ECLI:NL:PHR:2026:652

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
25/04754
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 lid 3 WvggzArt. 5:17 lid 6 WvggzArt. 6:1 lid 1 WvggzArt. 6:1 lid 6 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid zorgmachtiging ondanks ontbreken mentorschapsinformatie

In deze zaak ging het om een zorgmachtiging verleend door de rechtbank Limburg voor betrokkene, die wilsonbekwaam werd geacht. Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank had moeten onderzoeken of er een mentorschap was ingesteld, omdat uit het zorgplan aanwijzingen daarvoor zouden blijken. De beschikking tot instelling van een mentorschap en benoeming van een mentor was echter niet bij het verzoekschrift gevoegd en maakte geen deel uit van het geding in eerste aanleg.

De Procureur-Generaal concludeerde dat de rechtbank niet op de hoogte was van het mentorschap en dat de aanwijzingen in het zorgplan niet ondubbelzinnig en prominent waren. Ook de medische verklaring die wilsonbekwaamheid vaststelde, maakte dit niet anders omdat ook andere vertegenwoordigers dan de mentor kunnen optreden. De rechtbank hoefde daarom geen nader onderzoek te doen naar het mentorschap.

De Hoge Raad volgde deze redenering en verwierp het cassatieberoep. De mentor was niet opgeroepen en had geen gelegenheid haar zienswijze mondeling kenbaar te maken, maar dit was niet onrechtmatig omdat de rechtbank niet wist van het mentorschap. De zorgaanbieder had het mentorschap niet onder de aandacht gebracht van de betrokken partijen. De procedure was verder correct verlopen en de zorgmachtiging werd terecht verleend.

Deze uitspraak benadrukt het belang van het tijdig en volledig aanleveren van relevante stukken, zoals de beschikking tot mentorschap, bij verzoeken om zorgmachtigingen. Het ontbreken daarvan kan ertoe leiden dat de rechtbank niet op de hoogte is van belangrijke vertegenwoordigers van de betrokkene, zonder dat dit de rechtmatigheid van de beschikking aantast.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de rechtbank niet gehouden was nader onderzoek te doen naar het mentorschap dat niet in het geding was ingebracht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/04754
Zitting26 juni 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. J.A.J. Leeman
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Limburg,
hierna: de officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak is door de rechtbank op 22 september 2025 een aansluitende zorgmachtiging verleend ten aanzien van betrokkene. In cassatie is de beschikking van 17 juli 2025 overgelegd waarin ten behoeve van betrokkene een mentorschap is ingesteld en een mentor is benoemd. Deze beschikking behoort in de onderhavige zaak echter niet tot de stukken van het geding in eerste aanleg. De mentor is niet opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoek en is niet in de gelegenheid gesteld haar zienswijze mondeling kenbaar te maken (vgl. art. 6:1 lid 1 Wvggz Pro). Tijdens de mondelinge behandeling is een mentorschap van betrokkene niet aan de orde geweest. Gelet op het voorgaande begrijp ik de bestreden beschikking aldus dat de rechtbank niet op de hoogte was van de beschikking van 17 juli 2025 inzake een mentorschap voor betrokkene.
1.2
Primair wordt geklaagd dat de rechtbank nader onderzoek had moeten doen naar het mentorschap voor betrokkene, gelet op de aanwijzingen in het zorgplan voor (de aanvraag voor) een mentorschap en nu betrokkene blijkens de medische verklaring wilsonbekwaam is. Ik meen dat deze klacht niet slaagt. De aanwijzingen in het zorgplan zijn naar mijn mening niet dusdanig ondubbelzinnig en prominent aanwezig dat, mede gelet op de overige stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, de rechtbank in dit geval nader onderzoek had moeten doen naar het mentorschap. Dat uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene wilsonbekwaam wordt geacht, maakt een en ander ook niet anders, omdat bij wilsonbekwaamheid ook andere personen dan de mentor als vertegenwoordiger van een betrokkene mogen optreden (art. 1:3 lid Pro 3, aanhef en onder b, Wvggz).
De subsidiaire klacht kan niet slagen wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
1.3
Het cassatieberoep slaagt dus niet.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Ten aanzien van betrokkene is door de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) een zorgmachtiging verleend tot en met 19 september 2025. [1] Betrokkene verbleef op grond van deze machtiging bij Mondriaan GGZ. [2]
2.2
De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 12 september 2025, verzocht om een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden.
2.3
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 22 september 2025. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn (waarnemend) advocaat, een arts en een verpleegkundig specialist. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.4
Bij beschikking van 22 september 2025 [3] heeft de rechtbank de verzochte zorgmachtiging verleend en bepaald dat deze voor de duur van twaalf maanden geldt, aldus tot en met uiterlijk 22 september 2026.
2.5
Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking. Zijn procesinleiding is – tijdig – bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 22 december 2025. [4]
2.6
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bestaat uit twee onderdelen, waarvan onderdeel 2 een voortbouwklacht betreft.
3.2
In
onderdeel 1wordt
primairgeklaagd dat de rechtbank nader onderzoek had moeten doen naar het voor betrokkene ingestelde mentorschap. Nu de rechtbank dit niet gedaan heeft, is de mentor niet opgeroepen en niet in de gelegenheid gesteld om op de mondelinge behandeling haar zienswijze naar voren te brengen. De beslissing van de rechtbank om de zorgmachtiging desondanks te verlenen, is daarmee rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk en niet naar de eisen der wet omkleed.
Subsidiair, voor zover de rechtbank kennelijk van oordeel was dat de mentor van de zitting af wist of kon weten en desondanks niet is verschenen en er kennelijk van afgezien heeft om haar zienswijze mondeling kenbaar te maken, wordt geklaagd dat dit oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is, omdat de rechtbank daaraan geen nadere aandacht of enige overweging heeft gewijd.
3.3
In de toelichting op dit onderdeel voert betrokkene – samengevat – het volgende aan. Ten aanzien van betrokkene is bij beschikking van 17 juli 2025 een mentor aangesteld. Uit de stempel op de beschikking van 17 juli 2025 blijkt dat die beschikking op 19 augustus 2025 door de griffie is verzonden. Nu de mentor die beschikking op 20 augustus 2025 heeft ontvangen, [5] hebben de bij de onderhavige procedure betrokken partijen, zoals de mentor, de zorginstelling, de geneesheer-directeur en de officier van justitie op of rond 20 augustus 2025 (een kopie van) de beschikking ontvangen en zijn zij daarmee ervan op de hoogte gebracht dat voor betrokkene een mentor is aangesteld. Op het moment dat het verzoekschrift tot het verlenen van een zorgmachtiging op 12 september 2025 bij de rechtbank werd ingediend, was er (dus) ten behoeve van betrokkene een mentor aangesteld. De officier heeft bij zijn verzoekschrift niet een afschrift van de beschikking van de kantonrechter van 17 juli 2025 gevoegd (art. 5:17 lid Pro 6, aanhef en onder c, Wvggz). In het verzoekschrift wordt niets vermeld over het mentorschap. In het zorgplan, dat is opgesteld op 11 augustus 2025, wordt gesproken over een mentorschap van betrokkene. Daarbij wordt in de toelichting op onderdeel 1 op de volgende passages uit het zorgplan gewezen: [6]

3. Probleembeschrijving
(…)
d. Wat is de beleving en duiding vanuit de voor de continuïteit van zorg relevante familie en/of naasten en/of vertegenwoordiger (indien van toepassing)?
Mentor onderschrijft de probleembeschrijving volgens zorgverantwoordelijke.
(…)

6.Benodigde zorg om het (dreigend) ernstig nadeel weg te nemen

(…)
e.2. Hoe is rekening gehouden met de voorkeuren of zienswijze van betrokkene, vertegenwoordiger en/of relevante familie en naasten ten aanzien van de zorg?
Mentorschap is aangevraagd, zodra de mentor is aangesteld zal de inhoud van dit zorgplan worden besproken met de mentor van betrokkene.”
In de toelichting op onderdeel 1 van het middel wordt vervolgens aangevoerd dat de rechtbank door het zorgplan op de hoogte was, althans ervan op de hoogte kon zijn dat voor betrokkene een mentor was benoemd, althans dat daartoe een verzoek was ingediend. De rechtbank had nader onderzoek moeten verrichten naar het mentorschap, nu in het verzoekschrift niet van een mentorschap wordt gerept en ook voor het overige nadere informatie daarover ontbreekt, terwijl betrokkene wilsonbekwaam is beoordeeld. Doordat de rechtbank dit achterwege heeft gelaten, is de mentor niet opgeroepen en niet in de gelegenheid gesteld haar zienswijze mondeling kenbaar te maken (art. 6:1 lid 1 Wvggz Pro), aldus de toelichting op het onderdeel.
3.4
Bij de bespreking van dit onderdeel stel ik het volgende voorop.
3.5
Als vertegenwoordiger van een wilsonbekwame betrokkene ter zake van de uitoefening van de rechten en plichten op grond van de Wvggz kunnen de in artikel 1:3 lid Pro 3, aanhef en onder b, Wvggz genoemde personen optreden. Een van de daar genoemde personen is de mentor.
3.6
Indien ten behoeve van een betrokkene een mentorschap is ingesteld, voegt de officier van justitie bij zijn verzoekschrift voor een zorgmachtiging een afschrift van de beschikking waarbij het mentorschap is ingesteld en die waarbij een mentor is benoemd (art. 5:17 lid 6 Wvggz Pro).
3.7
Dit voorschrift lijkt te veronderstellen dat de officier van justitie er steeds van op de hoogte zal zijn wanneer een mentorschap is ingesteld ten behoeve van een betrokkene en ook steeds over de desbetreffende beschikking(en) zal beschikken. In de praktijk zal de officier van justitie echter slechts weet hebben van een mentorschap en de persoon van de mentor, indien hij hierover geïnformeerd wordt door de zorgverantwoordelijke, al dan niet via het zorgplan (art. 5:13 Wvggz Pro) of door de geneesheer-directeur in zijn bevindingen (art. 5:15 Wvggz Pro). [7] Vervolgens zal de officier van justitie het afschrift van de beschikking(en) moeten opvragen bij de rechtbank. Dat blijkt in de praktijk ook niet steeds eenvoudig te zijn, waardoor de officier van justitie niet steeds in staat zal zijn om het afschrift van de beschikking(en) inzake de instelling van het mentorschap en de benoeming van de mentor bij het verzoekschrift te voegen. [8]
3.8
Wanneer de officier van justitie wel een afschrift van de beschikking waarbij het mentorschap is ingesteld en die waarbij een mentor is benoemd bij zijn verzoekschrift heeft gevoegd, is de rechter daarmee op de hoogte van het mentorschap en van de persoon van de mentor. Dat is weer van belang vanwege het volgende.
3.9
De mentor van een betrokkene moet door de rechter in de gelegenheid worden gesteld zijn zienswijze mondeling kenbaar te maken (art. 6:1 lid 1 Wvggz Pro in verbinding met art. 1:3 lid Pro 3, aanhef en onder b, Wvggz). De mentor wordt daartoe opgeroepen door de rechtbank. De mentor behoort als vertegenwoordiger van een betrokkene tot de personen die door de rechter verplicht kunnen worden om te verschijnen (vgl. art. 6:1 lid Pro 6, aanhef en onder c, Wvggz).
3.1
Wanneer bij het verzoekschrift voor een zorgmachtiging geen afschrift van de beschikking(en) inzake de instelling van het mentorschap en de benoeming van een mentor zijn gevoegd, kan een dossier wel overige aanwijzingen voor een (mogelijk) mentorschap bevatten. In geval van dergelijke aanwijzingen hangt het mijns inziens van de omstandigheden van het geval af of van de rechter verwacht mag worden of hij naar de aanwezigheid van een mentor nader onderzoek doet. Daarbij verdient het naar mijn oordeel in zijn algemeenheid wel de voorkeur dat de rechter, wanneer het dossier aanwijzingen bevat voor de mogelijkheid dat een betrokkene een mentor heeft, daarover navraag doet bij de zorgverantwoordelijke of de advocaat van die betrokkene. Deze navraag wordt bij voorkeur voorafgaand aan de mondelinge behandeling gedaan, zodat de mentor daarvoor opgeroepen kan worden om zijn zienswijze, desnoods telefonisch, mondeling kenbaar te maken. Mocht dat niet lukken, kan de rechter ook nog ter zitting doorvragen over aanwijzingen voor een mentorschap in het dossier en, indien er een mentor blijkt te zijn, proberen de mentor ter plekke nog telefonisch te bereiken.
3.11
Ik keer terug naar de bespreking van
onderdeel 1.
Wat in cassatie niet vastgesteld kan worden
3.12
Het onderdeel gaat uit van een aantal feiten die in eerste aanleg echter niet zijn vastgesteld en die in cassatie dus ook niet alsnog vastgesteld kunnen worden. Ik licht dat hierna onder 3.13-3.16 nader toe.
3.13
Van het in cassatie namens betrokkene overgelegde procesdossier in eerste aanleg maakt deel uit de beschikking van 17 juli 2025. [9] In deze beschikking heeft de kantonrechter in de rechtbank Limburg, op verzoek van Stichting Mondriaan, met ingang van de dag na de datum van verzending van die beschikking een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene en [de mentor] B.V. (hierna: de mentor) benoemd tot mentor.
3.14
Bij het op 12 september 2025 ingediende verzoekschrift voor een zorgmachtiging is deze beschikking van 17 juli 2025 echter niet gevoegd, [10] zoals ook in de procesinleiding zelf wordt opgemerkt. [11] Evenmin blijkt dat deze beschikking na het indienen van het verzoekschrift alsnog in het geding is gebracht. De bestreden beschikking vermeldt de beschikking van 17 juli 2025 niet. Laatstgenoemde beschikking inzake het mentorschap maakt dus, anders dan in cassatie namens betrokkene gesuggereerd lijkt te worden, geen deel uit van de stukken van het geding in eerste aanleg.
3.15
Verder kan, anders dan in de procesinleiding wordt aangenomen, in cassatie niet worden vastgesteld dat de beschikking van 17 juli 2025 op 19 augustus 2025 door de griffie van de rechtbank is verzonden en op 20 augustus 2025 door de mentor van betrokkene is ontvangen. En daarmee kan, wederom anders dan in de procesinleiding wordt aangenomen, al helemaal niet in cassatie worden vastgesteld dat ook de zorginstelling, de geneesheer-directeur en de officier van justitie op of rond 20 augustus 2025 een afschrift van de beschikking van 17 juli 2025 hebben ontvangen, waarmee zij ervan op de hoogte zouden zijn gebracht dat ten behoeve van betrokkene een mentorschap was ingesteld. [12]
3.16
Gelet op het voorgaande kan in cassatie dus niet worden vastgesteld of en zo ja, met ingang van welke datum een mentorschap ten behoeve van betrokkene is ingesteld. Daarmee kan dus in cassatie, anders dan in de procesinleiding wordt aangenomen, ook niet worden vastgesteld dat betrokkene een mentor had op het moment dat het verzoek tot het verlenen van de zorgmachtiging op 12 september 2025 werd ingediend. [13]
Nader onderzoek naar mentorschap door de rechtbank?
3.17
In cassatie moet er mijns inziens van worden uitgegaan dat de rechtbank eenvoudigweg niet op de hoogte was van de beschikking van 17 juli 2025 inzake het mentorschap. Hiervoor bleek immers dat die beschikking niet bij het verzoekschrift was gevoegd en ook overigens niet tot de stukken van het geding behoort. Evenmin wordt in de stukken van het geding melding gemaakt van deze beschikking (zie ook hierna onder 3.20). Tot slot blijkt ook uit het verhandelde ter zitting niet dat deze beschikking daar ter sprake is gekomen (zie ook hierna onder 3.21 en 3.23).
3.18
Dat brengt mij vervolgens bij de vraag of de rechtbank in dit geval gehouden was te onderzoeken of betrokkene een mentor heeft. Anders dan in de
primaire klachtvan onderdeel 1 – onder verwijzing naar de aanwijzingen in het zorgplan voor een mentorschap of de aanvraag daarvoor – wordt betoogd, ben ik van mening dat de rechtbank in dit geval niet tot dit nadere onderzoek was gehouden.
3.19
Het op 11 augustus 2025 opgestelde zorgplan bevat op twee plaatsen een verwijzing naar een (mogelijk) mentorschap ten behoeve van betrokkene (zie de hiervoor onder 3.3 weergegeven passages). Uit die passages volgt mijns inziens echter niet ondubbelzinnig dat een mentorschap is ingesteld en dat een mentor is benoemd. Enerzijds is te lezen “De mentor onderschrijft de probleembeschrijving volgens zorgverantwoordelijke”, anderzijds is vermeld “Mentorschap is aangevraagd, zodra de mentor is aangesteld zal (…)”. Bovendien zijn in het zorgplan de rubrieken betreffende de naam en contactgegevens van de vertegenwoordiger van betrokkene [14] en betreffende de ondertekening door de vertegenwoordiger [15] niet ingevuld. De verwijzingen naar de (mogelijk te lezen als: beoogd) mentor en de aanvraag voor een mentorschap zijn in dat licht dus ook niet prominent aanwezig in het zorgplan.
3.2
Het verzoekschrift voor een zorgmachtiging en de overige stukken van het geding – in het bijzonder de medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur – en het verhandelde ter zitting hoefden in deze zaak ook geen aanleiding voor de rechtbank te zijn om nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van een mentor. In deze stukken van het geding wordt immers noch aan de beschikking van 17 juli 2025 noch anderszins aan een (mogelijk) mentorschap voor betrokkene gerefereerd. Kennelijk zijn ook de onafhankelijk psychiater, de geneesheer-directeur en de officier van justitie niet aangeslagen op de passages in het zorgplan over een (mogelijk) mentorschap.
3.21
Verder blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling dat een (mogelijk) mentorschap ten behoeve van betrokkene ook niet ter zitting aan de orde is gekomen: noch de beschikking van 17 juli 2025 is daar genoemd noch anderszins is gerefereerd aan een mentorschap voor betrokkene. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene, blijkens het proces-verbaal, juist verklaard:
“Er zijn geen fouten in deze procedure. Wel is het verzoek te laat ingediend. (…)
Ik hoor meneer zeggen “ik wil hier niet zijn”. Ik laat de beslissing aan uw wijsheid over.”
3.22
In de procesinleiding wordt vermeld dat de waarnemend advocaat van betrokkene in eerste aanleg de beschikking inzake de instelling van het mentorschap en de benoeming van de mentor van 17 juli 2025 pas na de mondelinge behandeling van het kantoor van de mentor heeft ontvangen. [16] Voor zover hiermee wordt bedoeld aan te geven dat de waarnemend advocaat tijdens de mondelinge behandeling er nog niet van op de hoogte was dat betrokkene een mentor had, merk ik op dat die advocaat kennelijk in ieder geval ook niet is aangeslagen op de twee verwijzingen naar het mentorschap in het zorgplan.
3.23
Ook de behandelaars van betrokkene hebben blijkens het proces-verbaal niets verklaard over de beschikking van 17 juli 2025. Evenmin hebben zij anderszins iets over een (mogelijk) mentorschap voor betrokkene ter zitting genoemd. Aangezien het verzoek voor een mentorschap is gedaan door de zorgaanbieder van betrokkene, Stichting Mondriaan, had het mijns inziens in de eerste plaats op de weg van de zorgaanbieder gelegen het mentorschap onder de aandacht te brengen van de geneesheer-directeur of de officier van justitie in de voorbereiding van de zorgmachtiging of, nadien, van de rechtbank. [17] Dit is kennelijk niet gebeurd.
3.24
Kortom: het zorgplan bevat weliswaar aanwijzingen voor een mentorschap of de aanvraag daarvoor, maar die aanwijzingen zijn niet dusdanig ondubbelzinnig en prominent aanwezig dat de rechtbank, daarop had moeten aanslaan. Mede gelet op de overige stukken van het geding en het verhandelde ter zitting hoefde mijns inziens dus niet van de rechtbank verwacht te worden dat zij naar aanleiding van de aanwijzingen in het zorgplan nader onderzoek deed naar de aanwezigheid van een mentor voor betrokkene.
3.25
Dat uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene wilsonbekwaam wordt geacht, maakt een en ander ook niet anders, omdat bij wilsonbekwaamheid ook andere personen dan de mentor als vertegenwoordiger van een betrokkene mogen optreden (art. 1:3 lid Pro 3, aanhef en onder b, Wvggz).
3.26
Uit het bovenstaande volgt dat de primaire klacht van onderdeel 1, inhoudende dat de rechtbank nader onderzoek had moeten doen naar een voor betrokkene ingesteld mentorschap, faalt.
3.27
Ook de
subsidiaire motiveringsklachtvan onderdeel 1 kan niet slagen wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Deze klacht gaat er immers van uit dat de rechtbank op de hoogte was van het mentorschap en van oordeel was dat die mentor van de zitting af wist of kon weten en desondanks niet is verschenen en er kennelijk van heeft afgezien om haar zienswijze mondeling kenbaar te maken. Deze situatie doet zich hier echter niet voor. In de eerste plaats kan in cassatie niet worden vastgesteld dat betrokkene een mentor had op het moment dat het verzoek tot het verlenen van de zorgmachtiging op 12 september 2025 werd ingediend (zie hiervoor onder 3.16). Verder begrijp ik de bestreden beschikking aldus dat de rechtbank niet op de hoogte was van de beschikking van 17 juli 2025 inzake een mentorschap voor betrokkene (zie hiervoor onder 3.17). De rechtbank heeft ook niet kenbaar nader onderzocht of betrokkene een mentor heeft, maar daartoe was zij naar mijn mening ook niet gehouden (zie hiervoor onder 3.18-3.24).
3.28
Gelet op het falen van onderdeel 1 kan ook
onderdeel 2, dat een voortbouwklacht bevat, niet tot cassatie leiden.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Dit volgt uit r.o. 2.1 van de bestreden beschikking. De beschikking met betrekking tot deze zorgmachtiging bevindt zich niet in het procesdossier.
2.Ontleend aan r.o. 2.1 van de bestreden beschikking.
3.ECLI:NL:RBLIM:2025:9604. De beschikking is mondeling gegeven op 22 september 2025 en schriftelijk uitgewerkt op 6 oktober 2025. Laatstgenoemde datum wordt overigens op rechtspraak.nl als datum van de uitspraak vermeld.
4.Het procesdossier bevatte niet de medische verklaring. Deze is op mijn verzoek opgevraagd en toegevoegd aan het dossier op 5 juni 2026.
5.Betrokkene vermeldt in dit verband in zijn procesinleiding, voetnoot 13: “Het kantoor van de mentor heeft desgevraagd aan de steller dezes (van de procesinleiding) bericht dat de beschikking op de 20e augustus 2025 door haar is ontvangen.”
6.Zorgplan, p. 3 en p. 6.
7.Vgl. HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1399,
8.En dat opvraagproces bij de rechtbank is ook niet eenvoudig, aldus, J. Berton,
9.Zaaknummer 11721106 MS VERZ 25-839 (niet gepubliceerd).
10.Deze beschikking van 17 juli 2025 komt niet voor op het Bijlagenoverzicht bij het verzoekschrift.
11.Procesinleiding, onder 13 en 14.
12.Vgl. procesinleiding, onder 11.
13.Vgl. procesinleiding, onder 12.
14.Zorgplan, onder 2.b.
15.Zorgplan, onder 9.
16.Procesinleiding, voetnoot 12.
17.Blijkens de beschikking van 17 juli 2025 is een van de verzoekers tot instelling van het mentorschap “H. Alsharif” namens Stichting Mondriaan. Tijdens de mondelinge behandeling op 22 september 2025 van het verzoek om de aansluitende zorgmachtiging was “H. Sharif, basisarts” aanwezig. Ik acht niet uitgesloten dat het hierbij om dezelfde persoon gaat.