiële (en/of fiscale) risico’s met zich zou brengen voor de vennootschap.
c. Althans is dit oordeel van het hof onjuist, omdat het miskent dat indien een bestuurder besluit of anderszins handelt met veronachtzaming van de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang, dit een zwaarwegende omstandigheid vormt in het kader van de vraag of de bestuurder in strijd handelt met zijn verplichting tot een behoorlijke taakvervulling (art. 2:14 BWC Pro).
d. In ieder geval is dit oordeel van het hof onjuist en/of onbegrijpelijk, omdat het in het kader van de vraag of de bestuurder in strijd handelt met zijn verplichting tot een behoorlijke taakvervulling (art. 2:14 BWC Pro) onvoldoende acht heeft geslagen op de in cassatie tot uitgangspunt dienende omstandigheid dat [verweerder] ter zake van het belonings-/pensioenpakket heeft besloten of anderszins heeft gehandeld met veronachtzaming van de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang.
Behandeling
3.54
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.55
Ik begin met
klacht a.
3.55.1
Zij is enigszins cryptisch geformuleerd. De schriftelijke toelichting werpt evenwel licht op de strekking van de klacht. [85] Het hof zou hebben miskend dat [verweerder] reeds het verwijt van onbehoorlijke taakvervulling kan worden gemaakt, en hij dus jegens Seguros aansprakelijk is voor haar daaruit voortvloeiende schade, omdat [verweerder] met een tegenstrijdig belang heeft gehandeld. Kortom: “het handelen met een tegenstrijdig belang [leidt] reeds op zichzelf tot bestuurdersaansprakelijkheid”. [86] Hoe de bestuurder bij zijn handelen met het tegenstrijdig belang is omgegaan, doet er dan niet meer toe. [87]
3.55.2
De door de klacht voorgestane opvatting, die het hof niet huldigt, vindt evenwel geen steun in het recht. Ik licht toe.
3.55.3
Art. 2:14 lid 1 BWC Pro bepaalt dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak.
3.55.4
Interne bestuurdersaansprakelijkheid naar Curaçaos recht is geregeld in art. 2:14 lid 4 BWC Pro:
“Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk ter zake van onbehoorlijk bestuur. Niet aansprakelijk is echter de bestuurder aan wie, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken en de periode gedurende welke hij in functie is geweest, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, mits hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.”
3.55.5
Zoals bevestigd door de Hoge Raad is voor aansprakelijkheid uit dien hoofde van de bestuurder tegenover de door hem bestuurde rechtspersoon vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. [88] Dit betreft een hoge aansprakelijkheidsdrempel. [89]
3.55.6
Dat een bestuurder handelt met een tegenstrijdig belang is allicht een relevante omstandigheid in dit verband. Maar die enkele omstandigheid constitueert nog geen interne bestuurdersaansprakelijkheid. Een dergelijke benadering strookt noch met de idee dat interne bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 2:14 lid 4 BWC Pro vergt dat de bestuurder een ernstig
verwijtkan worden gemaakt, noch met de hoge drempel voor interne bestuurdersaansprakelijkheid die besloten ligt in de eis van een
ernstigverwijt, noch met het inherent contextuele karakter van interne bestuurdersaansprakelijkheid. [90]
3.55.7
Daarbij zij bedacht dat de enkele aanwezigheid van een tegenstrijdig belang bij bestuurlijk handelen wel een relevant feitelijk gegeven is, maar niet zonder meer iets waarvan de bestuurder een verwijt (laat staan: een ernstig verwijt) valt te maken. Het gaat erom hoe de bestuurder bij zijn handelen met dat tegenstrijdig belang is omgegaan. [91] We komen dan in de sfeer van op een dergelijke situatie toegesneden gedragsnormen voor de bestuurder, en een gevalsafhankelijk beoordeling daarvan. [92] In dit licht valt ook rov. 3.6 eindvonnis te verstaan: een tegenstrijdig belang stelt de bestuurder niet buiten staat om de functie uit te oefenen, maar kan bepaalde verplichtingen voor de bestuurder meebrengen bij het uitoefenen van de functie.
3.55.8
Ik lees in de wetsgeschiedenis geen hiervan afwijkende benadering. [93] Bij art. 2:11 BWC Pro is opgemerkt dat het gelet op lid 2 statutenmakers vrijstaat om de tegenstrijdigbelangregeling in lid 1 geheel weg te schrijven of een andere, meeromvattende regeling te treffen. En dat hierbij bedacht moet worden dat hoe de tegenstrijdigbelangregeling ook luidt, degene die besluit of anderszins handelt met veronachtzaming van overwegingen aangaande tegenstrijdig belang zich blootstelt aan het verwijt van onbehoorlijke taakvervulling. [94]
3.55.9
Van deze laatste zin maakt de schriftelijke toelichting [95] dat daarmee:
“de Curaçaose wetgever een strenge sanctie [heeft] gesteld op handelen met een tegenstrijdig belang: wie handelt met een tegenstrijdig belang, stelt zich bloot aan het verwijt van onbehoorlijke taakvervulling en kan dus reeds op die grond aansprakelijk worden gehouden voor de schade die de vennootschap door dat handelen lijdt.” [96]
Dit mist evenwel feitelijke grondslag in die wetsgeschiedenis. Want daar gaat het over iets anders, namelijk bestuurlijk handelen “met veronachtzaming van overwegingen aangaande tegenstrijdig belang”. Zie onder 3.55.8 hiervoor. Kortom: hoe voor de rechtspersoon in kwestie de tegenstrijdigbelangregeling ook luidt, de bestuurder die handelt met een tegenstrijdig belang én daarmee in de gegeven omstandigheden fout omgaat, stelt zich bloot aan (lees: riskeert) het verwijt van onbehoorlijke taakvervulling. [97]
3.55.10
Tot slot: ik lees de door de klacht voorgestane opvatting evenmin terug in de feitenrechtspraak waarop nog een beroep wordt gedaan door Seguros. [98] Daarin komt wel als omstandigheid terug dat wordt gehandeld met een tegenstrijdig belang, maar staat niet dat deze enkele omstandigheid reeds bestuurdersaansprakelijkheid constitueert. [99] Het gaat ook hier steeds om de wijze waarop door de desbetreffende actor is omgegaan met het tegenstrijdig belang.
3.56
Dan
klacht b.
3.56.1
Voor zover de klacht voortbouwt op klacht a (“Dat geldt temeer”, etc.), die dus faalt, deelt zij in dit lot.
3.56.2
Ook overigens strandt de klacht, in lijn met de bespreking van klacht a. Want ook als wordt aangenomen dat in cassatie tot uitgangspunt dient dat [verweerder] wist of moest weten dat het voorgenomen handelen waarbij hij een tegenstrijdig belang had [100] bepaalde risico’s voor Seguros zou meebrengen, volgt daaruit niet dat ‘dus’ [verweerder] dienaangaande aansprakelijk is jegens Seguros op de voet van art. 2:14 lid 4 BWC Pro. Zo’n benadering is nog steeds te categorisch. [101] Het gaat erom of [verweerder] , gelet op alle omstandigheden van het geval, een ernstig verwijt te maken valt.
3.56.3
Het subonderdeel en daarmee ook de klacht gaat trouwens geheel voorbij aan het eindvonnis, specifiek rov. 3.7-3.8 waarin het hof alles afwegend, met oog ook voor het partijdebat, de slotsom bereikt dat het beroep van Seguros op bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerder] jegens haar dient te worden verworpen. Kort en goed: gelet op alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het tegenstrijdig belang, kan ter zake aan [verweerder] geen ernstig verwijt worden gemaakt.
3.57
Dan
klacht c.
3.57.1
Ook zij is enigszins cryptisch geformuleerd. Ook hier werpt de schriftelijke toelichting evenwel licht op de strekking van de klacht. Het hof zou hebben miskend dat het handelen met een tegenstrijdig belang bij de omstandighedenweging voor de vraag of sprake is van een ernstig verwijt, een zwaarwegende omstandigheid vormt die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. [102] Daarbij wordt - ten onrechte dus - weer geredeneerd vanuit het in de wetsgeschiedenis “tot uitdrukking gebrachte verbod om te handelen met een tegenstrijdig belang”. [103]
3.57.2
De door de klacht voorgestane opvatting, die het hof evenmin huldigt, vindt evenmin steun in het recht. Ik licht weer toe.
3.57.3
De klacht zoekt blijkens de schriftelijke toelichting aansluiting bij Hoge Raad-rechtspraak, ook inzake art. 2:14 lid 4 BWC Pro, waaruit volgt dat sprake kan zijn van een zwaarwegende omstandigheid (handelen in strijd met een of meer statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen) die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. [104] Volgens die toelichting ligt toepassing naar analogie van deze techniek (“rechtsregel”) hier voor de hand, ook al handelde [verweerder] door zijn handelen met een tegenstrijdig belang niet in strijd met een statutaire bepaling, nu de statuten van Seguros geen tegenstrijdigbelangregeling bevatten. [105]
3.57.4
Deze parallel gaat niet op.
3.57.5
In die Hoge Raad-rechtspraak is sprake van een situatie waarin de bestuurder heeft gehandeld in strijd met een bepaalde regel, daar een of meer statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen. Mede gelet op het fundamentele karakter van die (geschonden) regel is dan sprake van een omstandigheid van een zodanig gewicht, dat in beginsel aangenomen kan worden dat de bestuurder het voor interne bestuurdersaansprakelijkheid vereiste ernstig verwijt te maken valt. [106] Ingeval een bestuurder handelt met een tegenstrijdig belang, is evenwel zonder meer nog geen sprake van een normschending: het gaat erom hoe de bestuurder bij zijn handelen met dat tegenstrijdig belang, een feitelijk gegeven, is omgegaan. Dit is naar Curaçaos recht niet anders. Zie onder 3.55.3-3.55.10 hiervoor.
3.57.6
Hieruit volgt dat in zo’n geval (het enkele handelen met tegenstrijdig belang), dat wezenlijk verschilt van voornoemde situatie (de schending van een of meer statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen), geen grond bestaat voor toepassing van de ‘zwaarwegende omstandigheid’-techniek waarop de klacht doelt.
3.57.7
De klacht werpt blijkens de schriftelijke toelichting nog als relevant op “dat in het Nederlandse recht schending van de (in artikel 2:129/139 lid 6 BWNL verankerde) tegenstrijdig-belangregeling spoedig leidt tot aansprakelijkheid”, dat “dan [d]e hoge drempel voor interne aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BWNL Pro in verminderde mate aan de orde [is]”. [107]
3.57.8
Ook dit baat Seguros niet. Want wat daarvan verder zij, daarbij gaat het om schending door de bestuurder van een wettelijke tegenstrijdigbelangregeling naar Nederlands recht en inpassing daarvan in de ‘zwaarwegende omstandigheid’-techniek waarop de klacht doelt. Dat is evenwel een wezenlijk andere situatie dan die hier tot uitgangspunt wordt genomen, neerkomend op het enkele handelen door [verweerder] met een tegenstrijdig belang.
3.58
Tot slot
klacht d.
3.58.1
Zij maakt nog geen begin met uit te leggen wat wordt bedoeld met de stelling dat het hof “onvoldoende acht heeft geslagen op de in cassatie tot uitgangspunt dienende omstandigheid dat [verweerder] (…) heeft gehandeld met veronachtzaming van de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang”. Wat wordt in het bijzonder bedoeld met “onvoldoende”? Voor zover dit een rechtsklacht betreft, verzuimt zij te onderbouwen waarom het recht is geschonden. Voor zover dit een motiveringsklacht betreft, verzuimt zij te onderbouwen waarom sprake is van een onbegrijpelijk oordeel. Voor zover die motiveringsklacht is geschraagd op stellingen die zijn aangevoerd in feitelijke instanties, verzuimt zij bovendien de relevante vindplaatsen te benoemen. Dit is al fataal.
3.58.2
Volledigheidshalve merk ik op dat de schriftelijke toelichting op de klacht niet tot een andere uitkomst leidt, nog daargelaten dat de klacht als zodanig in ieder geval de ondergrens van de aan een middel te stellen eisen moet aantikken, wat dus niet het geval is. Dat zit zo.
3.58.3
In die toelichting wordt eerst opgemerkt dat ‘s hofs oordelen in rov. 3.14-3.19 tussenvonnis uitmonden in het oordeel in rov. 3.8 eindvonnis “dat Seguros ten aanzien van die aanvullende omstandigheden [ik begrijp: in rov. 3.16-3.19 tussenvonnis, A-G] onvoldoende heeft aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat [verweerder] een ernstig verwijt kan worden gemaakt”, op grond waarvan het hof “het beroep op bestuurdersaansprakelijkheid [verwerpt]”. [108]
3.58.4
Dit is te kort door de bocht, gelet op de akte na tussenvonnis waarop het hof ingaat in rov. 3.7-3.8 eindvonnis. In die rov. 3.7 verwerpt het hof, uitvoerig gemotiveerd, de stelling van Seguros dat de rol van [betrokkene 1] niet van belang is omdat hij geen procespartij is. Daarbij benadrukt het hof dat een en ander relevant is voor de beoordeling of [verweerder] al dan niet een ernstig verwijt treft. In die rov. 3.8 legt het hof uit dat wat Seguros wel heeft aangevoerd in de akte na tussenvonnis, daarbij onderkennend dat zij op lang niet alle vragen van het hof is ingegaan, [109] onvoldoende is om te kunnen aannemen dat [verweerder] een ernstig verwijt te maken valt. Daaraan gaat de schriftelijke toelichting geheel voorbij.
3.58.5
In die toelichting wordt verder opgemerkt dat het hof, kennelijk specifiek door diens oordelen in rov. 3.16-3.19 tussenvonnis over “allerhande aanvullende omstandigheden”, onvoldoende aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat [verweerder] heeft gehandeld met een tegenstrijdig belang (dit “goeddeels [heef] laten ondersneeuwen”). Daarom zou ‘s hofs oordeel in rov. 3.14-3.19 tussenvonnis onjuist zijn. [110]
3.58.6
Ook hier blijft onduidelijk waarin dan precies de pijn schuilt in het bestreden oordeel. Daarbij verdient opmerking dat het hof in dat oordeel - terecht - onderkent dat [verweerder] een tegenstrijdig belang had inzake de mondelinge overeenkomst, maar niet alleen, want ook in aanmerking neemt - evenzeer terecht - dat bezien moet worden hoe [verweerder] daarmee is omgegaan. [111] Daaraan doet dus niet af wat het hof vooropstelt in rov. 3.14 tussenvonnis, integendeel. Zie ook onder 3.55.3-3.55.10 hiervoor. Daarbij verdient verder opmerking dat de schriftelijke toelichting hier abstraheert van het eindvonnis, terwijl het hof ook daar - wederom: terecht - dit tegenstrijdig belang onderkent en in aanmerking neemt hoe [verweerder] daarmee is omgegaan. [112] Zie ook onder 3.57.5 en 3.58.4 hiervoor.
3.58.7
In die toelichting wordt ten slotte opgemerkt dat rov. 3.14-3.19 tussenvonnis althans onbegrijpelijk is, omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom voornoemde omstandigheid “van zo weinig betekenis mocht worden geacht bij de beoordeling van het beroep van de bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerder] ”. [113]
3.58.8
Naar reeds volgt uit het voorgaande, wordt daarmee geen recht gedaan aan hetgeen het hof in werkelijkheid doet in het tussenvonnis en het eindvonnis.
3.59
Subonderdeel 3.3stelt, samengevat, dat het slagen van subonderdeel 3.2 ook het oordeel van het hof in rov. 3.6 eindvonnis aantast. Het subonderdeel herhaalt in dat verband de klachten a t/m d in subonderdeel 3.2 en verklaart deze in wezen van overeenkomstige toepassing op het oordeel in rov. 3.6 eindvonnis.
Behandeling
3.6
Het subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van subonderdeel 3.2, dat dus faalt. [114] Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.61
Subonderdeel 3.4stelt, samengevat, dat het oordeel in rov. 3.16-3.19 tussenvonnis onjuist is, voor zover het hof daarin overweegt dat (pas) een ernstig verwijt zijdens [verweerder] kan worden aangenomen als bij het afsluiten van de mondelinge overeenkomst rekening moest worden gehouden met de aanmerkelijke kans dat Seguros het voor [verweerder] bedongen beloningspakket niet zou kunnen dragen zonder in ernstige financiële problemen te komen. Aldus verbindt het hof eerst een consequentie aan het handelen “in strijd met een tegenstrijdig belang” door [verweerder] , indien op voorhand een aanmerkelijke kans bekend was (of redelijkerwijs moest zijn) dat de vennootschap als gevolg daarvan ernstige financiële problemen zou ondervinden. Die rechtsopvatting kan niet worden gevolgd, omdat het hof zo feitelijk de onbehoorlijke taakvervulling van een bestuurder slechts dan sanctioneert als de consequenties daarvan voor de vennootschap in financiële termen ernstig zijn, althans een reëel risico daarop bestaat. Met die rechtsopvatting zou het hof ook miskennen dat het handelen van een bestuurder op het belang van de vennootschap gericht moet zijn (art. 2:8 lid 3 BWC Pro). Niet kan worden aangenomen dat het vennootschappelijk belang pas prevaleert boven het eigen belang van de bestuurder als zo’n aanmerkelijk kans op ernstige financiële problemen bij de vennootschap bestaat (en kenbaar was voor de bestuurder).
Behandeling
3.62
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.63
Het subonderdeel houdt er een te enge lezing van het oordeel van het hof op na, en strandt daarmee reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag. Ik licht toe.
3.63.1
In rov. 3.16 tussenvonnis overweegt het hof - niet in exclusieve zin, veeleer als gezichtspunt bij de art. 2:14 lid 4 BWC Pro-beoordeling - dat [verweerder] een ernstig verwijt kan worden gemaakt indien geoordeeld moet worden dat hij bij het afsluiten van de mondelinge overeenkomst rekening moest houden met een aanmerkelijke kans dat Seguros het voor [verweerder] bedongen beloningspakket niet zou kunnen dragen zonder in ernstige financiële moeilijkheden te komen. Dit was een belang van Seguros dat [verweerder] zich als bestuurder diende aan te trekken, aldus het hof.
3.63.2
In rov. 3.17-3.18 tussenvonnis zet het hof vervolgens, kort samengevat, een mededelingsplicht voor [verweerder] en een onderzoeksplicht voor [betrokkene 1] uiteen. Deze overwegingen zijn erop geënt dat enerzijds [verweerder] - ook uit hoofde van zijn taak als bestuurder van Seguros en mede gelet op het tegenstrijdige belang, waarover reeds rov. 3.14 tussenvonnis - gehouden was een zekere transparantie te betrachten jegens [betrokkene 1] over de fiscale risico’s en de vraag of een aanmerkelijke kans bestond dat Seguros het beloningspakket niet zou kunnen dragen zonder in ernstige financiële moeilijkheden te komen, en dat anderzijds [betrokkene 1] - als UBO van Abaque, die de aandelen in Seguros kocht - gehouden was deugdelijk onderzoek te doen naar de financiële positie van Seguros, zo nodig door een due diligence uit te voeren. Hoe ver die onderzoeksplicht hier reikt, hangt volgens het hof onder meer af van de vraag welke informatie [verweerder] aan [betrokkene 1] heeft verschaft en in hoeverre [betrokkene 1] redelijkerwijs mocht aannemen dat die informatie juist en volledig was.
3.63.3
In rov. 3.19 tussenvonnis komt het hof vervolgens tot het voorshandse oordeel dat [verweerder] bij de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst onvoldoende openheid van zaken aan [betrokkene 1] heeft gegeven en dat [verweerder] zich (mede daardoor) ook het belang van Seguros onvoldoende heeft aangetrokken. Of dit ook een ernstig verwijt oplevert, hangt volgens het hof “onder meer” af van de vraag hoe de financiële situatie van Seguros in 2014 was, wat toen de financiële vooruitzichten waren, wat [verweerder] daarvan wist of had behoren te weten, en wat [betrokkene 1] daarvan wist of had behoren te onderzoeken.
3.63.4
Ik versta deze overwegingen zo dat het hof in rov. 3.19 tussenvonnis, met inachtneming van rov. 3.16-3.18 tussenvonnis, ten eerste voorshands vaststelt dat sprake is van een normschending door [verweerder] omdat hij, kort gezegd, (mede) door het onvoldoende openheid van zaken te geven aan [betrokkene 1] zich het belang van Seguros onvoldoende heeft aangetrokken. In het vervolg van rov. 3.19 tussenvonnis laat het hof het antwoord op de vraag of voornoemde normschending een ernstig verwijt oplevert, “onder meer” afhangen van die daar genoemde aspecten.
3.63.5
Ik lees hierin, anders dan het subonderdeel, [115] niet dat het hof pas - in termen van ernstig verwijt - in algemene zin een consequentie aan het handelen “in strijd met een tegenstrijdig belang” door [verweerder] verbindt, indien op voorhand een aanmerkelijke kans bekend was (of redelijkerwijs moest zijn) dat Seguros als gevolg daarvan ernstige financiële problemen zou ondervinden. Evenmin lees ik hierin, anders dan het subonderdeel, [116] dat volgens het hof in algemene zin het belang van de vennootschap pas prevaleert boven het eigen belang van de bestuurder op het moment dat er een aanmerkelijk risico op ernstige financiële problemen bij de vennootschap bestaat (en kenbaar was voor de bestuurder). Zoiets staat nergens in het tussenvonnis. Bovendien blijkt nergens uit dat het hof daarbij abstraheert van het tegenstrijdige belang van [verweerder] , waarover dus reeds rov. 3.14 tussenvonnis. Zie ook onder 3.69-3.69.6 hierna.
3.63.6
Dit een en ander strookt met rov. 3.15 tussenvonnis. Daar overweegt het hof:
- dat [verweerder] ten tijde van de mondelinge overeenkomst in 2014 moet hebben geweten dat Seguros een fiscaal risico liep doordat zij pensioen aan hem toekende terwijl hij ouder was dan 65 jaar;
- dat het in het belang van Seguros was dat dit risico zou worden vermeden;
- dat [verweerder] zich dit belang als bestuurder van Seguros diende aan te trekken.
3.63.7
Dit een en ander strookt bovendien met het eindvonnis, in het bijzonder rov. 3.6-3.8, samengevat onder 2.20 hiervoor. Daaruit blijkt immers evenmin dat het hof pas - in termen van ernstig verwijt - in algemene zin een consequentie aan het handelen “in strijd met een tegenstrijdig belang” door [verweerder] verbindt, indien op voorhand een aanmerkelijke kans bekend was (of redelijkerwijs moest zijn) dat Seguros als gevolg daarvan ernstige financiële problemen zou ondervinden. Noch dat volgens het hof in algemene zin het belang van de vennootschap pas prevaleert boven het eigen belang van de bestuurder op het moment dat er een aanmerkelijk risico op ernstige financiële problemen bij de vennootschap bestaat (en kenbaar was voor de bestuurder). Zoiets staat nergens in het eindvonnis. Bovendien blijkt nergens uit dat het hof daarbij abstraheert van het tegenstrijdige belang van [verweerder] , waarover reeds rov. 3.6 eindvonnis. Zie ook weer onder 3.69-3.69.6 hierna.
3.64
Subonderdeel 3.5stelt, samengevat, dat het slagen van subonderdeel 3.4 ook het oordeel van het hof in rov. 3.8 eindvonnis aantast, omdat het hof daarin dezelfde onjuiste maatstaf zou hanteren als bedoeld in subonderdeel 3.4.
Behandeling
3.65
Het subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van subonderdeel 3.4, dat dus faalt. [117] Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.66
Subonderdeel 3.6stelt voorop dat het oordeel in rov. 3.17-3.19 tussenvonnis in ieder geval onjuist is, voor zover het hof relevant acht in hoeverre [verweerder] aan [betrokkene 1] , als beoogd opvolgend ‘ultimate beneficial owner’, voldoende openheid van zaken heeft gegeven over de financiële situatie bij Seguros en in hoeverre [betrokkene 1] zelf deugdelijk onderzoek naar de financiële positie van Seguros heeft gedaan. Ter uitwerking van deze rechtsklacht voert het subonderdeel, samengevat, de volgende subklachten aan.
a. Het hof weegt aldus voor de vraag of [verweerder] jegens Seguros aansprakelijk is, mee in hoeverre [verweerder] aan de beoogd koper van Seguros ( [betrokkene 1] /Abaque) voldoende informatie over (de financiële situatie van) Seguros heeft verschaft, en in hoeverre die beoogd koper zelf voldoende onderzoek naar Seguros heeft gedaan. Dat is onjuist, omdat de verhouding tussen [verweerder] en [betrokkene 1] /Abaque niet ter zake doet voor de vordering van Seguros gegrond op bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerder] jegens haar.
b. Het oordeel is bovendien onjuist, omdat het hof aldus tot uitgangspunt neemt dat het antwoord op de vraag of [verweerder] openheid van zaken over Seguros heeft gegeven tegenover [betrokkene 1] , en of [betrokkene 1] zelf voldoende onderzoek naar Seguros heeft gedaan, zou kunnen meebrengen dat de beslissing van [verweerder] om zichzelf een riant beloningspakket toe te kennen ten koste van Seguros toch geen onbehoorlijke taakvervulling jegens Seguros zou opleveren, zelfs als daarmee door [verweerder] en/of [betrokkene 1] een aanmerkelijk risico op ernstige financiële moeilijkheden bij Seguros op de koop toe was genomen. Daarmee verliest het hof ten onrechte het eigen belang van de vennootschap (Seguros), waarop het handelen van [verweerder] als haar bestuurder gericht moet zijn, uit het oog.
c. Het hof verliest met dit oordeel ten onrechte ook uit het oog dat [betrokkene 1] , als toekomstig ‘ultimate beneficial owner’ (indirect aandeelhouder), in beginsel zijn eigen belang mag nastreven (binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:7 lid 1 BWC Pro) en zich niet steeds naar het belang van de vennootschap (Seguros) hoeft te richten. Ook die juridische constatering brengt mee dat de vraag of [betrokkene 1] adequaat is geïnformeerd en/of adequaat onderzoek heeft gedaan naar de financiële positie van Seguros niet, althans niet zonder meer, kan meebrengen dat de beslissing van [verweerder] zichzelf een beloningspakket toe te kennen geen onbehoorlijke taakvervulling meer zou zijn ten opzichte van de vennootschap.
3.67
Tot slot formuleert het subonderdeel de motiveringsklacht dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is, nu zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom de informatiepositie van [betrokkene 1] enig belang zou toekomen voor de aansprakelijkheid van [verweerder] jegens Seguros.
Behandeling
3.68
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.69
Ik stel voorop dat het hof in de beoordeling inzake de bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerder] jegens Seguros op de voet van art. 2:14 lid 4 BWC Pro in rov. 3.14-3.19 tussenvonnis - terecht - redeneert vanuit het belang van Seguros dat [verweerder] zich als haar bestuurder diende aan te trekken, met oog ook voor de omstandigheden van dit geval. Hetzelfde geldt voor het eindvonnis, in het bijzonder rov. 3.6-3.9; daar trekt het hof deze lijn door. Dat zit zo.
3.69.1
In rov. 3.15 overweegt het hof, samengevat, dat [verweerder] ervan op de hoogte was dat Seguros een fiscaal risico zou lopen door het toekennen van pensioenrechten aan [verweerder] terwijl hij al ouder was dan 65 jaar. Volgens het hof was het in het belang van Seguros dat dit risico vermeden zou worden en diende [verweerder] zich als bestuurder dit belang aan te trekken. In rov. 3.16 vervolgt het hof door te overwegen dat [verweerder] een ernstig verwijt gemaakt kan worden indien hij bij het afsluiten van de mondelinge overeenkomst rekening moest houden met een aanmerkelijke kans dat Seguros het beloningspakket niet zou kunnen dragen zonder in ernstige financiële mogelijkheden te komen. Ook dit belang van Seguros diende [verweerder] zich als bestuurder aan te trekken.
3.69.2
Zodoende formuleert het hof in rov. 3.15-3.16 in wezen een aantal gezichtspunten met behulp waarvan in dit geval beoordeeld kan worden of [verweerder] in de gegeven omstandigheden een ernstig verwijt kan worden gemaakt, daarbij dus consequent redenerend vanuit het belang van Seguros dat [verweerder] zich als bestuurder diende aan te trekken. Blijkens rov. 3.14 betrekt het hof daarbij ook dat [verweerder] handelde met een tegenstrijdig belang inzake de mondelinge overeenkomst.
3.69.3
In rov. 3.17 voegt het hof daaraan vervolgens toe, samengevat, dat het daarnaast op de weg van [verweerder] lag, ook uit hoofde van zijn taak als bestuurder en mede gelet op het tegenstrijdig belang, om in 2014 vóór de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst (i) te verifiëren of [betrokkene 1] op de hoogte was van het fiscale risico voor Seguros en (ii) met [betrokkene 1] te bespreken of er een aanmerkelijke kans bestond dat Seguros het voor [verweerder] bedongen beloningspakket niet zou kunnen dragen zonder in ernstige financiële moeilijkheden te komen. Deze overweging, waarmee het hof weer een aantal gezichtspunten in kaart brengt, begrijp ik verder zo dat op [verweerder] een zekere mededelingsplicht rustte richting [betrokkene 1] , de (beoogd opvolgend) UBO van Seguros. Die mededelingsplicht vindt evenwel zijn grondslag in de taak van [verweerder] als bestuurder als Seguros, mede gelet op zijn tegenstrijdig belang. In rov. 3.18 mitigeert het hof vervolgens die mededelingsplicht dan weer, door te overwegen dat op [betrokkene 1] een zekere onderzoeksplicht rustte: nog een gezichtspunt.
3.69.4
In verband met rov. 3.17-3.18 wijs ik ook op rov. 3.7 eindvonnis:
“In rov. 3.17-3.18 van het tussenvonnis is het Hof ingegaan op de rol van [betrokkene 1] . In de akte na tussenvonnis heeft Seguros Muskus betoogd dat de rol van [betrokkene 1] niet van belang is, omdat hij geen procespartij is. Zijn rol is echter wel van belang. [betrokkene 1] is immers de opvolger van [verweerder] als ultimate beneficial owner van Seguros Muskus en dit is in 2014 ook zo beoogd (zie rov. 3.9 van het tussenvonnis). Wetenschap die [betrokkene 1] ten tijde van de mondelinge overeenkomst had of had behoren te hebben, geldt in ieder geval vanaf het moment waarop [betrokkene 1] de hoedanigheid van ultimate beneficial owner verkreeg, als wetenschap die Seguros Muskus had of had behoren te hebben. In elk geval is niets aangevoerd om anders aan te nemen. Als [betrokkene 1] onderzoek had behoren te doen dat tot bepaalde wetenschap zou hebben geleid, brengt dat mee dat [betrokkene 1] die wetenschap had behoren te hebben en dus dat ook Seguros Muskus die wetenschap had behoren te hebben, in ieder geval vanaf het moment waarop [betrokkene 1] de hoedanigheid van ultimate beneficial owner verkreeg. Indien [verweerder] bij de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 1] bepaalde wetenschap had en/of een bepaalde onderzoeksplicht kan dat bijdragen aan het oordeel dat [verweerder] geen ernstig verwijt treft.”
3.69.5
Het hof eindigt zijn beoordeling in rov. 3.19 met het voorshandse oordeel dat [verweerder] bij de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven aan [betrokkene 1] en dat hij zich (mede daardoor) ook het belang van Seguros onvoldoende heeft aangetrokken. Of het niet voldoen aan die mededelingsplicht en het zich (mede daardoor) onvoldoende aantrekken van het belang van Seguros ook een ernstig verwijt en dus interne bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerder] oplevert, hangt volgens het hof - zie nog steeds rov. 3.19 - “onder meer” af van de vraag hoe de financiële situatie van Seguros in 2014 was, wat toen de financiële vooruitzichten waren, wat [verweerder] daarvan wist of had behoren te weten, en wat [betrokkene 1] daarvan wist of had behoren te onderzoeken. Dit een en ander raakt ook aan voornoemde gezichtspunten.
3.69.6
In rov. 3.8 eindvonnis zet het hof uiteen, te lezen in het licht van rov. 3.6-3.7 aldaar, waarom het door Seguros gedane beroep op bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerder] jegens haar dient te worden verworpen. Daarbij slaat het hof ook acht op het partijdebat (waaronder de vragen van het hof die Seguros niet heeft behandeld in de akte na tussenvonnis), op de vraag of die aansprakelijkheid kan volgen uit het beleid dat [verweerder] tot 2014 heeft gevoerd, op de vraag of die aansprakelijkheid kan volgen uit het onverantwoord zijn van de pensioenregeling die [verweerder] had bedongen, en op de vraag of die aansprakelijkheid kan volgen uit de informatieverschaffing aan [betrokkene 1] . Daaraan voegt het hof nog toe in rov. 3.9 eindvonnis dat nu de vordering tot vergoeding van fiscale schade is gebaseerd op interne bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerder] en dit dus niet wordt aangenomen, die vordering niet kan worden toegewezen en een onderzoek naar de fiscale schade achterwege kan blijven.
3.7
Bezien tegen deze achtergrond loopt het subonderdeel vast. Ik licht toe.
3.71
Ik begin met de
rechtsklacht, specifiek subklacht a.
3.71.1
Zij ziet eraan voorbij dat het hof in rov. 3.17-3.18 tussenvonnis is ingegaan op de rol van [betrokkene 1] vanuit de gedachte dat indien [verweerder] bij de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 1] als (beoogd opvolgend) UBO van Seguros (via Abaque) bepaalde wetenschap en/of een bepaalde onderzoeksplicht had, dat kan bijdragen aan het oordeel dat [verweerder] als bestuurder van Seguros geen ernstig verwijt treft in de zin van art. 2:14 lid 4 BWC Pro. In die lijn staat ook rov. 3.19 tussenvonnis. Die gedachte licht het hof nog eens toe in rov. 3.7 eindvonnis, geciteerd onder 3.69.4 hiervoor.
3.71.2
Het hof koppelt dit aldus niet aan iets dat buiten Seguros om loopt (een verhouding tussen [verweerder] en [betrokkene 1] /Abaque), want aan [betrokkene 1] als opvolgend UBO (via Abaque) van Seguros (wat in 2014 ook zo beoogd is) en wetenschap die Seguros ter zake via [betrokkene 1] in die hoedanigheid had of had behoren te hebben. [118] Evenmin is het dus zo dat het hof daarmee de beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerder] jegens Seguros zou schragen op een andere verhouding, te weten die tussen [verweerder] en [betrokkene 1] /Abaque.
3.71.3
Ik zie niet waarom deze benadering van het hof blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting inzake de hier te verrichten art. 2:14 lid 4 BWC Pro-beoordeling, met inachtneming van alle omstandigheden van dit geval. De klacht legt ook niet uit waarom dit anders zou zijn. [119]
3.72
Dan subklacht b.
3.72.1
Zij ziet eraan voorbij dat het hof het in de klacht bedoelde uitgangspunt niet hanteert, ook niet in rov. 3.17-3.19 tussenvonnis. Dit uitgangspunt veronderstelt immers dat het hof hier redeneert vanuit iets dat buiten Seguros om loopt (een verhouding tussen [verweerder] en [betrokkene 1] /Abaque), waarbij haar eigen positie en belang als vennootschap niet of niet noemenswaardig spelen (Seguros als een soort passieve derde), wel die van haar bestuurder [verweerder] en haar (beoogde) aandeelhouder [betrokkene 1] /Abaque. [120] Dat is evenwel niet wat het hof doet. Zie onder 3.69-3.71.3 hiervoor.
3.72.2
Evenmin lees ik in het tussenvonnis (of het eindvonnis), anders dan de klacht blijkens de schriftelijke toelichting, dat volgens het hof “bepalend” is “voor de vraag of [verweerder] een ernstig verwijt kan worden gemaakt (…) of [verweerder] aan [betrokkene 1] openheid van zaken over de financiële situatie en vooruitzichten van Seguros heeft gegeven, en of [betrokkene 1] zelf voldoende onderzoek daarnaar heeft gegaan”. [121] Met dit laatste valt of staat het antwoord op die vraag voor het hof niet. Zie weer onder 3.69-3.71.3 hiervoor.
3.73
Tot slot subklacht c.
3.73.1
Zij loopt vast in het voetspoor van de subklachten a en b, want ziet eveneens voorbij aan wat het hof doet in de bestreden oordelen.
3.73.2
Zoals ook bevestiging vindt in de schriftelijke toelichting, veronderstelt de klacht dat het hof [betrokkene 1] enkel beschouwt als (beoogd opvolgend) indirect aandeelhouder van Seguros, maar in te sterke mate aanneemt dat [betrokkene 1] zich in die hoedanigheid dient te richten naar het belang van Seguros. Want een aandeelhouder mag in beginsel als zodanig, binnen de grenzen van art. 2:7 lid 1 BWC Pro, zijn eigen belangen nastreven. “Tegen die achtergrond doet in dit verband niet ter zake of [betrokkene 1] , als indirect aandeelhouder, adequaat is geïnformeerd over de financiële positie van Seguros dan wel daar voldoende onderzoek naar heeft gedaan. Onderaan de streep gaat het alleen om [verweerder] en Seguros, en moet het handelen van [verweerder] in die verhouding worden bezien”. [122] Nog daargelaten in hoeverre die opvatting over wat een aandeelhouder in die hoedanigheid vermag nog houdbaar is: [123] het hof vliegt de zaak wat betreft [betrokkene 1] /Abaque dus bepaald breder aan bij de art. 2:14 lid 4 BWC Pro-beoordeling. Zie onder 3.69-3.72.2 hiervoor. Dit miskent de klacht hier.
3.73.3
Voor zover de klacht in verbinding met de schriftelijke toelichting nog zou klagen over ‘s hofs oordeel inzake wetenschap die [betrokkene 1] had (behoren te hebben), het aanmerken daarvan als wetenschap die Seguros had (behoren te hebben) en de relevantie van een en ander voor voornoemde beoordeling (gelet ook op hetgeen waarvan [verweerder] mocht uitgaan bij de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst), [124] geldt dat er geen rechtsregel is die aan dit - sterk feitelijke - oordeel in de weg staat. Zie ook onder 3.79-3.85 hierna. Voor zover de klacht in verbinding met die toelichting uitgaat van “het feit” dat [verweerder] zijn bevoegdheid Seguros te vertegenwoordigen “heeft misbruikt” door het afsluiten van de mondelinge overeenkomst, [125] geldt dat dit feitelijke grondslag mist in het tussenvonnis (en het eindvonnis) en in cassatie niet tot uitgangspunt dient. Voor zover de klacht in verbinding met die toelichting nog aanvoert dat die wetenschap van [betrokkene 1] niet op zichzelf kan meebrengen dat het handelen van [verweerder] geen onbehoorlijke taakvervulling zou opleveren, [126] geldt dat het hof nergens in het tussenvonnis (of het eindvonnis) een daaraan contrair oordeel geeft.
3.74
Daarmee ontvalt de bodem aan de rechtsklacht.
3.75
De
motiveringsklachttreft evenmin doel. Naar reeds volgt uit 3.69-3.74 hiervoor is ook zonder nadere motivering afdoende duidelijk waarom volgens het hof in rov. 3.17-3.19 tussenvonnis, zoals nog eens toegelicht in rov. 3.7 eindvonnis, in dit geval ten minste enig belang toekomt bij de art. 2:14 lid 4 BWC Pro-beoordeling aan de informatiepositie van [betrokkene 1] , de (beoogd opvolgend) UBO van Seguros (via Abaque). Daaraan doet niet af dat, naar valt te lezen in de schriftelijke toelichting, het hier gaat om “de vraag of [verweerder] een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake van zijn handelen als bestuurder van Seguros Muskus” waarbij “de verhouding tussen [verweerder] en Seguros Muskus centraal [staat]”. [127] Die specifeke informatiepositie is daarbij immers naar de aard ook een relevant te noemen omstandigheid. Voor zover in die toelichting nog wordt aangevoerd dat volgens het hof “doorslaggevende” betekenis moet toekomen aan de informatiepositie van [betrokkene 1] , [128] geldt dat dit feitelijke grondslag mist in het tussenvonnis (en het eindvonnis).
3.76
Subonderdeel 3.7stelt, samengevat, dat het slagen van subonderdeel 3.6 ook het oordeel in rov. 3.7 eindvonnis aantast, omdat het hof op die plaats weer uitgaat van de onjuiste en/of onbegrijpelijke opvatting dat de verhouding tussen [verweerder] en [betrokkene 1] /Abaque relevant zou zijn voor de vordering gegrond op interne bestuurdersaansprakelijkheid.
Behandeling
3.77
Het subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van subonderdeel 3.6, dat dus faalt. [129] Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.78
Subonderdeel 3.8stelt dat het oordeel in rov. 3.7 eindvonnis onjuist is, omdat het hof miskent dat de kennis van [betrokkene 1] , in zijn hoedanigheid van (opvolgend) ‘ultimate beneficial owner’, niet zonder meer kan worden toegerekend aan Seguros. Het hof miskent dat de kennis die “een (groot- en/of enig (indirect)) aandeelhouder” heeft verworven buiten zijn hoedanigheid van deelnemer aan de algemene vergadering van de rechtspersoon, in beginsel niet geldt als kennis van de rechtspersoon. Nu in cassatie tot uitgangspunt dient dat de kennis waarop het hof doelt, is verkregen buiten het bestek van de algemene vergadering van Seguros om, geldt dus als uitgangspunt dat geen toerekening van kennis van [betrokkene 1] (en/of Abaque) aan Seguros moet plaatsvinden. Althans is dit oordeel onbegrijpelijk, nu zonder nadere, ontbrekende toelichting niet valt in te zien waarom in dit geval kennistoerekening moet plaatsvinden. De enkele omstandigheid dat [betrokkene 1] ‘ultimate beneficial owner’ van Seguros is geworden, maakt het oordeel nog niet begrijpelijk, nu dit niets zegt over de vraag waarom zijn buiten de algemene vergadering om verkregen kennis toch aan Seguros moet worden toegerekend.
Behandeling
3.79
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.8
Het hof gaat in het tussenvonnis en het eindvonnis in op de rol en hoedanigheid van [betrokkene 1] .
- Zo stelt het hof in rov. 3.1.6 tussenvonnis vast dat [betrokkene 1] de huidige achterligger (UBO) van Seguros en Abaque is.
- In rov. 3.9 tussenvonnis overweegt het hof dat [betrokkene 1] de opvolger van [verweerder] als UBO van Seguros is, en dat dit in 2014 ook zo beoogd is. [130]
- In rov. 3.17-3.18 tussenvonnis besteedt het hof aandacht aan de mededelings- en onderzoeksplicht van [verweerder] respectievelijk [betrokkene 1] . Daarbij memoreert het hof dat [betrokkene 1] de beoogd opvolgend UBO van Seguros was (rov. 3.17) en wijst het hof op [betrokkene 1] als UBO van Abaque, die de aandelen in Seguros kocht (rov. 3.18).
- In rov. 3.7 eindvonnis respondeert het hof op de akte na tussenvonnis, waarin Seguros betoogde dat de rol van [betrokkene 1] niet van belang is, omdat hij geen procespartij is. [131] Het hof memoreert in dat verband opnieuw dat [betrokkene 1] de opvolger van [verweerder] als UBO van Seguros is, en dat dit in 2014 ook zo beoogd is.
- Daarop overweegt het hof in rov. 3.7 eindvonnis dat wetenschap die [betrokkene 1] ten tijde van de mondelinge overeenkomst had of had behoren te hebben in ieder geval vanaf het moment waarop [betrokkene 1] die hoedanigheid van UBO van Seguros verkreeg (dus daarin [verweerder] opvolgde), als wetenschap geldt die Seguros had of had behoren te hebben.
3.81
In deze overwegingen ligt besloten dat het hof de omstandigheid dat [betrokkene 1] de opvolger van [verweerder] als UBO (achterligger) van Seguros is, en dat dit in 2014 ook zo beoogd is, rechtvaardigt dat [betrokkene 1] ’s wetenschap ten tijde van de mondelinge overeenkomst, in ieder geval vanaf het moment waarop [betrokkene 1] die hoedanigheid van UBO van Seguros verkreeg (dus daarin [verweerder] opvolgde), in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als wetenschap van Seguros. [132] Daarbij zij nog het volgende bedacht.
- Het hof stelt al in rov. 3.1.4 tussenvonnis vast dat de overdrachtsakte dateert van 26 september 2014 (daarbij leverde Shubhalaya alle aandelen in Seguros aan Abaque), en dat het aandeelhoudersbesluit ook die dag is genomen (daarbij trad, naar luid van dit besluit, Abaque op als enig aandeelhouder van Seguros). [133]
- Het hof stelt in rov. 3.7 eindvonnis ook vast dat in elk geval niets is aangevoerd om anders aan te nemen dan dat wetenschap die [betrokkene 1] ten tijde van de mondelinge overeenkomst had of had behoren te hebben, in ieder geval vanaf het moment waarop [betrokkene 1] de hoedanigheid van UBO van Seguros verkreeg, geldt als wetenschap die Seguros had of had behoren te hebben.
- Gezien ook de herhaalde verwijzing door het hof naar [betrokkene 1] als (beoogd opvolgend) ultimate beneficial owner/achterligger van Seguros, neemt het hof bij het voorgaande kennelijk in aanmerking dat een UBO een natuurlijke persoon is met een controlerende zeggenschap binnen en daarmee over de rechtspersoon. Hier is dat dus [betrokkene 1] , die uiteindelijk de touwtjes in handen heeft bij Seguros.
- Het hof slaat in rov. 3.7 eindvonnis nadrukkelijk acht op het perspectief van [verweerder] : indien hij bij de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst (dus met Seguros) ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 1] bepaalde wetenschap en/of een bepaalde onderzoeksplicht had, kan dat bijdragen aan het oordeel dat [verweerder] geen ernstig verwijt treft. Dit overweegt het hof tegen de achtergrond van het daaraan voorafgaande in rov. 3.7 eindvonnis, dus ook wat betreft het aanmerken van wetenschap van [betrokkene 1] als wetenschap van Seguros. [134]
3.82
Bij deze stand van zaken getuigt het m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof blijkens rov. 3.7 eindvonnis ervan uitgaat dat wetenschap van [betrokkene 1] ten tijde van de mondelinge overeenkomst, in ieder geval vanaf het moment waarop [betrokkene 1] de hoedanigheid van UBO van Seguros verkreeg, geldt als wetenschap van Seguros. Daarbij betrek ik mede Hoge Raad-rechtspraak die steun biedt aan dit - sterk feitelijke - oordeel van het hof. [135] Ik ben geen voorstander van de harde beperking die de rechtsklacht in het subonderdeel wil aanbrengen, erop neerkomend dat ook in een geval als dit geldt dat kennis die een aandeelhouder verkrijgt buiten diens deelname aan de algemene vergadering van de rechtspersoon om, waarmee is bedoeld: kennis die niet aanwijsbaar door hem wordt verworven via het verband (“het bestek”) van de algemene vergadering, [136] in beginsel niet geldt als kennis van de rechtspersoon. Een dergelijk uitgangspunt is bijvoorbeeld voorstelbaar als onderdeel van de specifieke context van een déchargebesluit door de algemene vergadering van een rechtspersoon, [137] maar doet gekunsteld aan in een te onderscheiden geval als het onderhavige, waarbij het niet gaat om een besluit van de algemene vergadering van de rechtspersoon en daarop betrekking hebbende wetenschap van een lid van dat orgaan, maar om een door de rechtspersoon gesloten overeenkomst en wetenschap daaromtrent van de persoon met kenbaar controlerende zeggenschap binnen, en daarmee over, de rechtspersoon. De beperking die de klacht wil aanbrengen, strookt ook niet met voornoemde Hoge Raad-rechtspraak, waaraan trouwens klacht noch schriftelijke toelichting [138] aandacht besteedt. [139]
3.83
Kort en goed: de opvatting die de
rechtsklachtin het subonderdeel propageert, en die het hof niet huldigt, vindt geen steun in het recht. Ik kan daarlaten of het wel klopt dat in cassatie tot uitgangspunt dient dat de kennis waarop het hof doelt, is verkregen buiten het bestek van de algemene vergadering van Seguros om.
3.84
De
motiveringsklachtin het subonderdeel slaagt evenmin. Blijkens de schriftelijke toelichting komt deze klacht erop neer dat, gegeven het in de rechtsklacht uiteengezette uitgangspunt dat kennis die door een (groot)aandeelhouder buiten de algemene vergadering van de rechtspersoon om is verkregen in beginsel niet geldt als kennis van de rechtspersoon, ‘s hofs oordeel met de daarbij gegeven motivering niet te volgen valt. [140] Zoals gezegd vindt die opvatting die de rechtsklacht propageert, en die het hof niet huldigt, geen steun in het recht. Zie onder 3.82-3.83 hiervoor. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de motiveringsklacht. Overigens behoefde het bestreden oordeel ook geen nadere motivering, gelet op 3.80-3.81 hiervoor. Daarbij zij nog bedacht dat het subonderdeel en de schriftelijke toelichting daarop geen stellingen van partijen in feitelijke instanties noemen, laat staan met vindplaatsen in de gedingstukken.
3.85
Daarmee is gegeven dat onderdeel II.3 faalt.
Onderdeel II.4(“Het hof wijst ten onrechte het verzoek van Seguros Muskus om een mondelinge behandeling na tussenvonnis af”)
3.86
Het onderdeel vangt aan met een weergave van rov. 3.21 tussenvonnis en rov. 3.15 eindvonnis, en vervolgt met twee subonderdelen (4.1 en 4.2) die zich lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.87
Subonderdeel 4.1stelt dat het oordeel in rov. 3.15 eindvonnis rechtens onjuist is, omdat het een ontoelaatbare verrassingsbeslissing oplevert. Het hof heeft bij tussenvonnis partijen in de gelegenheid gesteld een extra mondelinge behandeling te vragen ter beproeving van een minnelijke regeling. Het gaat dan niet aan om, als een partij daarop ingaat en een verzoek daartoe doet, zonder aankondiging over te gaan tot het wijzen van eindvonnis
endaarin het verzoek tot een mondelinge behandeling af te wijzen. Als het hof een dergelijke mogelijkheid bij tussenvonnis biedt, moet het die mogelijkheid, behoudens zwaarwegende bezwaren van een van partijen (in dit geval waren die niet naar voren gebracht), toewijzen. Gelet hierop heeft het hof verzuimd het verzoek van Seguros om een mondelinge behandeling te gelasten, toe te wijzen. Althans, het hof heeft verzuimd om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over zijn voornemen om, ondanks het verzoek van Seguros, zonder nieuwe mondelinge behandeling eindvonnis te wijzen.
3.88
Subonderdeel 4.2stelt dat het oordeel in rov. 3.15 eindvonnis onbegrijpelijk is, omdat het innerlijk tegenstrijdig is aan ‘s hofs oordeel in het tussenvonnis, waarin partijen onverkort de mogelijkheid hebben gekregen een mondelinge behandeling te verzoeken. De overweging in rov. 3.15 eindvonnis dat [verweerder] heeft afgezien van een antwoordakte maakt dat oordeel in ieder geval nog niet begrijpelijk. Daaruit volgt nog niet dat een mondelinge behandeling gericht op een minnelijke regeling geen zin meer zou hebben. Dat is temeer zo, nu [verweerder] geen bezwaar maakte tegen het verzoek van Seguros. Ook de overweging dat de voorafgaande oordelen van het hof in het eindvonnis mee zouden brengen dat geen nieuwe mondelinge behandeling wordt gelast, maakt het oordeel nog niet begrijpelijk, omdat het inhoudelijke oordeel van het hof over de zaak niet af zou moeten doen aan de aanvankelijke bereidheid en, na die te hebben uitgesproken, ook de plicht van het hof die bereidheid gestand te doen, om partijen te assisteren in het verkennen van mogelijkheden van een schikking door met dat doel een mondelinge behandeling te gelasten.
Behandeling
3.89
De subonderdelen falen, gelet op het volgende.
3.9
In rov. 3.21 tussenvonnis overweegt het hof:
“Voorgaande (deels voorshands gegeven) oordelen geven partijen wellicht aanleiding om opnieuw te onderzoeken of het geschil in der minne kan worden geschikt. Desgewenst kunnen partijen verzoeken om een nieuwe mondelinge behandeling om die mogelijkheid verder te onderzoeken.”
3.91
In rov. 3.15 eindvonnis overweegt het hof:
“Seguros Muskus heeft naar aanleiding van rov. 3.21 van het tussenvonnis het Hof verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling om de mogelijkheid van een minnelijke regeling verder te onderzoeken. [141] [verweerder] heeft afgezien van het nemen van een antwoordakte. [142] Gelet op dat laatste en op voorgaande oordelen zal het Hof geen nieuwe mondelinge behandeling gelasten. Uiteraard kunnen partijen ook na kennisneming van dit vonnis trachten hun geschil alsnog in der minne te regelen.”
3.92
Hieruit volgt dat het hof voornemens was een nieuwe mondelinge behandeling als bedoeld in rov. 3.21 tussenvonnis te gelasten, op voorwaarde dat
beidepartijen (dus: Seguros én [verweerder] ) daarom vragen. En daaraan is niet voldaan, zo concludeert het hof in rov. 3.15 eindvonnis. Daarom ziet het hof blijkens die rov. 3.15 geen aanleiding zo’n nieuwe mondelinge behandeling te gelasten.
3.93
Dit strookt met de overweging in rov. 3.21 tussenvonnis dat voorgaande (deels voorshands gegeven) oordelen “partijen” wellicht aanleiding geven om opnieuw te onderzoeken of het geschil in der minne kan worden geschikt, en dat desgewenst “partijen” kunnen verzoeken om zo’n nieuwe mondelinge behandeling. Dit strookt bovendien met de strekking van de in die rov. 3.21 geboden mogelijkheid van een nieuwe mondelinge behandeling: die zou erop gericht zijn opnieuw te onderzoeken of het geschil door partijen in der minne kan worden geschikt, waarbij uiteraard geldt dat
it takes two to tango.
3.94
Het voorgaande strookt verder met de vaststelling in rov. 3.15 eindvonnis dat [verweerder] heeft afgezien van het nemen van een antwoordakte, te lezen in het licht van het in die rov. 3.15 bedoelde verzoek van Seguros: door kortweg en voor Seguros kenbaar af te zien van een antwoordakte [143] liet [verweerder] ook blijken geen behoefte te hebben aan zo’n nieuwe mondelinge behandeling, waarop Seguros dus aanstuurde in de akte na tussenvonnis. [144] Het is dan ook logisch dat het hof dit betrekt. Dat geldt eveneens voor de verwijzing in die rov. 3.15 naar “voorgaande oordelen”: dit komt erop neer dat de vorderingen van [verweerder] moeten worden toegewezen met inachtneming van rov. 3.13 eindvonnis, en dat de vorderingen van Seguros moeten worden afgewezen. Gelet daarop valt te minder aan te nemen dat [verweerder] nog prijs stelt op zo’n nieuwe mondelinge behandeling.
3.95
Bij deze stand van zaken is m.i. geen sprake van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing als bedoeld in subonderdeel 4.1. Daarin ziet Seguros eraan voorbij dat, naar reeds kenbaar is uit rov. 3.21 tussenvonnis, het hof dus bereid was zo’n nieuwe mondelinge behandeling te gelasten als
beidepartijen (dus: Seguros én [verweerder] ) daarom vragen. [145] Die lijn trekt het hof door in rov. 3.15 eindvonnis, waarbij het voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd uiteenzet dat aan die voorwaarde niet is voldaan. Zie onder 3.94 hiervoor. Hierop loopt het subonderdeel vast.
3.96
Daarmee ontvalt ook reeds de bodem aan subonderdeel 4.2. [146] De daarin bedoelde innerlijke tegenstrijdigheid van rov. 3.15 eindvonnis met rov. 3.21 tussenvonnis doet zich in werkelijkheid dus niet voor. En het hof zet in die rov. 3.15 dus voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd uiteen dat aan voornoemde voorwaarde niet is voldaan. Gelet daarop behoefde het hof diens oordeel in die rov. 3.15 niet nader toe te lichten.
3.97
Daarmee is gegeven dat ook onderdeel II.4 faalt.
Slotsom
3.98
Het cassatiemiddel van Seguros is derhalve vergeefs voorgesteld.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie Gem. Hof 27 augustus 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:162.
2.Toevoeging A-G: inmiddels is [verweerder] dus bijna 90 jaar.
3.De CvR/CvA vermeldt “afwijzing van de conventionele vorderingen”.
4.Zie GiEA Curaçao 21 november 2022, zaaknummer: CUR202002108 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
5.Zie GiEA Curaçao 7 december 2022, zaaknummer: CUR202002108 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
6.Blijkens de MvG i.a., nr. 61 wordt deze vordering verminderd naar een bedrag van NAf 699.074,-.
7.Dus: Gem. Hof 27 augustus 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:162.
8.Gezien ook het dictum van het onder 2.19 hierna bedoelde eindvonnis, gaat het hof ervan uit dat die mondelinge overeenkomst dateert van 26 september 2014, net als de overdrachtsakte en het aandeelhoudersbesluit.
9.Zie Gem. Hof 27 mei 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:116.
10.Noot 1 van de PI verwijst hier naar: “Zie memorie van grieven zijdens [verweerder] , nrs. 2-11; pleitnota in hoger beroep 1”.
11.Noot 2 van de PI bevat hier dezelfde inhoud als noot 1 van de PI (“Idem”).
12.Noot 3 van de PI verwijst hier naar: “Zie memorie van antwoord zijdens Seguros Muskus, nr. 11”.
13.Zie ook de verwijzingen in noten 4 t/m 13 van de PI.
14.Noot 14 van de PI verwijst hier naar: “Zie memorie van antwoord zijdens Seguros Muskus, p. 11-12”.
15.Zie het verzoekschrift, nr. 1.
16.Zie het verzoekschrift, nr. 2.
17.Zie het verzoekschrift, nr. 3.
18.Zie het verzoekschrift, nr. 4.
19.Zie de CvR/CvA, nrs. 5, 10-11; de MvG, nr. 3.
20.Zie de CvR/CvA, nr. 13; de MvG, nr. 2.
21.Zie de CvR/CvA, nr. 13.
22.Hier wordt gedoeld op [betrokkene 1] .
23.Zie de CvR/CvA, nr. 14.
24.Zie de MvG, nrs. 2, 5.
25.Zie de MvG, nrs. 3, 5.
26.Zie de MvG, nrs. 6, 12-13.
27.Zie de MvG, nr. 11.
28.Zie de pleitaantekeningen van [verweerder] in hoger beroep, nr. 1.
29.Zie de pleitaantekeningen van [verweerder] in hoger beroep, nr. 2.
30.Zie het p-v, p. 3 (mr. Henriquez, advocaat van [verweerder] ).
31.Het hof zegt nergens dat Seguros die stelling in het geheel niet heeft betwist.
32.De vindplaatsen lopen t/m het p-v. Daarbuiten valt dus de akte na tussenvonnis. Dit strookt met rov. 3.3 eindvonnis. Daarover klaagt subonderdeel 1.3 (overigens zonder vrucht), niet het onderhavige subonderdeel.
33.Zie p. 4 van de PI, onder (ii) t/m (v), (x).
34.Zo wordt [verweerder] daarin aangeduid als “advisor of the company”, als verlener aan Seguros (“the company”) van “advisory services”. Volgens het aandeelhoudersbesluit zou die hoedanigheid van adviseur (volgend op [verweerder] ’ eerdere werkzaamheden als managing director van Seguros) een einde nemen op 30 september 2016, waarna [verweerder] “will have the right to earn his pension from the company as agreed upon, plus” een aantal andere daar genoemde posten.
35.Zie bijv. p. 4 van de PI, onder (v) t/m (vii), onder verwijzing naar de MvA, nr. 34: “(…) Hooguit dient de relatie met [verweerder] voor wat betreft de door hem reeds verrichtte werkzaamheden opgevat te worden als een opdrachtrelatie, waar [verweerder] overigens ook voor is betaald. Die opdrachtrelatie is ook ten einde gekomen op het moment dat [verweerder] zijn werkzaamheden heeft afgerond. Dat alles maakt echter nog niet dat de integrale inhoud van het nietige aandeelhoudersbesluit opeens maar gezien moet worden als een opdrachtrelatie (of arbeidsrelatie). Ook daar bestaat geen juridische basis voor. [verweerder] is in dit uiterste geval betaald voor het werk dat hij heeft gedaan en daarmee is de kous verder af”. Dit wordt niet anders door de opmerking in de MvA, nr. 32, aangehaald op p. 4 van de PI, onder (i), dat “[f]rappant is dat [verweerder] zelf niet eens weet welke overeenkomst tussen partijen van toepassing zou zijn. [verweerder] spreekt van een arbeidsovereenkomst en een overeenkomst van opdracht” (onder verwijzing naar de MvG, nr. 2).
36.Zie de pleitaantekeningen van Seguros in hoger beroep, nr. 32. Op die stelling wijst p. 4 van de PI, onder (viii). Het subonderdeel, dat hier ook nog verwijst naar nr. 49 van die pleitaantekeningen (onder “Resumerend”), leest in dit nr. 49 een herhaling van die stelling. Dat is goed te volgen. Overigens is die blote betwisting strijdig met de MvA, nr. 34, geciteerd in de vorige noot.
37.Zie de pleitaantekeningen van Seguros in hoger beroep, nr. 32. Op die stelling wijst p. 4 van de PI, onder (ix).
38.Zie het p-v, p. 2 (mr. Doekhi, advocaat van Seguros). Op die stelling wijst p. 4 van de PI, onder (x).
39.Toevoeging A-G: dit sluit aan op rov. 3.9 tussenvonnis, waar het hof overweegt dat het uit het partijdebat afleidt “dat [verweerder] tot 30 september 2014 statutair bestuurder van Seguros Muskus was. [verweerder] was ook ultimate beneficial owner van Seguros Muskus. Uit het partijdebat leidt het Hof af dat [betrokkene 1] zijn opvolger is in die laatste hoedanigheid en dat dit in 2014 ook zo beoogd is”.
40.Zie de MvA, p. 11-12.
41.Zie bijv. Asser Procesrecht/W.H.D. Asser,
42.Onder verwijzing naar de MvA, p. 11-12.
43.Noot 15 van de PI verwijst hier naar: “Zie memorie van antwoord zijdens Seguros Muskus, nr. 12-13”.
44.Zie de ST, nr. 25.
45.“Seguros Muskus heeft uitgebreid betoogd dat het door Abaque genomen aandeelhoudersbesluit nietig dan wel vernietigbaar is. Het aandeelhoudersbesluit is nietig omdat de algemene vergadering [lees: Abaque, A-G] niet bevoegd was om [verweerder] als adviseur van Seguros Muskus aan te stellen en hem ter zake een beloning toe te kennen, noch om [verweerder] in aanvulling daarop een pensioen te geven”. Zie de ST, nr. 23. Zie ook nr. 25 (“Aan Abaque kwam niet de bevoegheid toe om over dit punt te beslissen”, etc.).
46.“Seguros Muskus heeft daarnaast aangevoerd dat het aandeelhoudersbesluit in ieder geval vernietigbaar is op grond van dwaling, omdat [verweerder] bij de onderhandelingen over de inhoud van het aandeelhoudersbesluit een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven (…)”. Zie de ST, nr. 23.
47.Zie de ST, nrs. 25-26. Zie ook nrs. 49-50, een reprise van dit subonderdeel, uitmondend in: “Vernietiging van het aandeelhoudersbesluit op grond van dwaling brengt met zich dat de inhoud van het aandeelhoudersbesluit als gevolg van een door [verweerder] veroorzaakte valse voorstelling aan de zijde van Abaque niet overeenstemt met haar wil. Daarmee valt de waarde van de inhoud van het aandeelhoudersbesluit weg”.
48.Zie de ST, nr. 27.
49.In rov. 3.9 tussenvonnis heeft het hof dan al vooropgesteld: “Uit het partijdebat leidt het Hof af dat [verweerder] tot 30 september 2014 statutair bestuurder van Seguros Muskus was. [verweerder] was ook ultimate beneficial owner van Seguros Muskus. Uit het partijdebat leidt het Hof af dat [betrokkene 1] zijn opvolger is in die laatste hoedanigheid en dat dit in 2014 ook zo beoogd is”.
50.Zie in lijn daarmee ook rov. 3.11 tussenvonnis, waar het hof erop wijst dat de vraag of dit besluit vernietigbaar is “niet van belang [is]”. En rov. 3.12 tussenvonnis: “Seguros Muskus is gehouden de mondelinge overeenkomst na te komen. Hierbij is niet van belang of het aandeelhoudersbesluit al dan niet nietig is en al dan niet vernietigbaar is. De hoogte van de vordering van [verweerder] tot betaling heeft zij niet voldoende gemotiveerd betwist”.
51.Dus ervan uitgaande dat er, anders dan Seguros wil, geen grond is voor vernietiging van de mondelinge overeenkomst wegens dwaling (rov. 3.11). (Zie verder rov. (3.9 en) 3.10 tussenvonnis, mede inzake de door [verweerder] aangevoerde mondelinge overeenkomst, waarover mede onder 3.16 hiervoor.)
52.Dus: “In rov. 3.10 van het tussenvonnis heeft het Hof overwogen dat Seguros Muskus het bestaan van de door [verweerder] gestelde mondelinge overeenkomst heeft betwist, maar dat die betwisting onvoldoende onderbouwd is. Hetzelfde geldt volgens die overweging voor de door [verweerder] gestelde inhoud van de mondelinge overeenkomst”.
53.Deze klacht wordt toegelicht in de ST, nrs. 33-48 (nrs. 49-50 zien op rov. 3.11, derde zin tussenvonnis, waarover reeds hiervoor en bij onderdeel II.1, dat als gezegd faalt).
54.Zie de ST, noten 51, 52, 54.
55.Zie HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413,
56.Zie HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413,
57.Zie HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413,
58.Dat stelt het hof ook vast. Zie rov. 3.14 tussenvonnis: “Bij de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst wist [verweerder] dat tussen hem en Seguros Muskus een tegenstrijdig belang bestond”. Het hof herhaalt dit in rov. 3.6, aanhef en eerste gedachtestreepje eindvonnis.
59.Zie de ST, nrs. 51-58.
60.Zie noot 58 hiervoor.
61.Zie rov. 3.14 tussenvonnis, herhaald in rov. 3.6 eindvonnis.
62.Zie over de Curaçaose tegenstrijdigbelangregeling bijv. A.F.J.A. Leijten,
63.Zie rov. 3.14 tussenvonnis, herhaald in rov. 3.6 eindvonnis. In die rov. 3.6 voegt het hof nog toe dat anders dan Seguros heeft aangevoerd, een ‘tegenstrijdig belang’ geen ‘belet’ impliceert: “Van ‘belet’ is sprake als de bestuurder tijdelijk niet in staat is om zijn of haar functie uit te oefenen. Een tegenstrijdig belang stelt de bestuurder niet buiten staat om de functie uit te oefenen, maar kan bepaalde verplichtingen voor de bestuurder meebrengen bij het uitoefenen van de functie”.
64.Zie rov. 3.8 eindvonnis, mede te lezen in het licht van rov. 3.6-3.7 eindvonnis.
65.Daarmee komt het hof m.i. terug van het voorshandse oordeel in rov. 3.19 tussenvonnis (dus “dat [verweerder] bij de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst onvoldoende openheid van zaken aan [betrokkene 1] heeft gegeven en dat hij zich (mede daardoor) ook het belang van Seguros Muskus onvoldoende heeft aangetrokken”), mede te lezen in het licht van rov. 3.17-3.18 tussenvonnis.
66.Zie rov. 3.10 eindvonnis, mede te lezen in het licht van rov. 3.7-3.8 eindvonnis. Daarbij benadrukt het hof dus onder meer dat niet kan worden vastgesteld dat [verweerder] [betrokkene 1] onvoldoende heeft ingelicht over de financiële situatie van het bedrijf (rov. 3.8 eindvonnis).
67.Zie HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413,
68.Hetzelfde geldt voor de ST, nrs. 54-57. Zo wordt daar wel opgemerkt dat [verweerder] “heeft nagelaten om het andere orgaan binnen de vennootschap - de algemene vergadering - deugdelijk in te lichten”, etc. (nr. 55), en gerept van “informatie die [verweerder] voor de algemene vergadering verzweeg”, etc. (nr. 57), maar het blijft duister waarop dit dan precies ziet en waaruit dat dan precies blijkt. Zie ook onder 3.36 hiervoor.
69.Zie de ST, in het bijzonder nr. 58.
70.De ST zwijgt dienaangaande eveneens, ook in nr. 58.
71.Zie, ruim genomen: de CvA/EiR, nrs. 28-30; de CvD/CvR, nrs. 24-26; en de pleitaantekeningen van Seguros in eerste aanleg, nrs. 9-10.
72.Zie de MvA, nrs. 14-16; de pleitaantekeningen van Seguros in hoger beroep, nr. 25; en het p-v, p. 2 (mr. Doekhi) (de enkele opmerking aldaar “Als [verweerder] de juiste stand van zaken kende, wil dat nog niet zeggen dat Seguros Muskus die kende”, acht ik niet toereikend). In de MvG i.a. lees ik niets over dwaling, anders dan een zin bij het beroep op bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerder] jegens Seguros (nr. 14). In haar akte opgave verhinderdata tevens houdende vermindering van eis lees ik überhaupt niets over dwaling.
73.Zie de akte na tussenvonnis, nrs. 13-19 (zie nr. 14 voor “In r.o. 3.11 van het Tussenvonnis”, etc.).
74.Zie in het bijzonder de akte na tussenvonnis, nr. 17, waarop nr. 18 aansluit.
75.Zie M.F. Murray (red.) e.a.,
76.Deze term gebruikt K. Frielink,
77.Zie ook de ST, nrs. 60-68. In nr. 68 wordt kennelijk deels vooruitgelopen op latere klachten, na het onderhavige subonderdeel. De werking van het sinds 1 januari 2012 geldende art. 2:11 lid Pro 1-2 BWC als zodanig wordt in het (sub)onderdeel verder niet aangeroerd, evenmin in verbinding met het tussenvonnis en/of het eindvonnis. Ik laat die werking daarom verder rusten.
78.Overigens heeft zij in de akte na tussenvonnis hiervan helemaal geen punt gemaakt. Wel van een beroep op ‘belet’ (zie de akte na tussenvonnis, nrs. 20-22), maar daarop respondeert het hof in rov. 3.6 eindvonnis. Zie ook noot 63 hiervoor.
79.Zie M.F. Murray,
80.Zie Murray 2016, p. 419.
81.Zie Murray 2016, p. 419.
82.Zie de ST, nrs. 60-68 (zie ook noot 77 hiervoor wat betreft nr. 68).
83.Daaraan doet niet af dat art. 2:11 BWC Pro [verweerder] daartoe inmiddels niet meer verplichtte.
84.Het hof herhaalt in rov. 3.6 eindvonnis diens overwegingen in rov. 3.14 tussenvonnis. In die rov. 3.6 noemt het hof art. 2:11 lid 4 BWC Pro niet. Nu het gaat om een herhaling (“In rov. 3.14 van het tussenvonnis heeft het Hof overwogen:”, etc.), ga ik ervan uit dat het hof daarbij de bepaling kortheidshalve niet noemt, niet zozeer omdat het hof ervan uitgaat dat wat vóór 1 januari 2012 gold op grond van art. 2:11 lid 4 BWC Pro nadien geldt op grond van ongeschreven recht.
85.Zie de ST, nrs. 69-73.
86.Aldus de ST, nr. 72. In nr. 73 staat het aldus dat “het hof heeft miskend dat een bestuurder die besluit of anderszins handelt terwijl hij een belang heeft dat tegenstrijdig is aan dat van de vennootschap, reeds daarom in strijd handelt met zijn verplichting tot een behoorlijke taakvervulling als bedoeld in artikel 2:14 BWC Pro, zodat hij aansprakelijk is voor de schade die de vennootschap door het besluiten of handelen lijdt”. Zie bijv. ook nr. 66: “Ook indien de wet of statuten niet voorziet in een concreet stappenplan moet de geconflicteerde functionaris immers vermijden dat hij handelt met een tegenstrijdig belang. Doet hij dat niet, dan is sprake van onbehoorlijke taakvervulling, zo stelt de wetgever onomwonden”.
87.Zie bijv. de ST, nr. 72: “Doorslaggevend is dus het handelen met een tegenstrijdig belang zelf - de manier waarop volgens de statuten moet worden gehandeld indien een bestuurder zich met een tegenstrijdig belang geconfronteerd ziet, doet niet ter zake. Dat brengt met zich dat de omstandigheid dat de statuten van Seguros Muskus geen tegenstrijdig-belangregeling bevatten, niets verandert aan het feit dat [verweerder] reeds het verwijt van onbehoorlijke taakvervulling kan worden gemaakt omdat hij met een tegenstrijdig belang heeft gehandeld”. Zie bijv. ook nrs. 64, 65 over “het uitgangspunt dat handelen met een tegenstrijdig belang te allen tijde moet worden voorkomen”, over “het verbod om met een tegenstrijdig belang te handelen”, en: “de geconflicteerde bestuurder [is] aansprakelijk voor de schade die hij veroorzaakt wanneer hij, ondanks het tegenstrijdig belang, het voorgenomen handelen wel doorzet”.
88.Zie bijv. HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:146,
89.Zie bijv. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959,
90.Zie bijv. ook Leijten 2026, par. 8.2.7, mede onder verwijzing naar HR 11 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2925,
91.In de woorden van Leijten 2026, par. 2.1.3: “Omdat met een tegenstrijdig-belangsituatie zowel goed als fout kan worden omgegaan treft een bestuurder geen verwijt van een situatie van tegenstrijdig belang. (…) Of een bestuurder zichzelf in een situatie van tegenstrijdig belang heeft gebracht is zonder belang: het gaat er telkens om hoe hij met die situatie omgaat”.
92.Zie nader bijv. Leijten 2026, par. 2.1.2.
93.Daarin schuilt dus ook geen reden om bij interne bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 2:14 lid 4 BWC Pro niet op grond van het concordantiebeginsel aansluiting te zoeken bij het Nederlandse recht inzake art. 2:9 BW Pro.
94.Zie Murray 2016, p. 420.
95.Zie de ST, nr. 71. Zie ook al nr. 64 met een citaat uit de wetsgeschiedenis.
96.Toevoeging A-G: zie ook de citaten in de noten 86-87 hiervoor en de ST, nr. 68 (over wat “de Curaçaose wetgever voor ogen” zou hebben gestaan), nr. 76 (“Als gezegd heeft de Curaçaose wetgever handelen met een tegenstrijdig belang op zichzelf reeds voldoende geacht voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid”), nr. 77 (over “Het aldus tot uitdrukking gebrachte verbod om te handelen met een tegenstrijdig belang”, etc.).
97.In de ST, nr. 77 wordt niet alleen ten onrechte geredeneerd vanuit het in de vorige noot geciteerde “verbod om te handelen met een tegenstrijdig belang”, maar ook ten onrechte aangenomen dat dit verbod (dat dus niet bestaat) “dient (…) ter bescherming van de vennootschap”. De verwijzing daarbij in noot 67 aldaar naar
98.Zie de ST, nr. 65: “Dat de aanwezigheid van een statutaire tegenstrijdig-belangregeling niet van belang is, omdat het handelen met een tegenstrijdig belang reeds op zichzelf leidt tot bestuurdersaansprakelijkheid, blijkt ook uit jurisprudentie van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao en het Gemeenschappelijk Hof”, onder verwijzing naar: “GiEA Curaçao 29 november 2011, ECLI:NL:OGEAC:2021:215, rov. 5.67; in hoger beroep Gem. Hof 12 september 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:158, rov. 10.20. In beide instanties volgt (interne) bestuurdersaansprakelijkheid uit handelen met een tegenstrijdig belang, terwijl de statuten op dit punt kennelijk niets bepalen”.
99.Zoiets lees ik bijv. ook niet terug bij Frielink 2023, par. 4.2 (“Bestuurdersaansprakelijkheid”). Seguros wijst daarop in cassatie ook niet.
100.Voor zover de klacht hier rept van handelen door [verweerder] “in strijd met het aanwezige tegenstrijdig belang”, geldt overeenkomstig hetgeen ik schreef onder 3.36 hiervoor.
101.Zie ook de ST, nr. 74.
102.Zie de ST, nrs. 75-79.
103.Zie de ST, nr. 77.
104.Zie HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:146,
105.Zie de ST, nr. 77.
106.In beginsel: indien de aldus aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, dient de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel te betrekken. Uiteindelijk gaat het immers om alle omstandigheden van het geval. Zie noot 104 hiervoor.
107.Zie de ST, nr. 78, met verwijzingen naar wetsgeschiedenis van die Nederlandse wettelijke regeling, rechtspraak en literatuur.
108.Zie de ST, nr. 81.
109.Waarbij het hof benadrukt dat Seguros dat “ook niet subsidiair [heeft] gedaan voor het geval het Hof haar standpunt zou verwerpen dat de rol van [betrokkene 1] niet van belang is”.
110.Zie de ST, nr. 82.
111.Illustratief is rov. 3.17 tussenvonnis, waar het hof duidelijk maakt ook dat - reeds in rov. 3.14 tussenvonnis onderkende - tegenstrijdige belang van [verweerder] te betrekken (“en mede gelet op het tegenstrijdige belang”).
112.Het is niet voor niets dat het hof dit tegenstrijdige belang vooropstelt in rov. 3.6 eindvonnis, daarbij dus ook overwegend: “Een tegenstrijdig belang stelt de bestuurder niet buiten staat om de functie uit te oefenen, maar kan bepaalde verplichtingen voor de bestuurder meebrengen bij het uitoefenen van de functie”.
113.Zie de ST, nr. 82.
114.Zie ook de ST, nrs. 83-84 over “[d]eze voortbouwklachten”.
115.Zie ook de ST, nrs. 88, 92-93.
116.Zie de vorige noot.
117.Zie ook de ST, nr. 94 over “[d]eze voortbouwklacht”.
118.In die zin doet, anders dan de ST, nr. 96 wil, “de verhouding tussen [verweerder] en [betrokkene 1] ”
119.Ik lees zoiets evenmin in de ST, nrs. 96-99, inzake klacht a.
120.Zie ook de ST, nrs. 100-103, inzake klacht b.
121.Zie de ST, nr. 103.
122.Zie de ST, nrs. 104-105, inzake klacht c.
123.Zie bijv. recent nog M.J. Kroeze, ‘Overvloedige redelijkheid en billijkheid’,
124.Zie de ST, nrs. 105-106.
125.Zie de ST, nr. 105. Er worden daar ook geen stellingen van partijen in feitelijke instanties genoemd, laat staan met vindplaatsen in gedingstukken.
126.Zie de ST, nr. 106.
127.Zie de ST, nr. 107.
128.Zie de vorige noot.
129.Zie ook de ST, nr. 108.
130.Blijkens rov. 3.1.3 tussenvonnis waren [verweerder] en [betrokkene 1] geen vreemden van elkaar. “In die tijd” (in 2014, toen [verweerder] nog steeds managing director was van Seguros en Shubhalaya, eveneens bestuurd door [verweerder] , nog alle aandelen in Seguros hield) “verzorgde” [betrokkene 1] “de boekhouding van Shubhalaya”.
131.Het hof doelt kennelijk op de akte na tussenvonnis, nrs. 23-27.
132.In
133.Ik merkte in noot 8 hiervoor al op dat, gezien ook het dictum van het eindvonnis, het hof ervan uitgaat dat die mondelinge overeenkomst dateert van 26 september 2014, net als de overdrachtsakte en het aandeelhoudersbesluit.
134.Let wel: de context is hier de op interne bestuurdersaansprakelijkheid gegronde vordering van Seguros jegens [verweerder] , maar het gaat hier niet om toerekening van wetenschap van [verweerder] (bestuurder van Seguros) aan Seguros. Nee, het gaat hier om toerekening van wetenschap van [betrokkene 1] , (beoogd opvolgend) UBO van Seguros, aan Seguros. Dat is iets anders.
135.Zie bijv. HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2285,
136.Zie ook de ST, nrs. 112-113, waar wordt bepleit dat een bepaalde “vuistregel” (“in het geval dat een aandeelhouder kennis heeft opgedaan buiten zijn hoedanigheid van aandeelhouder en die kennis verder niet ter sprake komt tijdens een algemene vergadering, [kan] die wetenschap in beginsel niet worden toegerekend aan de vennootschap”) “moet worden aangehouden in het onderhavige geval”.
137.Zie bijv. HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243,
138.Zie de ST, nrs. 109-117.
139.Die beperking strookt bijv. evenmin met HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413,
140.Zie de ST, nr. 117.
141.Toevoeging A-G: zie de akte na tussenvonnis, nr. 3: “Alvorens tot de inhoudelijke kant van deze zaak te komen, benadrukt Seguros Muskus dat zij nog steeds bereid is om met [verweerder] te proberen tot een minnelijke oplossing te komen. Dat is buiten rechte niet gelukt, maar gelet op de inhoud en strekking van r.o. 3.21 van het Tussenvonnis maakt Seguros Muskus graag gebruik van de geboden mogelijkheid om een nieuwe mondelinge behandeling te gelasten, zodat ter gelegenheid daarvan onderzocht kan worden óf er mogelijk toch ruimte bestaat voor het treffen van een minnelijke regeling. Wat Seguros Muskus betreft wordt deze nieuwe mondelinge behandeling ingepland nadat [verweerder] inhoudelijk op de onderhavige akte heeft kunnen reageren, zodat het procesrechtelijke beginsel van ‘hoor en wederhoor’ is nageleefd”.
142.Toevoeging A-G: in rov. 2.2 eindvonnis wijst het hof er al op dat op de rol van 18 februari 2025 de gemachtigde van [verweerder] heeft verklaard dat [verweerder] ervan afziet een antwoordakte in te dienen. Seguros was daarmee toen dus ook bekend.
143.Zie de vorige noot.
144.Zie noot 141 hiervoor.
145.Anders dan ook de ST, nrs. 119-125 wil, heeft het hof dus met rov. 3.21 tussenvonnis
146.Zie ook de ST, nrs. 126-129.