ECLI:NL:PHR:2026:699

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
25/01412
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6:106 BWArt. 157 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor uitlokking poging moord en brandstichting met levensgevaar

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van uitlokking van poging tot moord en opzettelijke brandstichting met levensgevaar, in samenhang met een reeks woningaanslagen gericht tegen een fruitbedrijf in Hedel.

De zaak betreft een langdurige poging tot afpersing van het fruitbedrijf, waarbij in 2019 cocaïne werd aangetroffen in een bananenlading. In 2020-2021 vonden meerdere aanslagen plaats, waaronder woningbeschietingen en een brandstichting bij de voordeur van een woning waar bewoners aanwezig waren. De verdachte gaf vanuit detentie opdrachten aan uitvoerders en werkte nauw samen met medeverdachten.

In cassatie werden vijf middelen aangevoerd, onder meer over het bewijs van levensgevaar en voorwaardelijk opzet, het gebruik van verklaringen van een onvindbare getuige zonder ondervragingsrecht, de toekenning van immateriële schadevergoedingen aan benadeelden, en de overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs toereikend is, de verklaring van de getuige terecht is gebruikt na afstand van het ondervragingsrecht, de schadevergoedingen passend zijn, en de redelijke termijn niet is overschreden.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep en tot eventuele strafvermindering wegens termijnoverschrijding in de cassatiefase.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01412
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 4 april 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1] wegens 1 meest subsidiair, 2 meest subsidiair, 3 meest subsidiair en 4 meest subsidiair telkens "medeplegen van opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" en 5 subsidiair “de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van medeplegen van poging tot moord en medeplegen van opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van voorarrest. Het hof heeft tevens beslist op het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen en heeft in verband daarmee aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, zoals in het arrest nader bepaald.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01226 ( [medeverdachte 8] ), 25/01229 ( [medeverdachte 1] ), 25/01244 ( [medeverdachte 2] ), 25/01255 ( [medeverdachte 3] ), 25/01265 ( [medeverdachte 4] ), 25/01294 ( [medeverdachte 6] ) en 25/01459 ( [medeverdachte 5] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de verdachte heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1
Het gerechtshof heeft in deze zaak het volgende vastgesteld. In 2019 werd in Hedel (Gelderland) door medewerkers van een fruitbedrijf in een lading bananen afkomstig uit Ecuador een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. Na die vondst werd de politie gewaarschuwd en is de cocaïne in beslag genomen. Daarna werd geprobeerd een groot geldbedrag (aan bitcoins) van (de directie van) het bedrijf los te krijgen. Om die afpersing kracht bij te zetten, vond in de loop van 2020 en 2021 een lange reeks woningaanslagen plaats, veelal op adressen van personen die op de personeelslijst van het bedrijf stonden.
2.2
Het hof acht bewezen dat de verdachte als mede-opdrachtgever betrokken is geweest bij vijf van deze woningaanslagen.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel richt zich tegen het onder 5 subsidiair bewezenverklaarde en valt in vijf deelklachten uiteen.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 5 subsidiair bewezenverklaard:

[betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de nacht van 4 op 5 juni 2021 te [plaats] ,
ter uitvoering van het door die [betrokkene 1] en die [betrokkene 2] voorgenomen misdrijf om [aangever] en/of [benadeelde 2] en/of hun kinderen [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,
met een hoeveelheid brandbare vloeistof naar een woning ( [a-straat 1] in [plaats] ) waar op dat moment voornoemde [aangever] en voornoemde gezinsleden sliepen/verbleven) zijn gegaan en vervolgens brand hebben gesticht bij die woning door die brandbare vloeistof te gooien tegen de voordeur van die woning en die vloeistof aan te steken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
EN
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de nacht van 4 op 5 juni 2021 te [plaats] opzettelijk brand hebben gesticht bij een woning ( [a-straat 1] ) door een brandbare vloeistof te gooien tegen de voordeur van die woning en die vloeistof aan te steken,
ten gevolge waarvan die voordeur en een kozijn en de voorgevel van die woning gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor de bewoners van die woning, te weten [aangever] en [benadeelde 2] en hun kinderen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor die bewoners en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die bewoners te duchten was,
welke feiten door verdachte in de periode van 1 april 2021 tot en met 5 juni 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander door beloften en door het verschaffen van inlichtingen, opzettelijk is uitgelokt, immers hebben verdachte en zijn mededader
-
het plan opgevat om brand te stichten en
-
een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld of laten stellen als deze feiten gepleegd zou(den) worden en/of
-
adresgegevens van die [aangever] en die [benadeelde 2] doorgegeven of laten doorgeven, en
-
die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] benaderd of laten benaderen voor het uitvoeren van dat plan tot het stichten van brand bij de woning van die [aangever] en/of die [benadeelde 2] en
-
instructies gegeven aan die [betrokkene 1] over hoe de brandstichting uitgevoerd zou moeten worden.”
3.3
Het hof heeft ten aanzien van het onder 5 subsidiair bewezenverklaarde – voor zover hier van belang – op PROMIS-wijze overwogen (met weglating van voetnoten):
2. Bewijsoverwegingen
2.1
Inleiding
De tenlastelegging ziet op vijf woningaanslagen die deel uitmaken van het onderzoek Panter 2. Dit onderzoek Panter 2 staat in relatie tot incidenten uit de onderzoeken Maldiven en Panter 1, in die zin dat bijna alle aanslagen gericht zijn tegen directieleden, familieleden en (ex)medewerkers van het bedrijf [A] (hierna ook: [A] of [A] ) uit Hedel . De vijf woningaanslagen die onderdeel uitmaken van Panter 2 zijn begaan in de periode van 2 mei 2021 tot en met 5 juni 2021. Het gaat om vier woningbeschietingen en een brandstichting, begaan op onderstaande datums op de daarbij genoemde adressen. De aanslagen op de adressen [b-straat 1] in [plaats] en [c-straat 1] in [plaats] zijn door de politie als vergisadressen aangemerkt.
[…]
2.4.
Oordeel van het hof
2.4.1.
Algemene overwegingen
Personeelslijst
[A]
Drie van de vijf woningaanslagen zijn gepleegd op een adres dat voorkomt op een personeelslijst van [A] . Naar het oordeel van het hof geldt ook voor de andere twee woningaanslagen dat er sterke aanwijzingen zijn dat een adres op die personeelslijst het beoogde doelwit was. Het betreft een lijst met daarop adressen van (voormalige) werknemers van het bedrijf. Een kopie van die personeelslijst is in het kader van het politieonderzoek Maldiven in het bezit gekomen van [medeverdachte 2] , doordat het is gevoegd bij een proces-verbaal van 21 juni 2019.
iPhone 6 ( [nummer] ) in gebruik bij [betrokkene 1]
Kort na de brandstichting in [plaats] op 5 juni 2021 is een BMW ( [kenteken] ) tot stilstand gebracht. In die auto zat onder meer [betrokkene 1] . In die auto is ook een iPhone 6 aangetroffen met het IMEI [nummer] . Het hof concludeert op basis van het volgende dat die iPhone in gebruik was bij [betrokkene 1] .
-
De telefoon werd gebruikt voor een Snapchat-account met de naam ‘ [betrokkene 1] ’. In een Snapchat-gesprek van 4 juni 2021 werd de gebruiker van de telefoon aangesproken met ‘ [betrokkene 1] '. Die gebruiker reageerde daarop met een bericht waarin de naam ‘ [naam] ' wordt genoemd. Op 26 mei 2021 ontving de gebruiker een bericht met daarin de naam en het adres van een [naam] die in de politiesystemen voorkomt met een registratie waarbij [betrokkene 1] wordt genoemd als haar (ex-)vriend. Het betreft een incident waarbij [betrokkene 1] zelf ook aanwezig was. Op 4 april 2021 deelde de gebruiker van de telefoon de naam, het adres en de geboortedatum van [betrokkene 1] , waarbij alleen het geboortejaar onjuist is.
-
In de periode van 23 april 2021 tot 2 mei 2021 is de iPhone 6 gebruikt voor het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Op 29 april 2021 om 15.44 uur werd met dit telefoonnummer een telefoongesprek gevoerd, waarbij de politie de stem van de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] heeft herkend als die van [betrokkene 1] .
[…]
2.4.7. 5
juni 2021: aanslag in [plaats] (feit 5)
[aangever] heeft het volgende verklaard over een incident bij zijn woning op het adres [a-straat 1] in [plaats] , waar hij woont met zijn vrouw en twee kinderen. Op 5 juni 2021 omstreeks 03.00 uur werd de aangever wakker van de rookmelder. De buurman schreeuwde toen dat de voordeur in brand stond. Hij heeft verklaard dat hij naar beneden ging en zag dat er een flinke rookontwikkeling in de gang was en dat het buiten brandde. Hij verklaarde dat hij de deur bewust dicht heeft gelaten omdat hij wist dat de brand naar binnen zou komen als hij de deur open zou zetten. Zijn vrouw en kinderen zijn van deze brandstichting erg geschrokken en hebben de woning verlaten om elders even tot rust te komen.
De politie heeft op 5 juni 2021 om 06.00 uur forensisch onderzoek verricht bij de woning van de aangever. Op de voordeur, het kozijn, de onderzijde van het luifel boven de voordeur en de bakstenen links en rechts van de deurluifel werd rook- en roetschade waargenomen. Vanaf de onderzijde tot ongeveer halverwege het kozijn is aan beide zijden blaarvorming van de verf waargenomen.
De brandstichting is vastgelegd door een camera. Op de camerabeelden is te zien dat op 5 juni 2021 om 03:02:36 uur een persoon in de richting van de voordeur liep. Die persoon bleef ongeveer twee meter voor de voordeur stilstaan en gooide een vloeistof tegen de voordeur aan. Die persoon had in beide handen een fles vast. Uit beide flessen kwam een vloeistof die terechtkwam op de deur en de grond. Die persoon stond met zijn eigen schoenen in de vloeistof en op basis van het zichtbare spetteren is het volgens de verbalisant aannemelijk dat spetters terecht zijn gekomen op de kleding en het schoeisel van die persoon. Omstreeks 03:02:41 uur liep die persoon weg en verdween die persoon uit het beeld. Door het weglopen van die persoon is de camera even gestopt met vastleggen. Vanaf 03:03:02 uur zijn er weer beelden van diezelfde camera. Daarop is een brandhaard te zien tegen de voordeur aan. De vlammen kwamen hoger dan de voordeur.
Het adres van de aangever staat op de personeelslijst van [A] .
Uitvoerders ( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] )
Verbalisanten gingen omstreeks 03.00 uur ter plaatse naar aanleiding van de melding dat er brand was op [a-straat 1] in [plaats] . Onderweg naar [a-straat 1] zagen zij bij een rotonde een zwarte BMW rijden met het [kenteken] . Rond 03.11 uur reed die BMW de A2 op. Kort daarna bracht de politie de BMW tot stoppen. De inzittenden waren [medeverdachte 5] (bestuurder), [betrokkene 2] (bijrijder), [betrokkene 1] (rechtsachter) en [betrokkene 3] (linksachter).
[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij in de avond van 4 juni 2021 in opdracht van [betrokkene 1] twee flessen wasbenzine heeft gekocht bij Albert Heijn. Later die avond troffen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] elkaar bij een school. Kort daarna kwam een BMW aangereden waarvan ‘ [medeverdachte 5] " (het hof begrijpt: [medeverdachte 5] ) de bestuurder was, met ‘ [betrokkene 3] ' (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) ernaast. In [plaats] is [betrokkene 2] uitgestapt en samen met [betrokkene 1] weggelopen van de BMW. [betrokkene 1] liep naar een woning. Kort daarna werd [betrokkene 2] door [betrokkene 1] geroepen en zei [betrokkene 1] onder de benzine te zitten. [betrokkene 2] kreeg van [betrokkene 1] een servet en een aansteker. Vervolgens liep [betrokkene 2] in de richting van de voordeur van de woning, terwijl [betrokkene 2] het servet aanstak. [betrokkene 2] gooide het brandende servet in de richting van de voordeur. Bij de voordeur zag [betrokkene 2] een plas vloeistof. Direct daarna zag [betrokkene 2] vuur en is [betrokkene 2] samen met [betrokkene 1] naar de BMW gerend.
[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij samen met ’die andere' is uitgestapt in [plaats] . Bij de woning heeft [betrokkene 1] de vloeistof gegooid. Hij is de persoon die te zien is op de camerabeelden terwijl diegene een vloeistof over de voordeur gooit. [betrokkene 1] heeft de brand niet aangestoken. [betrokkene 2] , [medeverdachte 5] en [betrokkene 1] wisten wat er moest gebeuren. Ze hadden alle drie hun rol meegekregen. Een paar uur voordat ze naar [plaats] gingen, had [betrokkene 1] het adres in [plaats] doorgekregen. [betrokkene 1] had van de opdrachtgever te horen gekregen dat hij dit samen met [betrokkene 2] moest doen en dat [medeverdachte 5] hen naar [plaats] zou brengen.
In de auto is de iPhone 6 aangetroffen met het IMEI [nummer] , waarvan het hof reeds eerder in dit arrest heeft geconcludeerd dat die telefoon in gebruik was bij [betrokkene 1] . Op 4 en 5 juni 2021 heeft [betrokkene 1] door middel van die telefoon via Snapchat berichten gewisseld met de gebruiker van het Snapchat-account ' [account] '. Die berichtenwisseling bestond onder meer uit de volgende berichten.
[…]
Het hof leidt uit de inhoud van deze berichten af dat [betrokkene 1] contact had met de opdrachtgever van de woningaanslag. De gesprekspartner van [betrokkene 1] (‘ [account] ‘) gaf de opdracht om twee liter benzine te gebruiken bij [a-straat 1] ('2 liter benzine bij95’) en gaf instructies toen [betrokkene 1] liet weten dat de politie (‘scotoe’) achter hen (aan) reed.
Tussenconclusies
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat [betrokkene 1] de inhoud van twee flessen wasbenzine tegen de voordeur van de woning heeft gegooid en dat [betrokkene 2] vervolgens een brandend servet heeft gegooid naar die met wasbenzine overgoten deur. Daardoor is een brand ontstaan, waarbij de vlammen boven de voordeur uitkwamen.
Naar het oordeel van het hof is door die brandstichting gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Verder is het hof van oordeel dat:
- de brandstichting moet worden aangemerkt als een poging tot moord en
- door de brandstichting levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de brandstichting in die woning aanwezig waren.
Ter onderbouwing van deze oordelen overweegt het hof het volgende.
Poging tot moord
Gelet op de hoeveelheid en de verspreiding van de wasbenzine die is gebruikt en op de hoogte van de vlammen bij de voordeur, is het hof van oordeel dat een dergelijke wijze van brandstichten bij de voordeur van een woning naar algemene ervaringsregels tot gevolg heeft dat er een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid is dat de brand bij de voordeur leidt tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn.
In dit verband neemt het hof mede in aanmerking dat - zoals kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de persoon die de wasbenzine gooide dit met twee flessen tegelijk deed en daarbij met zijn eigen schoenen in de vloeistof kwam te staan - het gooien van de wasbenzine op ongecontroleerde en bijzonder onvoorzichtige wijze plaatsvond (en er bijvoorbeeld ook wasbenzine onder de voordeur door de woning in had kunnen lopen). Het hof ziet de brandstichting als een zeer lompe en met grote onverschilligheid uitgevoerde actie op een voor woningen mogelijk zeer kwetsbare plaats te weten: bij een voordeur met kozijn die minder maar ook meer brandbaar kan zijn. Daarbij is het hof van oordeel dat bij de beoordeling van het risico op een dodelijke afloop in enige mate moet worden geabstraheerd van de precieze concrete situatie waarin de brandstichting heeft plaatsgevonden, waarvan overigens ook niet is gebleken dat de brandstichters er een degelijk onderzoek naar hebben verricht. Dat in dit geval door een brandonderzoeker op basis van het sporenbeeld achteraf en een deskundige analyse van de brandbaarheid van de betrokken materialen is geconcludeerd dat er omstandigheden waren waardoor het onwaarschijnlijk was dat de brand bij de voordeur zich zou hebben ontwikkeld tot een woningbrand, leidt daarom voor het hof niet tot een ander oordeel over de (aanmerkelijke) kans op het ontstaan van een woningbrand met een dodelijke afloop voor de aanwezigen in die woning. Naar het oordeel van het hof is het ook algemeen bekend dat een dergelijke wijze van brandstichting bij de voordeur van een woning gepaard gaat met de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat dit leidt tot de dood van de personen die op dat moment in de woning aanwezig zijn. Daaruit leidt het hof af dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich van die mogelijkheid bewust zijn geweest. Verder is het hof van oordeel dat de verrichte gedraging, namelijk brandstichting bij een voordeur die is overgoten met wasbenzine, zozeer gericht is op het veroorzaken van het overlijden van de mensen in die woning, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de brandstichting tot de dood van die mensen zou leiden.
Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat de onderhavige woningaanslag moet worden aangemerkt als een poging tot moord, begaan tegen de personen die op dat moment in die woning aanwezig waren. Het hof acht namelijk ook bewezen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben gehandeld met voorbedachte raad. Zij zijn vanuit Amsterdam met onder meer twee flessen wasbenzine en een aansteker naar de plaats van het misdrijf gegaan met de bedoeling daar brand te stichten. Deze gang van zaken getuigt van een planmatige aanpak. Het hof leidt hieruit af dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het genomen besluit om brand te stichten bij de woning. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben dus de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van die brandstichting en zich daarvan rekenschap te geven. Naar het oordeel van het hof moet de brandstichting dus worden aangemerkt als een poging tot moord.
Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezigen in de woning
De uitvoerders van de aanslag hebben brand gesticht bij de voordeur van een woning waarin op dat moment mensen aanwezig waren. Uit het voorgaande blijkt dat het hof van oordeel is dat er in de gegeven omstandigheden een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was dat de brand bij de voordeur zou leiden tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig waren. Naar het oordeel van het hof was dit gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar ten tijde van de brandstichting.
2.4.8.
De rol van [verdachte]
Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat verdachte (vanuit [penitentiaire] ) opdracht heeft gegeven tot de woningbeschietingen van 2, 9. 10 en 16 mei 2021 en de brandstichting van 5 juni 2021. Dit baseert het hof op het volgende.
[…]
5 juni 2021: brandstichting in [plaats]
Eerder in dit arrest heeft het hof geconcludeerd dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 5 juni 2021 brand hebben gesticht bij (de voordeur van) een woning door twee flessen wasbenzine leeg te gooien tegen die voordeur en daarna die wasbenzine aan te steken door middel van een brandend servet. Verder blijkt uit het voorgaande dat [betrokkene 1] kort voorafgaand aan de brandstichting en tijdens de achtervolging door de politie via Snapchat heeft gesproken met (de gebruiker van) Snapchat-account ‘ [account] '. Op basis van de inhoud van die berichten heeft het hof geconcludeerd dat * [account] ' de opdrachtgever was van de woningaanslag.
Naar het oordeel van het hof kan uit het volgende worden afgeleid dat [verdachte] toen de gebruiker was van ‘ [account] ’.
- [betrokkene 4] heeft over ‘ [account] ‘ verklaard dat dit het Snapchat-account was van [verdachte] . Daarbij heeft [betrokkene 4] verklaard dat zijzelf ook toegang had tot dat account en dat zij het ook gebruikte om te spreken met [betrokkene 1] .
- De berichtenwisseling tussen “ [account] ' en [betrokkene 1] van 4 en 5 juni 2021 eindigde met het volgende bericht van “ [account] ' (om 03.17 uur): ‘Prat via me broertje'.
- Kort na dat berichtje heeft [betrokkene 5] , het broertje van [verdachte] , tussen 03.26 en 03.41 uur viermaal gebeld naar [betrokkene 2] [telefoonnummer 2] , tweemaal naar [betrokkene 3] [telefoonnummer 3] en eenmaal naar [medeverdachte 5] [telefoonnummer 4] . Eerder in dit arrest heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [medeverdachte 5] samen met [betrokkene 1] in de BMW zaten die achtervolgd werd door de politie. [betrokkene 3] maakte gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Op 5 juni 2021 is bij de fouillering van [medeverdachte 5] een iPhone 12 aangetroffen die werd gebruikt voor het telefoonnummer [telefoonnummer 4] .
- [betrokkene 5] had in verband met de woningbeschieting op 2 mei 2021 in Hedel al een delictgerelateerde boodschap van [verdachte] doorgegeven aan [betrokkene 1] , namelijk een deel van het adres waar de aanslag moest plaatsvinden.
Samenwerking met [medeverdachte 2]
Met betrekking tot de woningbeschieting van 2 mei 2021 aan de [d- straat] in Hedel (feit 1) blijkt uit het voorgaande dat zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] dat adres had verstrekt aan [verdachte] met de opdracht daar een aanslag te (laten) plegen. [verdachte] heeft die opdracht van [medeverdachte 2] vervolgens doorgegeven aan [betrokkene 1] , die de woningbeschieting heeft uitgevoerd.
[medeverdachte 2] en [verdachte] waren van 14 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 allebei gedetineerd in [penitentiaire] .
Medegedetineerde [betrokkene 6] , die van 8 september 2020 tot en met 10 april 2021 gedetineerd was in [penitentiaire] , heeft het volgende verklaard over [medeverdachte 2] . In [penitentiaire] sprak [betrokkene 6] af en toe met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft [betrokkene 6] gevraagd om voor hem ( [medeverdachte 2] ) aanslagen te plegen. [betrokkene 6] zou daarvoor € 7.000,- per aanslag kunnen krijgen. [medeverdachte 2] vertelde [betrokkene 6] dat hij een lijst had met 120 adressen die te maken hadden met fruitbedrijf [A] . [medeverdachte 2] vroeg [betrokkene 6] op die woningen te schieten, die woningen in brand te steken of er een handgranaat neer te leggen.
Verder heeft [betrokkene 6] verklaard dat hij (buiten de PI) van [verdachte] het volgende heeft gehoord. [betrokkene 1] (' [bijnaam] ’) zat op dat moment vast voor aanslagen die hij had gepleegd voor [medeverdachte 2] . [verdachte] was in [penitentiaire] door [medeverdachte 2] benaderd voor het plegen van aanslagen en heeft toen zelf [betrokkene 1] benaderd om aanslagen te plegen. [medeverdachte 2] beloofde [verdachte] geld of twee kilo cocaïne. [verdachte] ontving de opdrachten van [medeverdachte 2] en benaderde vervolgens [betrokkene 1] , die de aanslagen heeft gepleegd.
Conclusie
Naar het oordeel van het hof kan uit het voorgaande worden afgeleid dat de woningbeschietingen op 2, 9, 10 en 16 mei 2021 en de brandstichting van 5 juni 2021 door [verdachte] zijn uitgelokt. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.
Het gaat om vijf woningaanslagen die hebben plaatsgevonden in een relatief korte periode (van 35 dagen). Bij alle vijf de aanslagen was [betrokkene 1] betrokken als uitvoerder. Voor twee van de vijf aanslagen, namelijk die van 2 mei 2021 in Hedel en 5 juni 2021 in [plaats] , heeft het hof vastgesteld dat [verdachte] daarover contact heeft gehad met [betrokkene 1] .
- Wat betreft de woningbeschieting van 2 mei 2021 aan de [d- straat] in Hedel blijkt uit (eerder in dit arrest weergegeven) telefoongespreksfragmenten dat [verdachte] aan [betrokkene 1] de opdracht heeft gegeven tot het plegen van die aanslag (‘ga daar eten') en dat [verdachte] het adres heeft verstrekt aan [betrokkene 1] (waarbij het huisnummer en de plaatsnaam zijn verstrekt door tussenkomst van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ). [verdachte] heeft ook bekend dat hij die opdracht heeft gegeven aan [betrokkene 1] .
- Ook met betrekking tot de brandstichting van 5 juni 2021 op het adres [a-straat 1] in [plaats] blijkt uit (eerder in dit arrest weergegeven) Snapchat-berichten dat [verdachte] (als gebruiker van Snapchat-account ‘ [account] ') die aanslag heeft aangestuurd ( '2 liter benzine bij95’) en dat hij na afloop contact heeft met de plegers als zij achtervolgd worden door de politie.
Verder geldt dat alle vijf de woningaanslagen te relateren zijn aan de personeelslijst van [A] . Voor iedere aanslag geldt dat de aanslag plaatsvond op of in de directe nabijheid van een adres dat op die lijst staat. Die personeelslijst was in het bezit van [medeverdachte 2] .
[…]
Verder concludeert het hof dat [verdachte] bij het uitlokken van de vijf woningaanslagen telkens nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] Daarbij was [medeverdachte 2] telkens de initiatiefnemer, die aan [verdachte] een adres verstrekte met de opdracht daar (in ruil voor een (financiële) beloning) een aanslag te laten plegen. De bijdrage van [verdachte] bestond eruit dat hij contact had met mensen die bereid waren die opdrachten van [medeverdachte 2] uit te voeren. Verder gaf [verdachte] de opdracht van [medeverdachte 2] (en het adres) telkens door aan [betrokkene 1] , die de opdracht vervolgens uitvoerde (al dan niet samen met één of meer anderen).”
3.4
Het middel komt, zoals gezegd, met vijf deelklachten op tegen het onder 5 subsidiair bewezenverklaarde. Geklaagd wordt dat:
(i.) uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat de voordeur, een kozijn en de voorgevel van de betreffende woning gedeeltelijk zijn verbrand;
(ii.) uit de bewijsvoering niet kan blijken dat door de brandstichting een gemeen gevaar voor goederen althans levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners te duchten is geweest;
(iii.) uit de bewijsvoering niet kan blijken dat de daders van deze brandstichting (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op de dood;
(iv.) uit de bewijsvoering niet kan blijken dat het opzet van de verdachte en diens mededader bij het uitlokken van de brand mede was gericht op het overlijden van een of meer bewoners van die woning en
(v.) de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is.
3.5
Met betrekking tot de
eerste deelklachtis van belang dat het hof heeft bewezenverklaard dat ten gevolge van de opzettelijke brandstichting de voordeur en een kozijn en de voorgevel van de betreffende woning gedeeltelijk zijn verbrand. Het hof heeft in dat verband in zijn PROMIS-bewijsoverwegingen vastgesteld dat brand is gesticht bij (de voordeur van) een woning door twee flessen wasbenzine leeg te gooien tegen die voordeur en daarna die wasbenzine aan te steken door middel van een brandend servet. Het hof heeft daarnaast vastgesteld dat de politie op 5 juni 2021 om 06.00 uur forensisch onderzoek heeft verricht bij de woning van de aangever en er op de voordeur, het kozijn, de onderzijde van het luifel boven de voordeur en de bakstenen links en rechts van de deurluifel rook- en roetschade is waargenomen, alsmede dat van de onderzijde tot ongeveer halverwege het kozijn aan beide zijden blaarvorming van de verf is waargenomen. Verder is vastgesteld dat op de camerabeelden een brandhaard is te zien tegen de voordeur aan en de vlammen (daarvan) hoger kwamen dan de voordeur.
3.6
De eerste deelklacht, die inhoudt dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat de voordeur, een kozijn en de voorgevel van de betreffende woning gedeeltelijk zijn verbrand, is gelet op het voorgaande naar mijn mening terecht voorgesteld, omdat dit uit de PROMIS-bewijsoverwegingen van het hof inderdaad niet kan worden afgeleid. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu het betreffende onderdeel van de bewezenverklaring van ondergeschikt belang is in het geheel van het bewezenverklaarde medeplegen van de uitlokking van de poging tot moord respectievelijk de opzettelijke brandstichting bij een woning.
3.7
De
tweede deelklachthoudt in dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat door de brandstichting een gemeen gevaar voor goederen althans levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners te duchten is geweest.
3.8
Met het oog op de beoordeling van de tweede deelklacht verwijs ik om te beginnen naar randnummers 7.5 tot en met 7.17 van mijn conclusie in de zaak tegen [medeverdachte 2] (ECLI:NL:PHR:2026:671), waarin ik vandaag ook concludeer.
3.9
Voor de beoordeling is van deze deelklacht is verder van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 21 december 2010 [2] heeft overwogen:
“2.4. In art. 157 Sr Pro is straf bedreigd tegen onder anderen degene die opzettelijk brand sticht indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Om in rechte het gemeen gevaar voor goederen als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat gemeen gevaar voor goederen inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het gemeen gevaar voor goederen ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien zich ten tijde van de brandstichting geen goederen in de nabijheid bevonden (vgl. HR 17 februari 2009, LJN BG1653, NJ 2009/120).
[…]
2.6.
Ook voor zover het middel klaagt over de overweging van het Hof dat de bevindingen van de getuige-deskundige [getuige-deskundige 1] niet aan een bewezenverklaring van 'gemeen gevaar voor goederen' in de weg staan, faalt het. Het Hof heeft, kort gezegd, overwogen dat de bevindingen van [getuige-deskundige 1] niet afdoen aan het oordeel dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was, nu de getuige-deskundige 'nauw heeft gelet op het gevaar dat deze brand en het verloop daarvan opleverde en uiteindelijk bleek te hebben opgeleverd'. Hiermee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat en waarom het dit onderdeel van de bevindingen van [getuige-deskundige 1] - van wie wel twee andere verklaringen voor het bewijs zijn gebezigd - niet van belang heeft geacht voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'gemeen gevaar voor goederen'. Daarbij gaat het immers om de voorzienbaarheid van het gevaar ten tijde van de brandstichting, terwijl deze getuige-deskundige slechts heeft gelet op het gevaar dat deze brand zelf en het verloop daarvan opleverde en hij derhalve zijn deskundig oordeel niet heeft gegeven over het gevaar dat ten tijde van de brandstichting bestond. Het middel dat uitgaat van een andere lezing van de bestreden uitspraak, mist in zoverre derhalve feitelijke grondslag.”
3.1
Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen vastgesteld dat [betrokkene 1] de inhoud van twee flessen wasbenzine tegen de voordeur van de betreffende woning heeft gegooid en dat [betrokkene 2] vervolgens een brandend servet heeft gegooid naar die met wasbenzine overgoten deur, waardoor een brand is ontstaan waarbij de vlammen boven de voordeur uitkwamen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat een dergelijke wijze van brandstichten bij de voordeur van een woning naar algemene ervaringsregels tot gevolg heeft dat er een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid is dat de brand bij de voordeur leidt tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het gooien van de wasbenzine op ongecontroleerde en bijzonder onvoorzichtige wijze plaatsvond (en er bijvoorbeeld ook wasbenzine onder de voordeur door de woning in had kunnen lopen) en dat de brandstichting heeft plaatsgevonden op een voor woningen mogelijk zeer kwetsbare plaats, te weten bij een voordeur met kozijn die minder maar ook meer brandbaar kan zijn. [3] Daarbij is het hof van oordeel dat bij de beoordeling van het risico op een dodelijke afloop in enige mate moet worden geabstraheerd van de precieze concrete situatie waarin de brandstichting heeft plaatsgevonden, waarvan overigens ook niet is gebleken dat de brandstichters er een degelijk onderzoek naar hebben verricht. Dat in dit geval door een brandonderzoeker op basis van het sporenbeeld achteraf en een deskundige analyse van de brandbaarheid van de betrokken materialen is geconcludeerd dat er omstandigheden waren waardoor het onwaarschijnlijk was dat de brand bij de voordeur zich zou hebben ontwikkeld tot een woningbrand, leidt daarom voor het hof niet tot een ander oordeel over de (aanmerkelijke) kans op het ontstaan van een woningbrand met een dodelijke afloop voor de aanwezigen in die woning. Mede gelet op het onder randnummer 3.9 van deze conclusie aangehaalde arrest acht ik dit oordeel geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk.
3.11
Op basis van zijn vaststellingen heeft het hof tot het niet onbegrijpelijke oordeel kunnen komen dat door de brandstichting een gemeen gevaar voor goederen althans levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners te duchten is geweest. Immers, dat dergelijk ‘gevaar’ in het leven wordt geroepen bij het gooien van twee flessen wasbenzine tegen een voordeur van een woning en het vervolgens gooien van een brandend servet naar die deur waardoor een brand ontstaat waarbij de vlammen boven de voordeur uitkwamen, is wat mij betreft naar algemene ervaringsregels ‘voorzienbaar’. Een dergelijke wijze van brandstichten bij de voordeur van een woning kan immers naar algemene ervaringsregels tot gevolg hebben dat de brand bij de voordeur leidt tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn, al was het maar omdat de kans bestaat dat de brand naar binnen slaat als de voordeur – al dan niet in reactie op de brand – van binnenuit wordt geopend. Dat er (curs. D.P.) – zoals de brandonderzoeker heeft gerelateerd – ‘onvoldoende brandbaar materiaal
in de (sic.) omgeving [was]om overslaan naar de woning te realiseren en [het] onwaarschijnlijk [was] dat deze ontvlambare vloeistof
in deze omstandigheiddusdanig in grootte en intensiteit had kunnen doen toenemen dat deze krachtig genoeg was om de voordeur en/of de omliggende goederen te doen ontbranden, laat staat te kunnen doen overslaan tot in de woning’ – doet niet af aan het oordeel dat het ‘gevaar’ ten tijde van het stichten van de brand als gevolg van de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat het stichten van brand bij de voordeur leidt tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn, ‘voorzienbaar’ was.
3.12
De
derde en vierde deelklachtklagen over het oordeel van het hof dat respectievelijk de daders van deze brandstichting en de verdachte (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op de dood van aanwezigen in de woning. Beide klachten bespreek ik gelet op de nauwe samenhang gezamenlijk.
3.13
De steller van het middel voert om te beginnen aan dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat door de brand een ‘aanmerkelijke kans’ is ontstaan op het overlijden van (een van) de bewoners van de woning. Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen echter niet onbegrijpelijk aangegeven waarom het van oordeel is dat een dergelijke kans er wel was. Het hof heeft overwogen dat het gooien van de wasbenzine op ongecontroleerde en bijzonder onvoorzichtige wijze plaatsvond en dat er bijvoorbeeld ook wasbenzine onder de voordeur door de woning in had kunnen lopen. Hierin ligt besloten dat het hof van oordeel was dat de brand naar binnen had kunnen slaan en dat die brand vervolgens tot het overlijden van aanwezigen in de woning had kunnen leiden.
3.14
De steller van het middel voert verder aan dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat de daders ( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) zich bewust zijn geweest van die aanmerkelijke kans en dat zij deze ook hebben aanvaard. Ook dit argument gaat niet op. Het hof heeft niet onbegrijpelijk overwogen dat het algemeen bekend is dat de gebezigde wijze van brandstichting bij de voordeur van een woning gepaard gaat met de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat dit leidt tot de dood van de personen die op dat moment in de woning aanwezig zijn. Daaruit heeft het hof vervolgens – evenmin niet onbegrijpelijk – afgeleid dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich van die mogelijkheid bewust zijn geweest. Verder heeft het hof geoordeeld dat de verrichte gedraging – brandstichting bij een voordeur die is overgoten met wasbenzine – zozeer gericht is op het veroorzaken van het overlijden van de personen in die woning, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de brandstichting tot de dood van die mensen zou leiden.
3.15
Op basis van zijn vaststellingen heeft het hof naar mijn mening zonder meer tot het oordeel kunnen komen dat de feitelijke daders van deze brandstichting (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op de dood van de personen in de woning. Daarmee faalt de derde deelklacht.
3.16
Met betrekking tot het opzet van de verdachte op de dood van de personen in de woning heeft het hof vastgesteld dat hij de opdrachtgever van de ‘woningaanslag’ is geweest en dat de feitelijke daders wisten wat er moest gebeuren omdat ze alle drie ‘hun rol hadden meegekregen’. Aan de feitelijke plegers is door ‘ [account] ’ (geïdentificeerd als de verdachte) meegegeven heeft dat zij ‘2 liter benzine bij95’ moesten gebruiken.
3.17
Uit de vaststelling dat de verdachte de opdracht heeft gegeven om brand te stichten en daarbij aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hun rol had meegegeven – onder andere door te instrueren dat er met 2 liter wasbenzine brand moest worden gesticht bij een specifieke woning – volgt ook voldoende dat de verdachte, als uitlokker, voorwaardelijk opzet had op de dood van die in de woning aanwezige mensen.
3.18
Tot slot luidt de
vijfde klachtdat de bewezenverklaring van het onder 5 subsidiair tenlastegelegde innerlijk tegenstrijdig is, omdat het hof (kortgezegd) niet bewezen heeft geacht dat het plan van de verdachte en zijn mededader inhield dat de bewoners om het leven zouden worden gebracht dan wel aan hen zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht, terwijl het wel bewezen heeft verklaard dat de verdachte als uitlokker van de brandstichting (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van deze personen. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Het hof is uitgegaan van voorwaardelijk opzet van de verdachte en zijn mededader ( [medeverdachte 2] ) op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel. Daarbij past dat het hof niet bewezen heeft verklaard dat het plan van de verdachte en zijn mededader inhield dat aanwezigen in de woning om het leven zouden worden gebracht dan wel aan hen zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Dit zou immers duiden op vol opzet.
3.19
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel klaagt dat het hof gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van getuige [betrokkene 6] , welke verklaringen meer dan bijkomstige betekenis hebben gehad voor het bewijs, zonder dat er voor de verdediging een ondervragingsgelegenheid is geweest en zonder dat hiervoor enige compensatie is geboden, waardoor aan verzoeker een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro is onthouden. Verder zou het hof niet hebben gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de verklaringen van voornoemde [betrokkene 6] uitgesloten dienen te worden van het bewijs.
4.2
Bij vonnis van de rechtbank [plaats] van 27 september 2022 is de verdachte veroordeeld wegens kortgezegd betrokkenheid bij meerdere aanslagen. Namens de verdachte is op 15 april 2025 hoger beroep ingesteld en is een appelschriftuur ingediend, houdende onder meer het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 6] .
4.3
Bij voorzittersbeslissing van 28 september 2023 heeft het hof voormeld verzoek tot het horen van [betrokkene 6] toegewezen. Ter terechtzitting van 29 februari 2024 is geconstateerd dat het verhoor van de getuige nog niet heeft plaatsgevonden, omdat de getuige onvindbaar bleek.
4.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 februari 2024 vermeldt verder het volgende:
“De raadsman voert het woord als volgt:
Getuige [betrokkene 6] heeft voor verdachte belastende verklaringen afgelegd. Deze zijn door de rechtbank gebruikt om de rol van verdachte als uitlokker nader te duiden. Het is voor verdachte van groot belang dat [betrokkene 6] nog als getuige gehoord wordt. Ik verzoek het openbaar ministerie daarom hierbij om tot de inhoudelijke behandeling van de zaak in november elke drie weken op actieve wijze de systemen te controleren, om zo te trachten te achterhalen of de getuige wellicht gedetineerd is geraakt of anderszins te traceren is. Nu toegezegd is dat getuige [betrokkene 1] eind maart gehoord zal worden heb ik geen andere onderzoekswensen meer dan deze.
De advocaat-generaal antwoordt:
De raadsman heeft het verzoek omtrent het traceren van [betrokkene 6] reeds eerder gedaan. Inmiddels heb ik overleg gepleegd met de politie en van hen vernomen dat in hun systemen is ingevoerd dat wij een waarschuwing moeten krijgen zodra er iets over [betrokkene 6] wordt vastgelegd. Het gaat om een doorlopende controle. Indien ons na een eventuele melding een verblijfplaats bekend wordt dan zullen wij contact opnemen met het kabinet raadsheer-commissaris, zodat de getuige opgeroepen kan worden.
De raadsman bevestigt desgevraagd dat op deze wijze aan zijn onderzoekswens betreffende getuige [betrokkene 6] voldaan is.”
4.5
Het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 18, 21 en 29 november 2024 vermeldt voor zover hier van belang:
“De voorzitter deelt mee:
In hoger beroep is aan deze inhoudelijke behandeling van de zaak onder meer het volgende voorafgegaan.
Na een schriftelijke regieronde is bij voorzittersbeslissing van 28 september 2023 opdracht gegeven tot een aantal getuigenverhoren bij de raadsheer-commissaris. Die getuigenverhoren hebben plaatsgevonden in februari en maart 2024.
[…]
Ten slotte heeft de raadsman van verdachte op 25 oktober 2024 contact opgenomen met het openbaar ministerie over getuige [betrokkene 6] . Bij voorzittersbeslissing van 28 september 2023 is beslist dat [betrokkene 6] als getuige zal worden gehoord bij de raadsheer-commissaris, maar uit het proces-verbaal van bevindingen van 8 februari 2024 blijkt dat dit getuigenverhoor niet heeft plaatsgevonden doordat van de getuige geen adres bekend is. Dit punt is al besproken op de regiezitting van 29 februari 2024. Het openbaar ministerie heeft toen meegedeeld dat met de politie is kortgesloten dat het openbaar ministerie een waarschuwing ontvangt zodra in de politiesystemen iets over de getuige wordt vastgelegd.
De advocaat-generaal voert het woord:
Naar aanleiding van het recente bericht van de raadsman heb ik op 29 oktober 2024 aan de politie gevraagd of het klopt dat een dergelijke waarschuwing is uitgebleven. Het antwoord van de politie was dat men geen informatie heeft over de verblijfplaats van de getuige. In de afgelopen periode is er wel een politiemutatie met betrekking tot die getuige geweest, maar een verblijfadres is niet bekend geworden.
[…]
De voorzitter vraagt de raadsman:
Eerder vandaag is al gesproken over getuige [betrokkene 6] en het ontbreken van de gegevens die nodig zijn om de getuige te kunnen oproepen voor een getuigenverhoor. Is dat getuigenverhoor wat de verdediging betreft van tafel?
De raadsman antwoordt:
Nee, de verdediging doet geen afstand van het recht om die getuige te ondervragen. Na vandaag volgt nog een aantal zittingsdagen, waaronder uitloopdagen op 28 en 29 november 2024. Het is denkbaar dat in de komende periode alsnog een adres van de getuige bekend wordt.
[…]
Verdachte verklaart:
[…]
Mij wordt voorgehouden dat het dossier een weergave bevat van een telefoongesprek van 7 mei 2021 tussen mij en [betrokkene 7] , in welk gesprek het ging over ‘ [bijnaam] ’, [betrokkene 7] zei dat ‘die ding tript’ en ik zei dat hij toch ook wel weet dat het ding het niet doet. Mij wordt gevraagd waar dat gesprek over ging. Ik heb [betrokkene 1] naar [betrokkene 6] gestuurd, maar alleen voor telefoons en drugs in de PI. Het zou kunnen dat het gesprek ging over een telefoon die het niet doet. Mij wordt gevraagd of ik mij het gesprek van 7 mei 2021 nog kan herinneren. Nee, maar zoals ik al zei heb ik [betrokkene 1] alleen voor telefoons en drugs naar [betrokkene 6] gestuurd. Verder had ik met [betrokkene 6] niets te bespreken.
[…]
De voorzitter deelt mee dat het onderzoek wordt onderbroken en zal worden hervat op donderdag 21 november 2024 om 13.00 uur.
[…]
De voorzitter hervat het onderzoek.
[…]
De raadsman krijgt de gelegenheid voor het pleidooi, legt aantekeningen over en draagt deze voor.
De voorzitter vraagt de raadsman:
Mag het hof ervan uitgaan dat geen verzoek meer voorligt tot het horen van getuige [betrokkene 6] ?
De raadsman antwoordt:
De verdediging doet nog geen afstand van het ondervragingsrecht met betrekking tot die getuige. Het is denkbaar dat de getuige voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek alsnog gevonden wordt.
[…]
Het onderzoek wordt onderbroken voor beraad.
Het onderzoek wordt hervat.
De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid voor een tweede termijn en voert het woord:
Ten eerste ga ik in op de wens van de verdediging om getuige [betrokkene 6] te ondervragen. Wat betreft het openbaar ministerie moet dit het eindpunt zijn van de inhoudelijke behandeling van de zaak. Gedurende een bepaalde periode is geprobeerd [betrokkene 6] te traceren met het oog op een getuigenverhoor. Dat is niet gelukt. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat daarmee is voldaan aan de inspanningsverplichting en dat de verklaring van [betrokkene 6] kan worden gebruikt voor het bewijs.
[…]
De voorzitter deelt mee:
Ik kom terug op de wens van de verdediging om getuige [betrokkene 6] nog te ondervragen. In deze zaak doet zich de bijzonderheid voor dat het onderzoek aan het einde van de inhoudelijke behandeling nog niet wordt gesloten. Als de verdediging die wens tot ondervraging handhaaft en de getuige wordt voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek alsnog getraceerd, dan brengt dat mee dat het langer zal duren voordat het hof uitspraak doet.
Verdachte verklaart:
Daar ben ik me van bewust, maar mijn detentie duurt inmiddels al zo lang dat het voor mij belangrijker is dat de waarheid aan het licht komt dan dat een vertraging van een aantal maanden wordt afgewend. De getuige heeft een belastende verklaring afgelegd en is vervolgens met de noorderzon vertrokken. En ik heb het nakijken.
De raadsman verklaart in aanvulling daarop:
Het betreft een belangrijke getuige. Niet voor niets heeft het hof in een eerder stadium beslist tot toewijzing van het getuigenverzoek dat op die persoon betrekking had. Door het sepot is de getuige ook verplicht om vragen te beantwoorden. De verdediging meent dus dat het belang van verdachte bij de uitoefening van het ondervragingsrecht meer gewicht in de schaal legt dan voorkomen dat de uitspraak een aantal maanden wordt vertraagd.
De voorzitter deelt, na een kort moment van beraad, mee:
Het hof constateert dat het gaat om een getuige van wie het hof in een eerder stadium heeft geoordeeld dat de verdediging de gelegenheid moet krijgen om die persoon te ondervragen. De wens tot ondervraging wordt gehandhaafd en het is afwachten of de mogelijkheid tot ondervraging nog zal ontstaan. Het openbaar ministerie wordt daarom opgedragen te blijven monitoren of de getuige op enig moment wordt getraceerd. Als dat laatste zich voordoet, wenst het hof dat zo spoedig mogelijk te vernemen, opdat actie kan worden ondernomen. Indien de getuige op 14 februari 2025 nog niet getraceerd is, dient het openbaar ministerie het hof en de raadsman nog diezelfde dag daarover te informeren. Vervolgens dient de raadsman uiterlijk op 19 februari 2025 schriftelijk een standpunt in te brengen over dit punt.
De voorzitter deelt mee:
[…]
Voor nu zal het onderzoek worden onderbroken tot 29 november 2024 om 14.00 uur. Die dag zal het onderzoek worden geschorst tot 21 februari 2025 om 14.00 uur. Op 21 februari 2025 zal een pro forma-behandeling plaatsvinden en zal worden meegedeeld wat de uitspraakdatum zal zijn.”
4.6
Het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 18, 21 en 29 november 2024 vermeldt dat de raadsman van de verdachte aldaar een pleitnota heeft overgelegd. Die pleitnota vermeldt voor zover hier van belang (met weglating van voetnoten):
“Verklaringen [betrokkene 6] .
Door het OM wordt dikwijls de stelling gehanteerd dat personen die zichzelf belasten betrouwbaar zouden zijn. Dit is in de loop van dit proces ook beweerd over [betrokkene 6] . Maar [betrokkene 6] heeft zijn verklaring pas afgelegd nadat het hem in zijn tweede verhoor te heet onder de voeten werd en steeds verder werd geconfronteerd met de grote hoeveelheid bewijs tegen hem. Dat hij zichzelf belast kan daarom ook moeilijk gezien worden als een soort blijk van rechtschapen eerlijkheid. Vervolgens is hij na een pauze en overleg met zijn advocaat over cliënt gaan verklaren, omdat hij in de veronderstelling lijkt te verkeren dat hij daarmee zijn eigen rol zou kunnen minimaliseren. Client bestempelt de verklaringen van [betrokkene 6] over hem als lariekoek en onjuist. Alleen al het tweede en derde verhoor van deze getuige staat bol van tegenstrijdigheden, in het tweede verhoor verklaart hij dat [verdachte] hem alles vertelt, en in het derde verhoor heeft hij al zijn kennis uit het lezen van het dossier.
[…]
Onbetrouwbare verklaringen van [betrokkene 6]
Het is verder niet opmerkelijk dat hij cliënt belast, nu hij zelf ook als verdachte is aangemerkt in deze zaak.
De reactie van de officier van justitie op het sepot van [betrokkene 6] is:
"Er wordt gekeken of een zaak sterk genoeg is om iemand strafrechtelijk te kunnen vervolgen. In het dossier staan meer namen van personen waarvan de verdenking bestaat dat zij strafrechtelijk betrokken zijn bij deze feiten, maar die zijn niet gedagvaard".
Mede-verdachte [betrokkene 1] bevestigd bij de raadsheer-commissaris, op pg. 3 van zijn verhoor dat hij zowel met client als met [betrokkene 6] contact heeft gehad over het gooien van een telefoon en hasjiesj over de muur van de [penitentiaire] , en dat hij geen contact heeft gehad over het repareren van een vuurwapen. Hij is daarvoor ook niet naar Rotterdam geweest.
Resumerend verklaart [betrokkene 1] nog in het getuigeverhoor dat hij geen opdracht van client heeft gekregen voor de brandstichting zoals tenlastegelegd in feit 5 of andere aanslagen. Tussen de regels door is duidelijk te lezen dat hij bang is om te zeggen wie de echte opdrachtgever is, omdat dit consequenties kan hebben voor de veiligheid van hemzelf en zijn familie.
Op vragen of gewezen mede-verdachte [betrokkene 6] dan wellicht gezien kan worden als opdrachtgever of tussenpersoon van een of meerdere aanslagen wenste de getuige geen antwoord te geven. Dat is zeer opmerkelijk en wijst dus mogelijk wel op een actievere rol van [betrokkene 6] .
Conclusie:
De verklaringen van client, [betrokkene 6] en [betrokkene 1] komen deels overeen, en staan haaks op de interpretatie van het onderzoeksteam. Maar ook op het veroordelend vonnis in eerste aanleg. De verklaringen zijn verder onafhankelijk van elkaar afgelegd zodat thans aan de overeenkomsten in deze verklaringen meer gewicht moet worden toegekend.
Uitsluiting belastende verklaringen [betrokkene 6] ?
De verdediging heeft verder tot op heden geen gelegenheid gehad om de door het gerechtshof toegewezen getuige [betrokkene 6] , die als enigste belastende verklaringen heeft afgelegd over client, verder aan de tand te voelen nu hij blijkbaar spoorloos is. Zijn zaak is inmiddels geseponeerd zodat hij nog steeds een belangrijke getuige vormt voor client, die antwoorden zal moeten geven over zijn afgelegde en door client betwiste verklaringen. Verder komen vrijwel al zijn stellingen niet uit eigen wetenschap, maar van horen zeggen/lezen/gezegd door politie. De keer dat hij kritisch bevraagd wordt beroept hij zich op zijn zwijgrecht.
Nu ondervraging niet mogelijk is, en de rechtbank zijn verklaringen wel in enige mate heeft meegenomen bij vaststelling van de rol van client als uitlokker, is de verdediging van mening dat de betwiste verklaringen van [betrokkene 6] verder uitgesloten dienen te worden van het bewijs.”
4.7
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2025 vermeldt het volgende:
“De voorzitter deelt mede dat het onderzoek wordt hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing op 29 november 2024.
De voorzitter maakt melding van hetgeen zich sinds die schorsing in de zaak van verdachte heeft voorgedaan:
Volgens de op 29 november 2024 door het hof gegeven opdracht heeft de advocaat- generaal het hof op vrijdag 14 februari 2025 bericht over de pogingen die zijn gedaan om de getuige [betrokkene 6] te traceren teneinde deze als getuige te doen horen. Dit bericht hield -kort gezegd- in dat er onvoldoende gegevens bekend zijn geworden over de verblijfplaats van de getuige en dat het derhalve niet is gelukt om met de getuige in contact te komen. In reactie op dit bericht heeft de raadsman van verdachte het hof op 20 februari 2025 bericht dat verdachte de getuige niet meer wenst te horen. Het hof gaat er daarom vanuit dat het verzoek tot het horen van deze getuige niet langer wordt gehandhaafd.”
4.8
Het hof heeft in zijn arrest – voor zover hier van belang – overwogen:
“Samenwerking met [medeverdachte 2]
Met betrekking tot de woningbeschieting van 2 mei 2021 aan de [d- straat] in Hedel (feit 1) blijkt uit het voorgaande dat zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] dat adres had verstrekt aan [verdachte] met de opdracht daar een aanslag te (laten) plegen. [verdachte] heeft die opdracht van [medeverdachte 2] vervolgens doorgegeven aan [betrokkene 1] , die de woningbeschieting heeft uitgevoerd.
[medeverdachte 2] en [verdachte] waren van 14 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 allebei gedetineerd in [penitentiaire] .
Medegedetineerde [betrokkene 6] , die van 8 september 2020 tot en met 10 april 2021 gedetineerd was in [penitentiaire] , heeft het volgende verklaard over [medeverdachte 2] . In [penitentiaire] sprak [betrokkene 6] af en toe met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft [betrokkene 6] gevraagd om voor hem ( [medeverdachte 2] ) aanslagen te plegen. [betrokkene 6] zou daarvoor € 7.000,- per aanslag kunnen krijgen. [medeverdachte 2] vertelde [betrokkene 6] dat hij een lijst had met 120 adressen die te maken hadden met fruitbedrijf [A] . [medeverdachte 2] vroeg [betrokkene 6] op die woningen te schieten, die woningen in brand te steken of er een handgranaat neer te leggen.
Verder heeft [betrokkene 6] verklaard dat hij (buiten de PI) van [verdachte] het volgende heeft gehoord. [betrokkene 1] (' [bijnaam] ’) zat op dat moment vast voor aanslagen die hij had gepleegd voor [medeverdachte 2] . [verdachte] was in [penitentiaire] door [medeverdachte 2] benaderd voor het plegen van aanslagen en heeft toen zelf [betrokkene 1] benaderd om aanslagen te plegen. [medeverdachte 2] beloofde [verdachte] geld of twee kilo cocaïne. [verdachte] ontving de opdrachten van [medeverdachte 2] en benaderde vervolgens [betrokkene 1] , die de aanslagen heeft gepleegd.”
Conclusie
Naar het oordeel van het hof kan uit het voorgaande worden afgeleid dat de woningbeschietingen op 2, 9, 10 en 16 mei 2021 en de brandstichting van 5 juni 2021 door [verdachte] zijn uitgelokt. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.
Het gaat om vijf woningaanslagen die hebben plaatsgevonden in een relatief korte periode (van 35 dagen). Bij alle vijf de aanslagen was [betrokkene 1] betrokken als uitvoerder. Voor twee van de vijf aanslagen, namelijk die van 2 mei 2021 in Hedel en 5 juni 2021 in [plaats] , heeft het hof vastgesteld dat [verdachte] daarover contact heeft gehad met [betrokkene 1] .
- Wat betreft de woningbeschieting van 2 mei 2021 aan de [d- straat] in Hedel blijkt uit (eerder in dit arrest weergegeven) telefoongespreksfragmenten dat [verdachte] aan [betrokkene 1] de opdracht heeft gegeven tot het plegen van die aanslag (‘ga daar eten') en dat [verdachte] het adres heeft verstrekt aan [betrokkene 1] (waarbij het huisnummer en de plaatsnaam zijn verstrekt door tussenkomst van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ). [verdachte] heeft ook bekend dat hij die opdracht heeft gegeven aan [betrokkene 1] .
- Ook met betrekking tot de brandstichting van 5 juni 2021 op het adres [a-straat 1] in [plaats] blijkt uit (eerder in dit arrest weergegeven) Snapchat-berichten dat [verdachte] (als gebruiker van Snapchat-account ‘ [account] ') die aanslag heeft aangestuurd ( '2 liter benzine [a-straat 1] ’) en dat hij na afloop contact heeft met de plegers als zij achtervolgd worden door de politie.
Verder geldt dat alle vijf de woningaanslagen te relateren zijn aan de personeelslijst van [A] . Voor iedere aanslag geldt dat de aanslag plaatsvond op of in de directe nabijheid van een adres dat op die lijst staat. Die personeelslijst was in het bezit van [medeverdachte 2] .
Hoewel ten aanzien van de woningaanslag op 16 mei 2021 in [plaats] uit het dossier is af te leiden dat kennelijk het adres aan de [d-straat] door de opdrachtgevers beoogd was, maakt de omstandigheid dat dit door de uitvoerders mogelijk begrepen is als de [c-straat 1] naar het oordeel van het hof niet dat verdachte en [medeverdachte 2] niet als uitlokkers van deze aanslag kunnen worden aangemerkt. Door de uitvoering van de opdracht aan anderen over te laten en daarbij geen voorzorgsmaatregelen te nemen die het risico op andere slachtoffers dan de beoogde slachtoffers konden wegnemen, hebben verdachte en [medeverdachte 2] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aanslag op een ander adres dan het beoogde adres zou plaatsvinden.
Uit het voorgaande blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 2] ten tijde van de vijf woningaanslagen medegedetineerden waren in [penitentiaire] en dat beiden hebben verklaard dat [medeverdachte 2] aan [verdachte] de opdracht heeft gegeven een woningaanslag te laten plegen in Hedel (feit 1).
Alles overziende, is het hof van oordeel dat ook voor de woningbeschietingen van 9, 10 en 16 mei 2021 geldt dat [verdachte] telefonisch uitlatingen heeft gedaan die inhoudelijk en qua tijdsverband voldoende nauw verband houden met de woningbeschietingen om daaruit te kunnen afleiden dat [verdachte] die woningbeschietingen heeft uitgelokt (in opdracht van [medeverdachte 2] ).
- Op 8 mei 2021 gaf [verdachte] aan [betrokkene 4] de opdracht om [betrokkene 5] aan de beoogde chauffeur voor [betrokkene 1] te laten weten dat diegene moest klaarstaan voor ‘vanavond" of ‘anders zeker morgenavond'. In de nacht die daarop volgde (op 9 mei 2021), heeft [betrokkene 1] een woning beschoten in [plaats] , waarbij één kogel is afgevuurd. De volgende middag zei [verdachte] tegen [betrokkene 1] : ‘je hebt maar één band voor me vervangen van die scooter’.
- In datzelfde gesprek (van 9 mei 2021) zei [verdachte] tegen [betrokkene 1] te willen dat hij ( [betrokkene 1] ) vandaag nog aan die brommer werkt, met daarbij het verzoek om ‘alsjeblieft meer dan één band' te doen. In de nacht die daarop volgde (op 10 mei 2021), heeft [betrokkene 1] een woning beschoten in [plaats] .
- Op 14 mei 2021 zei [verdachte] tegen [betrokkene 1] dat hij een andere keer aan de brommer moest sleutelen en dat hij ( [verdachte] ) hem ( [betrokkene 1] ) die avond door tussenkomst van iemand anders nadere instructies zou geven (‘ik laat vanavond weten via die andere'). Verder gaf [verdachte] aan [betrokkene 1] de opdracht ervoor te zorgen dat hij klaar zou staan. In de nacht van 16 mei 2021 heeft [betrokkene 1] een woning beschoten in [plaats] .
Uit het voorgaande leidt het hof af dat degenen die het gronddelict hebben gepleegd niet zelf reeds van plan waren deze feiten te begaan. Verdachte heeft door giften, beloften en het geven van inlichtingen (het laten doorgeven van opdrachten en het laten verstrekken van adressen) bij de uitvoerders telkens het wilsbesluit gewekt of laten wekken om deze aanslagen te plegen.
Verdachte is degene geweest die uitvoerders heeft benaderd of heeft laten benaderen met het plan om aanslagen te plegen op woningen van (voormalig) werknemers van [A] . Daarbij was telkens de opdracht het stichten van brand of het beschieten van die woningen. Verdachte is ook degene geweest die daarvoor giften (geld) en beloften in het vooruitzicht heeft gesteld of laten stellen. De rol van verdachte ten aanzien van deze feiten dient te worden aangemerkt als die van uitlokker. Voorts is ook aan de overige vereisten voor strafbare uitlokking voldaan: de uitgelokte delicten zijn gevolgd, er zijn in de wet limitatief opgesomde uitlokkingsmiddelen gebruikt en de uitgelokten zijn strafbaar gebleken. Dat betekent dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de uitlokking van de ten laste gelegde feiten.
Verder concludeert het hof dat [verdachte] bij het uitlokken van de vijf woningaanslagen telkens nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] Daarbij was [medeverdachte 2] telkens de initiatiefnemer, die aan [verdachte] een adres verstrekte met de opdracht daar (in ruil voor een (financiële) beloning) een aanslag te laten plegen. De bijdrage van [verdachte] bestond eruit dat hij contact had met mensen die bereid waren die opdrachten van [medeverdachte 2] uit te voeren. Verder gaf [verdachte] de opdracht van [medeverdachte 2] (en het adres) telkens door aan [betrokkene 1] , die de opdracht vervolgens uitvoerde (al dan niet samen met één of meer anderen).”
4.9
Zoals al aangegeven, klaagt het middel allereerst dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van getuige [betrokkene 6] , welke verklaringen meer dan bijkomstige betekenis hebben gehad voor het bewijs, zonder dat er voor de verdediging een ondervragingsgelegenheid is geweest en zonder dat hiervoor enige compensatie is geboden, waardoor aan verzoeker een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro is onthouden. Het middel klaagt verder dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van voornoemde [betrokkene 6] om voormelde reden uitgesloten dienen te worden van het bewijs.
4.1
Het verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 6] is door het hof toegewezen bij voorzittersbeslissing van 28 september 2023. Hierna is gebleken dat de getuige onvindbaar is. Het hof heeft – nadat de zaak inhoudelijk is behandeld en de getuige nog altijd onvindbaar bleek – de verdediging het bericht gestuurd dat er onvoldoende gegevens bekend zijn geworden over de verblijfplaats van de getuige en dat het derhalve niet is gelukt om met de getuige in contact te komen. Door de verdediging is in reactie op dat bericht op 20 februari 2025 te kennen gegeven dat de verdachte de getuige niet meer wenst te horen. Het hof is er naar aanleiding van dat bericht vanuit gegaan dat het verzoek tot het horen van deze getuige niet langer wordt gehandhaafd en heeft de verklaring van de getuige voor het bewijs gebruikt.
4.11
Uit art. 6 EVRM Pro volgt het recht van de verdachte om in beginsel elke getuige te horen. Het gebruik van een verklaring van een belastende getuige zonder – ondanks het nodige initiatief daartoe – ten aanzien van diegene een dergelijke ondervragingsgelegenheid te bieden, kan in strijd komen met het recht op een eerlijk proces. Om te beoordelen of in zo’n geval de verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd heeft het EHRM een driestappentoets ontworpen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. [4]
4.12
De vraag die om te beginnen beantwoording behoeft, is of de raadsman (namens de verdachte) afstand heeft gedaan van de in artikel 6 lid 1 en Pro lid 3 sub d EVRM verankerde aanspraak op een behoorlijke en effectieve gelegenheid tot de ondervraging van een ‘ongehoorde’ (onvindbare) getuige à charge.
4.13
Naar mijn oordeel heeft het hof uit hetgeen de verdediging heeft aangegeven – te weten dat de verdachte de getuige niet meer wenst te horen – kunnen en mogen afleiden dat de verdediging afstand heeft gedaan van het verhoor van de belastende getuige. Anders dan in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2026, heeft de verdediging hier te kennen gegeven dat de verdachte de getuige niet meer ‘wenst’ te horen. In genoemde zaak werd door de verdediging ‘berust’ in de situatie en werd aangegeven dat zij ‘bij deze stand van zaken’ de getuige niet meer ‘hoeft’ te horen. De Hoge Raad oordeelde dat uit dat bericht van de verdediging niet kon volgen dat de verdediging geen aanspraak meer maakte op het uitoefenen van het ondervragingsrecht of, bij het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om het ondervragingsrecht uit te oefenen, op de beoordeling van de eerlijkheid van het proces als geheel. [5]
4.14
Het middel klaagt niet over het oordeel van het hof dat het verzoek niet langer gehandhaafd werd, maar – zoals aangegeven – over het gebruik van deze verklaring ondanks dat er geen compensatie is geboden voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid. Daarmee wordt echter miskend dat onder de gegeven omstandigheden geen compensatoire maatregelen nodig zijn om de verklaring van de getuige voor het bewijs te gebruiken. Daarop stuit het middel af.
4.15
Het middel faalt.

5.Het derde en het vierde middel

5.1
Het derde middel richt zich tegen de (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen wegens immateriële schade van de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] en [benadeelde 8] en de overeenkomstige schadevergoedingsmaatregelen. Het vierde middel [6] richt zich tegen de (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen wegens immateriële schade van de benadeelde partijen [aangever] en [benadeelde 2] en de overeenkomstige schadevergoedingsmaatregelen. Het hof heeft telkens geoordeeld dat, mede gelet op de context waarin de normschending heeft plaatsgevonden, sprake is van een normschending van een zodanige aard en ernst dat de voor toekenning van schadevergoeding relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partijen door de normschending in hun persoon zijn aangetast (op andere wijze, in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Alvorens de middelen achtereenvolgens te bespreken, sta ik eerst kort stil bij de beoordeling van een vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
5.2
Art. 6:106, aanhef en onder b, BW luidt:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
[…]
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”
5.3
In zijn overzichtsarrest over de vordering van de benadeelde partij van 29 mei 2019 [7] heeft de Hoge Raad onder meer overwogen (met weglating van voetnoten):

b) Ander nadeel dat voor vergoeding in aanmerking komt: immateriële schade (art. 6:106 BW Pro)
[…]
2.4.5
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
5.4
De Hoge Raad heeft in een recent arrest overwogen dat in uitzonderlijke gevallen een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending. Het gaat dan om gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Van de benadeelde partij wordt dan niet verlangd dat zij concrete gegevens aanvoert over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad. Te denken valt daarbij bijvoorbeeld aan een verkrachting waarbij sprake was van geweld en bedreiging met geweld of aan een woningoverval waarbij de slachtoffers zijn vastgebonden, hun monden zijn vastgeplakt en zij met een vuurwapen zijn bedreigd. [8]
5.5
In zijn annotatie onder een viertal arresten van de Hoge Raad is Lindenbergh ingegaan op de aantasting in de persoon van de benadeelde partij. [9] Hij wijst erop dat de gedachte dat strafrechtelijke delicten in het algemeen, en misdrijven in het bijzonder, naar hun aard ernstige normschendingen inhouden en dat daarom al snel uit de aard en ernst van de normschending voortvloeit dat sprake is van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’, niet alleen het uitzonderingskarakter van de categorie miskent, maar ook dat het wel telkens moet gaan om een aantasting in de persoon. Kortom: er moeten ook op ernstige wijze en in forse mate (fundamentele) persoonsbelangen zijn geschonden. Dat betekent volgens Lindenbergh dat ook bij naar hun aard ernstige normschendingen in beginsel in ogenschouw moet worden genomen wat daarvan in het concrete geval de gevolgen voor de persoon in kwestie zijn geweest.
5.6
Lindenbergh wijst er op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad verder op dat als het gaat om de aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ van de rechter een serieuze toetsing wordt verwacht. De strafrechter mag niet volstaan met de motivering dat de vordering wegens immateriële schade niet is weersproken en/of dat aannemelijk is dat immateriële schade is geleden en/of dat een vergoeding daarvan hem billijk voorkomt. Uit de motivering moet duidelijk blijken dat in het concrete geval de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan rechtvaardigen dat sprake is van een aantasting in de persoon, ook zonder dat sprake is van objectiveerbaar letsel. Dat betekent dat de rechter uiteen moet zetten waaruit de aard en ernst van de normschending in het concrete geval bestaan en in beginsel ook welke concrete gevolgen die normschending voor de benadeelde heeft gehad.
5.7
De begroting van de immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Ook daarvoor kunnen de concrete gevolgen van de normschending dus van belang zijn. Het ontbreken van een beschrijving van die gevolgen door de benadeelde partij staat aan een toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ evenwel niet in de weg. De Hoge Raad heeft in dit verband immers overwogen:
“Als de rechter oordeelt dat op basis van de aard en de ernst van de normschending een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zonder meer kan worden aangenomen, en de benadeelde partij de concrete gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad niet nader heeft toegelicht, kan de rechter in beginsel volstaan met toewijzing van een in het algemeen bij het geval passend bedrag dat strookt met bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Om aanspraak te maken op een specifieker op het concrete geval afgestemde vergoeding zal de benadeelde partij de rechter voldoende aanknopingspunten moeten bieden voor het naar billijkheid begroten van de immateriële schade, door feiten en omstandigheden te stellen over de gevolgen die zij van het bewezenverklaarde feit heeft ondervonden. Als die feiten en omstandigheden door of namens de verdachte worden betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of zij in voldoende mate zijn komen vast te staan.” [10]
Het derde middel
5.8
De (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen wegens immateriële schade van de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] en [benadeelde 8] is achtereenvolgens gebaseerd op het onder 2 meest subsidiair en 4 meest subsidiair bewezenverklaarde medeplegen van opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. [benadeelde 5] en [benadeelde 6] zijn op 9 mei 2021 in [plaats] het slachtoffer geworden van een beschieting van hun woning waarin zij op dat moment verbleven, waarbij de kogel zich een weg door de ruit van de voordeur en de deur in de hal had gebaand en tot slot ook een keukenkastje had geraakt. Voor [benadeelde 7] en [benadeelde 8] geldt dat zij op 16 mei 2021 in [plaats] ook het slachtoffer zijn geworden van een beschieting van hun woning waarin zij op dat moment verbleven. Door deze beschieting troffen zij een gat aan in het grote raam in de woonkamer.
5.9
Het hof heeft met betrekking tot voormelde vorderingen overwogen:
“8.1.
Algemene overwegingen
Beoordelingskader immateriële schade (smartengeld)
Artikel 6:106 van Pro liet Burgerlijk Wetboek geeft drie categorieën waarin een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen smartengeldvergoeding, namelijk (a) indien verdachte het oogmerk had de schade toe te brengen, (b) indien sprake is van aantasting in de persoon of (c) indien sprake is van aantasting van de nagedachtenis van een overledene. Onder sub b vallen drie verschijningsvormen: (1) lichamelijk letsel, (2) aantasting van eer en goede naam en (3) aantasting in de persoon op andere wijze. Onder aantasting in de persoon op andere wijze valt in ieder geval geestelijk letsel. Degene die zich hierop beroept zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van een dergelijke aantasting in de persoon op andere wijze sprake is. Ook hier zal degene die zich hierop beroept in beginsel de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De enkele schending van een recht is daartoe niet voldoende.
Context van de woningaanslagen waarop de vorderingen zijn gebaseerd
Bij de beoordeling van de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade heeft het hof rekening gehouden met het volgende. De vijf woningaanslagen waarover deze strafzaak gaat, vonden plaats in het verlengde van een reeks woningaanslagen die zijn gepleegd in verband met een langdurige poging tot afpersing van (de directie van) [A] . Die poging tot afpersing, die erop gericht was [A] te bewegen tot betaling van een geldbedrag of bitcoins, begon in mei 2019 met een reeks dreigende telefoonberichten. Later heeft de afperser de druk op [A] opgevoerd door middel van aanslagen op de woning van (ex-)medewerkers en familieleden van [A] . Een groot deel van die aanslagen vond plaats op adressen die voorkomen op een personeelslijst die in het bezit van de afperser is gekomen en een aanzienlijk aantal woningaanslagen vond plaats in een afgebakende regio, kort gezegd de Bommelerwaard en omliggende plaatsen. Door één van die aanslagen is op 25 november 2020 in Hedel een woning afgebrand als gevolg van de ontploffing van een vuurwerkbom die door het raam was gegooid. De poging tot afpersing en de daarmee samenhangende reeks woningaanslagen, die veel aandacht hebben gekregen in de landelijke maar vooral in de regionale media, hebben in dat gebied veel angst teweeggebracht. Een grote groep mensen was een potentieel doelwit van een eventuele volgende aanslag. Dat gold in ieder geval voor de mensen die woonden op een adres dat voorkomt op de personeelslijst. Die kring van potentiële doelwitten werd nog vergroot door de reële mogelijkheid van een vergisaanslag. waarbij door een vergissing de aanslag zou plaatsvinden op een ander adres dan het beoogde doelwit. Een grote groep mensen in de Bommelerwaard en omliggende plaatsen leefde dus geruime tijd voortdurend in de angst zelf het volgende slachtoffer te zullen worden. Daarbij was er. zeker na de hiervoor genoemde woningbrand in Hedel . de gegronde vrees dat een volgende aanslag een dodelijke afloop zou hebben.
8.2.
Vorderingen [benadeelde 5] en [benadeelde 6]
De heer [benadeelde 5] en mevrouw [benadeelde 6] hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding in verband met het onder 2 bewezenverklaarde. Zij vorderen € 7.500,- per persoon aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente, en hebben verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.500,- per benadeelde. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.
Het standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank kan worden bevestigd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft - voor het geval het hof tot een bewezenverklaring komt van de betrokkenheid van verdachte bij de onderhavige woningbeschieting - bepleit dat het hof een kleiner bedrag aan smartengeld zal toekennen dan door de benadeelde partijen is gevorderd. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman aangevoerd dat de rechtbank Zeeland-West Brabant bij vonnis van 26 augustus 2024 bij een soortgelijke woningaanslag oordeelde dat € 3.000,- of € 5.000,- een billijke vergoeding was van de immateriële schade.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partijen recht hebben op smartengeld. Zij zijn het slachtoffer geworden van een woningbeschieting, waarbij de kogel zich een weg door de ruit van de voordeur en de deur in de hal had gebaand en tot slot ook een keukenkastje had geraakt. Een woningbeschieting is op zichzelf een misdrijf dat veel angst kan veroorzaken, omdat daarin de suggestie besloten ligt dat iemand die kennelijk niet terugdeinst voor het gebruik van (vuurwapen)geweld het op de bewoners gemunt heeft. In dit geval kwam daar nog bij de woningbeschieting plaatsvond in het verlengde van een (eerder in dit arrest besproken) poging tot afpersing en de daarmee verband houdende reeks woningaanslagen die maandenlang veel angst teweeg had gebracht in de regio waarin de slachtoffers woonden. Het adres van de benadeelde partijen stond weliswaar niet op de personeelslijst, maar als bewoners van het gebied waarin de aanslagen plaatsvonden en door de reële mogelijkheid van vergisaanslagen, ging er ook een dreiging uit in hun richting. Door de woningbeschieting kwam daar voor de benadeelde partijen het besef bij dat zij niet alleen potentieel, maar daadwerkelijk een doelwit waren van een afperser die op een meedogenloze wijze te werk ging om [A] tot betaling te bewegen. Dat besef moet buitengewoon beangstigend zijn geweest, zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat op een aantal adressen meerdere aanslagen zijn gepleegd. De benadeelde partijen hadden dus gegronde reden om te vrezen dat zij het slachtoffer zouden worden van een tweede aanslag, met mogelijk een dodelijke afloop. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de woningbeschieting. mede gelet op de context waarin die heeft plaatsgevonden, een normschending oplevert van een zodanige aard en ernst dat de voor toekenning van smartengeld relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partijen door de woningbeschieting in hun persoon zijn aangetast (‘op andere wijze", in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b. van het Burgerlijk Wetboek).
Naar maatstaven van billijkheid zal het hof het smartengeld op een bedrag van € 5.000,- per benadeelde vaststellen. Wat betreft het meer of anders verzochte zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
[…]
8.3.
Vorderingen [benadeelde 7] en [benadeelde 8]
[benadeelde 7] en [benadeelde 8] hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding in verband met het onder 4 bewezenverklaarde. [benadeelde 7] vordert € 175,98 aan materiële schade. Daarnaast vorderen de benadeelde partijen € 5.000,- per persoon aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente, en hebben zij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De vorderingen zijn bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 175,98 voor materiële schade en € 5.000,- (per benadeelde) voor smartengeld. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.
Het standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank kan worden bevestigd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet verzet tegen de toewijzing van de vordering voor zover de deze strekt tot vergoeding van materiële schade.
Wat betreft het gevorderde smartengeld heeft de raadsman - voor het geval het hof tot een bewezenverklaring komt van de betrokkenheid van verdachte bij de onderhavige woningbeschieting - bepleit dat het hof een kleiner bedrag zal toekennen dan door de benadeelde partijen is gevorderd. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman aangevoerd dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij vonnis van 26 augustus 2024 bij een soortgelijke woningaanslag oordeelde dat € 3.000,- of € 5.000,- een billijke vergoeding was van de immateriële schade.
Oordeel van het hof
[…]
Smartengeld
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partijen recht hebben op smartengeld. Zij zijn het slachtoffer geworden van een woningbeschieting, waardoor zij een gat aangetroffen in het grote raam in de woonkamer. Een woningbeschieting is op zichzelf een misdrijf dat veel angst kan veroorzaken, omdat daarin de suggestie besloten ligt dat iemand die kennelijk niet terugdeinst voor het gebruik van (vuurwapen)geweld het op de bewoners gemunt heeft. In dit geval kwam daar nog bij de woningbeschieting plaatsvond in het verlengde van een (eerder in dit arrest besproken) poging tot afpersing en de daarmee verband houdende reeks woningaanslagen die maandenlang veel angst teweeg had gebracht in de regio waarin de slachtoffers woonden. Het adres van de benadeelde partijen stond weliswaar niet op de personeelslijst, maar als bewoners van het gebied waarin de aanslagen plaatsvonden en door de reële mogelijkheid van vergisaanslagen, ging er ook een dreiging uit in hun richting. Door de woningbeschieting kwam daar voor de benadeelde partijen het besef bij dat zij niet alleen potentieel, maar daadwerkelijk een doelwit waren van een afperser die op een meedogenloze wijze te werk ging om [A] tot betaling te bewegen. Dat besef moet buitengewoon beangstigend zijn geweest, zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat op een aantal adressen meerdere aanslagen zijn gepleegd. De benadeelde partijen hadden dus gegronde reden om te vrezen dat zij liet slachtoffer zouden worden van een tweede aanslag, met mogelijk een dodelijke afloop. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de woningbeschieting, mede gelet op de context waarin die heeft plaatsgevonden, een normschending oplevert van een zodanige aard en ernst dat de voor toekenning van smartengeld relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partijen door de woningbeschieting in hun persoon zijn aangetast (‘op andere wijze', in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek).
Naar maatstaven van billijkheid zal het hof het smartengeld op een bedrag van € 5.000,- per benadeelde vaststellen. Wat betreft het meer of anders verzochte zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.”
5.1
Met betrekking tot de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft het hof overwogen dat zij slachtoffer zijn geworden van een woningbeschieting. Daarbij is overwogen dat een woningbeschieting veel angst kan veroorzaken, omdat daarin de suggestie besloten ligt dat iemand die kennelijk niet terugdeinst voor het gebruik van (vuurwapen)geweld het op de bewoners gemunt heeft en dat daar bijkomt dat de woningbeschieting plaatsvond in het verlengde van een poging tot afpersing en de daarmee verband houdende reeks woningaanslagen die maandenlang veel angst teweeg had gebracht in de regio waarin de slachtoffers woonden. Hoewel de beide adressen van de benadeelde partijen niet op de personeelslijst stonden, ging er wel een dreiging uit in hun richting omdat zij bewoners waren van het gebied waarin de aanslagen plaatsvonden en door de reële mogelijkheid van vergisaanslagen. Voorts heeft het hof overwogen dat het besef dat zij niet alleen potentieel, maar daadwerkelijk een doelwit waren van een afperser die op een meedogenloze wijze te werk ging om [A] tot betaling te bewegen. buitengewoon beangstigend moet zijn geweest, zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat op een aantal adressen meerdere aanslagen zijn gepleegd. Op basis daarvan heeft het hof overwogen dat de benadeelde partijen gegronde redenen hadden om te vrezen dat zij het slachtoffer zouden worden van een tweede aanslag, met mogelijk een dodelijke afloop.
5.11
Het hof heeft overwogen dat de woningbeschieting, mede gelet op de context waarin die heeft plaatsgevonden, telkens een normschending oplevert van een zodanige aard en ernst dat de voor toekenning van smartengeld relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partijen door de beschieting in hun persoon zijn aangetast op andere wijze. Dat oordeel acht ik in het licht van hetgeen bewezen is verklaard niet onjuist en – mede tegen de achtergrond van het achterwege blijven van enige betwisting van de vordering voor zover die is toegewezen – evenmin onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Uit de motivering blijkt mijns inziens voldoende waaruit de aard en ernst van de normschending in het concrete geval heeft bestaan (een zeer ernstige bedreiging in de vorm van een woningbeschieting in een reeks van woningaanslagen) en in beginsel ook welke concrete gevolgen die normschending voor de benadeelde heeft gehad (angst naar aanleiding van deze aanslag en angst voor een tweede aanslag met een mogelijk dodelijke afloop).
5.12
De klacht dat de benadeelde partijen niet persoonlijk getuige zijn geweest van het strafbare feit en met name niet persoonlijk zijn bedreigd, miskent dat de benadeelde partijen ten tijde van de beschieting in hun woning aanwezig waren en vervolgens zijn geconfronteerd met de gevolgen van die beschieting.
5.13
Het derde middel faalt.
Het vierde middel
5.14
De toewijzing van de vorderingen wegens immateriële schade van de benadeelde partijen [benadeelde 3] - [benadeelde 2] en [aangever] is gebaseerd op de onder 5 subsidiair bewezenverklaarde eendaadse samenloop van het medeplegen van de uitlokking van de poging tot moord op (onder meer) [benadeelde 3] - [benadeelde 2] en [aangever] en opzettelijke brandstichting, een en ander door in de nachtelijke uren brand te stichten bij de woning door de voordeur in brand te steken.
5.15
Het hof heeft met betrekking tot de vorderingen van de genoemde benadeelde partijen het volgende overwogen:

Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft - voor het geval het hof tot een bewezenverklaring komt van de betrokkenheid van verdachte bij de onderhavige woningbeschieting - bepleit dat het hof een kleiner bedrag aan smartengeld zal toekennen dan door de benadeelde partijen is gevorderd. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman aangevoerd dat de rechtbank Zeeland-West Brabant bij vonnis van 26 augustus 2024 bij een soortgelijke woningaanslag oordeelde dat € 3.000,- of € 5.000,- een billijke vergoeding was van de immateriële schade.
Oordeel van het hof
Het hof wijst de vorderingen volledig toe. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partijen recht hebben op smartengeld. Zij zijn het slachtoffer geworden van een woningaanslag waarbij de voordeur van de woning in brand is gestoken en het een reële mogelijkheid was dat die brand bij de voordeur zou leiden tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de benadeelde partijen, die op dat moment in die woning aanwezig waren. Die brandstichting vond bovendien plaats in het verlengde van een (eerder in dit arrest besproken) poging tot afpersing en de daarmee verband houdende reeks woningaanslagen die maandenlang veel angst teweeg had gebracht in de regio waarin de slachtoffers woonden. De benadeelde partijen wisten dat hun adres voorkwam op de personeelslijst waarover de afperser beschikte. Zij leefden daardoor al geruime tijd onder de dreiging dat ook zij het slachtoffer zouden worden van een woningaanslag. Door de brandstichting kwam daar voor de benadeelde partijen het besef bij dat zij niet alleen potentieel, maar daadwerkelijk een doelwit waren van een afperser die op een meedogenloze wijze te werk ging om [A] tot betaling te bewegen. Dat besef moet buitengewoon beangstigend zijn geweest, zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat op een aantal adressen meerdere aanslagen zijn gepleegd. De benadeelde partijen hadden dus gegronde reden om te vrezen dat zij het slachtoffer zouden worden van een tweede aanslag, met mogelijk een dodelijke afloop. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de brandstichting, mede gelet op de context waarin die heeft plaatsgevonden, een normschending oplevert van een zodanige aard en ernst dat de voor toekenning van smartengeld relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partijen door de brandstichting in hun persoon zijn aangetast ('op andere wijze', in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek).”
5.16
Blijkens de onderbouwing van de vorderingen van de benadeelde partijen zijn de vorderingen gestoeld op de grond dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 sub b BW Pro, doordat – gelet op de aard van de normschending – het handelen van de verdachte een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij.
5.17
Het hof heeft de vorderingen volledig toegewezen en met betrekking tot de toewijzing van de vorderingen geoordeeld dat de benadeelde partijen slachtoffer zijn geworden van een woningaanslag, waarbij de voordeur van de woning in brand is gestoken en het een reële mogelijkheid was dat die brand bij de voordeur zou leiden tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de benadeelde partijen, die op dat moment in die woning aanwezig waren. Daarbij heeft het hof betrokken dat de brandstichting plaatsvond in het verlengde van een poging tot afpersing en de daarmee verband houdende reeks woningaanslagen die maandenlang veel angst teweeg had gebracht in de regio waarin de slachtoffers woonden. Vastgesteld is verder dat de benadeelde partijen wisten dat hun adres voorkwam op de personeelslijst waarover de afperser beschikte en zij daardoor al geruime tijd onder de dreiging leefden dat ook zij het slachtoffer zouden worden van een woningaanslag. Door de brandstichting kwam daar voor de benadeelde partijen het besef bij dat zij niet alleen potentieel, maar daadwerkelijk een doelwit waren van een afperser die op een meedogenloze wijze te werk ging om [A] tot betaling te bewegen. Dat besef moet buitengewoon beangstigend zijn geweest, zeker als daarbij in aanmerking wordt genomen dat op een aantal adressen meerdere aanslagen zijn gepleegd. De benadeelde partijen hadden dus gegronde reden om te vrezen dat zij het slachtoffer zouden worden van een tweede aanslag, met mogelijk een dodelijke afloop.
5.18
Gelet op die vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de bewezenverklaarde ‘brandstichting’, mede gelet op de context waarin die heeft plaatsgevonden, een normschending oplevert van een zodanige aard en ernst dat de voor toekenning van smartengeld relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partijen door de brandstichting in hun persoon zijn aangetast op andere wijze. Dat oordeel acht ik in het licht van hetgeen bewezen is verklaard, niet onjuist en – mede tegen de achtergrond van het achterwege blijven van enige betwisting van de vorderingen voor zover die is toegewezen – evenmin onbegrijpelijk.
5.19
Het vierde middel faalt.
6.
Het vijfde middel [11]
6.1
Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof over de redelijke termijn, welk oordeel volgens de steller van het middel ontoereikend gemotiveerd is.
6.2
Het hof heeft met betrekking tot de redelijke termijn als volgt overwogen en geoordeeld:
“Geen overschrijding van de redelijke termijn
Het hof heeft beoordeeld of de behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6 van Pro het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en onderbouwt dit oordeel als volgt.
Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag welke behandelduur redelijk is, onder meer afhankelijk is van de ingewikkeldheid van de zaak (bijvoorbeeld het gegeven dat de zaak gelijktijdig wordt behandeld met strafzaken tegen medeverdachten of met andere strafzaken tegen verdachte), de invloed van verdachte op het procesverloop en op de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daarbij is het uitgangspunt dat een strafzaak tegen een verdachte in voorlopige hechtenis binnen zestien maanden wordt afgedaan, maar bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat daarvan wordt afgeweken.
- Eerste aanleg
De redelijke termijn is aangevangen op 27 oktober 2021, door de inverzekeringstelling van verdachte. De behandeling van de zaak in eerste aanleg is afgerond op 27 september 2022, zijnde de datum waarop de rechtbank het vonnis waarvan beroep wees. Hieruit blijkt dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet langer heeft geduurd dan zestien maanden.
- Hoger beroep
De redelijke termijn is aangevangen op 11 oktober 2022, door het instellen van hoger beroep door zowel verdachte als het openbaar ministerie. Dit arrest wordt gewezen op 4 april 2025. wat meebrengt dat de behandeling van de zaak in hoger beroep ongeveer 2,5 jaar heeft geduurd. Naar het oordeel van het hof is dit niet onredelijk lang, als in aanmerking wordt genomen dat de strafzaak tegen verdachte in hoger beroep deel uitmaakt van een cluster van twaalf strafzaken en dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak een regiefase heeft plaatsgevonden waarin (mede op verzoek van verdachte) nader onderzoek is verricht.”
6.3
In het geval dat de zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in tegenwoordigheid van de verdachte en/of zijn raadsman en op de terechtzitting niet een verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, moet worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd. Een klacht in cassatie over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voorafgaand aan de bestreden uitspraak, kan in zo’n geval niet slagen. [12] Door of namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep niet aangevoerd dat de redelijke termijn van berechting in hoger beroep is of wordt overschreden, zodat het middel daarop afstuit.
6.4
In zoverre merk ik slechts ten overvloede op dat het hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden, omdat de berechting van de verdachte in hoger beroep niet ‘onredelijk lang’ heeft geduurd. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de strafzaak tegen de verdachte in hoger beroep deel uitmaakt van een cluster van twaalf strafzaken, dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak een regiefase heeft plaatsgevonden en (mede op verzoek van verdachte) nader onderzoek is verricht. Het hof heeft daarmee tot uitdrukking willen brengen dat het gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, de duur van de zaak ‘redelijk’ acht en de redelijke termijn van berechting in hoger beroep niet is overschreden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. [13]
6.5
Het middel faalt.

7.Slotsom

7.1
De middelen falen en het eerste, derde, vierde en vijfde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
7.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro op 15 augustus 2026 verstrijkt. Deze termijn zal naar verwacht mag worden niet worden gehaald. Afhankelijk van de mate van overschrijding, zal dit tot strafvermindering kunnen leiden. [14] Ambtshalve heb ik voor het overige geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep en tot eventuele vernietiging van de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindering daarvan wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 21-004367-22.
3.De overweging van het hof dat de voordeur een mogelijk zeer kwetsbare plaats betreft, begrijp ik zo dat de voordeur voor bewoners in geval van een woningbrand onder omstandigheden de enige weg naar buiten (en naar veiligheid) kan vormen.
4.Zie onder meer EHRM 15 december 2015, nr.
5.HR 9 juni 2026,
6.Door de steller abusievelijk aangeduid als het derde middel.
7.HR 29 mei 2019,
8.Zie HR 2 juni 2026,
9.Zie HR 8 december 2020,
10.HR 2 juni 2026,
11.Door de steller abusievelijk aangeduid als het vierde middel.
12.Vgl. HR 17 juni 2008,
13.Vgl. HR 17 juni 2008,
14.HR 26 maart 2024,