ECLI:NL:PHR:2026:636

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
24/03588
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 227b SrArt. 416 lid 2 SvArt. 410 SvArt. 452 lid 1 SvArt. 450 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid in hoger beroep bij uitkeringsfraude wegens ontbreken grieven

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een veroordeling wegens uitkeringsfraude. Dit omdat hij geen grieven had ingediend en niet was verschenen bij de rolzitting, waarop het hof toepassing gaf aan artikel 416, tweede lid, Sv. De raadsman van verdachte had een e-mail gestuurd waarin hij bezwaren tegen het vonnis kenbaar maakte, maar deze e-mail werd niet aangemerkt als een appelschriftuur zoals vereist volgens artikel 410 Sv Pro.

De verdediging stelde dat het hof ten onrechte artikel 416, tweede lid, Sv had toegepast, omdat zij op basis van mededelingen van de strafgriffie mocht vertrouwen dat de zaak zou worden aangehouden. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze mededelingen geen gerechtvaardigde verwachting schepten en dat een rechtsgeleerd raadsman geacht wordt de wettelijke regels omtrent hoger beroep te kennen.

De conclusie van de advocaat-generaal was dat het middel faalt en dat het beroep verworpen moet worden. Er waren geen ambtshalve gronden voor vernietiging van het arrest. De Hoge Raad bevestigde hiermee de niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het hoger beroep.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven en het niet verschijnen bij de rolzitting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03588
Zitting14 april 2026
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 19 september 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Overijssel van 11 juni 2024, waarbij de verdachte wegens ‘in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de hoogte of de duur van een verstrekking of tegemoetkoming’ is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede 100 uren taakstraf, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Michels, advocaat in Oldenzaal, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbehelst de klacht dat het gerechtshof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv, nu de verdachte had mogen vertrouwen op de mededeling van de strafgriffie van het hof dat de zaak zou worden ‘aangehouden’.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 19 september 2024, houdt het volgende in:
‘De verdachte genaamd:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.
wonende te [postcode] [plaats] , [a-straat 1] ,
is niet verschenen.
De raadsman van verdachte, mr. J. Michels, advocaat te Oldenzaal. is eveneens niet ter zitting verschenen.
De voorzitter deelt mede dat op 12 augustus 2024 een mailbericht van mr. Michels is ontvangen. Uit de inhoud van dit bericht leidt de voorzitter af dat de raadsman niet gemachtigd is en er, bij een niet verschijnen van verdachte, toepassing gegeven kan worden aan artikel 416, lid 2.
De voorzitter stelt vast dat de dagvaarding op de juiste wijze is betekend, in persoon aan verdachte op 10 augustus 2024.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal merkt op dat verdachte geen appelschriftuur heeft ingediend, noch zijn bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep kenbaar heeft gemaakt. De vordering van de advocaat-generaal strekt dan ook tot niet-ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit.

AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST

VERSTEK
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.’
5. De dagvaarding voor het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 19 september 2024 houdt onder meer het volgende in:
‘LET OP: DIT BETREFT EEN ROLZITTING.
Deze rolzitting is bedoeld om te inventariseren of en zo ja, welke bezwaren er leven tegen het vonnis dan wel of de reeds ingediende bezwaren worden gehandhaafd. Daarna zal de behandeling van de strafzaak direct worden aangehouden tot een nadere datum waarop de strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Bij niet verschijnen kan de zaak direct door het hof worden afgedaan, met niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.’
6. Bij de stukken bevindt zich voorts een e-mail van 12 augustus 2024, verzonden vanaf het [e-mailadres 1] en ondertekend door J. Michels. Deze e-mail houdt het volgende in:
‘Betreft: rolzitting 19 september 2024 om 9/06 uur
Geachte heer / mevrouw,
Recent ontving ik een afschrift van de appeldagvaarding in bovengenoemde zaak.
Deze mail kunt u aanmerken als een reactie op de aangekondigde rolzitting, maar het betreft nadrukkelijk geen appelschriftuur als bedoeld in artikel 410 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Mocht cliënt niet verschijnen bij de inhoudelijke behandeling van de zaak én ik ben niet bepaaldelijk gevolmachtigd, meen ik dat toepassing dient te worden gegeven aan het bepaalde in artikel 416 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Cliënt heeft mij destijds gevraagd een rechtsmiddel aan te wenden tegen het veroordelend vonnis, omdat hij zich niet kon verenigen met:
• de beslissing om het Openbaar Ministerie ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
• de bewezenverklaring.
Ik ga er vanuit dat de destijds geuite bezwaren nog onverkort van toepassing zijn. Andersluidende berichten hebben mij tot op heden niet bereikt.
Zou u bij de planning van de inhoudelijke behandeling van de zaak rekening willen houden met mijn verhinderdata? U kunt mijn verhinderdata opvragen bij mijn secretaresse via [e-mailadres 2] Indien u verhinderdata opvraagt, hebben deze data een beperkte geldigheid. In de strafpraktijk veranderen verhinderdata welhaast dagelijks. Mocht u pas enige tijdig na het verkrijgen van mijn verhinderdata overgaan tot planning van de zaak, verzoek ik u telefonisch contact op te nemen met mijn secretaresse om te verifiëren of ik nog altijd beschikbaar ben.’
7. Bij de stukken bevindt zich tevens een in reactie op dit e-mailbericht verzonden e-mail van een senior administratief medewerker van 26 augustus 2024, blijkens het mailadres kennelijk verbonden aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, die het volgende inhoudt:
‘Geachte mr. Michels,
Dank voor uw e-mail in bovengenoemde zaak. Nu u de bezwaren tegen het vonnis per mail kenbaar heeft gemaakt, is de aanwezigheid van u en uw cliënt ter zitting niet langer noodzakelijk. Graag wil ik u in verband met het doorplannen van de strafzaak van uw cliënt wel vragen uw verhinderdata voor december 2024 tot en met april 2025 vóór 19 september 2024 naar mij te mailen.’
8. Nadat het bestreden arrest gewezen is, heeft J. Michels op 24 september 2024 een e-mail naar de strafgriffie van het gerechtshof verzonden met de volgende inhoud:
‘L.s.,
Kijkende naar de inhoud van de mailwisseling met [betrokkene 1] en het arrest in de bijlage lijkt er iets niet goed te gaan.
Cliënt heeft zijn bezwaren kenbaar gemaakt en er op geen enkel moment blijk van gegeven deze bezwaren niet meer te willen handhaven. Naar mijn mening had geen toepassing mogen worden gegeven aan het bepaalde in artikel 416 lid 2 WvSv Pro.
Gelet op de inhoud van de eerdere mailwisseling én het nadien nog desgevraagd doorgeven van mijn verhinderdata voor het plannen van een inhoudelijke behandeling van de zaak, is noch ondergetekende noch cliënt verschenen bij de rolzitting d.d. 19 september 2024. Ik meen ook te mogen vertrouwen op deze processuele gang van zaken.
Hoe dit op te lossen? Als raadsman kan ik vermoedelijk weinig anders dan beroep in cassatie aantekenen. Een herstelarrest lijkt me niet mogelijk.’
9. Een e-mail van 26 september 2024, eveneens ondertekend door J. Michels, houdt vervolgens in:
‘L.s.,
Inmiddels heb ik beroep in cassatie aangetekend.
Graag verneem ik nog of bewust geopteerd is voor een arrest ex artikel 416 lid 2 WvSv Pro of dat per abuis geen acht werd geslagen op de correspondentie in aanloop naar de rolzitting?’
10. Daarop heeft diezelfde dag nog een senior gerechtsjurist een e-mail verzonden met de volgende inhoud:
‘Geachte raadsman,
De behandelend raadsheer heeft, overeenkomstig het standpunt van de AG, de berichtgeving van de raadsman zo heeft opgevat, dat de raadsman niet gemachtigd was en er, bij een niet verschijnen van verdachte, toepassing gegeven kon worden aan artikel 416, lid 2.’
11. De steller van het middel baseert het standpunt dat ten onrechte toepassing is gegeven aan art. 416, tweede lid, Sv op het argument dat de verdachte heeft mogen vertrouwen op de mededeling van een medewerker van de strafgriffie van 26 augustus 2024, naar ik begrijp in het bijzonder de zin ‘Nu u de bezwaren tegen het vonnis per mail kenbaar heeft gemaakt, is de aanwezigheid van u en uw cliënt ter zitting niet langer noodzakelijk’ in combinatie met het verzoek verhinderdata door te geven. Dat argument verschilt van het argument dat in het arrest van 19 november 2024, waar de steller van het middel in de schriftuur een beroep op doet, een rol speelde. [1] In die zaak was voorafgaande aan de zitting in hoger beroep een e-mail verzonden waarin ‘opgave van de grieven’ was gedaan. A-G Frielink stelde in de conclusie dat er voldoende grond was voor het ernstig vermoeden dat het e-mailbericht ter griffie van het hof was ontvangen. Uw Raad vernietigde het bestreden arrest, waarin de verdachte niet-ontvankelijk was verklaard in het ingestelde hoger beroep, onder verwijzing naar de conclusie. [2]
12. In deze zaak beroept de steller van het middel zich er niet op dat via de e-mail een opgave van grieven is gedaan. Dat is ook niet verwonderlijk: in de e-mail van 12 augustus 2024 stelt de raadsman dat de mail ‘nadrukkelijk geen appelschriftuur als bedoeld in artikel 410 van Pro het Wetboek van Strafvordering’ betreft. Ik attendeer er in dat verband op dat art. 452, eerste lid, Sv art. 450 Sv Pro op de indiening van schrifturen van overeenkomstige toepassing verklaart, behoudens een uitzondering die in dit verband niet ter zake doet. En dat art. 450, eerste lid, Sv inhoudt dat het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in art. 449 Sv Pro, kan geschieden door tussenkomst van een advocaat, ‘indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd’.
12. Bestreden wordt derhalve – terecht – niet dat aan de voorwaarden voor toepassing van art. 416, tweede lid, Sv is voldaan. Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend en door of namens de verdachte zijn niet mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven.
12. Aan onjuiste mededelingen van de griffie kunnen onder omstandigheden rechtsgevolgen verbonden zijn. Zo kan termijnverzuim verontschuldigbaar zijn ingeval een medewerker van de griffie voor het verstrijken van de beroepstermijn ambtelijke informatie heeft verstrekt die bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat deze termijn op een later tijdstip aanvangt. [3] In deze zaak is er naar het mij voorkomt evenwel geen reden om aan de onjuiste mededeling dat de aanwezigheid van de raadsman en de verdachte op de rolzitting niet noodzakelijk is rechtsgevolgen te verbinden.
15. Voorop staat daarbij dat uit de geciteerde correspondentie niet kan worden afgeleid dat de medewerker van de griffie bij de raadsman verwachtingen heeft gewekt die niet reeds bestonden. De raadsman noemt de bezwaren die de verdachte ten tijde van het aanwenden van het hoger beroep tegen het veroordelend vonnis had, geeft aan dat hij ervan uitgaat dat die bezwaren ‘nog onverkort van toepassing zijn’ en verzoekt vervolgens ‘bij de planning van de inhoudelijke behandeling van de zaak’ rekening te houden met zijn verhinderdata. Daaruit spreekt dat de raadsman ervan uitging dat met het noemen van de bezwaren die de verdachte eerder had geuit, niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep bij gelegenheid van de rolzitting voorkomen was. Van de e-mail die een senior administratief medewerker op 26 augustus 2024 aan de raadsman zond, kan hoogstens gezegd worden dat zij deze gedachte niet heeft weggenomen. [4] Ik merk nog op dat uit het dossier ook niet blijkt dat eerder een schriftuur houdende grieven door of namens de verdachte is ingediend.
16. Verder gaat het hier om contact tussen de griffiemedewerker en de raadsman, en de foutieve informatie betreft een kwestie van wetsinterpretatie. Een rechtsgeleerd raadsman mag geacht worden op de hoogte te zijn van de mogelijkheden tot toepassing van art. 416, tweede lid, Sv. Een rechtsgeleerd raadsman mag ook geacht worden te weten dat de rechter over toepassing van art. 416, tweede lid, Sv beslist. Van het wekken van een gerechtvaardigde verwachting is ook in dit licht geen sprake.
16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1669.
2.Vgl. ook HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:437, waarin de e-mail waarmee de verdachte aan de griffie van de rechtbank volmacht verleende om hoger beroep in te stellen een opgave van grieven bevatte. Zie ook HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:761, waarin een brief van de moeder van de verdachte niet als schriftuur houdende grieven is aangemerkt.
3.Vgl. HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1553. Zie ook HR 14 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:38,
4.Daarmee is de gang van zaken heel anders dan in HR 5 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1454, waarin de A-G aan de raadsman een brief van de voorzitter van de ‘innovatiekamer’ had meegezonden die na de rolzitting een inhoudelijke zitting in het vooruitzicht stelde.