Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
De subsidiaire klacht kan niet slagen wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1wordt
primairgeklaagd dat de rechtbank nader onderzoek had moeten doen naar het voor betrokkene ingestelde mentorschap. Nu de rechtbank dit niet gedaan heeft, is de mentor niet opgeroepen en niet in de gelegenheid gesteld om op de mondelinge behandeling haar zienswijze naar voren te brengen. De beslissing van de rechtbank om de zorgmachtiging desondanks te verlenen, is daarmee rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk en niet naar de eisen der wet omkleed.
Subsidiair, voor zover de rechtbank kennelijk van oordeel was dat de mentor van de zitting af wist of kon weten en desondanks niet is verschenen en er kennelijk van afgezien heeft om haar zienswijze mondeling kenbaar te maken, wordt geklaagd dat dit oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is, omdat de rechtbank daaraan geen nadere aandacht of enige overweging heeft gewijd.
3. Probleembeschrijving
6.Benodigde zorg om het (dreigend) ernstig nadeel weg te nemen
onderdeel 1.
primaire klachtvan onderdeel 1 – onder verwijzing naar de aanwijzingen in het zorgplan voor een mentorschap of de aanvraag daarvoor – wordt betoogd, ben ik van mening dat de rechtbank in dit geval niet tot dit nadere onderzoek was gehouden.
subsidiaire motiveringsklachtvan onderdeel 1 kan niet slagen wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Deze klacht gaat er immers van uit dat de rechtbank op de hoogte was van het mentorschap en van oordeel was dat die mentor van de zitting af wist of kon weten en desondanks niet is verschenen en er kennelijk van heeft afgezien om haar zienswijze mondeling kenbaar te maken. Deze situatie doet zich hier echter niet voor. In de eerste plaats kan in cassatie niet worden vastgesteld dat betrokkene een mentor had op het moment dat het verzoek tot het verlenen van de zorgmachtiging op 12 september 2025 werd ingediend (zie hiervoor onder 3.16). Verder begrijp ik de bestreden beschikking aldus dat de rechtbank niet op de hoogte was van de beschikking van 17 juli 2025 inzake een mentorschap voor betrokkene (zie hiervoor onder 3.17). De rechtbank heeft ook niet kenbaar nader onderzocht of betrokkene een mentor heeft, maar daartoe was zij naar mijn mening ook niet gehouden (zie hiervoor onder 3.18-3.24).
onderdeel 2, dat een voortbouwklacht bevat, niet tot cassatie leiden.