ECLI:NL:PHR:2026:618

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/00454
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens valsheid in geschrift en medeplegen gewoontewitwassen met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor meermalen gepleegde valsheid in geschrift, feitelijk leidinggeven aan het voorhanden hebben van valselijk opgemaakte geschriften en medeplegen van gewoontewitwassen. De feiten betreffen onder meer gefingeerde arbeidsovereenkomsten en valse facturen die werden gebruikt om crimineel vermogen wit te wassen via de vennootschap [A] B.V.

Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder bankafschriften, arbeidsovereenkomsten die niet werden nageleefd, Ennetcom-berichten tussen betrokkenen die witwaspraktijken en gefingeerde dienstverbanden bevestigen, en verklaringen van betrokkenen. De verdachte voerde verweer dat er wel degelijk werkzaamheden waren verricht en dat de facturen niet vals waren, maar dit werd door het hof verworpen vanwege gebrek aan concrete aanwijzingen en tegenstrijdigheden.

In cassatie werden vier middelen aangevoerd, waarvan drie werden verworpen. Het vierde middel slaagt: de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en wijst het beroep voor het overige af. De veroordeling blijft in stand.

De zaak maakt deel uit van het strafrechtelijk onderzoek Tandem IV, dat verband houdt met eerdere onderzoeken naar criminele organisaties en witwaspraktijken. De strafvermindering volgt uit het belang van het recht op een tijdige berechting zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro.

Uitkomst: Veroordeling bevestigd met strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00454
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 25 januari 2024 (parketnr. 23-002735-21) wegens (1)
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, (2) “feitelijk leidinggeven aan opzettelijk een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, meermalen gepleegd”, en (3) “medeplegen van gewoontewitwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00272 en 24/00337. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat D. Bektesevic heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Samen met de twee hiervoor genoemde zaken maakt de onderhavige zaak blijkens de vaststellingen van het hof onderdeel uit van het strafrechtelijke onderzoek Tandem IV. Naar aanleiding van de strafrechtelijke onderzoeken Tandem I en Tandem II zijn eerder zes mannen, waaronder [betrokkene 1] , door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor (onder meer) betrokkenheid bij een liquidatiepoging in 2015. Uit het onderzoek Tandem II bleek dat [betrokkene 1] via een beveiligd netwerk van de server Ennetcom contact had met een persoon genaamd [betrokkene 2] . Dat leidde tot het onderzoek Tandem III. Naar aanleiding van dit laatste onderzoek is [betrokkene 2] door de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 7 december 2018 onherroepelijk veroordeeld voor onder meer het medeplegen van witwassen in november 2015 en deelname aan een criminele organisatie met [betrokkene 3] en anderen in de periode februari t/m november 2015, welke organisatie zich bezighield met de invoer van harddrugs. [1] Naar aanleiding van het onderzoek Tandem III is de verdenking gerezen dat [betrokkene 2] contact onderhield met de verdachte in de onderhavige zaak en diens broer ( [medeverdachte 1] ) om door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] verworven crimineel vermogen door de beide broers en hun bedrijven te laten witwassen. De broers en hun respectievelijke bedrijven ( [A] B.V. en [C] B.V.) ontvingen aanzienlijke bedragen van de aan [medeverdachte 2] gelieerde bedrijven ( [B] B.V. en [D] B.V.). Dit heeft geleid tot het onderzoek Tandem IV, naar aanleiding waarvan (onder meer) de verdachte in de onderhavige zaak door het hof is veroordeeld voor – kort gezegd – valsheid in geschrift en (gewoonte-)witwassen.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 3 onder het laatste gedachtestreepje, kort gezegd het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 78.774,57 aan gefingeerde salarisbetalingen.
2.2
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof op basis van de bankafschriften van [A] B.V. (hierna: [A] ) heeft vastgesteld dat er in totaal een bedrag van € 58.812,84 aan gefingeerde salarisbetalingen is overgemaakt, maar dat het hof bij de vaststelling van de hoogte van het witgewassen bedrag aansluit bij een door verbalisanten omgerekend brutobedrag van € 78.774,57. Dat is volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk, omdat het verschil tussen bruto en netto geen deel kan uitmaken van de bewezenverklaarde “salarisbetalingen” en het hof verder ook geen vaststellingen heeft gedaan omtrent eventuele fiscale afdrachten door [A] .
2.3
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 3, laatste gedachtestreepje, bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 oktober 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
immers hebben hij en zijn mededader(s), toen en daar, op een of meer tijdstippen in voornoemde periode van een aantal voorwerpen, te weten:
- […]
- een geldbedrag van in totaal 78.774,57 euro aan gefingeerde salarisbetalingen;
de werkelijke aard en/of de herkomst verhuld en/of verhuld wie de rechthebbende(n) van die voorwerpen was/waren, en
die voorwerpen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruikt, terwijl hij en zijn mededader(s) telkens wisten dat deze voorwerpen geheel of ten dele, onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
2.4
De bewezenverklaring is met gebruik van de Promis-werkwijze gemotiveerd. Omwille van de leesbaarheid heb ik de voetnoten uit de bewijsmotivering weggelaten. Het hof heeft, voor zover relevant voor de bespreking van dit middel, het volgende overwogen:

Redengevende feiten en omstandigheden
[…]
Op de harde schijf van [medeverdachte 3] zijn in de map ‘personeel’ arbeidsovereenkomsten aangetroffen tussen [A] en respectievelijk [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ), [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ), [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) en ‘ [betrokkene 3] ’, geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] . Uit de bankafschriften van [A] blijkt dat aan [betrokkene 3] loonbetalingen zijn verricht. Op de laatste arbeidsovereenkomst ontbreekt de achternaam van de werknemer. Op basis van de voornamen, geboortedatum en geboorteplaats van de werknemer en de loonbetalingen door [A] stelt het hof vast dat het hier de arbeidsovereenkomst van [betrokkene 3] betreft.
De arbeidsovereenkomst met [betrokkene 4] is aangegaan voor onbepaalde tijd en is gedagtekend 10 december 2013. Deze overeenkomst houdt in dat [betrokkene 4] met ingang van 1 januari 2014 voor 40 uur per week als consultant in dienst treedt bij [A] voor een nettosalaris van € 2.000,- per maand. De overeenkomst is niet getekend.
De arbeidsovereenkomst met [betrokkene 5] is aangegaan voor onbepaalde tijd en is gedagtekend 28 februari, 2013. Deze overeenkomst houdt in dat [betrokkene 5] met ingang van 1 maart 2013 voor 40 uur per week als consultant in dienst treedt bij [A] voor een brutosalaris van € 4.787,97 per maand. De overeenkomst is niet getekend.
De arbeidsovereenkomst met [betrokkene 6] is aangegaan voor onbepaalde tijd en is gedagtekend 28 februari 2013, Deze overeenkomst houdt in dat [betrokkene 6] met ingang van 1 januari 2014 voor 40 uur per week als consultant in dienst treedt bij [A] voor een brutosalaris van € 3.683,50 per maand. De overeenkomst is niet getekend.
De arbeidsovereenkomst met [betrokkene 3] is aangegaan voor bepaalde tijd en is gedagtekend 28 februari 2013. Deze overeenkomst houdt in dat [betrokkene 3] met ingang van 1 augustus 2014 tot 30 juli 2015 voor 40 uur per week als consultant in dienst treedt bij [A] (het salaris ontbreekt). De overeenkomst is niet getekend.
Op de harde schijf zijn ook een telefoonlijst, een werkrooster en vijf verslagen aangetroffen van vergaderingen die bij [A] hebben plaatsgevonden in maart/april 2014. De namen van [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 3] komen daarin niet voor. Van deze personen zijn ook overigens geen bewijzen gevonden dat zij daadwerkelijk werkzaamheden ten behoeve van [A] hebben verricht. [betrokkene 4] woonde in Spanje, waar [A] geen werkzaamheden verrichtte. Zij zijn bekenden van de politie met meerdere druggerelateerde antecedenten.
Op de bankafschriften van [A] die zijn gevorderd bij de curator is te zien dat [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 3] in 2014 en 2015 in totaal € 58.812,84 (netto) aan salarisbetalingen hebben ontvangen van [A] . Deze betalingen zijn vervolgens door de verbalisanten omgerekend naar brutobedragen, wat neerkomt op in totaal € 78.774,57.
[…]
Op 6 oktober 2015 wordt [A] failliet verklaard.
Op de bankafschriften van [A] (gevorderd door de curator) is te zien dat gedurende 2014-2015 in totaal de volgende betalingen aan loon hebben plaatsgevonden:
[betrokkene 3] € 9.286,59
[betrokkene 6] € 33.376,25
[betrokkene 5] € 3.000
[betrokkene 4] € 13.150
Op de website van [E] zijn de netto salarisbetalingen omgerekend naar bruto (jaar 2015). Hieruit is het volgende gebleken:
Totaal (bruto x mnd)
[betrokkene 3] € 10.570
[betrokkene 6] € 48.421,75
[betrokkene 5] € 3.595,84
[betrokkene 4]
€ 16.186.98
Totaal € 78.774,57
[…]
Arbeidsovereenkomsten
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de ten laste gelegde arbeidsovereenkomsten vals zijn. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn geen aanknopingspunten naar voren gekomen die erop wijzen dat de betreffende vier personen bij [A] in dienstverband werkzaamheden hebben verricht, ondanks de zogenaamde loonbetalingen die aan hen zijn gedaan. De verdachte heeft er geen goede verklaring voor kunnen geven dat juist deze vier personen, met een achtergrond in de criminaliteit zonder enige ervaring in de consultancy, voor een dienstverband bij [A] in aanmerking kwamen. Uit de Ennetcom-berichten van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] van 15 augustus 2015 blijkt dat zij bekend zijn met gefingeerde dienstverbanden. Dat zij daar ook gebruik van maken blijkt uit de door hen in februari en maart 2015 gestuurde berichten. Hierin wordt impliciet en expliciet gesproken over salaris van [betrokkene 3] en over het ontbinden van het contract van [betrokkene 3] , waarmee naar alle waarschijnlijkheid de "arbeidsovereenkomst" tussen [betrokkene 3] en [A] wordt bedoeld. De manier waarop [betrokkene 2] en [betrokkene 3] over de verdachte communiceren, past niet bij een ondergeschikte positie die een werknemer ten opzichte van zijn werkgever inneemt. In deze hiervoor uitgewerkte Ennetcom-gesprekken komt naar voren dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] het bij [A] voor het zeggen hebben en dat zij de verdachte onder grote druk zetten om met het ‘salaris’ over de brug te komen. Voor de vier genoemde personen is naar het oordeel van het hof ‘werk op papier’ geregeld bij [A] zodat zij konden doen alsof ze over legaal inkomen konden beschikken, een auto konden rijden zonder dat dit vragen opriep en, waar nodig, een hypotheek konden aanvragen.
[…]
Bewijsoverwegingen
[…]
Feit 3
[…]
Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde stelt het hof in de eerste plaats vast dat uit de als bewijsmiddelen uitgewerkte Ennetcom-berichten tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] – in samenhang met het veroordelend vonnis van 7 december 2018 in de zaak tegen [betrokkene 2] – volgt dat de verdachte zich door gebruik te maken van zijn vennootschap [A] gedurende langere tijd heeft beziggehouden met witwassen ten behoeve van in ieder geval [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . De door hen in de periode van februari tot en met april 2015 verstuurde berichten geven een helder beeld van hun witwasmethoden. Zij bevatten termen als
witwassen, legaal makenen
wit makenen bespreken daarbij de vergoedingen voor het witwassen.
[…]
€ 78.774,57 betaald aan gefingeerde salarisbetalingen
Het hof heeft eerder geoordeeld dat geen sprake was van een arbeidsverhouding tussen [A] enerzijds en [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 3] anderzijds en dat de arbeidsovereenkomsten waarop de salarisbetalingen zijn gebaseerd, valse geschriften zijn. De betalingen aan hen waren dus in werkelijkheid geen uitkeringen van loon, waarmee reeds het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat het niet anders kan zijn dan dat de overgemaakte bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn, zeker in het licht van de communicatie tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , het witwassen van de Golf en de valse kwitanties. De verdachte heeft betwist dat de arbeidsovereenkomsten vals zijn en heeft daarmee een verklaring afgelegd die in strijd is met de eerdere vaststelling door het hof, zodat het hof daaraan voorbijgaat en ter zake van dit onderdeel van de tenlastelegging tot een bewezenverklaring komt.”
2.5
Uit de vaststellingen van het hof blijkt dat op de harde schijf van de verdachte arbeidsovereenkomsten zijn aangetroffen tussen [A] en een viertal personen, terwijl nergens uit blijkt dat deze personen daadwerkelijk werkzaamheden ten behoeve van [A] hebben verricht. Het hof heeft geoordeeld dat het gaat om valse arbeidsovereenkomsten, waarmee voor de vier personen ‘werk op papier’ werd geregeld bij [A] , zodat zij konden doen alsof ze over legaal inkomen – in de vorm van zogenaamde loonbetalingen – konden beschikken. Uit de bankafschriften van [A] blijkt dat zij in 2014 en 2015 in totaal € 58.812,84 (netto) aan salarisbetalingen hebben ontvangen. Deze betalingen zijn door verbalisanten omgerekend naar brutobedragen, wat neerkomt op in totaal € 78.774,57. [2] Ten aanzien van het witwassen van de salarisbetalingen heeft het hof overwogen dat, onder meer gelet op het oordeel dat de arbeidsovereenkomsten valse geschriften zijn en de communicatie tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , het gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat het niet anders kan zijn dat dat de overgemaakte bedragen van enig misdrijf afkomstig zijn.
2.6
Het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de door [A] overgemaakte bedragen aan (fictieve) salarisbetalingen van enig misdrijf afkomstig zijn en dat voorbij kan worden gegaan aan de verklaring die de verdachte heeft afgelegd in verband met de aangetroffen arbeidsovereenkomsten, wordt in cassatie niet bestreden. Waar het om gaat is of het hof de hoogte van het witgewassen bedrag kon bepalen op het door verbalisanten omgerekende brutobedrag van € 78.774,57, in plaats van aan te sluiten bij het bedrag van € 58.812,84 dat blijkens de bankafschriften van [A] daadwerkelijk aan (fictieve) salarisbetalingen is overgemaakt.
2.7
De steller van het middel merkt terecht op dat het hof geen vaststellingen heeft gedaan omtrent de fiscale afdrachten van [A] . Ik meen echter dat in de overwegingen van het hof omtrent de witwasconstructie die in deze zaak aan de orde is – waarin voor de (fictieve) werknemers werk op papier werd geregeld, zodat zij konden doen alsof zij de beschikking hadden over een legaal inkomen in de vorm van zogenaamde loonbetalingen – besloten ligt dat de (fictieve) werkgever belasting en sociale premies afdraagt aan de belastingdienst en dat op die wijze ook van het bruto gedeelte de werkelijke aard dan wel herkomst wordt verhuld, althans wordt verhuld wie de rechthebbende(n) op dat geld was/waren. Het kennelijke oordeel dat op die wijze aan de brutobedragen een schijnbare legale herkomst werd verschaft, acht ik in zoverre niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik ook in aanmerking dat door de verdediging in hoger beroep met betrekking tot de loonbetalingen van € 78.774,57 enkel is aangevoerd dat deze betalingen “niet als witwassen kunnen worden beschouwd”.
2.8
Enige aarzelingen heb ik hierbij overigens wel gehad. Daarom merk ik ten overvloede op dat als het middel wel gegrond is, het wat mij betreft wegens een gebrek aan belang niet tot cassatie hoeft te leiden. Bij het wegvallen van het verschil tussen het (fictieve) bruto- en nettosalaris uit de bewezenverklaring wordt de aard en de ernst van het bewezenverklaarde – dat naast het witwassen van de gefingeerde salarisbetalingen ook het witwassen van diverse andere aanzienlijke geldbedragen omvat – niet aangetast, terwijl ook de kwalificatie ongewijzigd zou blijven. [3] Anders dan de steller van het middel betoogt, betekent het verminderen van het witgewassen bedrag met € 20.000 bovendien niet dat het hof bij de strafoplegging voor alle bewezenverklaarde feiten verplicht aansluiting had moeten zoeken bij een lagere categorie in de zin van de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude.
2.9
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel is gericht tegen de bewezenverklaring van feit 2. In het bijzonder wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de facturen vals zijn niet zonder meer begrijpelijk is, gelet op hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft betoogd omtrent de werkzaamheden waarop de facturen betrekking zouden hebben.
3.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 bewezenverklaard dat:
“ [A] B.V. in de periode van 24 januari 2014 tot en met 6 oktober 2015 in Nederland opzettelijk de hierna (onder a, b, c, d, e en f) opgesomde valselijk opgemaakte geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen voorhanden heeft gehad, terwijl [A] B.V. telkens wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren deze echt en onvervalst
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven,
te weten:
a. een factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Advisory Q1" met factuurnummer 2013004, d.d. 24 januari 2014, met een gesteld bedrag van 2.420 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [B] B.V.;
b. een factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Advisory Q1" met factuurnummer 2013003, d.d. 24 januari 2014, met een gesteld bedrag van 20.570 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [B] B.V.;
c. een factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Advisory Q2-14" met factuurnummer 2013005, d.d. 22 maart 2014, met een gesteld bedrag van 27.830 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [F] B.V (Handelsnaam van [D] B.V.);
d. een factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Advisory investments Q3-14" met factuurnummer 2013019, d.d. 1 september 2014, met een gesteld bedrag van 6.050 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [F] B.V. (Handelsnaam van [D] BV);
e. een factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Marktonderzoek en advies project Marrakech" met factuurnummer 2013020, d.d. 28 september 2014, met een gesteld bedrag van 18.150 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [B] B.V.;
f. een factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Advisory Q4-14" met factuurnummer 2013020, d.d. 29 december 2014, met een gesteld bedrag van 21.780 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [B] B.V.;
bestaande de valsheid hierin dat op die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de op die facturen vermelde werkzaamheden verricht zijn en/of beschreven diensten geleverd zijn op de wijze als omschreven in de facturen, terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht.”
3.3
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde heeft het hof onder meer het volgende overwogen (wederom met weglating van de voetnoten):

Redengevende feiten en omstandigheden
[…]
Uit het bankrekeningoverzicht van [A] blijkt dat in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 september 2015 betalingen hebben plaatsgevonden door [G] ( [B] ) (in totaal € 64.789,45) en [D] (in totaal € 30.250,-), op een totaalbedrag aan bijschrijvingen van € 253.194,- (inclusief contante stortingen).
Op de harde schijf van [medeverdachte 3] en/of [A] en in de bij de curator van [A] gevorderde administratie zijn de onder feit 2 ten laste gelegde facturen (a) tot en met (f) van [A] gericht aan [B] dan wel [F] aangetroffen.
In een overzicht van bijschrijvingen op de bankrekening van [A] zijn betalingen door de vennootschappen gelieerd aan [medeverdachte 2] terug te vinden die verband houden met de ten laste gelegde facturen (a), (c), (d) en (e). Er zijn geen betalingen aangetroffen die in relatie staan tot de ten laste gelegde facturen (b) en (f). Er zijn wel betalingen aangetroffen die niet herleid zijn tot de aangetroffen facturen. Behalve een offerte voor een verbouwing en genoemde facturen zijn er geen bestanden aangetroffen die er op wijzen dat [A] werkzaamheden heeft verricht voor de vennootschappen gelieerd aan [medeverdachte 2] . In de woning van [medeverdachte 2] zijn twee facturen aangetroffen die gelijkenis vertonen met de facturen (a) en (b), maar dan met 24 januari 2013 als factuurdatum, in plaats van 24 januari 2014.
[…]
Bewijsoverwegingen
[…]
Feit 2
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de ten laste gelegde facturen vals zijn en dat [A] die voorhanden heeft gehad. In de administratie van [A] zijn deze facturen aangetroffen, maar geen bestanden die er op duiden dat [A] (of de verdachte) werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de aan [medeverdachte 2] gelieerde bedrijven, terwijl de werkzaamheden van dien aard zouden moeten zijn dat die betalingen van in totaal € 96.800,- zouden moeten rechtvaardigen. Ook de vader van verdachte, [vader verdachte] , verklaarde op 26 juni 2018 dat zijn zoon [medeverdachte 3] nooit voor [medeverdachte 2] heeft gewerkt. Hij vraagt zich zelfs af wat zijn zoon voor [medeverdachte 2] zou moeten doen, terwijl het toch om substantiële werkzaamheden zou moeten gaan en [vader verdachte] in hetzelfde verhoor heeft verklaard met beide personen, ook in privé om te gaan.
De verdediging heeft verschillende e-mails overgelegd, die te linken zouden moeten zijn aan werkzaamheden die [A] voor [medeverdachte 2] heeft verricht, zoals verbouwingen waarvan het eigenlijke werk werd uitbesteed, aanschaf van auto’s, een plan van aanpak voor de appartementen van het [H] in Suriname, softwareontwikkeling en marktonderzoek. Ook uit deze e-mails blijkt evenwel niet concreet welke werkzaamheden [A] voor [medeverdachte 2] heeft verricht en hoe die met de facturen zouden corresponderen. Bovendien verhoudt de beweerdelijke betalingsafspraak (lump sum) zich niet met de wijze waarop er is gefactureerd. Er is niet met een vaste frequentie een bepaald bedrag in rekening gebracht. Integendeel, er is onregelmatig gefactureerd en de in rekening gebrachte bedragen lopen uiteen. De omschrijvingen op de facturen zijn zodanig vaag dat daaruit geen concrete werkzaamheden te herleiden zijn. Er is geen verklaring gegeven voor het feit dat de factuurnummers beginnen met 2013, terwijl de data van de facturen in 2014 liggen, en dat de facturen onder (e) en (f) hetzelfde factuurnummer hebben.
De onder (e) ten laste gelegde factuur heeft een enigszins concrete omschrijving (Marktonderzoek en advies project Marrakech), maar daarnaar gevraagd door de politie heeft de verdachte geen idee of hij bij dat project betrokken is geweest, weet hij niet wat het project inhoudt en weet hij ook niet of hij voor het project heeft gewerkt, terwijl er een betaling van € 18.150,- inclusief BTW tegenover de beweerdelijke werkzaamheden stond. Daar komt bij dat de facturen slechts ten dele aansluiten bij de door [A] van de aan [medeverdachte 2] gelieerde bedrijven ontvangen betalingen en dat de onder (a) en (b) ten laste gelegde facturen – die beide op 24 januari 2014 zijn gedateerd en een gelijke omschrijving hebben (Advisory Q1) – met een afwijkende datering in de woning van [medeverdachte 2] zijn aangetroffen.
Facturen hebben naar hun aard een bewijsbestemming in het maatschappelijk verkeer. De ten laste gelegde facturen zijn in de administratie van [A] aangetroffen en na het faillissement van [A] overgedragen aan de curator, waarmee vast staat dat de facturen bestemd waren voor gebruik jegens derden.
Het voorhanden hebben van de valse facturen heeft plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtspersoon en kan dan ook aan [A] worden toegerekend. De verdachte heeft aan die gedragingen feitelijk leiding gegeven. Hij was bestuurder en enig aandeelhouder en de enige natuurlijke persoon achter [A] . Het hof komt tot bewezenverklaring van het eerste alternatief tenlastegelegde. Het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten voor het ten laste gelegde medeplegen, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.”
3.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12, 15 en 19 december 2024 heeft de raadsman van de verdachte op 19 december 2024 het woord gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen. Deze pleitnotities houden ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde het volgende in:

Feit 2. FACTUREN
Uit dit dossier kan worden afgeleid dat [A] werkzaamheden heeft verricht voor [medeverdachte 2] . Zo is door [A] content aangeleverd voor een website een appartementencomplex in Suriname dat eigendom is van [medeverdachte 2] , is er voorbereidend onderzoek gedan naar de vastgoed markt in Marokko voor het project 'Marktonderzoek en advies project Marrakech" en heeft [A] software ontwikkeld voor de thuiszorg waar [medeverdachte 2] graag in mee wilde doen.
Dat er een werkrelatie bestond wordt bevestigd door het feit dat politie en OM erkennen dat de factuur ten behoeve van advies over de aankoop van een aggregaat (vide p. 1354 van het dossier) inderdaad ziet op werkzaamheden die zijn verricht door [A] .
Client en [medeverdachte 2] hebben het bestaan van de afspraken over het verrichten van werkzaamheden en de betalingen bevestigd. Deze afspraken werden mondeling gemaakt.
Dat voor de werkzaamheden een ‘lump sum' regeling overeengekomen is die wellicht als onzakelijk kan worden beschouwd betekent nog niet dat de betreffende facturen daarom vals zouden zijn omdat er geen werkzaamheden zouden zijn verricht.
Client en [medeverdachte 2] zijn familie van elkaar. Afspraken werden niet tot achter de komma schriftelijk vastgelegd. Het is heel wel mogelijk dat het OM of Uw hof van mening is dat de bedragen die in rekening werden gebracht stevig waren in verhouding tot de verrichte werkzaamheden doch dit is op zichzelf geen aanwijzing voor strafbaar gedrag.
Nogmaals; op basis van dit dossier staat wel vast dat er werkzaamheden zijn verricht door [A] voor [medeverdachte 2] . In dit verband wijst client nogmaals op de e-mails die hij bij de rechtbank heeft overgelegd en door [medeverdachte 2] deels opnieuw zijn overgelegd in de bijlagen 2 tot en met 8 bij het schriftelijk standpunt van 24 november 2023 ter onderbouwing van de verrichte werkzaamheden. Dit schriftelijk standpunt is door Uw hof toegevoegd aan het dossier van client en hij wenst hiernaar te verwijzen.
Het is in beginsel aan partijen zelf om de verrichte werkzaamheden op geld te waarderen.
Dat er niet op gezette tijden is gefactureerd is eveneens te verklaren door de losse familieverhoudingen. En het klopt dat [A] vaak bedragen uitgaf, bijvoorbeeld aan loonkosten en andere kosten, kort na ontvangst van de bedragen die gefactureerd werden doch dit hoeft geen verwondering te wekken: [A] verkeerde financieel in zwaar weer en moest dus wel wachten tot deze facturen betaald werden alvorens het aan zijn eigen verplichtingen kon voldoen.
De facturen weerspiegelen derhalve de werkelijkheid. Dat de omschrijving in de facturen algemeen van aard is betekent niet dat de facturen daarom vals zouden zijn. De omschrijving komt overeen met de mondelinge afspraken die zijn gemaakt. Van valsheid in geschrifte is geen sprake.”
3.5
Het hof heeft vastgesteld dat de ten laste gelegde facturen zijn aangetroffen in de administratie van [medeverdachte 3] en/of [A] en dat uit de bankgegevens van [A] blijkt dat er betalingen van de aan [medeverdachte 2] gelieerde bedrijven hebben plaatsgevonden die verband houden met factuur (a), (c), (d), en (e) en dat ook betalingen zijn gedaan door aan [medeverdachte 2] gelieerde bedrijven die niet te herleiden zijn tot de aangetroffen facturen. Er zijn geen betalingen aangetroffen die te herleiden zijn tot factuur (b) en (f). Afgezien van een offerte voor een verbouwing en de genoemde facturen, zijn er geen bestanden aangetroffen die erop duiden dat [A] werkzaamheden heeft verricht voor de aan [medeverdachte 2] gelieerde bedrijven. In de woning van [medeverdachte 2] zijn twee facturen aangetroffen die gelijkenis vertonen met twee van de tenlastegelegde facturen ((a) en (b)), maar dan met een andere factuurdatum.
3.6
Aan het oordeel dat de tenlastegelegde facturen vals zijn, heeft het hof verschillende overwegingen ten grondslag gelegd. In de eerste plaats zijn er in de administratie geen bestanden aangetroffen die erop duiden dat [A] werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de aan [medeverdachte 2] gelieerde bedrijven, terwijl het om werkzaamheden gaat die betalingen van in totaal € 96.800,00 zouden moeten rechtvaardigen. De omschrijvingen op de facturen zijn bovendien zodanig vaag, zo overweegt het hof, dat ook daaruit geen concrete werkzaamheden zijn te herleiden. Hetzelfde geldt voor de e-mails die de verdediging heeft overgelegd: ook daaruit blijkt volgens het hof niet concreet welke werkzaamheden [A] voor [medeverdachte 2] zou hebben verricht en hoe die met de facturen corresponderen.
3.7
Dat het hof uit hetgeen de verdediging in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen concrete werkzaamheden heeft kunnen afleiden die [A] heeft verricht (en die de facturen zouden kunnen verklaren) acht ik niet onbegrijpelijk. In dit verband wijs ik erop dat het hof omtrent het door de verdediging gestelde “voorbereidende onderzoek” dat de verdachte zou hebben gedaan naar de vastgoedmarkt in Marokko voor het project “Marktonderzoek en advies project Marrakech” heeft overwogen dat de verdachte desgevraagd heeft aangegeven geen idee te hebben of hij bij dat project betrokken is geweest, niet weet wat het project inhoudt en ook niet weet of hij voor dat project heeft gewerkt, terwijl er een betaling van € 18.150 tegenover de werkzaamheden stond.
3.8
Daar komt bij dat het hof aan het oordeel dat de tenlastegelegde facturen vals zijn, voorts ten grondslag heeft gelegd dat de vader van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte nooit voor [medeverdachte 2] heeft gewerkt en zich zelfs afvraagt wat zijn zoon dan voor [medeverdachte 2] zou moeten doen (terwijl het toch om substantiële werkzaamheden zou moeten gaan), dat de beweerdelijke betalingsafspraak (lump sum) zich niet verhoudt met de wijze waarop is gefactureerd, dat de facturen slechts ten dele aansluiten bij de door [A] van de aan [medeverdachte 2] gelieerde bedrijven ontvangen betalingen en dat twee van de facturen met een aangepaste factuurdatum in de woning van [medeverdachte 2] zijn aangetroffen.
3.9
Gelet op deze feiten en omstandigheden acht ik het oordeel van het hof dat de facturen vals zijn niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
3.1
Het middel faalt.

4.Het derde middel

4.1
Het derde middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 3 onder het eerste en tweede gedachtestreepje niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend is gemotiveerd. In het bijzonder wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de betreffende geldbedragen ‘afkomstig zijn uit enig misdrijf’.
4.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 3, eerste en tweede gedachtestreepje, bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 oktober 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
immers hebben hij en zijn mededader(s), toen en daar, op een of meer tijdstippen in voornoemde periode van een aantal voorwerpen, te weten:
- een totaal geldbedrag van 64.130 euro ontvangen n.a.v. diverse valse facturen aan [B] B.V.;
- een totaal geldbedrag van 30.250 euro ontvangen n.a.v. valse facturen aan [D] B.V.;
- […]
de werkelijke aard en/of de herkomst verhuld en/of verhuld wie de rechthebbende(n) van die voorwerpen was/waren, en
die voorwerpen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruikt, terwijl hij en zijn mededader(s) telkens wisten dat deze voorwerpen geheel of ten dele, onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
4.3
Het arrest bevat ten aanzien van het onder 3, eerste en tweede gedachtestreepje, bewezenverklaarde de volgende overwegingen (met weglating van voetnoten):

Redengevende feiten en omstandigheden
[…]
[medeverdachte 3] is bestuurder en enig aandeelhouder van [K] B.V. (hierna: [K] ) vanaf de oprichting op 9 oktober 2012. Onder [K] hing [A] B.V. (hierna: [A] ). [medeverdachte 3] was directeur van [A] . [medeverdachte 3] heeft verklaard dat er geen andere mensen waren die betalingen konden doen voor [A] en dat hij alleen kon beschikken over de identifier waarmee bankbetalingen werden gedaan.
[…]
[medeverdachte 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [B] B.V. (hierna: [B] ) sinds 8 maart 1999. Een handelsnaam van [B] is [G] . [B] is enig aandeelhouder van [D] B.V. (hierna: [D] ) sinds 8 maart 1999. [medeverdachte 2] is hiervan bestuurder sinds 31 oktober 2014. [D] heeft meerdere handelsnamen, waaronder [I] en [F] .
[…]
Uit het bankrekeningoverzicht van [A] blijkt dat in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 september 2015 betalingen hebben plaatsgevonden door [G] ( [B] ) (in totaal € 64.789,45) en [D] (in totaal € 30.250,-), op een totaalbedrag aan bijschrijvingen van € 253.194,- (inclusief contante stortingen).
Op de harde schijf van [medeverdachte 3] en/of [A] en in de bij de curator van [A] gevorderde administratie zijn de onder feit 2 ten laste gelegde facturen (a) tot en met (f) van [A] gericht aan [B] dan wel [F] aangetroffen.
In een overzicht van bijschrijvingen op de bankrekening van [A] zijn betalingen door de vennootschappen gelieerd aan [medeverdachte 2] terug te vinden die verband houden met de ten laste gelegde facturen (a), (c), (d) en (e). Er zijn geen betalingen aangetroffen die in relatie staan tot de ten laste gelegde facturen (b) en (f). Er zijn wel betalingen aangetroffen die niet herleid zijn tot de aangetroffen facturen. Behalve een offerte voor een verbouwing en genoemde facturen zijn er geen bestanden aangetroffen die er op wijzen dat [A] werkzaamheden heeft verricht voor de vennootschappen gelieerd aan [medeverdachte 2] . In de woning van [medeverdachte 2] zijn twee facturen aangetroffen die gelijkenis vertonen met de facturen (a) en (b), maar dan met 24 januari 2013 als factuurdatum, in plaats van 24 januari 2014.
[…]
Op 6 februari 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[betrokkene 2] :
[bijnaam] heeft gereageerd hij gaat er achter aan zegt hij heb hem gezegd als je blut bent zeg het dan gewoon maar hou die man niet voor de gek dat het overgemaakt is als het niet overgemaakt is lul
[betrokkene 3] :
Blut???? Dat kan helemaal niet met het hele verhaal bij elkaar secondddd erafff!!
[betrokkene 2] :
HAHAHAHA wil je hem erop? Is zo gedaan hoor! 1 bericht en hij staat er op! Seconddd gekkk!
[betrokkene 3] :
Ben er mooi klaar mee ik moet acceptgiros in adam betalen door [bijnaam] witwassen grote klootzak en nu?
[betrokkene 2] :
[bijnaam] die man als die man problemen krijgt door jou gedrag dan hou ik jou verantwoordelijk dat is de afspraak wat jij vroeg heeft hij gedaan en dan kom jij 1 keer op tijd en nu 8 dagen te laat! Dit is niet correct naar die man toe! Dit heb ik hem gestuurd
[betrokkene 3] :
En dan wil ie dat ik palinkjes voor die familie ga roken. Ik hang hem in die rook ton gerookte [bijnaam] (...) November maakte ie ook pas negen december over.
Uit de bankrekeningafschriften van [A] blijkt dat [betrokkene 3] op 9 december 2014 een salarisbetaling heeft ontvangen van € 1.326,92.
[…]
Op 26 februari 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[betrokkene 3] :
Bro nog niks erop van [bijnaam] het is nu al 26 twee maanden achter stand. Wat zeg jij ervan[betrokkene 2] :
Ik heb rond 2 uur met hem afgesproken hij schijnt nu geld te hebben denk dat hij het wel gaat regelen de druk is te hoog nu
Op 27 februari 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[betrokkene 3] :
Bro kan jij [bijnaam] nog even pushen nog steeds niks
[betrokkene 2] :
Doe ik bro ga nu vriend zien
[betrokkene 3] :
2 maanden achter stand reargeerd nergens meer op
[betrokkene 2] :
[bijnaam] toch
[betrokkene 2] :
Ok geen probleem jou salaris is overgemaakt hoor ik net kijk dat even na
Uit de bankrekeningafschriften van [A] blijkt dat [betrokkene 3] op 27 februari 2015 een salarisbetaling heeft ontvangen van € 1.326,-
[A] had van 28 april 2014 tot 9 maart 2015 een Mercedes A180 met [kenteken] op naam staan. [medeverdachte 3] heeft aan de curator in het faillissement van [A] geschreven dat het voertuig door [A] was gekocht voor € 26.440,- inclusief BTW. Uit onderzoek naar de herkomst van het door [A] betaalde geldbedrag, kwam naar voren dat op 24 maart 2014 een bedrag van € 27.830,- op de bankrekening van [A] is bijgeschreven door [D] , dat gelieerd is aan [medeverdachte 2] . Vervolgens werd een dag later, op 25 maart 2014, € 25.000,- afgeschreven van de bankrekening van [A] voor de aankoop van het voertuig. Uit rekeningafschriften van [A] is gebleken dat [betrokkene 6] onder meer op 5 juni 2014 geld heeft overgeboekt naar [A] voor de autoverzekering en wegenbelasting van de Mercedes. [medeverdachte 3] heeft aan de curator geschreven dat de Mercedes werd gebruikt door [betrokkene 6] , zowel zakelijk als privé. Op 9 maart 2015 is het kenteken van de Mercedes op naam van [betrokkene 6] gezet. In de inbeslaggenomen administratie van [A] werd in de map auto’s een door [medeverdachte 3] ondertekende kwitantie, gedateerd 9 april 2015, van een van [betrokkene 6] ontvangen geldbedrag van € 22.000,- in verband met de verkoop van de Mercedes aan hem aangetroffen. Op de bankrekening van [medeverdachte 3] zijn geen contante stortingen aangetroffen die daarmee verband kunnen houden.
[…]
Op 30 maart 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[betrokkene 2] :
Ik heb [bijnaam] vannacht gezegd dat hij vandaag achter alle betalingen aan moet gaan en heb hem 3200 euro vannacht gegeven voor 2 nieuwe bv die zijn vader gaat opzetten en boekhoudtechnisch gaat runnen broer dus vandaag gaan we horen hoe het staat met [A] en al zijn ellende (…) Ik heb hem gezegd geef mij alle brieven ligt allemaal nu bij zijn vader op kantoor komt wel sowieso moeten wij zelf die 2 nieuwe bv hebben voor andere dingen die dikke betaalt alle kosten daarvan (...) Die auto moet dan worden overgezet he?
[betrokkene 3] :
Ja. Denk morgen al. Alleen papier werk zit ik even mee want er moeten rekeningen over leg worden enz kut zooi. Maar heb iemand
[betrokkene 2] :
Ok broer anders mag ook op mijn naam alleen in de stad kan je soms worden staande gehouden worden ivm meldingen die ik heb staan
[betrokkene 3] :
Je bent moe!!! Jij snap niks van autos en al dat gezeik wat er bij komt. Auto van 40 kan niet zomaar op je naam gek aff
Op 31 maart 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[betrokkene 2] :
Broer [A] heb ik net besloten om definitief te laten klappen dan weet je dat
[betrokkene 3] :
Wat een verrassing met [bijnaam] aan het bestuur dat had ik nou nooit verwacht! Die auto gaat vanmiddag over
Op 1 april 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[betrokkene 3] :
Broer ik krijg die auto niet weg? En nu?
[betrokkene 2] :
Ik ga denken voor een oplossing (...)
[betrokkene 3] :
Hij kan niet zomaar over geschreven worden zonder factuur zonder reden uit die bv. Dat is een reden voor beslag. Kan ik nog we’ll over de snel weg? (...) Teveel gedoe nu met die auto dood ziek ben ik er van. [bijnaam] jongen bedankt
[betrokkene 2] :
Geen probleem broer heb jij een persoon of BV die het wel kan nemen op zijn of haar naam?
[betrokkene 3] :
Er moet een lage factuur vanuit [A] gestuurd worden anders pakken ze m af curator of justitie[betrokkene 2] :
Naar wie moet die factuur gestuurd worden? En moet via rekening betaald worden af kan [bijnaam] zeggen hij heeft contant ontvangen en opgemaakt?
[…]
Op 17 april 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[…]
[betrokkene 2] :
BV blijft schoon broer en [bijnaam] zijn admin hou ik elke dag in de gaten hij kan geen kant op laatste kans en anders wordt ie afgeknald
[betrokkene 3] :
En wat is nou de bedoeling van die investering van die dikke?
[betrokkene 2] :
Dat [bijnaam] is geholpen en dat hij dikke kan helpen met autos en andere dingen
[…]
Op 26 juni 2018 verklaart de vader van [medeverdachte 3] , [vader verdachte] , dat zijn zoon [medeverdachte 3] nooit voor [medeverdachte 2] heeft gewerkt. Hij vraagt zich af wat zijn zoon voor [medeverdachte 2] zou moeten doen. [vader verdachte] verklaart in hetzelfde verhoor met beide personen, ook in privé om te gaan.
Bewijsoverwegingen
Algemeen
Met ' [bijnaam] ” wordt in de berichten van 6 februari tot en met april 2015 [medeverdachte 3] bedoeld.
In de hiervoor vermelde Ennetcom-berichten tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] wordt een persoon aangeduid als " [bijnaam] ". Over de afkorting " [bijnaam] " heeft [medeverdachte 1] verklaard dat dit woord een afkorting is voor Hindoestanen.
Uit een Ennetcom bericht van 6 februari 2015 volgt dat [betrokkene 3] tegenover [betrokkene 2] klaagt dat " [bijnaam] " te laat geld overmaakt omdat november 2014 pas op 9 december is betaald. Uit een bericht van 27 februari 2015 volgt dat [betrokkene 2] actie onderneemt als " [bijnaam] " opnieuw niet tijdig betaalt en informeert [betrokkene 2] [betrokkene 3] dat zijn salaris is overgemaakt. Uit de bankrekeningafschriften van [A] blijkt dat [betrokkene 3] op. 9 december 2014 en 27 februari 2015 betalingen heeft ontvangen. De verdachte heeft in zijn verhoor op 31 mei 2018 verklaard dat hij de enige is die betalingen vanuit [A] kan verrichten.
Op 30 maart 2015 informeert [betrokkene 2] [betrokkene 3] dat hij tegen " [bijnaam] " heeft gezegd dat hij achter alle betalingen aan moet gaan en dat ze die dag horen hoe het met [A] en al zijn ellende gaat. In gesprekken van 30 en 31 maart 2015 hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 3] het over (het laten "klappen" van) [A] , waar " [bijnaam] " aan het bestuur staat. De verdachte was de directeur van [A] .
Op 19 februari 2015 berichten [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar over een Porsche en een Lexus die weggehaald worden bij " [bijnaam] " omdat hij niet op tijd geld zou overmaken. [betrokkene 3] meldt dat hij de volgende dag onnozel gaat reageren met "beste [medeverdachte 3] ". De verdachte reed in die periode in een Porsche en een Lexus zo verklaart hij op 5 juni 2018 en zijn voornaam is [medeverdachte 3] .
In een Ennetcom bericht van 1 april 2015 klaagt [betrokkene 3] dat er veel gedoe is met een auto en geeft hij de schuld daarvan aan " [bijnaam] ". De Golf waarin [betrokkene 3] reed stond op naam van [A] en de verdachte is betrokken geweest bij de overschrijving op 7 april 2015 daarvan op [J] B.V. en hij heeft een kwitantie aan de curator gegeven dat hij € 15.000,- contant voor de auto zou hebben ontvangen.
Na de klachten over de verdachte gaat in ieder geval [betrokkene 2] in de zomer van 2015 – en blijkens berichten van 15 oktober 2015 ook [betrokkene 1] ter zake van een betaling aan zijn advocaat – over op witwassen via de broer van de verdachte, [medeverdachte 1] , en zijn bedrijven. Dit volgt uit de hiervoor opgenomen iMessage- berichten die [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] elkaar hebben gestuurd. Op 22 september 2015 legt [betrokkene 2] aan [medeverdachte 1] uit dat de commissie voortaan pas komt "als het is gedaan", "sinds slechte ervaring met [medeverdachte 3] ".
Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat in de Ennetcom-berichten, die zijn verzonden van 6 februari 2015 tot en met april 2015 tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , met " [bijnaam] " alleen de verdachte kan zijn bedoeld.
[…]
Feit 3
[…]
Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde stelt het hof in de eerste plaats vast dat uit de als bewijsmiddelen uitgewerkte Ennetcom-berichten tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] - in samenhang met het
veroordelend vonnis van 7 december 2018 in de zaak tegen [betrokkene 2] - volgt dat de verdachte zich door gebruik te maken van zijn vennootschap [A] gedurende langere tijd heeft beziggehouden met witwassen ten behoeve van in ieder geval [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . De door hen in de periode van februari tot en met april 2015 verstuurde berichten geven een helder beeld van hun witwasmethoden. Zij bevatten termen als
witwassen, legaal makenen
wit makenen bespreken daarbij de vergoedingen voor het witwassen
Facturen
[B] en [D] hebben in 2014 en 2015 betalingen aan [A] gedaan van in totaal € 95.039,45. Het hof heeft hiervoor al vastgesteld dat de onder feit 2 ten laste gelegde facturen (a) tot en met (f) vals zijn en dat in de administratie van [A] geen aanwijzingen zijn gevonden voor werkzaamheden van [A] ten behoeve van de aan [medeverdachte 2] gelieerde bedrijven. Nu is vastgesteld dat de verdachte zich met [A] langdurig heeft beziggehouden met witwassen, heeft het openbaar ministerie voldoende feiten en omstandigheden aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het betaalde geld uit enig misdrijf afkomstig is. Daarbij neemt het hof nog in aanmerking de ter zake van de Mercedes van [betrokkene 6] (feit 1) – die in werkelijkheid niet bij [A] in dienst was – genoemde omstandigheid dat op 24 maart 2014 € 27.830,- vanaf [D] werd overgeschreven naar de bankrekening van [A] , terwijl een dag later die Mercedes voor € 25.000,- door [A] werd gekocht.
Van de verdachte mag dan verlangd worden dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Hetgeen de verdachte over de facturen en de achtergrond van de betalingen heeft verklaard, is al besproken en weerlegd in de bewijsoverweging van feit 2. Nu die verklaring zich niet verhoudt tot de onderzoeksbevindingen en geen enkele houvast biedt om aan te nemen dat er geen sprake van witwassen is, moet die verklaring als op voorhand hoogst onwaarschijnlijk worden aangemerkt. Het hof komt tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de door [B] en [D] aan [A] betaalde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.”
4.4
Net als de steller van het middel begrijp ik de overwegingen van het hof zo dat er weliswaar geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, maar dat het naar het oordeel van het hof op grond van de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de tenlastegelegde geldbedragen die naar aanleiding van diverse valse facturen zijn betaald, uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof verwijst in dit verband naar de vaststelling dat de verdachte zich met [A] langdurig heeft beziggehouden met witwassen. Die vaststelling volgt uit de voor het bewijs gebezigde Ennetcom-berichten tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , die termen bevatten als witwassen, in samenhang met de onherroepelijke veroordeling van [betrokkene 2] wegens deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met de invoer van harddrugs.
4.5
Gelet op de onder 4.3 weergegeven berichten, in combinatie met de vaststelling van het hof dat van 6 februari tot en met april 2015 met ‘ [bijnaam] ’ de verdachte werd aangeduid en de vaststelling dat de opgemaakte facturen vals zijn, acht ik het niet onbegrijpelijk dat deze feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof een voldoende witwasvermoeden funderen. Daar komt nog bij dat het hof in aanmerking heeft genomen dat de Mercedes van [betrokkene 6] (één van de fictieve werknemers van [A] ) voor € 25.000 door [A] is gekocht, terwijl één dag eerder nog een bedrag van € 27.830 door het aan [medeverdachte 2] gelieerde bedrijf [D] werd overgeschreven naar de bankrekening van [A] .
4.6
Daaruit vloeit voort dat van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Nu het hof heeft overwogen dat hetgeen de verdachte heeft verklaard over de facturen en de achtergrond van de betalingen zich niet verhoudt tot de onderzoeksbevindingen en geen enkele houvast biedt om aan te nemen dat er geen sprake is van witwassen, kon het hof op basis daarvan oordelen dat het niet anders kan zijn dat de door [B] en [D] aan [A] betaalde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4.7
Het middel faalt.

5.Het vierde middel

5.1
Het vierde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
5.2
Namens de verdachte is op 6 februari 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 oktober 2024 door de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat de inzendtermijn van 8 maanden met minder dan een maand overschreven. Het middel klaagt daarover terecht.
5.3
Hoewel bij een overschrijding van de redelijke termijn die minder dan één maand bedraagt kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, is dat in dit geval niet mogelijk. Daartoe merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf dient te leiden. [4]
5.4
Het middel slaagt.

6.Slotsom

6.1
Het vierde middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6.2
Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie Rb. Amsterdam 7 december 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8713. Dit vonnis is door het hof in de onderhavige zaak als bewijsmiddel gebruikt.
2.Het hof verwijst daarbij naar het proces-verbaal van bevindingen gefingeerde arbeidsovereenkomsten, p. 1084. Daarin wordt vermeld dat de netto salarisbetalingen op de website van [E] zijn omgerekend naar bruto (met een tabel waarin de omgerekende bedragen zijn opgenomen) en dat op basis van de bevindingen het vermoeden bestaat dat [A] B.V. in opdracht van [medeverdachte 3] tenminste EUR 78.774,57 (girale salarisbetalingen in 2014-2015 aan bruto loon) heeft witgewassen door gefingeerde dienstverbanden aan te gaan en samen te spannen met [betrokkene 3] , [betrokkene 6] , [betrokkene 5] en [betrokkene 4] .
3.Vgl. HR 21 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:410, rov. 3.5.2; HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1751, rov. 3.3.
4.Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.