ECLI:NL:PHR:2026:696

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
25/01255
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 lid 2 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over strafoplegging bij computervredebreuk en medeplichtigheid afpersingszaak

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens computervredebreuk, waarbij hij als teamleider bij een verzekeringsmaatschappij vertrouwelijke gegevens onrechtmatig opvroeg en doorgaf. Deze gegevens werden gebruikt voor woningaanslagen in een landelijke afpersingszaak na de vondst van cocaïne in een fruitlading.

De rechtbank had de verdachte ook veroordeeld voor medeplichtigheid aan de voorbereiding van een aanslag, maar het hof sprak hem daarvan vrij. Desondanks handhaafde het hof de straf van twee jaar gevangenisstraf vanwege de ernst van de computervredebreuken en het onzorgvuldig delen van 'geheime' gegevens.

De verdachte stelde cassatie in tegen de strafoplegging, stellende dat de straf verbazing wekte en dat het hof onvoldoende op zijn persoonlijke omstandigheden had gereageerd. De Hoge Raad oordeelde dat de strafoplegging niet onbegrijpelijk of verbazingwekkend was, mede omdat het hof de ernst van het onrechtmatig delen van gegevens zwaar liet meewegen.

Verder was er geen uitdrukkelijk onderbouwd strafmatigingsverzoek van de verdediging waarop het hof had moeten reageren. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de strafoplegging van twee jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de gevangenisstraf van twee jaar wegens computervredebreuk en verwerpt het cassatieberoep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01255
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 4 april 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1] wegens 2 "computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt" en 3 “computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01226 ( [medeverdachte 8] ), 25/01229 ( [medeverdachte 1] ), 25/01244 ( [medeverdachte 2] ), 25/01265 ( [medeverdachte 4] ), 25/01294 ( [medeverdachte 5] ), 25/01412 ( [medeverdachte 6] ) en 25/01459 ( [medeverdachte 7] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1
Het gerechtshof heeft in deze zaak het volgende vastgesteld. In 2019 werd in Hedel (Gelderland) door medewerkers van een fruitbedrijf in een lading bananen afkomstig uit Ecuador een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. Na die vondst werd de politie gewaarschuwd en is de cocaïne in beslag genomen. Daarna werd geprobeerd een groot geldbedrag (aan bitcoins) van (de directie van) het bedrijf los te krijgen. Om die afpersing kracht bij te zetten, vond in de loop van 2020 en 2021 een lange reeks woningaanslagen plaats, veelal op adressen van personen die op de personeelslijst van het bedrijf stonden.
2.2
Het hof acht bewezen dat de verdachte in de voorliggende zaak in zijn hoedanigheid van teamleider bevragingen heeft gedaan in het informatiesysteem van zijn werkgever, een verzekeringsmaatschappij, en gegevens – zelfs als deze duidelijk waren geïndiceerd als ‘geheim’ – heeft doorgespeeld. Daarmee heeft de verdachte volgens het hof onbewust een bijdrage geleverd aan de aanhoudende afpersingszaak, omdat de door de verdachte opgevraagde adresgegevens zijn gebruikt voor het plegen van voormelde woningaanslagen.

3.Het middel

3.1
Het middel richt zich op de strafoplegging en valt in twee deelklachten uiteen. Allereerst bevat het de klacht dat de door het hof opgelegde straf ‘verbazing’ wekt. Daarnaast bevat het de klacht dat het hof onvoldoende heeft gereageerd op het in hoger beroep gevoerde straftoemetingsverweer.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“2.
hij op 8 december 2020 te [plaats] en/of [plaats] en/of elders in Nederland in een of meer (delen van) geautomatiseerde werken, te weten in een of meer (delen van server(s) toebehorende aan Achmea en/of Vektis en/of Basis Registratie Personen (BRP) en/of aan (een) ander(en) dan verdachte of zijn mededaders, waarop een internet(bevragings)omgeving (van voornoemde BRP) wordt gehost, althans bereikbaar is, is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel, namelijk door zich toegang te verschaffen tot (delen van de) voornoemde server(s) met een ander doel waarvoor hem, verdachte, die toegang was toegestaan, en vervolgens gegevens die waren opgeslagen door middel van (delen van) die geautomatiseerde werk(en) waarin hij zich wederrechtelijk bevond, voor anderen heeft overgenomen, namelijk door (vertrouwelijke) gegevens omtrent de ex-levenspartner van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en de levenspartner van [benadeelde 3] aan een daartoe niet-gerechtigde persoon te verstrekken;
3.
hij op 10 september 2020 en 24 september 2020 te [plaats] en/of [plaats] en/of elders in Nederland in een of meer (delen van) geautomatiseerde werken, te weten in een of meer (delen van) servers, toebehorende aan Achmea en/of Vaktis en/of Basis Registratie Personen (BRP) en/of aan (een) ander(en) dan verdachte of zijn mededaders, waarop een internet(bevragings)omgeving (van voornoemde BRP) wordt gehost, althans bereikbaar is, is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel, namelijk door zich (telkens) toegang te verschaffen tot (delen van de) voornoemde server(s) met een ander doel dan waarvoor hem, verdachte, die toegang was toegestaan, en (vervolgens) gegevens die waren opgeslagen door middel van (delen van) die geautomatiseerde werk(en) waarin hij zich (telkens) wederrechtelijk bevond, voor zichzelf en/of voor anderen heeft overgenomen, namelijk door (onder andere)
-
op 10 september 2020 (vertrouwelijke) gegevens omtrent een of meer personen (te weten [betrokkene 1] (alias vlogger [alias betrokkene 1] ) en de vader en de moeder van die [betrokkene 1] ) en het BRP-adres van die vader, zijnde [a-straat 1] te [plaats] en het BRP-adres van die moeder, zijnde [b-straat 1] te [plaats] , aan een daartoe niet-gerechtigde persoon te verstrekken, en
-
op 24 september 2020 (vertrouwelijke) informatie/gegevens omtrent een of meer personen (te weten persoonsgegevens van een overleden vrouw, waaronder haar achternaam, het land van herkomst, de namen van haar kinderen, de naam van haar levenspartner, alsmede zijn verblijfplaats) op (een) gegevensdrager(s) en/of in (een) document(en) te plaatsen en/of (naar zichzelf en/of zijn mededader(s)) te appen en (vervolgens) aan daartoe niet-gerechtigde personen te verstrekken.”
3.3
De verdachte is door de rechtbank Gelderland veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren wegens (kortgezegd) medeplichtigheid bij de voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing en brandstichting (feit 1) en computervredebreuken (feiten 2 en 3). De strafmaatoverwegingen van de rechtbank houden in:
“De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan computervredebreuk en daarnaast aan medeplichtigheid van het medeplegen van de voorbereiding van een aanslag op een woning. Deze aanslag is enkel voorkomen door vroegtijdig ingrijpen van de politie.
De aanslag is onderdeel van de landelijk bekende grote afpersingszaak van [A] , die is begonnen na de ontdekking van een grote hoeveelheid cocaïne in een lading fruit van het bedrijf. Daarop volgden (pogingen) tot afpersing en aanslagen om die afpersing kracht bij te zetten. Verdachte is bij de voorbereiding van in ieder geval één van die geplande aanslagen behulpzaam geweest door onrechtmatig gegevens van [familie benadeelde 1] in de BRP op te zoeken en te ver strekken aan anderen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten en heeft daar mee een bijdrage geleverd aan de aanhoudende afpersing van [A] .
De reclassering heeft op 20 september 2023 een rapport uitgebracht waarin zij het recidiverisico op laag-gemiddeld inschatten. De reclassering ziet als risico verhogende factor het sociaal netwerk van verdachte. Hier staat echter tegenover dat verdachte er bewust voor heeft gekozen om de omgeving van [plaats] te verlaten zodat hij niet meer in contact zou komen met de mensen die een slechte invloed op hem hadden. Hij is na onderhavige feiten niet meer in beeld gekomen bij de politie. De reclassering ziet geen aanknopingspunten voor reclasseringsbemoeienis.
Vanwege de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan de rechtbank niet anders dan aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging het gemak waarmee verdachte op onrechtmatige wijze persoonlijke gegevens verstrekte, waartoe hij via zijn werk toegang had. Hij heeft niet gevraagd waar deze gegevens voor zouden worden gebruikt, terwijl hij had moeten weten dat daarmee een aanslag op een woning zou kunnen worden gepleegd.
Alles overziend legt de rechtbank een gevangenisstraf op voor de duur van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Dat is lager dan de eis van de officier van justitie, mede omdat de rechtbank verdachte vrij spreekt van het onder feit 4 tenlastegelegde.”
3.4
Het hof heeft de verdachte bij arrest vrijgesproken van de door de rechtbank bewezenverklaarde medeplichtigheid bij de voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing en brandstichting en de verdachte vanwege de computervredebreuken veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. De strafmotivering van het hof vermeldt het volgende:

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de gepleegde misdrijven en de omstandigheden waaronder die misdrijven zijn begaan. Verder heeft het hof onder meer gelet op de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich meerdere keren schuldig gemaakt aan computervredebreuk. Hij heeft in zijn hoedanigheid als teamleider bij Achmea op de afdeling Klant Contact een aantal bevragingen gedaan in het informatiesysteem van zijn werkgever, zonder dat daartoe vanuit de uitoefening van zijn functie aanleiding bestond. Hiermee heeft verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de privacy van de personen die hij heeft opgezocht. Zelfs het feit dat bij één van de door verdachte opgezochte gegevens in oranje letters de indicatie ‘geheim' was vermeld heeft hem er niet van weerhouden die gegevens door te spelen en dat maakt verdachtes handelen des te kwalijker.
Het wederrechtelijk opvragen van vertrouwelijke informatie heeft daarnaast ernstig afbreuk gedaan aan het integriteitsimago van zijn werkgever, een verzekeringsmaatschappij. Van iedere medewerker mag worden verwacht dat hij systemen en informatie daarin uitsluitend gebruikt voor de werkzaamheden waarvoor deze zijn bedoeld. Juist van een werknemer met een leidinggevende functie mag integer handelen op dit vlak verwacht worden. Door zijn handelen heeft verdachte onbewust een bijdrage geleverd aan de aanhoudende afpersing van (de directie van) [A] . De door verdachte opgevraagde adresgegevens zijn namelijk gebruikt voor het plegen van woningaanslagen, die onderdeel zijn van de landelijk bekende grote afpersingszaak. Die afpersing is begonnen na de ontdekking van een grote hoeveelheid cocaïne in een lading fruit van het bedrijf [A] . Daarop volgden (pogingen) tot afpersing en aanslagen om die afpersing kracht bij te zetten.
De persoon van verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 oktober 2024. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld zodat dat niet strafverhogend werkt.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 20 september 2023. De reclassering schat het recidiverisico op laag-gemiddeld en ziet het sociale netwerk van verdachte juist als risico verhogende factor. Hier staat echter tegenover dat verdachte er bewust voor heeft gekozen om de omgeving van [plaats] te verlaten zodat hij niet meer in contact zou komen met de mensen die een slechte invloed op hem hadden. Hij is na onderhavige feiten niet meer in beeld gekomen bij de politie. De reclassering ziet geen aanknopingspunten voor reclasseringsbemoeienis.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag welke behandelduur redelijk is, onder meer afhankelijk is van de ingewikkeldheid van de zaak (bijvoorbeeld het gegeven dat de zaak gelijktijdig wordt behandeld met strafzaken tegen medeverdachten of met andere strafzaken tegen verdachte), de invloed van verdachte op het procesverloop en op de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daarbij is het uitgangspunt dat een strafzaak tegen een verdachte in voorlopige hechtenis binnen zestien maanden wordt afgedaan en een strafzaak tegen een verdachte die zich niet in voorlopige hechtenis bevindt binnen vierentwintig maanden, maar dat bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat daarvan wordt afgeweken.
- Eerste aanleg
De redelijke termijn is aangevangen op 14 december 2021, door de inverzekeringstelling van verdachte. Op 27 januari 2022 is de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven. De behandeling van de zaak in eerste aanleg is afgerond op 6 november 2023, zijnde de datum waarop de rechtbank het vonnis waarvan beroep wees. Het hof is dan ook van oordeel dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet langer heeft geduurd dan de hiervoor genoemde redelijke termijn.
-Hoger beroep
In hoger beroep is de redelijke termijn aangevangen op 7 november 2023, door het instellen van hoger beroep door verdachte. Dit arrest wordt gewezen op 4 april 2025, wat meebrengt dat de behandeling van de zaak in hoger beroep ongeveer zeventien maanden heeft geduurd zodat ook in hoger beroep de redelijke termijn niet is overschreden.
De strafoplegging
Vanwege de ernst van de bewezen verklaarde feiten, het uitermate kwalijke handelen van verdachte en ook het belang van een duidelijke norm bevestiging, kan het hof niet anders dan aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Bij de strafoplegging neemt het hof mede in overweging het gemak waarmee verdachte op onrechtmatige wijze persoonlijke gegevens verstrekte, waartoe hij via zijn werk toegang had en waarbij zelfs een 'geheim' indicatie hem niet van zijn handelen heeft weerhouden. Alles overziend, acht het hof de oplegging aan verdachte van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar met aftrek van voorarrest passend en geboden. Het hof realiseert zich dat dit grote gevolgen zal hebben voor verdachte maar is van oordeel dat een straf zoals door de raadsman voorgesteld op geen enkele wijze recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde.”
3.5
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Die vrijheid houdt in dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. [2]
3.6
De feitenrechter is niettemin wel gehouden om te responderen op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ten aanzien van de strafoplegging. Een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte levert evenwel niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf. [3] Van een (responsieplichtig) uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf. [4]
3.7
Gelet op de ruime straftoemetingsvrijheid kan in cassatie niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. [5] Slechts indien de strafoplegging op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en als gevolg daarvan onbegrijpelijk is, kan in cassatie worden ingegrepen. Daarvan kan sprake zijn als de straf tegen de achtergrond van het bewezen verklaarde feit en de ter terechtzitting naar voren gekomen feiten en omstandigheden, verbazing oproept. In een dergelijk geval is extra motivering vereist. [6] Van verbazing kan ook sprake zijn als in hoger beroep veel zwaarder wordt gestraft dan in eerste aanleg, zonder dat die verhoging wordt gemotiveerd. Een ander geval dat verbazing kan oproepen is het geval dat de bewezenverklaring in appel minder (ernstige) feiten omvat dan in eerste aanleg, terwijl de opgelegde straf (vrijwel) hetzelfde blijft. [7]
3.8
De rechtbank heeft de verdachte vanwege – kort gezegd – twee maal computervredebreuk en medeplichtigheid bij de voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing en brandstichting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. Het hof heeft de verdachte van de medeplichtigheid bij de voorbereiding van een aanslag vrijgesproken en de verdachte wegens twee maal computervredebreuk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. Door de stellers van het middel wordt geklaagd dat de strafoplegging van het hof verbazing wekt, aangezien het hof de verdachte tot eenzelfde straf als de rechtbank heeft veroordeeld, terwijl het hof de verdachte heeft vrijgesproken van de medeplichtigheid bij de voorbereiding van een aanslag.
3.9
De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het bijzonder in overweging genomen het gemak waarmee de verdachte op onrechtmatige wijze persoonlijke gegevens verstrekte, waartoe hij via zijn werk toegang had, alsmede dat de verdachte niet heeft gevraagd waar deze gegevens voor zouden worden gebruikt, terwijl hij had moeten weten dat daarmee een aanslag op een woning zou kunnen worden gepleegd.
3.1
Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder in overweging genomen het gemak waarmee de verdachte op onrechtmatige wijze persoonlijke gegevens verstrekte, waartoe hij via zijn werk toegang had, alsmede dat daarbij zelfs een ‘geheim’ indicatie de verdachte niet van zijn handelen heeft weerhouden.
3.11
Uit de strafmaatmotivering van de rechtbank en die van het hof leid ik af dat het zwaartepunt voor de straftoemeting volgens beide instanties ligt bij het delen van de persoonlijke informatie na de computervredebreuken. Anders gezegd: het delen van de gegevens die zijn verkregen als gevolg van de computervredebreuken hebben voor zowel de rechtbank als het hof een maatgevende rol gespeeld bij de straftoemeting. Tegen deze achtergrond wekt de door het hof opgelegde straf, ondanks dat het hof – anders dan de rechtbank – de verdachte heeft vrijgesproken van de medeplichtigheid bij de aanslagen, geen verbazing. Dat de rechtbank – anders dan het hof – daarnaast ten laste van de verdachte heeft meegewogen dat hij niet heeft gevraagd waar deze gegevens voor zouden worden gebruikt terwijl hij had moeten weten dat daarmee een aanslag op een woning zou kunnen worden gepleegd, maakt dat niet anders. Het hof heeft ten bezware van de verdachte immers ook een bijkomende omstandigheid meegewogen, te weten dat zelfs een ‘geheim’ indicatie de verdachte niet van zijn handelen heeft weerhouden. Daarmee faalt de eerste deelklacht.
3.12
Door de stellers van het middel wordt ten tweede geklaagd dat het hof niet voldoende heeft gereageerd op hetgeen door de verdediging als ‘omstandigheden’ is aangevoerd met betrekking tot waarmee in het kader van de straftoemeting ‘rekening moet worden gehouden’.
3.13
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2024 vermeldt dat de verdachte in het kader van zijn persoonlijke omstandigheden onder meer het volgende heeft aangevoerd:

Een zenuw in mijn bilspier is flink ontstoken en ik heb tot afgelopen donderdag 1,5 week in bed gelegen. Ik kon niet staan, niet zitten en niet liggen, het was heel heftig. Ik hoop dat het binnen enkele weken over is. Ik slik nu morfine tegen de pijn. Daarnaast ben ik hartpatiënt. Ik slik zes verschillende medicijnen. Ik ben chronisch ziek. Ik heb een hoog cortisol-gehalte en ik slik medicijnen die het inperken. Als gevolg van een ongeluk staat mijn heup naar buiten waardoor ik chronisch mank loop.
Ik heb een partner en een zoontje en ik werk als hoofd planning bij een elektrobedrijf. Eerder heb ik bij Achmea gewerkt en bij Yarden, een bedrijf voor uitvaartverzekeringen.
De beperkingen in voorlopige hechtenis waren heftig en het was net de hel. Ik kan mij de datum van mijn vrijlating niet meer herinneren.
Op dit moment gaat het hartstikke goed met mij. Ik heb hulp gezocht bij een psycholoog voor mijn pijn en het feit dat deze zaak mij zo dwars zit. Ik had last van angstaanvallen en ik schrok ’s avonds wakker van de gedachte dat ik weer naar de gevangenis moest. Ik kreeg medicijnen tegen de slapeloze nachten. Iedere dag zat ik met de gedachte in mijn hoofd dat ik weer terug moest naar de gevangenis, vroeg ik mij af wat de rechter ging doen en waarom het openbaar ministerie mij zo afschilderde. Dat deed mij heel veel pijn, ook als ik dan naar mijn vrouw en kind keek. Uiteindelijk heb ik alles netjes opgepakt, heb ik een vast contract en werk ik fulltime. Volgens mijn leidinggevende ben ik een onmisbare spil. Ik werk op kantoor en ik stuur alle monteurs aan. Ik zorg ervoor dat de afspraken op schema verlopen, dat de monteurs de juiste adressen krijgen. Het zijn allemaal zelfstandige ondernemers. Het is ongelofelijk leuk werk.
De gedachte dat er nog een gevangenisstraf boven mijn hoofd hangt valt mij zwaar en ik mag hopen dat iedereen dat gevoel heeft in die situatie. Het is niet fijn. U, oudste raadsheer, vraagt mij of mijn werkgever op de hoogte is van deze zaak. Ja. Ik ben vanaf de eerste dag eerlijk geweest en ze hebben mij vandaag zelfs succes gewenst. Ik ben blij dat ik daar een kans heb gehad om mijzelf te bewijzen, dat doet mij heel veel.
U, advocaat-generaal, vraagt mij of ik inmiddels inzicht heb gekregen in de vraag waarom ik mij toen heb laten verleiden om gegevens op te vragen terwijl ik een baan had waarin ik werkte met privacygevoelige gegevens. Ik was depressief en heb het zonder na te denken gegeven. Ik was ontzettend eenzaam. U vraagt mij of u het goed begrijpt dat ik mij eenzaam voelde en dat ik mij bij het geven van die gegevens belangrijk kon voelen. Ik denk van wel. Ik heb het met mijn psycholoog besproken en misschien had ik het gevoel dat ik mensen moest pleasen om contact te blijven houden. Ik heb het nog geen plek kunnen geven. U houdt mij voor dat werkgevers mensen ontslaan bij dit soort feiten. Ik heb meerdere malen meegemaakt dat collega’s een waarschuwing kregen als zij informatie verstrekten aan personen die dit niet mochten weten. Ik tilde er dus niet zo zwaar aan en dacht niet dat ik mogelijk ontslagen zou kunnen worden. Mensen kregen alleen een officiële waarschuwing en er werd een datalek gemeld. Voor mij was het dus niet evident dat ontslag zou volgen. U vraagt mij of dat ging om vergelijkbare situaties. Dat weet ik niet precies, maar het kwam erop neer dat iemand gegevens doorgaf aan personen die dit niet mochten weten. Iemand vroeg bijvoorbeeld om gegevens van haar zoon, om te checken waar hij woonde, terwijl zij in een scheiding zaten. Die persoon handelde ook met goede bedoelingen. Er komen per dag 15.000 telefoontjes binnen en er is niet omheen te draaien dat dit menselijk werk is waarin dagelijks fouten gemaakt worden. U houdt mij voor dat dit gedrag daar niet onder valt. Nee, natuurlijk niet. Daarom zeg ik ook dat het ongelooflijk stom is, maar het had ook iemand anders kunnen overkomen.”
3.14
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2024 vermeldt dat de raadsman van de verdachte ter aanvulling op zijn overgelegde pleitnota onder meer het volgende heeft aangevoerd:
“Als cliënt wordt vrijgesproken van feit 1 wil ik met betrekking tot de strafmaat het volgende opmerken. De detentie en de beperkingen zijn bijzonder heftig geweest. Mijn cliënt en ik zijn het er roerend mee eens dat het natuurlijk een bijzonder kwalijk feit is geweest dat cliënt die gegevens heeft opgezocht. Toch denk ik dat de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, indachtig de beperkingen die er zijn geweest, voldoende is om hem te straffen. Eventueel kan een voorwaardelijk deel worden opgelegd of een taakstraf. Het gaat er cliënt vooral om, voor zijn eigen gemoedstoestand maar ook voor de strafmaat, dat duidelijk is dat hij er niet vanaf heeft geweten en dat als hij dat wel had geweten, hij dit absoluut nooit had gedaan.”
3.15
De klacht steunt op de veronderstelling dat door en namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van de strafoplegging, waarop het hof gehouden was te responderen. Noch door noch namens de verdachte is naar mijn oordeel evenwel op dit punt een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen, zodat de klacht feitelijke grondslag mist. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, valt hoogstens aan te merken als een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte dan wel een opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, op welk verzoek c.q. opsomming de rechter niet behoeft te responderen. [8] Daarmee faalt ook de tweede deelklacht.
3.16
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 21-005168-23. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2025:1946.
2.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975,
3.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975,
4.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975,
5.A.J.A van Dorst en M.J. Borgers,
6.G.J.M. Corstens,
7.Zie HR 8 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC0400,
8.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975,