Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
21 april 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft het beroep van de verdachte verworpen tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep. De niet-ontvankelijkverklaring was gebaseerd op het feit dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven had ingediend en ook niet mondeling bezwaar had gemaakt tijdens de terechtzitting.
Een brief van de moeder van de verdachte, ingediend bij het Openbaar Ministerie, werd door het hof niet aangemerkt als een schriftuur houdende grieven. Dit omdat uit de stukken niet bleek dat de moeder door de verdachte schriftelijk en persoonlijk bij bijzondere volmacht was gemachtigd om namens hem grieven in te dienen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof hiermee geen onjuiste rechtsopvatting had en het oordeel niet onbegrijpelijk was. De wettelijke bepalingen omtrent het indienen van schrifturen en de vereiste volmacht werden daarbij in acht genomen. Het beroep in cassatie werd daarom verworpen.
Uitkomst: De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van een schriftuur houdende grieven en onvoldoende volmacht voor indiening door zijn moeder.