ECLI:NL:PHR:2026:671

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
25/01244
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359a SvArt. 6 EVRMArt. 126j SvArt. 157 SrArt. 132 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot afpersing en uitlokking van ernstige gewelddadige aanslagen op fruitbedrijf en medewerkers

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 26 jaar en 6 maanden gevangenisstraf wegens poging tot afpersing van een fruitbedrijf en uitlokking van ernstige gewelddadige aanslagen, waaronder woningaanslagen met mortierbommen. De zaak betreft meerdere onderzoeken en een lange reeks strafbare feiten in 2019-2021.

In cassatie zijn negentien middelen ingediend, waaronder klachten over de bruikbaarheid van verklaringen van een belangrijke getuige ([getuige 1]) die tijdens een WOD-actie is gehoord. De Hoge Raad concludeert dat de busverklaring van deze getuige niet bruikbaar is wegens onvoldoende controleerbaarheid en gebrekkige verslaglegging, maar dat latere verklaringen als getuige en verdachte wel betrouwbaar en bruikbaar zijn.

Verder is geoordeeld dat de verdachte door bedreigingen van de getuige afstand heeft gedaan van het ondervragingsrecht, waardoor de drie-stappentoets van het EHRM niet hoeft te worden doorlopen. De verklaringen van de getuige worden ondersteund door objectief bewijs zoals locatiegegevens en deskundigenrapporten.

De bewezenverklaringen omvatten onder meer pogingen tot afpersing met dreigberichten, uitlokking van aanslagen met mortierbommen en brandstichting, waarbij levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel zijn voorzienbaar geacht. De verdachte is als opdrachtgever en pleger verantwoordelijk gehouden.

Het middel over schending van de redelijke termijn in cassatie is gegrond verklaard, wat leidt tot vernietiging van het deel van het arrest dat de strafduur bepaalt en vermindering van de straf. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Vernietiging van de strafduur wegens schending redelijke termijn en vermindering van de gevangenisstraf, beroep voor het overige verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01244
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 4 april 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest wegens:
Parketnummer 05/880702-19 (Onderzoek Maldiven)
- poging tot afpersing, meermalen gepleegd.
Parketnummer 05/780001-21 (
Onderzoek Panter 1)
- medeplegen van opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen) van medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (onder 2);
- de eendaadse samenloop van
opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van medeplegen van poging tot moord,
en
opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (onder 3 en 4);
- de eendaadse samenloop van
opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van poging tot moord,
en
opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (onder 5 en 6);
- medeplegen van poging om een ander door beloften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen te bewegen tot het begaan van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (onder 7);
Parketnummer 05/780029-21 (Onderzoek Panter 1)
- poging tot afpersing, meermalen gepleegd (onder 1);
- medeplegen van opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen) van medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is (onder 2, 4 en 5).
- medeplegen van opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen) van medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (onder 3);
Parketnummer 05/780039-21 (Onderzoek Panter 2)
- medeplegen van opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair);
- de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van medeplegen van poging tot moord
en
medeplegen van opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (onder 5).
Parketnummer 05/780039-21A (Onderzoek Navigator en Panter 3))
- de eendaadse samenloop van
opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van poging tot moord
en
opzettelijke uitlokking (door beloften en door het verschaffen van inlichtingen) van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (onder 1);
- de eendaadse samenloop van
medeplegen van poging om een ander door beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen tot het begaan van moord
en
medeplegen van poging om een ander door beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen tot het begaan van opzettelijk brandstichten of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (onder 2 subsidiair).
Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en in verband daarmee aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Verder heeft het hof beslist op het beslag en de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01226 ( [medeverdachte 8] ), 25/01229 ( [medeverdachte 1] ), 25/01255 ( [medeverdachte 3] ), 25/01265 ( [medeverdachte 4] ), 25/01294 ( [medeverdachte 5] ), 25/01412 ( [medeverdachte 6] ) en 25/01459 ( [medeverdachte 7] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de verdachte hebben N. van Schaik, advocaat in Utrecht, en J. Kuijper, advocaat in Amsterdam , negentien middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1
Het gerechtshof heeft in deze zaak het volgende vastgesteld. In 2019 werd in Hedel (Gelderland) door medewerkers van een fruitbedrijf in een lading bananen afkomstig uit Ecuador een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. Na die vondst werd de politie gewaarschuwd en is de cocaïne in beslag genomen. Daarna is geprobeerd een groot geldbedrag (aan bitcoins) van (de directie van) het bedrijf los te krijgen. Om die afpersing kracht bij te zetten, vond in de loop van 2020 en 2021 een lange reeks woningaanslagen plaats, veelal op adressen van personen die op de personeelslijst van het bedrijf stonden.
2.2
Het hof acht bewezen dat de verdachte de drijvende kracht is geweest achter de langdurige poging tot afpersing van (de directie van) het fruitbedrijf en de daarmee verband houdende ernstige woningaanslagen.

3.De middelen van cassatie

3.1
Zoals aangegeven, zijn namens de verdachte negentien middelen van cassatie ingediend. Ik zal bij de bespreking daarvan de volgorde aanhouden die de stellers van de middelen hebben aangebracht.
3.2
Deel I van de schriftuur (p. 7-62) betreft het eerste cassatiemiddel. Dit middel valt uiteen in vijf deelklachten die – mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd – verband houden met de beoordeling door het hof van de bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van [getuige 1] . Het middel zal in deze conclusie onder 4 worden besproken.
3.3
Deel II van de schriftuur (p. 63-192) betreft de middelen twee tot en met achttien, die zich richten op de afpersingsfeiten en woningaanslagen die ten laste van de verdachte zijn bewezenverklaard.
3.4
Aansluitend bevat het laatste middel, middel negentien (p. 193-194), de klacht dat de redelijke termijn van inzending in de cassatiefase is geschonden.

4.Het eerste middel

4.1
Het eerste middel houdt verband met de beoordeling door het hof van de bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van [getuige 1] en valt in vijf deelklachten uiteen. Die deelklachten richten zich achtereenvolgens – kort gezegd – tegen:
a. de verwerping door het hof van het op grond van art. 359a Sv gevoerde verweer ertoe strekkende dat de verklaringen van [getuige 1] die hij als verdachte en als getuige heeft afgelegd moeten worden uitgesloten van het bewijs;
b. het oordeel dat art. 6 EVRM Pro niet in de weg staat aan het gebruik van verklaringen van [getuige 1] voor het bewijs;
c. de ontoereikend gemotiveerde afwijking door het hof van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het gebruik van de verklaringen van [getuige 1] meebrengt dat de procedure als geheel niet voldoet aan art. 6 EVRM Pro;
d. het oordeel van het hof dat de verklaringen van [getuige 1] als getuige en als verdachte betrouwbaar zijn en tot het bewijs kunnen worden gebruikt;
e. de ontoereikend gemotiveerde afwijking door het hof van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van [getuige 1] in verband met de onbetrouwbaarheid daarvan moeten worden uitgesloten van het bewijs.
Deelklacht a: verwerping verweer op grond van art. 359a Sv strekkende tot uitsluiting van het bewijs van verklaringen van [getuige 1] die hij als verdachte en als getuige heeft afgelegd
4.2
De verdediging heeft in hoger beroep verweer gevoerd met de strekking dat alle verklaringen van [getuige 1] van het bewijs moeten worden uitgesloten vanwege onherstelbare vormverzuimen in de zin van art. 359a Sv.
4.3
Het hof heeft naar aanleiding van dit verweer op PROMIS-wijze overwogen (met weglating van voetnoten):

2.1. Verweren met betrekking tot vormverzuimen
WOD-traject
Tijdens het opsporingsonderzoek is gebruikgemaakt van een werken onder dekmantel (WOD)-actie. Deze actie hield kort gezegd in dat opsporingsambtenaren op 29 december 2020 met [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) in contact zijn getreden zonder dat zij zich als zodanig hebben bekendgemaakt. Het betrof een actie waarbij de opsporingsambtenaren zich voordeden als personen die duidelijkheid wilden verkrijgen over wie achter de gepleegde aanslagen op (ex)medewerkers van [A] (hierna: [A] ) zaten. Tijdens deze inzet heeft [getuige 1] zaken verteld over de betrokkenheid van zichzelf, maar ook van anderen bij die aanslagen.
Verweren van de verdediging
De verdediging heeft op verschillende punten, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad met nummer 2019:1983, aangevoerd dat aan de inzet van de WOD-actie op [getuige 1] , op de wijze zoals deze in de onderhavige zaak is toegepast, zodanige gebreken kleven dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv. Deze verzuimen zouden volgens de verdediging moeten leiden tot bewijsuitsluiting van alle door [getuige 1] afgelegde verklaringen.
Standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal zijn met de rechtbank van mening dat de WOD-inzet rechtmatig is verlopen en dat er aldus geen vormverzuimen bestaan die moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [getuige 1] .
Wettelijk kader
De toegepaste WOD-actie is gegrond op artikel 126j, eerste lid, Sv waarin de bevoegdheid is geregeld die wordt aangeduid als stelselmatige inwinning (SI) van informatie. Het artikel bepaalt dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over een verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat het inzetten van een Sl-traject zijn rechtvaardiging vindt in het grote maatschappelijke belang dat is gediend bij de opsporing van misdrijven die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, hetzij door hun gewelddadige karakter, hetzij door hun grote omvang en gevolgen voor de samenleving, en waar regulier openlijk onderzoek onvoldoende resultaat heeft of belooft te hebben.
Toetsingskader
Voor de beoordeling van het verloop van de WOD-actie zoekt het hof, met inachtneming van hetgeen hieronder nader wordt overwogen, aansluiting bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen over de Mr. Big-methode in 2019:1982 en 1983, waarbij het gaat om "gevallen (...) die hierdoor worden gekenmerkt dat door een of meer opsporingsambtenaren, zonder dat kenbaar is dat zij als zodanig optreden, binnen het verband van een gefingeerde criminele organisatie het vertrouwen van een niet-gedetineerde verdachte wordt gewonnen, waarna hem in het kader van die organisatie voordelen in het vooruitzicht worden gesteld als hij een (bekennende) verklaring aflegt omtrent zijn betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit”.
Overwegingen van het hof
In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat van het toepassen van de Mr. Big-methode zelf geen sprake is geweest. Het contact met [getuige 1] is, anders dan bij toepassing van de Mr. Big-methode waarbij over een langere periode van enkele weken of maanden steeds intensiever contact wordt opgebouwd om vertrouwen te winnen, beperkt gebleven tot één relatief kort contactmoment overdag. Voorts had de WOD-actie op [getuige 1] niet tot doel hem te verlokken een strafbaar feit te bekennen. Het doel was om relevante informatie te verzamelen over de identiteit van de opdrachtgevers van de aanslagen op (ex)medewerkers van [A] . Dat één van de undercoveragenten daarbij heeft gezegd dat hij wist wie [getuige 1] was en dat hij uit de bajes had gehoord dat hij mogelijk betrokken was bij het gedoe met de aanslagen, maakt dit nog niet anders.
Het voorgaande neemt niet weg dat de toepassing van een WOD-traject in het algemeen het gevaar meebrengt dat een verdachte feitelijk in een verhoorsituatie terechtkomt, waarbij de waarborgen van een formeel politieverhoor ontbreken en verklaringen worden verkregen die in strijd met de verklaringsvrijheid van die verdachte zijn afgelegd. Het hof zal de vraag naar de toelaatbaarheid van de inzet van de WOD-actie en de vraag of de verklaringsvrijheid van [getuige 1] is geschonden dan ook beoordelen langs de lijn van het door de Hoge Raad in het arrest met nummer 2019:1982 ontwikkelde toetsingskader.
Een WOD-inzet dient allereerst aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te voldoen, waarbij als uitgangspunt moet worden genomen dat de bijzondere ernst van het misdrijf de WOD-inzet rechtvaardigt en dat andere wijzen van opsporing niet (meer) voorhanden zijn. De rechter kan vervolgens voor de vraag komen te staan of de informatie van verdachte niet in strijd met de verklaringsvrijheid is verkregen. Daarbij kan acht worden geslagen op het feitelijke optreden van de opsporingsambtenaren jegens verdachte en op de wettelijke grondslag van het optreden. Het is daarom nodig dat inzicht kan worden verkregen in het concrete verloop van de uitvoering van het WOD-traject en op de interactie van de opsporingsambtenaren met de verdachte. Dit kan door een voldoende nauwkeurige verslaglegging, welke verslaglegging inzicht moet geven in het verloop en de uitvoering van de gehele periode en met name een voldoende nauwkeurige weergave van de communicatie met verdachte moet bevatten. Voor zover mogelijk zou de communicatie in het kader van de opsporing auditief of audiovisueel geregistreerd moeten worden.
Proportionaliteit en subsidiariteit
Het hof is van oordeel dat de WOD-actie in deze zaak voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat sprake is geweest van een stelsel van gewelddadige feiten en van grote maatschappelijke impact staat buiten kijf. Blijkens het proces-verbaal aanvraag bevel stelselmatige informatie-inwinning waren op de verdachten in het onderzoek reeds diverse bijzondere opsporingsmiddelen langdurig ingezet, zoals het afluisteren van telefoongesprekken en vertrouwelijke communicatie. Geen van deze ingezette middelen had tot op dat moment geleid tot meer informatie over de opdrachtgever(s) van de aanslagen. De op dat moment reeds aangehouden verdachten (vermeende uitvoerders) beriepen zich allemaal op hun zwijgrecht. Het ging om zeer ernstige strafbare feiten, namelijk een reeks aanslagen met mortierbommen (shells) op de woningen van (ex)werknemers van [A] , gepleegd in de nachtelijke uren terwijl de bewoners veelal in de woning verbleven. Ondanks dat een aantal verdachten in voorlopige hechtenis zat, bleven de aanslagen doorgaan en werd aangekondigd dat de aanslagen in ernst zouden toenemen. Dat gebeurde ook daadwerkelijk, zoals al blijkt uit de aanslag in Hedel op 25 november 2020 waar een woning volledig afbrandde en de bewoners ternauwernood nog uit de woning konden komen. Na deze aanslag heeft de politie in december 2020 nog twee aanslagen in [plaats] verijdeld. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de bijzondere ernst van de aanhoudende en steeds gewelddadigere aanslagen de toepassing van de betreffende opsporingsbevoegdheid, mede gezien de omstandigheid dat andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet meer voorhanden waren.
De verklaringsvrijheid
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verklaring van [getuige 1] niet in strijd met de verklaringsvrijheid is verkregen. Daarbij wordt voorop gesteld dat voor de beantwoording van deze vraag van belang is of het hof inzicht heeft gekregen in het concrete verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode en de interactie met [getuige 1] die daarbij heeft plaatsgevonden. Zoals hiervoor is vermeld is daarvoor een voldoende nauwkeurige verslaglegging van belang. De verslaglegging dient een voldoende nauwkeurige weergave van de communicatie met [getuige 1] te omvatten. Naast verslaglegging door middel van verbalisering ligt het bij een WOD-traject in de rede dat, voor zover dat bij de uitvoering van het opsporingstraject mogelijk is, communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd.
Het hof stelt vast dat de communicatie tijdens de WOD-actie niet auditief of audiovisueel is geregistreerd. Zoals ook is aangevoerd door de verdediging, valt het voor het hof niet goed in te zien waarom dit niet is gebeurd. Die vorm van registratie maakt namelijk de controle op de inzet van het bijzondere en vergaande opsporingsmiddel veel beter mogelijk. Het hof is zich ervan bewust dat een auditieve of audiovisuele registratie van de communicatie tussen de betrokken opsporingsambtenaren en verdachte geen vereiste is om tot de rechtmatigheid van een dergelijk traject te kunnen concluderen, maar ziet zich dan wel voor de vraag gesteld of op een andere wijze voldoende kan worden vastgesteld hoe de WOD-actie is uitgevoerd.
In het dossier zitten verschillende processen-verbaal die in het kader van die WOD-actie zijn opgesteld. Het gaat om op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de bij de WOD-actie van 29 december 2020 betrokken opsporingsambtenaren en de verklaringen die zij als getuigen bij de rechter-commissaris en later bij de raadsheer-commissaris over deze inzet hebben afgelegd, als ook om de verklaringen die door [getuige 1] zijn afgelegd. Deze verklaringen, ook die van de WOD-ers onderling, verschillen inhoudelijk echter over de wijze waarop de WOD-actie is uitgevoerd, de mate van druk die op [getuige 1] is uitgeoefend en over hetgeen tijdens deze actie is besproken.
In het licht van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat in dit geval onvoldoende controleerbaar is of [getuige 1] in zijn verklaringsvrijheid is aangetast, volgens het door de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader (waarbij onder meer van belang is hoe het verloop van het opsporingstraject is gegaan en wat de mate van druk is geweest die in het traject op een verdachte is uitgeoefend). Door het ontbreken van een auditieve of audiovisuele opname in combinatie met het feit dat er aanwijzingen zijn dat de verslaglegging van de busverklaring ook niet zonder meer toereikend is geweest, is het voor het hof onvoldoende controleerbaar hoe die verklaring van [getuige 1] tot stand is gekomen en welke precieze mate van druk op hem is uitgeoefend. Daarmee heeft het hof onvoldoende inzicht gekregen in de uitvoering van de WOD-actie. Het hof acht in dit verband sprake van een vormverzuim.
Rechtsgevolg
Volgens de Hoge Raad hoeft in de te berechten zaak, in dit geval de zaak van [verdachte] , in de regel geen rechtsgevolg te worden verbonden aan een verzuim als het niet verdachte is die door het verzuim bij de toepassing van de bevoegdheid van het stelselmatig inwinnen van informatie is getroffen. Het gaat namelijk om het beroep op de verklaringsvrijheid van de persoon die benaderd en 'gehoord' wordt, in dit geval [getuige 1] , en niet om de vraag of de WOD-actie tegen [verdachte] gericht was. De Hoge Raad overweegt in het aangehaalde arrest dat het gebruik van de betreffende verklaring, in dit geval de busverklaring van [getuige 1] , in een dergelijk geval ook niet in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is, mits de bruikbaarheid voor het bewijs van de betreffende verklaring - in het bijzonder de betrouwbaarheid en de accuraatheid daarvan - door de verdediging kan worden betwist en door de rechter kan worden onderzocht. Er is grond voor bewijsuitsluiting als vast komt te staan dat zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van de verklaring wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust de bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt.
Tussenconclusie WOD-actie
Het hof is gelet op het bovenstaande van oordeel dat (de inzet van) de WOD-actie onvoldoende controleerbaar is en dat de bruikbaarheid voor het bewijs van de busverklaring van [getuige 1] onvoldoende kan worden onderzocht en betwist. In het verlengde hiervan acht het hof de busverklaring van [getuige 1] niet bruikbaar voor het bewijs. Het hof zal de door [getuige 1] op 29 december 2020 afgelegde verklaring dan ook niet gebruiken.
Anders is het oordeel van het hof als het gaat om de door [getuige 1] als getuige (5 en 7 januari 2021) en als verdachte (23, 24 en 25 februari 2021) afgelegde verklaringen. Het hof heeft geen aanwijzingen dat daarbij tegenover [getuige 1] op zodanige wijze is gehandeld of zodanige dingen zijn gezegd dat een beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen die [getuige 1] na zijn busverklaring heeft afgelegd niet meer mogelijk is.
Horen van [getuige 1] als getuige
Het hof is van oordeel dat, zoals de verdediging ook heeft aangevoerd, [getuige 1] op 5 en 7 januari 2021 ten onrechte als getuige en niet als verdachte is verhoord. [getuige 1] had op 29 december 2020 zijn betrokkenheid bij meerdere aanslagen erkend. Daarmee was vanaf dat moment sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Dat maakt dat hij vanaf dat moment als verdachte had moeten worden verhoord en op zijn rechten als verdachte (cautie en recht op consultatie- en verhoorbijstand van een advocaat) had moeten worden gewezen. Nu dat niet is gebeurd, levert dat weliswaar in de zaak van [getuige 1] een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv, maar hieraan verbindt het hof in de zaak van verdachte geen consequenties. Enerzijds gelet op de Schutznorm en anderzijds omdat er geen wezenlijke verschillen zijn tussen de verklaringen die [getuige 1] als getuige en de verklaringen die hij als verdachte in het bijzijn van zijn raadsman heeft afgelegd. Het verweer wordt daarom verworpen.
Eindconclusie
Met inachtneming van al het voorgaande komt het hof tot de eindconclusie dat de door [getuige 1] afgelegde verklaringen als getuige en als verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt en dat het hof ten aanzien van de busverklaring van oordeel is dat aan de verslaglegging van de totstandkoming daarvan zodanige gebreken kleven dat het hof die verklaring niet zal gebruiken.”
4.4
Het hof heeft aldus geoordeeld dat (alleen) de verklaring van [getuige 1] die is afgelegd in het WOD-traject (aangeduid als de ‘busverklaring’) niet bruikbaar is voor het bewijs. De reden hiervoor is dat dit gebruik in strijd zou zijn met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de betrouwbaarheid en de accuraatheid van de verklaring niet door de verdediging kan worden betwist en door de rechter kan worden onderzocht. Dit vervolgens vanwege het ontbreken van een auditieve of audiovisuele opname in combinatie met het feit dat er aanwijzingen zijn dat de verslaglegging van de busverklaring ook niet zonder meer toereikend is geweest.
4.5
De later door [getuige 1] afgelegde verklaringen in zijn hoedanigheid als getuige en als verdachte kunnen volgens het hof daarentegen wel voor het bewijs worden gebruikt. Dit ondanks een door het hof vastgesteld vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, dat eruit bestaat dat [getuige 1] bij zijn verhoor als getuige ten onrechte niet op zijn rechten als verdachte is gewezen, terwijl hij op dat moment als verdachte had moeten worden verhoord. Volgens het hof vindt dit zijn rechtvaardiging in de
Schutznormen de omstandigheid er geen wezenlijke verschillen zijn tussen de verklaringen die [getuige 1] als getuige en de verklaringen die hij als verdachte in het bijzijn van zijn raadsman heeft afgelegd.
4.6
De eerste deelklacht keert zich tegen de verwerping van het art. 359a Sv-verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [getuige 1] die hij als verdachte en als getuige heeft afgelegd.
4.7
Art. 359a Sv luidt:

1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;
b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;
c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
2. Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
3. Het vonnis bevat de beslissingen vermeld in het eerste lid. Deze zijn met redenen omkleed.”
4.8
Op grond van het eerste lid van art. 359a Sv kunnen rechtsgevolgen worden verbonden aan onherstelbare vormverzuimen die ‘bij het voorbereidend onderzoek’ zijn begaan. Op grond van artikel 132 Sv Pro moet onder ‘het voorbereidende onderzoek’ worden verstaan: het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. [2] Daarnaast heeft ‘het voorbereidend onderzoek’ in artikel 359a Sv uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Artikel 359a Sv ziet dus niet op de situatie waarin het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek, bijvoorbeeld als het vormverzuim is begaan in het voorbereidend onderzoek inzake een ander dan het aan de verdachte tenlastegelegde feit. [3]
4.9
Uit onder meer het zogenoemde ‘afvoerpijp-arrest’ van de Hoge Raad van 30 maart 2004 [4] volgt dat indien eenmaal is vastgesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat bij het voorbereidend onderzoek
tegen de verdachteis begaan en het rechtsgevolg daarvan niet uit de wet blijkt, de rechter moet beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in art. 359a lid 2 Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak ‘ als regel’ geen rechtsgevolg behoeven te worden verbonden aan het verzuim. [5]
4.1
In een zaak waarin de verklaring van een medeverdachte was gebruikt als bewijsmiddel, terwijl die medeverdachte voorafgaand aan het afleggen van die verklaringen geen gelegenheid heeft gehad tot overleg met een raadsman, overwoog de Hoge Raad als volgt: [6]
“3.3. In HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349 is geoordeeld dat indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, zulks in beginsel een vormverzuim oplevert als bedoeld in art. 359a Sv dat in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.
Deze regel, die strekt tot bescherming van het in art. 6, eerste lid, EVRM besloten liggende recht van de verdachte op een eerlijk proces en in het bijzonder tot bescherming van diens recht om niet aan zijn eigen veroordeling te hoeven meewerken, is gelet op die ratio beperkt tot de verklaring die de verdachte in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd en strekt zich niet uit tot verklaringen van bijvoorbeeld medeverdachten.
Ten aanzien van een eventuele inbreuk op het evenbedoelde recht van een medeverdachte geldt het in HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376, rov. 3.5 verwoorde uitgangspunt: indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, zal in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg behoeven te worden verbonden aan het verzuim.”
4.11
Uit het hiervoor opgenomen arrest volgt dat een schending van het recht op verhoorbijstand in een zaak tegen een medeverdachte, niet maakt dat hierdoor die verklaring van de medeverdachte niet in de zaak tegen de verdachte kan worden gebruikt. Anders gezegd: schending van het recht op verhoorbijstand kent geen ‘derdenwerking’. In deze gevallen geldt volgens de Hoge Raad onverkort dat het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, en daarom in de te berechten zaak ‘ als regel’ geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan het verzuim.
4.12
Ik meen dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen twee situaties waarin een verdachte zich niet met succes kan beroepen op een vormverzuim. Allereerst is er de situatie dat het vormverzuim niet is begaan 'in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem tenlastegelegde feit’ en dat dat de reden is dat niet toegekomen wordt aan verdere vragen van art 359a Sv. Ten tweede is er de situatie dat het vormverzuim wel is begaan in het onderzoek tegen de verdachte, maar de belangen van de verdachte niet worden beschermd door de overtreden norm, zodat het vormverzuim niet tot enig rechtsgevolg leidt.
4.13
Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van de situatie dat het vormverzuim wel is begaan in het onderzoek tegen de verdachte, maar dat de belangen van de verdachte niet worden beschermd door de overtreden norm, zodat het vormverzuim niet tot enig rechtsgevolg leidt (
Schutznorm). De stellers van het middel menen met een beroep op het arrest
Ömer Güner tegen Turkijedat die Schutznorm gerelativeerd dient te worden in deze zaak.
4.14
In de zaak
Ömer Güner tegen Turkijestonden de volgende feiten centraal. De verdachte werd op verdenking van deelname aan een terroristische organisatie opgepakt en verschillende malen verhoord zonder advocaat. Ook werd zijn medeverdachte opgepakt en werden door hem verklaringen afgelegd. De verdachte klaagde bij het EHRM dat de verklaringen van zijn medeverdachte onder druk en in afwezigheid van een advocaat waren afgelegd en deel uitmaakte van het bewijs in zijn strafzaak. Het EHRM overwoog met betrekking tot de claim dat de verklaringen van de medeverdachte waren afgelegd onder druk en in afwezigheid van een raadsman dat het al heeft overwogen dat het niet heeft kunnen vaststellen of de medeverdachte inderdaad onderworpen is geweest aan foltering. Wel overwoog het dat de medeverdachte verklaringen had afgelegd die de verdachte raakte, terwijl de Turkse rechter geen onderzoek heeft gedaan naar hun bruikbaarheid. Dat lijkt de reden te zijn dat het EHRM een schending van art. 6 EVRM Pro constateerde. Daaraan deed niet af dat de verdachte in feitelijke aanleg niet heeft geprotesteerd tegen het gebruik van die verklaringen, aangezien het hof nimmer gereageerd heeft op de bewijsuitsluitingsverweren in de zaak van de medeverdachte en dat daarom:
“[…] the Court considers that the Government have failed to demonstrate how an objection of the same kind by the applicant would have had a different outcome in the same trial and in respect of the same type of evidence, specifically Mehmet Desde’s statements taken in the absence of a lawyer, which formed part of the evidence against the applicant.
Accordingly, the Court finds that the procedural safeguards provided for in Turkish law did not operate in the present case to prevent the use of the statements obtained in the absence of a lawyer.”
4.15
Zoals gezegd, heeft het hof geoordeeld dat het vormverzuim wel is begaan in het onderzoek tegen de verdachte, maar dat de belangen van de verdachte niet worden beschermd door de overtreden norm, zodat het vormverzuim niet tot enig rechtsgevolg leidt. Dit oordeel getuigt gelet op hetgeen ik onder 4.8 tot en met 4.11 heb vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
4.16
Naar mijn oordeel brengt het door de stellers van het middel aangehaalde arrest van het EHRM niet met zich dat het hof in deze zaak de Schutznorm had moeten relativeren. Uit dit arrest kan slechts blijken dat de rechter ten overstaan van wie een beroep wordt gedaan op de onbruikbaarheid van een verklaring in een strafzaak tegen de verdachte, gehouden is die onbruikbaarheid te onderzoeken.
4.17
Anders dan de stellers van het middel meen ik verder dat het hof niet heeft geoordeeld dat een verdachte zich ‘nimmer’ kan beroepen op een jegens een ander begaan vormverzuim, doch dat de verdachte zich ‘in de te berechten zaak, in dit geval de zaak van verdachte’ niet kan beroepen op een jegens [getuige 1] begaan vormverzuim. De klacht mist dan ook feitelijke grondslag.
4.18
Het hof heeft verder met zijn overweging dat er geen wezenlijke verschillen zijn tussen de verklaringen die [getuige 1] als getuige heeft afgelegd en de verklaringen die hij als verdachte in het bijzijn van zijn raadsman heeft afgelegd, naar mijn mening tot uitdrukking willen brengen dat de getuige ook voorzien van bijstand gelijkluidend heeft verklaard en dat de afwezigheid van een raadsman bij het verhoor van [getuige 1] als getuige niet tot het oordeel leidt dat zijn verklaring als onbetrouwbaar moet worden bestempeld. Dit deels feitelijke oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk.
4.19
De eerste deelklacht faalt in al zijn onderdelen.
Deelklachten b en c: het gebruik van verklaringen van [getuige 1] voor het bewijs en art. 6 EVRM Pro
4.2
De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 1] uitgesloten dienen te worden van het bewijs, nu een eventuele bewezenverklaring in beslissende mate steunt op zijn verklaringen en de verdediging geen effectieve gelegenheid heeft gehad [getuige 1] te ondervragen, waardoor het bezigen van zijn verklaring tot het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
4.21
Het hof heeft in dit verband overwogen (met weglating van voetnoten):

2.2. Verklaringen van [getuige 1] in het licht van de Vidgen-jurisprudentie
Verweren van de verdediging
De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat een eventuele bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaringen van [getuige 1] , maar dat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest hem te ondervragen. Daarbij is er door de verdediging op gewezen dat een goede reden ontbreekt voor het niet (nogmaals) bieden van het ondervragingsrecht en dat factoren ontbreken die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De verklaringen van [getuige 1] kunnen volgens de verdediging om deze redenen niet voor het bewijs worden gebruikt zonder het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces te schenden.
[…]
Verklaringen van [getuige 1]
Het hof stelt vast dat [getuige 1] op verschillende momenten door de politie is verhoord: als getuige en als verdachte. Deze verklaringen zijn belastend voor verdachte. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is het verzoek van de verdediging toegewezen om [getuige 1] bij de rechter-commissaris/raadsheer-commissaris als getuige te laten horen. In eerste aanleg heeft [getuige 1] één vraag willen beantwoorden en zich daarna op zijn verschoningsrecht beroepen en in hoger beroep heeft [getuige 1] zich vanaf het begin van het verhoor op zijn verschoningsrecht beroepen. Dit betekent dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, tot op heden geen reële en effectieve gelegenheid heeft gehad om de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] te toetsen.
Anders dan de verdediging, is het hof - zoals hieronder nader wordt onderbouwd - van oordeel dat het ontbreken van een effectieve ondervragingsgelegenheid in deze zaak niet meebrengt dat de voor verdachte belastende verklaringen van [getuige 1] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt zonder het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces te schenden. Ook niet wanneer ten aanzien van bepaalde feiten zou moeten worden geoordeeld dat een bewezenverklaring in beslissende mate zou steunen op de verklaringen van [getuige 1] . Gelet op het onder 2.1 overwogene gaat het hier overigens alleen om de als getuige (5 en 7 januari 2021) en de als verdachte (23, 24 en 25 februari 2021) afgelegde verklaringen van [getuige 1] .
Wettelijk kader
De Hoge Raad heeft in 2013:BX5539 bepaald dat uit beslissingen van het EHRM (onder meer) kan worden afgeleid dat ingeval een getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen en op grond van objectieve gegevens in rechte komt vast te staan dat deze weigering het gevolg is van een ernstige bedreiging door of van de zijde van verdachte, verdachte het recht om deze getuige (nader) te (doen) horen heeft prijs gegeven. Daarnaast heeft de Hoge Raad in 2021:1418 overwogen en in 2022:86 herhaald, dat voor de beoordeling of in het geval van het ontbreken van een effectieve ondervragingsgelegenheid met het gebruik van een getuigenverklaring wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie, een belangrijke beoordelingsfactor is. Daarnaast is ook de mogelijke aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren van belang voor de beoordeling, waarbij de verschillende beoordelingsfactoren in onderling verband dienen te worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het - wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt - des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid en dat er in dat geval compenserende factoren zijn.
Toetsingskader
Het gaat er hier dus om dat het kan zijn dat een verdachte het recht om een getuige (nader) te (doen) horen, heeft prijs gegeven ingeval een getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen als op grond van objectieve gegevens in rechte komt vast te staan dat deze weigering het gevolg is van een ernstige bedreiging door of van de zijde van verdachte. Daarnaast gaat het er om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige - kort na de gebeurtenissen waar het om gaat - zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden kunnen bevestigen waarop de getuigenverklaring ziet. Van belang kunnen ook zijn verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van liet verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
Overwegingen van het hof
Het hof overweegt in het licht van het voorgaande het volgende.
(i) Er is inbreuk gemaakt op het ondervragingsrecht van de verdediging doordat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om [getuige 1] op een behoorlijke en effectieve wijze te ondervragen. [getuige 1] heeft zich bij het verhoor bij de rechter- en raadsheer-commissaris vrijwel geheel beroepen op zijn verschoningsrecht en ter terechtzitting in zijn eigen strafzaak aangegeven dat bij een eventueel nieuw verhoor opnieuw te zullen doen vanwege de bedreigingen richting hem en zijn familie zoals die vanaf 18 april 2021 bestaan. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat verdachte direct of indirect achter het op 18 april 2021 aan de moeder van [getuige 1] verstuurde dreigbericht zit. In dat bericht wordt onder meer gesproken over “de advocaten van alle verdachten”, wat een dreiging impliceert ook uit de richting van verdachte. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] verklaard dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat die jongen (het hof begrijpt: [getuige 1] ) de verklaringen ingetrokken had. Dat de dreiging nog steeds reëel is maakt het hof ook op uit het proces-verbaal verhoor [getuige 1] van 9 februari 2024, waar de raadsheer-commissaris op grond van het bepaalde in artikel 190 lid 3 Sv Pro de personalia van [getuige 1] niet heeft opgenomen in het proces-verbaal. Het hof is dan ook van oordeel dat daarmee voldoende vast staat dat de bedreigingen, die [getuige 1] ervan weerhouden te willen verklaren, door of vanuit de zijde van verdachte komen. Reeds daarom is het hof van oordeel dat verdachte zijn recht op het opnieuw horen van [getuige 1] heeft prijsgegeven.
(ii) Uit de regels die voortvloeien uit de Vidgen-jurisprudentie en de jurisprudentie van de Hoge Raad komt naar voren dat het gebruik van een in het vooronderzoek afgelegde verklaring afkomstig van een niet-ondervraagde getuige onverenigbaar is met artikel 6 lid 3 EVRM Pro indien die verklaring niet wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dat betrekking heeft op de door verdachte betwiste onderdelen van de belastende verklaring. Naar het oordeel van het hof is het gewicht van de verklaringen van [getuige 1] , binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit niet dusdanig groot dat die verklaringen van [getuige 1] aan te merken zijn als ‘sole or decisive'. Het hof overweegt hieromtrent dat de verklaringen van [getuige 1] steun vinden in verschillende objectieve gegevens, waaronder de ANPR-gegevens van de bewegingen van auto's zoals bijvoorbeeld die van [getuige 1] zelf, maar ook van de auto van [naam 1] in de zaak [plaats] , de locatiegegevens van telefoons van medeverdachten, verklaringen van derden en de vastgestelde betrokkenheid van medeverdachten. Bovendien, zoals hieronder in de bewijsoverwegingen aan de orde zal komen, is er in de afzonderlijke onderzoeken ander bewijs aanwezig op basis waarvan het hof later zal oordelen dat verdachte de opdrachtgever is geweest van de aanslagen.
Desalniettemin moet het hof bezien of sprake is van voldoende compenserende factoren om het recht op een eerlijk proces te kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van het hof bestaan de volgende compenserende factoren:
- het proces-verbaal van bevindingen over de WOD-actie opgemaakt door de A- en B- nummers, waarbij schriftelijk is gereageerd op de vragen van de raadslieden;
- de processen-verbaal opgemaakt door de officier van justitie en de rechercheofficier van justitie over de WOD-actie;
- de verhoren bij de rechter-commissaris van alle politiemensen die bij de WOD-actie betrokken zijn geweest (A-nummers, B-nummers en OT-nummers);
- de verhoren bij de raadsheer-commissaris van vier politiemensen die bij de WOD-actie betrokken zijn geweest (A-nummers);
- de verhoren van [getuige 1] als getuige zijn auditief vastgelegd en konden door de verdediging worden beluisterd;
- de verhoren van medeverdachten bij de rechter- en raadsheer-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige;
- de verhoren bij de rechter-commissaris van getuigen die voor verdachte belastend hebben verklaard bij de politie (zoals [naam 1] en [naam 2] );
- prof. dr. [deskundige] is op verzoek van de verdediging als deskundige benoemd en heeft een rapport over de totstandkoming en validiteit van de verklaringen van [getuige 1] opgemaakt;
- de rechtbank heeft ambtshalve een verkort proces-verbaal opgemaakt met daarin de zaaksgerelateerde verklaring van [getuige 1] zoals hij deze ter terechtzitting heeft afgelegd en deze ambtshalve aan het dossier van verdachte toegevoegd;
- naar aanleiding van die verklaring heeft de rechtbank prof. dr. [deskundige] aanvullend laten rapporteren waarbij ook enkele raadslieden aanvullende vragen hebben ingediend, die vervolgens zijn beantwoord, waarna deze aanvullende rapportage ambtshalve aan het dossier van verdachte is toegevoegd;
- de verdediging heeft de mogelijkheid gehad om prof. dr. [deskundige] ter terechtzitting als deskundige (nader) te bevragen en daarvan gebruik gemaakt;
- het hof heeft op verzoek van de verdediging een verkort proces-verbaal opgemaakt met daarin de zaaksgerelateerde verklaring van [getuige 1] zoals hij deze ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, deze aan de verdediging verstrekt en de verdediging de gelegenheid gegeven om zich daarover uit te laten ter terechtzitting en
- het feit dat de rechtbank ambtshalve heeft beslist dat alle raadslieden bij alle getuigenverhoren door de rechter-commissaris aanwezig konden zijn, ook als zij daar niet zelf om hadden verzocht, geldt als extra procedurele waarborg.
Wanneer al de hiervoor genoemde beoordelingsfactoren (de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, het gewicht van de verklaringen en het bestaan van compenserende factoren) in onderling verband worden bezien, komt het hof tot de slotsom dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen reële en effectieve ondervragingsmogelijkheid ten aanzien van [getuige 1] heeft gehad, niet eraan in de weg staat dat zijn verklaringen bij de politie afgelegd als getuige en als verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Conclusie
Het hof is van oordeel dat deze verklaringen van [getuige 1] voor het bewijs kunnen worden gebruikt zonder dat het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces is geschonden.”
4.22
De tweede deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat
i)de verdachte zijn recht op het (opnieuw) horen van [getuige 1] heeft prijsgegeven,
ii)diens verklaring, niettegenstaande het feit dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [getuige 1] te horen, als bewijsmiddel kan worden gebezigd en
iii)de procedure in zijn geheel desondanks voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. De derde deelklacht bevat de klacht dat het hof, zonder daartoe (genoegzaam) de redenen op te geven, is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging met de strekking dat het bezigen tot bewijs van de verklaringen van [getuige 1] meebrengt dat de procedure in haar geheel in zoverre niet voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Beide deelklachten zal ik tezamen bespreken.
4.23
In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat verklaringen van de getuige en tevens medeverdachte [getuige 1] voor het bewijs kunnen worden gebruikt. [getuige 1] is vijfmaal ondervraagd door de politie, namelijk op 5 en 7 januari 2021 ( als getuige) en op 23, 24 en 25 februari 2021 ( als verdachte). Daarna is hij, naar aanleiding van verzoeken van de verdediging, bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris gehoord. Bij de rechter-commissaris heeft hij één vraag willen beantwoorden en zich daarna op zijn verschoningsrecht beroepen en bij de raadsheer-commissaris heeft hij zich vanaf het begin van het verhoor op zijn verschoningsrecht beroepen. In zijn eigen strafzaak heeft hij aangegeven dat hij dat bij een eventueel nieuw verhoor opnieuw zal doen vanwege de dreiging richting hem en zijn familie die vanaf 18 april 2021 bestaat.
4.24
Op grond van art. 6 lid 1 onder Pro d EVRM heeft de verdediging het recht om getuigen te ondervragen. Indien een getuige weigert vragen te beantwoorden tijdens zijn verhoor is, zoals het hof terecht heeft overwogen, van een reële en effectieve mogelijkheid om de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige te toetsen, geen sprake geweest. [7] In een dergelijk geval heeft de verdediging niet het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen. Dit brengt echter niet mee dat het gebruik van een dergelijke verklaring voor het bewijs zonder meer strijdig is met art. 6 EVRM Pro.
4.25
Om te beoordelen of in zo’n geval – het geval waarin de verdediging niet zijn ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen – de verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd, heeft het EHRM een driestappentoets ontworpen. In de eerste plaats wordt getoetst of een goede reden bestaat voor het niet hebben kunnen ondervragen van de getuige. Als inderdaad sprake is van een goede reden wordt getoetst of de verklaring van de niet effectief ondervraagde getuige
sole or decisiveof van
significant weightis voor het bewijs. Is dat het geval dan is het gebruik enkel toegestaan als er voldoende
counterbalancing factorsaanwezig zijn die het ontbreken van de mogelijkheid tot effectieve ondervraging compenseren. [8] Bij de beoordeling van de vraag of het proces in zijn geheel eerlijk is geweest, bestaat een verband tussen het gewicht die de verklaring van de niet-ondervraagde getuige inneemt in de bewijsconstructie en de mate waarin compenserende factoren aanwezig dienen te zijn. [9]
4.26
De hiervoor genoemde driestappentoets is verbonden met het ondervragingsrecht en behoeft dan ook enkel te worden doorlopen als van dat ondervragingsrecht geen afstand is gedaan. Afstand kan naast expliciet ook impliciet worden gedaan. Het EHRM overwoog in de zaak Al -Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk [10] daaromtrent onder meer (onderstreping D.P.):
“122. Absence owing to fear calls for closer examination. A distinction must be drawn between two types of fear: fear which is attributable to threats or other actions of the defendant or those acting on his or her behalf and fear which is attributable to a more general fear of what will happen if the witness gives evidence at trial.
123. When a witness’s fear is attributable to the defendant or those acting on his behalf, it is appropriate to allow the evidence of that witness to be introduced at trialwithout the need for the witness to give live evidence or be examined by the defendant or his representatives– even if such evidence was the sole or decisive evidence against the defendant. To allow the defendant to benefit from the fear he has engendered in witnesses would be incompatible with the rights of victims and witnesses. No court could be expected to allow the integrity of its proceedings to be subverted in this way.Consequently, a defendant who has acted in this manner must be taken to have waived his rights to question such witnesses under Article 6 § 3 (d).The same conclusion must apply when the threats or actions which lead to the witness being afraid to testify come from those who act on behalf of the defendant or with his knowledge and approval.
In the Horncastle and others case the Supreme Court observed that it was notoriously difficult for any court to be certain that a defendant had threatened a witness. The Court does not underestimate the difficulties which may arise in determining whether, in a particular case, a defendant or his associates have been responsible for threatening or directly inducing fear in a witness. However, the Tahery case shows that, with the benefit of an effective inquiry, such difficulties are not insuperable.”
4.27
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van dit arrest onder meer geoordeeld dat in geval een getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen en op grond van objectieve gegevens in rechte komt vast te staan dat deze weigering het gevolg is van een ernstige bedreiging door of van de zijde van de verdachte, de verdachte het recht om deze getuige (nader) te (doen) horen heeft prijs gegeven. [11]
4.28
Uit hetgeen ik onder de randnummers 4.26 en 4.27 heb vermeld, leid ik af dat een verdachte die een getuige bedreigt, geacht moet worden afstand te hebben gedaan van zijn ondervragingsrecht. [12] Die bedreiging moet evenwel op grond van objectieve gegevens in rechte komen vast te staan, naar aanleiding van een adequaat onderzoek door de feitenrechter. [13]
4.29
Het hof heeft vastgesteld dat inbreuk is gemaakt op het ondervragingsrecht van de verdediging doordat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om [getuige 1] op een behoorlijke en effectieve wijze te ondervragen, nu deze getuige zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen vanwege bedreigingen richting hem en zijn familie zoals die vanaf 18 april 2021 bestaan. Het hof heeft verder geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat verdachte direct of indirect achter het op 18 april 2021 aan de moeder van [getuige 1] verstuurde dreigbericht zit. Aan dat oordeel heeft het hof ten grondslag gelegd dat in dat bericht onder meer gesproken wordt over “de advocaten van alle verdachten”, wat een dreiging impliceert ook uit de richting van verdachte, [14] alsmede dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat [getuige 1] de verklaringen ingetrokken had. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat daarmee voldoende vast staat dat de bedreigingen, die [getuige 1] ervan weerhouden te willen verklaren, door of vanuit de zijde van verdachte komen en de verdachte zijn recht op het opnieuw horen van [getuige 1] heeft prijsgegeven.
4.3
De stellers van het middel klagen in de tweede deelklacht in de eerste plaats over het oordeel van het hof dat de [getuige 1] is weerhouden een verklaring af te leggen door een bedreiging ‘(ook) uit de richting van verdachte’. Dat oordeel zou niet begrijpelijk zijn omdat uit het arrest niets blijkt over de (concrete) inhoud van dat dreigbericht.
4.31
Allereerst merk ik op dat het hof in zijn arrest niet alleen heeft vastgesteld dat in het dreigbericht onder meer wordt gesproken over “de advocaten van alle verdachten”, maar ook – aan de hand van een verklaring van [getuige 1] – dat een dreig-sms is verstuurd naar de moeder van de getuige met een ultimatum aan de getuige om zijn verklaringen in te trekken, omdat anders zijn leven een hel zou worden, waarna de getuige zijn proceshouding daadwerkelijk heeft aangepast en heeft geweigerd vragen te beantwoorden. [15] Op basis van de in randnummer 4.29 weergegeven vaststellingen heeft het hof verder tot het niet onbegrijpelijke oordeel kunnen komen dat voldoende vast staat dat de bedreigingen, die [getuige 1] ervan weerhouden te willen verklaren, door of vanuit de zijde van verdachte komen en de verdachte zijn recht op het opnieuw horen van [getuige 1] heeft prijsgegeven. In het bijzonder nu het aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte ervoor gezorgd heeft dat [getuige 1] de verklaring ingetrokken had.
4.32
Hoewel de in het middel opgenomen deelklachten – die betrekking hebben op het oordeel van het hof dat er (kortgezegd) door verschillende factoren compensatie is geboden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige – gelet op het vorenstaande gericht zijn tegen overwegingen ten overvloede, wijs ik erop dat het hof aanleiding heeft gezien om uiteen te zetten dat de verklaringen van [getuige 1] niet ‘
sole and decisive’ zijn voor de bewezenverklaring en is uiteengezet welke compenserende maatregelen er bestaan.
4.33
Ik roep in herinnering dat indien de rechter – onder normale omstandigheden, dus zonder voorafgaande bedreiging door of namens de verdediging – gebruik wil maken van een verklaring van een getuige ten aanzien van wie het ondervragingsrecht niet geëffectueerd heeft kunnen worden, de ‘driestappentoets’ van het EHRM moet worden doorlopen die (kortgezegd) inhoudt of een goede reden bestaat voor het niet hebben kunnen ondervragen van de getuige, of de verklaring van de niet effectief ondervraagde getuige
sole or decisiveof van
significant weightis voor het bewijs en of er voldoende
counterbalancing factorsaanwezig zijn die het ontbreken van de mogelijkheid tot effectieve ondervraging compenseren. [16]
4.34
Met betrekking tot de vraag naar het gewicht van de verklaring van de getuige geldt dat het EHRM in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland [17] overwoog:
“123. As regards the question whether the evidence of the absent witness whose statements were admitted in evidence was the sole or decisive basis for the defendant’s conviction (second step of the Al -Khawaja and Tahery test), the Court reiterates that “sole” evidence is to be understood as the only evidence against the accused (see Al -Khawaja and Tahery, cited above, § 131). “Decisive” evidence should be narrowly interpreted as indicating evidence of such significance or importance as is likely to be determinative of the outcome of the case. Where the untested evidence of a witness is supported by other corroborative evidence, the assessment of whether it is decisive will depend on the strength of the supporting evidence; the stronger the corroborative evidence, the less likely that the evidence of the absent witness will be treated as decisive (ibid.).”
4.35
Met betrekking tot de vraag of er voldoende compenserende factoren aanwezig zijn voor het uitblijven van een effectieve ondervragingsmogelijkheid wijs ik op Snijders tegen Nederland [18] waarin het EHRM heeft overwogen:

75. The Court found the following elements of relevance in the assessment of the adequacy of counterbalancing factors: the trial court’s approach to the untested evidence; the availability and strength of corroborative evidence supporting the untested witness statements; and the procedural measures taken to compensate for the lack of opportunity to directly cross-examine the witness at the trial (see paragraph 63 above).
76. In this connection, the Court has held that the question whether there were sufficient counterbalancing factors is closely related to the evidentiary weight of the statements of an untested witness, which is, in turn, inversely related to the evidentiary weight of other items of evidence. In other words, the more important the remaining evidence, the less evidentiary weight is attributed to the statements of an untested witness and, in turn, the less weight the counterbalancing factors would have to carry in order for the proceedings as a whole to be considered fair (see, mutatis mutandis, AlKhawaja and Tahery, §§ 131 and 139; Schatschaschwili, §§ 116 and 123; and, more recently, Asani, §§ 34 under item (vi) and 35, all cited above).
4.36
Het hof heeft overwogen dat het gebruik van een in het vooronderzoek afgelegde verklaring afkomstig van een niet-ondervraagde getuige onverenigbaar is met artikel 6 lid 3 EVRM Pro indien die verklaring niet wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dat betrekking heeft op de door verdachte betwiste onderdelen van de belastende verklaring. In dat verband heeft het hof geoordeeld dat het gewicht van de verklaringen van [getuige 1] , binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit niet dusdanig groot is dat die verklaringen van [getuige 1] aan te merken zijn als ‘sole or decisive'. Daartoe heeft het hof overwogen dat de verklaringen van [getuige 1] steun vinden in verschillende objectieve gegevens, waaronder de ANPR-gegevens van de bewegingen van auto's zoals bijvoorbeeld die van [getuige 1] zelf, maar ook van de auto van [naam 1] in de zaak [plaats] , de locatiegegevens van telefoons van medeverdachten, verklaringen van derden en de vastgestelde betrokkenheid van medeverdachten. Tot slot heeft het hof overwogen dat er in de afzonderlijke onderzoeken ander bewijs aanwezig op basis waarvan het hof later zal oordelen dat verdachte de opdrachtgever is geweest van de aanslagen.
4.37
Het hof heeft hierna aangegeven waaruit de compenserende maatregelen bestaan. In het bijzonder wijs ik in dit verband op:
- het feit dat de verhoren van [getuige 1] als getuige auditief zijn vastgelegd en dat de verdediging deze mocht beluisteren; [19]
- het op verzoek van de verdediging inschakelen van een deskundige die een rapport heeft opgesteld over de totstandkoming en validiteit van de verklaringen van de getuige; [20]
- het naar aanleiding van de verklaringen van [getuige 1] die hij ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd ambtshalve opstellen en toevoegen aan het dossier van een proces-verbaal met de zaakgerelateerde weergave hiervan door de rechtbank en het naar aanleiding van deze verklaring laten opstellen van een aanvullend rapport door de deskundige (waarbij enkele raadslieden aanvullende vragen hebben ingediend, die vervolgens zijn beantwoord) welke rapportage ook ambtshalve aan het dossier is toegevoegd;
- het ter terechtzitting in hoger beroep horen van de voornoemde deskundige; [21]
- het op verzoek van de verdediging door het hof opmaken van een verkort proces-verbaal van de verklaringen die de getuige ter terechtzitting in hoger beroep in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd en het verstrekken hiervan aan de verdediging en het in de gelegenheid stellen van de verdediging om zich hierover uit te laten;
- het verhoren van de politiemensen die bij de WOD-actie waarbij de getuige voor het eerst is benaderd, was betrokken.
4.38
Ik begrijp de stellers van het middel zo dat de tweede deelklacht mede opkomt tegen het oordeel van het hof dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate (‘
sole and decisive’) berust op de verklaringen van [getuige 1] . Het hof zou volgens de stellers van het middel hebben miskend dat het benodigde steunbewijs betrekking moet hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Hierdoor zou voornoemd oordeel van het hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en niet zonder meer begrijpelijk zijn.
4.39
Anders dan de stellers van het middel menen, volgt uit het arrest niet dat het hof heeft miskend dat het benodigde steunbewijs betrekking moet hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Het hof heeft immers met betrekking tot (kortgezegd) het ‘steunbewijs’ vooropgesteld dat het in dat verband moet gaan om ‘ander bewijsmateriaal dat betrekking heeft op de door verdachte betwiste onderdelen van de belastende verklaring’. Het hof heeft vervolgens gewezen op dat ‘andere bewijsmateriaal’ dat op die betwiste onderdelen betrekking heeft. Gelet op het vorenstaande acht ik het oordeel van het hof dat de bewezenverklaringen niet in beslissende mate (‘
sole and decisive’) zijn gebaseerd op de verklaringen van de [getuige 1] , niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk.
4.4
Verder klagen de stellers van het middel over het oordeel van het hof dat er (kortgezegd) door verschillende factoren compensatie is geboden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige. Daartoe wordt aangevoerd dat niet kan blijken dat en op welke wijze de door het hof genoemde factoren steun geven aan de verklaringen van [getuige 1] , zodanig dat zij compensatie vormen voor de onmogelijkheid hem te ondervragen, zodat het oordeel van het hof dat het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid van [getuige 1] niet eraan in de weg staat dat zijn verklaringen als bewijs kunnen worden gebruikt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Tot slot klagen de stellers van het middel in de derde deelklacht dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op de door de verdediging ingenomen standpunten dat de verklaring van getuige niet voor bewijs kan worden gebruikt en de getuige ten tijde van het verhoor bij de rechter-commissaris om andere redenen heeft verschoond, dat het steunbewijs betrekking moet hebben op die onderdelen van belastende verklaring die de verdachte betwist en dat (voldoende) compenserende factoren ontbreken.
4.41
Voor zover de klacht berust op de opvatting dat de compenserende factoren steun moeten bieden aan de verklaringen van een niet ondervraagde getuige en wel op zo’n manier dat zij compensatie vormen voor de onmogelijkheid hem te ondervragen, vindt deze opvatting geen steun in het recht. De vraag naar ‘steunbewijs’ komt in eerste instantie aan bod bij de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate komt te rusten op de verklaring van de niet ondervraagde getuige. Verder kan de aanwezigheid van steunbewijs mede een compenserende maatregel vormen, maar niet noodzakelijk is dat de compenserende maatregelen als zodanig steun bieden aan de verklaringen van de getuigen, nu deze maatregelen veelal zien op procedurele ‘
safeguards’ die – ondanks dat de verdachte is aangetast in het ondervragingsrecht dat hij ontleent aan art. 6 EVRM Pro – de procedure als geheel toch in overeenstemming is met het in art. 6 EVRM Pro opgenomen recht op een eerlijk proces.
4.42
Tot slot meen ik dat het hof in zijn overwegingen voldoende heeft gerespondeerd op het verweer dat de verklaring van de getuige niet voor het bewijs kan worden gebruikt en de getuige zich ten tijde van het verhoor bij de rechter-commissaris om andere redenen heeft verschoond. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de bedreigingen [getuige 1] ervan hebben weerhouden te willen verklaren, onder meer bij de rechter-commissaris, zodat de verwerping van het verweer van de verdediging in die overweging besloten ligt. Het hof heeft verder blijkens zijn overwegingen in voldoende mate, naar aanleiding van de bewijsuitsluitingsverweren, onder ogen gezien dat het steunbewijs betrekking moet hebben op die onderdelen van belastende verklaring die de verdachte betwist en dat (voldoende) compenserende factoren aanwezig zijn.
4.43
De tweede en derde deelklacht falen in al hun onderdelen.
Deelklachten d en e: (on)betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1]
4.44
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de [getuige 1] onbetrouwbaar zijn en daarom niet tot het bewijs mogen worden gebezigd.
4.45
Het hof heeft in reactie op dat verweer het volgende overwogen:

2.3. Betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] (Panter 1)
Het hof concludeert dat [getuige 1] op verschillende momenten ( als getuige en als verdachte) verklaringen heeft afgelegd waarin hij zichzelf, [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 8] en [betrokkene 1] heeft belast. Het gaat om de verklaringen van:
- 5 en 7 januari 2021 ( als getuige);
- 23, 24 en 25 februari 2021 ( als verdachte).
Het hof is van oordeel dat de hier genoemde verklaringen van [getuige 1] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. De verklaringen zijn in de kern gelijkluidend en vinden op diverse punten bevestiging in objectieve onderzoeksresultaten. Het hof zal daar bij het bespreken van de afzonderlijke zaaksdossiers dieper op ingaan.
Naast de objectieve onderzoeksresultaten wijst het hof ook op het rapport en het aanvullende rapport van prof. dr. [deskundige] (hierna te noemen de deskundige) die op verzoek van de verdediging vanuit rechtspsychologisch perspectief onderzoek heeft gedaan naar de validiteit van de verklaringen van [getuige 1] . Daaruit komt onder meer naar voren dat bij de verklaringen die [getuige 1] als getuige en als verdachte heeft afgelegd de manier van vragen stellen goed was. De manier waarop [getuige 1] zijn verhalen vertelde komt overeen met de manier waarop het menselijk geheugen pleegt te werken: sommige dingen weten we zeker, over sommige dingen zijn we onzeker en van sommige dingen weten we zeker dat we ze niet weten. Volgens de deskundige is voorts van belang dat [getuige 1] ook regelmatig details weet te benoemen die de validiteit van zijn verhaal ondersteunen. Op de beschreven manier tonen de verklaringen van [getuige 1] in januari en februari zich volgens de deskundige als verklaringen die valide zijn. De deskundige merkt ook op dat verklaringen die zich valide tonen, niet valide hoeven te zijn. In dit verband verwijst de deskundige naar de omstandigheid dat - gelet op de gebrekkige verslaglegging van de WOD-actie - niet vastgesteld kan worden of de door [getuige 1] afgelegde verklaring op 29 december 2020 in het busje van invloed is geweest op de latere verklaringen. Volgens de deskundige kan die invloed niet worden vastgesteld, maar ook niet worden uitgesloten. Hoewel het hof die invloed ook niet kan uitsluiten en hiervoor reeds heeft overwogen dat het hof de verklaring die is afgelegd in het busje niet zal gebruiken vanwege de gebrekkige verslaglegging, ziet het hof ook geen aanwijzingen voor een dergelijke invloed. Hierbij speelt mee dat [getuige 1] op enig moment onder meer heeft verklaard over de betrokkenheid van hemzelf en (onder meer) verdachte bij een aanslag in [plaats] (onderzoek Navigator), die losstaat van [A] en die bij het politieteam nog niet in beeld was en steun vindt in andere bewijsmiddelen. De verklaringen van [getuige 1] kunnen niet gevoed zijn door vragen van de opsporingsambtenaren in de WOD-actie, maar moeten uit zijn eigen geheugen voortkomen. Het hof heeft geen reden aan te nemen dat dit anders is voor de overige gedeeltes van de verklaringen van [getuige 1] . Integendeel: het hof ziet in de verklaring van [getuige 1] over zijn betrokkenheid bij een aanslag in [plaats] en ook in de door [deskundige] benoemde punten die vóór de validiteit van de verklaringen van [getuige 1] pleiten concrete steun voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] . Dit alles maakt dat het hof de eerder genoemde verklaringen van [getuige 1] als betrouwbaar aanmerkt.
Wat betreft de verklaringen van [getuige 1] van 17 en 18 mei 2021 overweegt het hof nog het volgende. Dat [getuige 1] op 17 en 18 mei 2021 heeft verklaard dat alles wat hij eerder had gezegd gelogen was en zich verder op zijn zwijgrecht heeft beroepen, maakt niet dat zijn eerdere verklaringen daadwerkelijk feitelijk onjuist of onvolledig zijn. Reden voor zijn latere opstelling was volgens [getuige 1] zelf een aan zijn moeder gerichte dreig-sms van 18 april 2021 met een ultimatum aan [getuige 1] om zijn verklaring in te trekken omdat het leven voor hem en zijn familie anders een hel zou worden. Het hof acht het aannemelijk dat deze sms - gelet op de inhoud afkomstig van de dader(s) van de aanslagen - voor [getuige 1] reden is geweest om zijn proceshouding aan te passen en zich vanaf dat moment als verdachte op zijn zwijgrecht en als getuige op zijn verschoningsrecht te beroepen. Iets wat [getuige 1] ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen strafzaak ook heeft verklaard. Het hof hecht om die reden geen waarde aan de verklaring van [getuige 1] dat hij alles wat hij eerder had verklaard, heeft gelogen.”
4.46
De stellers van het middel klagen in de vierde deelklacht dat het hof niet is ingegaan op het verweer met betrekking tot de inhoud van de verklaringen van [getuige 1] die betrekking hebben op de betrokkenheid van de verdachte bij die feiten waarover [getuige 1] heeft verklaard. Dat verweer luidt dat [getuige 1] de betrokkenheid van de verdachte niet zelf heeft waargenomen, maar daarover heeft gehoord en de betrokkenheid van de verdachte zelf heeft ingevuld of bedacht. Het oordeel van het hof dat de verklaringen van [getuige 1] die zien op de betrokkenheid van de verdachte betrouwbaar zijn, zou dan ook onbegrijpelijk zijn terwijl de overwegingen die betrekking hebben op de ‘validiteit’ van de verklaringen van [getuige 1] niet toereikend zijn.
4.47
De vijfde deelklacht luidt dat het hof door slechts te verwijzen naar de bevindingen van prof. [deskundige] met betrekking tot de validiteit van de verklaringen van [getuige 1] in het algemeen, niet in voldoende mate de redenen opgegeven van afwijking van het hiervoor genoemde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt.
4.48
Het hof heeft in reactie op het verweer van de verdediging geoordeeld dat de verklaringen van [getuige 1] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, nu zij in de kern gelijkluidend zijn en op diverse punten bevestiging vinden in objectieve onderzoeksresultaten. Ter onderbouwing van de betrouwbaarheid heeft het hof verder gewezen op het rapport en het aanvullende rapport van prof. dr. [deskundige] (de deskundige) en de omstandigheid dat [getuige 1] een verklaring heeft afgelegd uit eigen wetenschap, welke laatste twee punten vóór de validiteit van de verklaringen van [getuige 1] pleitten en concrete steun voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] bieden. In dat oordeel ligt mijns inziens de verwerping van het verweer van de verdediging – dat [getuige 1] de betrokkenheid van de verdachte niet zelf heeft waargenomen heeft, maar daarover heeft gehoord en de betrokkenheid van de verdachte zelf heeft ingevuld of bedacht – besloten, terwijl het hof niet gehouden is om (expliciet) in te gaan op elk detail van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, indien op de kern van dat standpunt voldoende (begrijpelijk) is gereageerd.
4.49
Anders dan de stellers van het middel kennelijk menen, heeft het hof in reactie op het verweer van de verdediging en ter motivering van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de [getuige 1] niet slechts verwezen naar de bevindingen van de [deskundige] , maar heeft het hof er ook op heeft gewezen dat de verklaringen op diverse punten bevestiging vinden in objectieve onderzoeksresultaten en heeft het bij zijn oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige betrokken dat hij ook (uit eigen wetenschap) een verklaring heeft afgelegd over het onderzoek ‘Navigator’, inhoudende zijn en verdachtes betrokkenheid bij een aanslag in [plaats] .
4.5
De vierde en vijfde deelklacht falen in al hun onderdelen.
Resumé eerste middel
4.51
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5.Het tweede middel

5.1
Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring in de zaak met parketnummer 05-880702-19 (onderzoek ‘Maldiven’) en klaagt dat de vaststelling van het hof dat de verdachte de gebruiker was van de telefoon waarmee [benadeelde 1] in de periode van 26 mei tot en met 5 juni 2019 is afgeperst niet uit de bewijsvoering kan volgen en/of dat het hof is afgeweken van twee uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging die er (kortgezegd) op neer komen dat de verdachte niet de afperser is geweest, zonder in het bijzonder de redenen daarvoor op te geven.
5.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-880702-19 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 26 mei 2019 tot en met 5 juni 2019 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 1] en/of B.H.P.M. [benadeelde 1] en/of [A] B.V. te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 1,2 miljoen euro en/of bitcoins, welke goederen geheel of ten dele aan die [benadeelde 1] en/of B.H.P.M. [benadeelde 1] en/of [A] B.V., in elk geval aan (een) ander(en) toebehoorden,
- aan [benadeelde 1] de volgende sms-berichten heeft gezonden:
op of omstreeks 26 mei 2019:
"BESTE [benadeelde 1] , BIJ DEZE LATEN WIJ JOU WETEN DAT WE JOU EN [benadeelde 2] PERSOONLIJK AANSPRAKELIJK STELLEN VOOR HET VERLIES VAN ONZE HANDEL. JULLIE KRIJGEN EEN BOETE VAN 1,2 MILJOEN EURO. WIJ WETEN INMIDDELS VEEL OVER JULLIE FAMILIE. JE KRIJGT 3 DAGEN DE TIJD OM TE BESLISSEN. ALS ER NIET BETAALD WORDT ZULLEN WIJ OP KORTE TERMIJN EEN WILLEKEURIGE MEDEWERKER VAN [benadeelde 1] FRESH GROEP LIQUIDEREN. NA ELKE AANSLAG VERHOGEN WE DE BOETE MET 150DU1ZEND EURO. INDIEN WIJ MERKEN DAT JE DE POLITIE INLICHT ZULLEN WE DAT MET EXTREEM GEWELD BEANTWOORDEN. WIJ HEBBEN EEN HELE LANGE ADEM, EN DE POLITIE ZAL JE NIET EEUWIG BEWAKEN. DIT TOESTEL WORDT OM 18.50 VERNIETIGD. WOENSDAGAVOND SMSEN WIJ JOU MET EEN ANDER NR EN DAN KAN JE JULLIE BESLISSING SMSEN” en
op of omstreeks 29 mei 2019 en/of 30 mei 2019:
"JE HEBT 18MIN OM PER SMS TE REAGEREN. GA JE BETALEN?"
en
"BETAAL JE?"
en
"MORGEN KRIJG JE VERDERE INSTRUCTIES. DIT TOESTEL WORDT NU VERNIETIGD”
en
"MORGEN BENADER IK JE”en
“jullie betalen 150 duizend en wij gebruiken eenmalg jullie route voor 900kilo. hebben we een deal?"en"8min dan gaat dit toestel uit en/of als je ons naait, zet je liet leven van je dochter in, bellen gaat niet”en"kom het geld morgen naar [plaats] brengen , akkoord?”en"morgen, ik stuur een junkie om het te halen"en“Je moet wel lang nadenken he"en“ik contacteer je rond 22uur dan stuur ik ze naar je toe”en“locatie krijg je vanavond, als ze in de val lopen lig ik er niet wakker van, inaar jullie wel”en“rond 23,15 staat er iemand bij de afgesproken plek”en“niet praten met die persoon’, geld afgeven en weggaan, zij weten niet waar het geld van is”en“stuur mij het kenteken”en“jij bent niet de persoon die deze auto bracht, wie was dat?”en"je hebt een probleem”en“er is recherche”en"je kent de gevolgen, parkeer voor de ingang van [B] "en“geregeld, ze zijn er met een ruim half uur"en“laat ze de auto nu voor [B] parkeren"en“ze gaan je bellen als ze er bijna zijn"en“ze kunnen er elk moment zijn"en“ze vertrouwen het niet dus gaat niet door vandaag”en“doe dat je krijgt een rekeoing waar je op mag storten morgen"
op of omstreeks 1 juni 2019:
"dag beste man je hebt liet verpest, je gaat l.5m betalen, je ontvangt maandag een bitcoin adres, dan heb je 3dagen om de eerste 20 bitcoins te betalen. Om”en"dat ik me altijd aan me woord hou zal ik je straffen voor je kunstje in [plaats] . we hebben een leuke medewerker uitgekozen . ik hoop voor je dat het b"enfijn weekend alvasten
op of omstreeks 2 juni 2019:
“Dit is je laatste kans en je hebt precies 10min om te reageren dan verdwijnt dit toestel in de sloot. Betaal je morgen de bitcoins ja of nee?”en“Je ontvangt morgen sowieso het bitcoin reknr wij stoppen onze aanslagen pas als de eerste 20 bitcoins ontvangen zijn”en
op of omstreeks 3 juni 2019:
“Neem De Code Exact Over Inclusief Hoofdletters Die Je In Het Volgende Smsje Krijgt”en" [code] "en"Ik Dump zo Dit Toestel. Zorg Dat Ik Uiterlijk Woensdag 20bitcoin Heb In Dat Account en/of We Nemen Vanaf Nu Ook Geen Contact Meer Op Totdat Je De Eerste Betaling Gedaan Hebt, Na Woensdag Krijg Je De eerste Aanslag Als Er Niet Betaald Is”
en
- (een) ander(en) opdracht heeft gegeven en/of heeft geïnstrueerd en/of heeft gevraagd om op een afgesproken plek in [plaats] een (groot) geldbedrag op te halen;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
5.3
Het hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaring onder meer overwogen (met weglating van voetnoten):
“3.2.3.1. Poging tot afpersing 1 (26-30 mei 2019): onvoltooide geldoverdracht in [plaats]
[…]
Tussenconclusies
Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende tussenconclusies.
a. In de periode van 26 mei 2019 tot en met 30 mei 2019 is een (eerste) poging gedaan tot afpersing van (kort gezegd) [benadeelde 1] . De afperser heeft geprobeerd door middel van dreigende sms-berichten [benadeelde 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag.
b. De dreigberichten naar [benadeelde 1] zijn verstuurd door middel van verschillende telefoonnummers, maar afkomstig van dezelfde afperser. Dit oordeel baseert het hof op de overweging dat die berichten een samenhangend geheel vormen. Zo deed [benadeelde 1] op 29 mei 2019 in een bericht aan [telefoonnummer 1] het voorstel om een geldbedrag van € 150.000,- te betalen en werd vervolgens op dat voorstel gereageerd door middel van [telefoonnummer 2] .
c. De afperser en [benadeelde 1] hadden afgesproken dat de geldoverdracht zou plaatsvinden op 29 mei 2019 om 23.15 uur bij het [B] -hotel in [plaats] .
d. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn met de auto naar dat hotel gereden en kwamen daar aan op 30 mei 2019 omstreeks 00.05 uur. [betrokkene 3] bestuurde de auto en [betrokkene 2] had door middel van de telefoon van [betrokkene 3] contact met zowel de afperser als met [benadeelde 1] .
e. [betrokkene 2] was door de afperser gevraagd om naar het [B] -hotel te rijden om daar geld op te halen. Dit leidt het hof af uit het gegeven dat [betrokkene 2] tijdens de autorit via de telefoon van [betrokkene 3] contact heeft gehad met de afperser (* [telefoonnummer 2] ) en [betrokkene 2] heeft verklaard in de auto via de telefoon van [betrokkene 3] contact te hebben gehad met de persoon die hem had gevraagd geld op te halen.
f. Kort nadat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de parkeerplaats bij het hotel waren opgereden, verlieten zij de parkeerplaats weer en reden zij weg van het hotel. De geldoverdracht heeft niet plaatsgevonden.
3.2.3.2. Contact tussen [verdachte] en [betrokkene 2]
[…]
Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende (tussen)conclusies.
g. [betrokkene 2] , zijnde degene die op verzoek van de afperser naar het [B] hotel in [plaats] is gegaan om geld op te halen, is een bekende van [verdachte] .
h. Het benaderen van [betrokkene 2] met de vraag om geld op te halen bij het [B] hotel in [plaats] , heeft plaatsgevonden tussen 29 mei 2019 om 19.46 uur, zijnde het tijdstip waarop [benadeelde 1] voorstelde om de geldoverdracht te laten plaatsvinden bij dat hotel, en 30 mei 2019 om 00.05 uur. zijnde het tijdstip waarop [betrokkene 2] bij dat hotel aankwam. In dat tijdsbestek van ruim 4 uur heeft [verdachte] meermalen contact gehad met [betrokkene 2] . Omstreeks 20.31 uur hebben [verdachte] en [betrokkene 2] een telefoongesprek gevoerd en omstreeks 23.00 uur is [betrokkene 2] door [verdachte] naar de woning van [betrokkene 3] gebracht.
i. Op 29 mei 2019 om 20.36 uur liet de afperser aan [benadeelde 1] weten dat rond 23.15 uur iemand bij de afgesproken plek zou staan. Kort daarvoor, omstreeks 20.31 uur, had [verdachte] telefonisch contact met [betrokkene 2] .
j. Op 29 mei 2019 omstreeks 23.05 uur was [verdachte] bij de woning van [betrokkene 3] om [betrokkene 2] daar af te zetten. Die woning van [betrokkene 3] bevindt zich in het dekkingsgebied van de zendmast bij [adres 1] in [plaats] . De telefoon van de afperser bevond zich op dat tijdstip ook in het dekkingsgebied van die zendmast.
3.2.3.3 Poging tot afpersing 2 (30 mei- 3 juni 2019): onvoltooide bitcointransactie
[…]
Tussenconclusies
Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende (tussen)conclusies.
k. In de periode van 30 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 is een tweede poging gedaan tot afpersing van [benadeelde 1] . De afperser heeft geprobeerd door middel van dreigende sms berichten [benadeelde 1] te dwingen tot betaling van een aantal bitcoins.
l. Deze tweede serie dreigberichten naar [benadeelde 1] , die wederom met verschillende telefoonnummers zijn verstuurd, zijn afkomstig van dezelfde afperser als de eerste serie dreigberichten. Dit oordeel baseert het hof op de overweging dat de eerste en de tweede serie dreigberichten een samenhangend geheel vormen. Zo werd in een bericht van 1 juni 2019 verwezen naar wat daarvóór had plaatsgevonden in [plaats] , waarmee kennelijk werd gedoeld op de onvoltooide geldoverdracht tijdens de nacht van 29 op 30 mei 2019.
m. De bitcointransactie heeft niet plaatsgevonden.
3.2.3.4. Bitcoinadres en contact tussen [verdachte] en [betrokkene 4]
Op 3 juni 2019 om 09.53 uur had [benadeelde 1] van de afperser een bericht ontvangen waarin alleen het volgende bitcoinadres wordt genoemd.
[code]
Op 2 juni 2019 om 16.26 uur had [betrokkene 4] een WhatsApp-bericht ontvangen met daarin datzelfde bitcoinadres, gevolgd door een QR-code die codeert voor dat bitcoinadres.
[verdachte] heeft verklaard dat [betrokkene 4] een vriend van hem is.
Op 1, 2 en 3 juni 2019 hebben [verdachte] en [betrokkene 4] via WhatsApp berichten naar elkaar gestuurd. Die berichtenwisseling bestond onder meer uit de volgende berichten.
Tijdstip Afzender Bericht
3 juni 2019
15.03
uur [verdachte] Ga checken oké
15.1
[betrokkene 4] Heb ik net gedaan nog niks [hof: gevolgd door emoji’s]
3.2.3.5. Locatiegegevens [verdachte] en telefoon van afperser
In dit onderdeel van het arrest bespreekt het hof (verschillende soorten) locatiegegevens van [verdachte] en de afperser.
Ten eerste gaat het om zogenoemde historische verkeersgegevens van telefoons. Historische verkeersgegevens houden kort gezegd in dat een bepaalde telefoon op een bepaald tijdstip een bepaalde zendmast heeft aangestraald. Daaruit kan dus worden afgeleid dat die telefoon zich op dat tijdstip bevond in het dekkingsgebied van die zendmast. [verdachte] heeft verklaard dat hij gebruikmaakte van [telefoonnummer 3] (* [telefoonnummer 3] ).
Daarnaast gaat het om zogenoemde ANPR-registraties van de auto van [verdachte] . Uit een ANPR-registratie volgt dat een bepaalde auto op een bepaald tijdstip op een bepaalde locatie door een camera is geregistreerd. [verdachte] heeft verklaard dat hij gebruikmaakte van een Toyota Aygo met het [kenteken 1] .
Uit het voorgaande blijkt dat [benadeelde 1] op de volgende dagen sms-contact heeft gehad met de afperser: 26 mei 2019, 29 mei 2019, 30 mei 2019, 1 juni 2019, 2 juni 2019 en 3 juni 2019. Voor die dagen heeft de politie historische verkeersgegevens verkregen van zowel de telefoon van [verdachte] (* [telefoonnummer 3] ) als de telefoon van de afperser, die gebruikmaakte van verschillende telefoonnummers. De door de politie verkregen historische verkeersgegevens zijn weergegeven in het rapport ‘Tijdlijn telecom’, dat vanaf pagina 1253 deel uitmaakt van politiedossier Maldiven. Naast historische verkeersgegevens zijn in dat rapport ook twee ANPR-registraties van de auto van [verdachte] verwerkt. Naast de twee ANPR-registraties die in het rapport worden genoemd, is de auto van [verdachte] op 29 mei 2019 om 15.39 uur door een ANPR-camera geregistreerd op de [b-straat] in [plaats] .
Wat betreft de locatiegegevens die betrekking hebben op de telefoon (* [telefoonnummer 3] ) of auto ( [kenteken 1] ) van [verdachte] , gaat het hof ervan uit dat [verdachte] op dat moment de gebruiker was van die telefoon of auto. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van aanwijzingen dat die telefoon of auto op een of meer onderzochte tijdstippen door iemand anders werd gebruikt.
Over de verkregen locatiegegevens - dit betreft dus de historische verkeersgegevens en ANPR-registraties zoals genoemd in het genoemde rapport 'Tijdlijn telecom’ plus de genoemde ANPR-registratie van 29 mei 2019 in [plaats] - overweegt het hof in zijn algemeenheid het volgende. Voor alle dagen waarop de afperser en [benadeelde 1] contact hebben gehad, geldt dat er geen enkel tijdstip is waarvoor geldt dat uit de locatiegegevens blijkt dat (de telefoon of auto van) [verdachte] niet op dezelfde locatie kan zijn geweest als de telefoon van de afperser. Het doet zich dus niet voor dat uit de locatiegegevens blijkt dat [verdachte] en de telefoon van de afperser op hetzelfde tijdstip op verschillende locaties waren of dat zij op verschillende tijdstippen op verschillende locaties waren waarbij de afstand tussen die locaties zodanig groot was dat die niet (met de auto) kon worden overbrugd in het tijdsbestek tussen die twee tijdstippen.
Verder overweegt het hof over de verkregen locatiegegevens het volgende.
26 mei 2019 ( [telefoonnummer 4] )
De telefoon van de afperser ( [telefoonnummer 4] ) straalde om op 26 mei 2019 om 18:48:49 uur de zendmast aan bij liet adres [adres 2] in [plaats] .
De telefoon van [verdachte] (* [telefoonnummer 3] ) straalde om 18:49:01 uur diezelfde zendmast aan.
Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 26 mei 2019 omstreeks 18.49 uur zowel de telefoon van de afperser als [verdachte] aanwezig was binnen het dekkingsgebied van de genoemde zendmast.
29 mei 2019 ( [telefoonnummer 1] )
De telefoon van de afperser ( [telefoonnummer 1] ) straalde op 29 mei 2019 om 15:35:17 de zendmast aan bij het adres [adres 3] in [plaats] .
De auto van [verdachte] ( [kenteken 1] ) is op 29 mei 2019 om 15.39 uur door het ANPR- systeem geregistreerd op de [b-straat] in [plaats] , twintig meter voorbij de [d-straat] , rijdend in de richting […] .
Volgens de openbare bron Google Maps is de afstand tussen het adres [adres 3] in [plaats] en de locatie van de ANRP-registratie (hemelsbreed) ongeveer 450 meter.
Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 29 mei 2019 omstreeks 15.35 - 15.39 uur zowel de telefoon van de afperser als [verdachte] in [plaats] was.
29 mei 2019 ( [telefoonnummer 2] )
De telefoon van de afperser ( [telefoonnummer 2] ) straalde op 29 mei 2019 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen:
- om 18:42:59 uur: [adres 4] in [plaats] ;
- om 18:43:22 uur: [adres 5] in [plaats] .
De auto van [verdachte] ( [kenteken 1] ) is op 29 mei 2019 om 18.43 uur geregistreerd door een ANPR-camera bij het kruispunt van [adres 6] en [adres 7] in [plaats] . Volgens de openbare bron Google Maps is de afstand tussen dat kruispunt in [plaats] en de adressen [adres 4] en [adres 5] (hemelsbreed) ongeveer 200 respectievelijk 50 meter.
Het hof verbindt hieraan de conclusie dat op 29 mei 2019 omstreeks 18.43 uur zowel de telefoon van de afperser als de auto van verdachte in [plaats] was.
De telefoon van de afperser ( [telefoonnummer 2] ) straalde op 29 mei 2019 om 19:26:22 uur de zendmast aan bij het adres bij [adres 8] in [plaats] .
De telefoon van [verdachte] (* [telefoonnummer 3] ) straalde om 19:27:29 uur diezelfde zendmast aan.
Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 29 mei 2019 omstreeks 19.27 uur zowel de telefoon van de afperser als [verdachte] aanwezig was binnen het dekkingsgebied van de genoemde zendmast.
De telefoon van de afperser ( [telefoonnummer 2] ) straalde op 29 mei 2019 om 20:33:17 uur en om 20:50:41 uur de zendmast aan bij het adres [adres 9] in [plaats] , zijnde de zogenoemde thuismast van [verdachte] . Tussen die tijdstippen heeft die telefoon van de afperser geen andere zendmast aangestraald.
De telefoon van [verdachte] straalde diezelfde zendmast aan op 29 mei 2019 om 20.23:06 uur en om 20.54:08 uur. Tussen die tijdstippen heeft de telefoon van [verdachte] geen andere zendmast aangestraald.
De zendmast bij het adres [adres 9] in [plaats] was de zogenoemde thuismast van [verdachte] , oftewel de zendmast die door de telefoon van [verdachte] (telefoonnummer * [telefoonnummer 3] ) het vaakst is aangestraald in de periode waarvoor historische verkeersgegevens zijn opgevraagd. [verdachte] woonde toen op het adres [e-straat 1] in [plaats] . Volgens de openbare bron Google Maps is de afstand tussen het adres [adres 9] in [plaats] en het genoemde woonadres van [verdachte] (hemelsbreed) ongeveer 310 meter. Het hof leidt hieruit af dat de woning van [verdachte] gelegen is binnen het dekkingsgebied van die zendmast.
Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 29 mei 2019 tussen 20.33 en 20.50 uur zowel de telefoon van de afperser als [verdachte] aanwezig was binnen het dekkingsgebied van de zogenoemde thuismast van [verdachte] . De telefoon van de afperser was daarmee ook in de buurt van de woning van [verdachte] .
30 mei 2019 ( [telefoonnummer 2] )
De telefoon van de afperser ( [telefoonnummer 2] ) straalde op 30 mei 2019 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen:
- 00:25:47 uur: [adres 9] in [plaats] (thuismast van [verdachte] );
- 00:37:05 uur: [adres 10] in [plaats] ;
- 00:38:05 uur: [adres 11] in [plaats] ;
- 00:38:40 uur: [adres 12] in [plaats] ;
- 00:41:28 uur: [adres 13] in [plaats] ;
- 00:49:25 uur: [adres 14] in [plaats] .
Aan de hand van de kaart op pagina 1271 van politiedossier Maldiven, op welke kaart de locaties van de genoemde zendmasten zijn weergegeven, en informatie ontleend aan Google Maps, leidt het hof hieruit af dat de telefoon van de afperser tussen 00.37 en 00:41 uur over de [snelweg] is vervoerd op het traject tussen [plaats] en [plaats] (in de richting van [plaats] ) en dat die telefoon om 00.49 uur nog in [plaats] was.
De telefoon van [verdachte] straalde op 30 mei 2019 op de volgende tijdstippen de zendmasten aan bij de volgende adressen:
- 00:28:09 uur: [adres 9] in [plaats] (thuismast van [verdachte] );
- 00:53:13 uur: [adres 12] in [plaats] ;
- 00:53:23 uur: [adres 11] in [plaats] .
Aan de hand van de kaart op pagina 1270 van politiedossier Maldiven, op welke kaart de locaties van de genoemde zendmasten zijn weergegeven, en informatie ontleend aan Google Maps, leidt het hof hieruit af dat de telefoon van de afperser omstreeks 00:53 uur over de [snelweg] is vervoerd op het traject tussen [plaats] en [plaats] in de richting van [plaats] .
Het hof verbindt hieraan de (tussen)conclusie dat op 30 mei 2019 tussen 00.37 en 00.53 uur zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser over de [snelweg] heeft gereden of werd vervoerd op het traject tussen [plaats] en [plaats] . Naar het oordeel van het hof zijn deze reisbewegingen van [verdachte] en de telefoon van de afperser verenigbaar met het scenario waarin [verdachte] de telefoon van de afperser heeft vervoerd en tussen 00.37 en 00.41 uur van [plaats] naar [plaats] is gereisd en vervolgens tussen 00.49 en 00.53 uur van [plaats] naar [plaats] . Hierbij neemt het hof in aanmerking dat volgens Google Maps de reistijd voor het traject over de Al tussen de genoemde zendmasten bij de [adres 14] in [plaats] en de [adres 12] in [plaats] vier minuten is.
Tussenconclusies
Het hof komt op basis van het voorgaande tot de volgende (tussen)conclusies.
n. Voor alle zes de dagen waarop de afperser en [benadeelde 1] telefonisch contact hebben gehad, geldt dat er geen enkel tijdstip is waarvoor geldt dat uit de verkregen locatiegegevens kan worden afgeleid dat [verdachte] niet op dezelfde locatie kan zijn geweest als de telefoon van de afperser.
o. Op een aantal dagen waren [verdachte] en de telefoon van de afperser min of meer tegelijkertijd aanwezig in het dekkingsgebied van een bepaalde zendmast. Dit geldt voor:
- 26 mei 2019 omstreeks 18.49 uur: de zendmast bij het adres [adres 2] in [plaats] ;
- 29 mei 2019 omstreeks 19.27 uur: de zendmast bij het adres [adres 8] in [plaats] ;
- 29 mei 2019 tussen 20.33 en 20.50 uur: de zogenoemde thuismast van [verdachte] ( [adres 9] in [plaats] );
- 30 mei 2019 omstreeks 00.28 uur: de thuismast van [verdachte] .
p. Op de volgende dagen waren [verdachte] en de telefoon van de afperser min of meer tegelijkertijd aanwezig op een locatie die op enige afstand is gelegen van de woonplaats van verdachte.
- Op 29 mei 2019 omstreeks 15.35-15.39 uur was zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser in [plaats] .
- Op 29 mei 2019 omstreeks 18.43 uur was zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser in [plaats] .
- Op 30 mei 2019 tussen 00.37 en 00.53 uur bevond zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser zich op de Al op het traject tussen [plaats] en [plaats] .
q. Zoals eerder geconcludeerd bevonden [verdachte] en de telefoon van de afperser zich ook op 29 mei 2019 omstreeks 23.05 uur min of meer tegelijkertijd in het dekkingsgebied van een bepaalde zendmast, namelijk de zendmast bij [adres 1] in [plaats] .
Het hof is van oordeel dat deze tussenconclusies, bezien in onderlinge samenhang, een sterke aanwijzing vormen dat [verdachte] de gebruiker was van de telefoon die gebruikt werd voor het afpersen van [benadeelde 1] . Naar het oordeel van het hof is dat samenstel van tussenconclusies namelijk veel waarschijnlijker in het scenario waarin [verdachte] telkens de gebruiker was van die telefoon dan in het scenario waarin iemand anders dan [verdachte] de afperser was en die afperstelefoon onafhankelijk van [verdachte] werd vervoerd. Bij het voorgaande heeft het hof in aanmerking genomen dat niet een scenario aannemelijk is geworden waarin [verdachte] niet de gebruiker was van de telefoon maar hij wel vaak bij (de gebruiker van) die telefoon in de buurt was. Hier komt het hof verderop in dit arrest op terug bij het besprek van het (alternatieve) scenario van [verdachte] .
3.2.3.6. Conclusie
Het hof acht op basis van het voorgaande bewezen dat [verdachte] het onder parketnummer 05/880702-19 tenlastegelegde heeft begaan.
Zoals eerder overwogen, is het hof van oordeel dat de locatiegegevens van [verdachte] en de telefoon van de afperser een sterke aanwijzing vormen dat [verdachte] de gebruiker was van die telefoon.
Daar komt bij dat, zoals eerder geconcludeerd, [verdachte] niet alleen een bekende is van de persoon ( [betrokkene 2] ) die door de afperser is benaderd om geld te op halen bij het [B] -hotel in [plaats] , maar bovendien contact heeft gehad met [betrokkene 2] in het vrij korte tijdsbestek waarin dat benaderen van [betrokkene 2] heeft plaatsgevonden. Daarbij is het hof van oordeel dat het tijdsverband tussen het telefoongesprek om 20.31 uur tussen [verdachte] en [betrokkene 2] en het sms-bericht van de afperser van 20.36 uur (inhoudend dat rond 23.15 uur iemand bij de afgesproken plek zou staan) een aanwijzing vormt dat in dat telefoongesprek van 20.31 uur tussen [verdachte] en [betrokkene 2] is afgesproken dat [betrokkene 2] later die avond naar [plaats] zou gaan om geld op te halen.
Daar komt ook nog bij dat de afperser op 3 juni 2019 om 09.53 uur een bericht naar [benadeelde 1] heeft gestuurd met daarin een bitcoinadres dat een dag eerder was ontvangen door een vriend van [verdachte] ( [betrokkene 4] ) met wie [verdachte] in die periode dagelijks contact had. Bovendien verstuurde [verdachte] ongeveer vijf uur nadat het bitcoinadres naar [benadeelde 1] was verstuurd naar [betrokkene 4] het bericht ‘Ga checken oké', waarop [betrokkene 4] antwoordde 'Heb ik net gedaan nog niks’. Naar het oordeel van het hof duidt de inhoud van die berichten er in combinatie met het moment van het versturen van het bitcoinadres naar [benadeelde 1] op dat [verdachte] bij [betrokkene 4] informeerde of [benadeelde 1] al bitcoins had overgemaakt naar dat adres.
Op basis van het voorgaande, bezien in onderlinge samenhang, acht het hof bewezen dat verdachte in de periode van 26 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 tweemaal een poging heeft gedaan tot het afpersen van [benadeelde 1] , waarbij de eerste poging gericht was op betaling van een geldbedrag en de tweede poging strekte tot betaling van bitcoins.
Alternatief scenario [verdachte]
heeft verklaard dat iemand anders dan hijzelf de afperser is en dat hij ook weet wie de afperser is, maar dat hij redenen heeft om de naam van diegene niet te noemen. Er is daarbij ook gewezen op de mogelijkheid dat die persoon vaak in zijn gezelschap verkeerde, waardoor de overeenkomsten tussen de genoemde locatiegegevens van [verdachte] en de telefoon van de afperser verklaarbaar zijn. Hierbij is ook verwezen naar delen van de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] die over verdachte ontlastend heeft verklaard.
Het hof acht dit scenario van [verdachte] niet aannemelijk geworden, ook niet als de voor verdachte ontlastende delen van de verklaring van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] daarbij worden betrokken. Ter onderbouwing daarvan overweegt het hof in de eerste plaats dat [verdachte] niet heeft verklaard wie de gestelde afperser is. Mede daardoor zijn er onvoldoende aanknopingspunten om de juistheid van het scenario van [verdachte] te kunnen onderzoeken. Maar ook overigens is het niet aannemelijk dat iemand anders dan [verdachte] in de periode van 26 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 de afperser van [benadeelde 1] is geweest. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [betrokkene 2] weliswaar aanvankelijk bij de politie heeft verklaard dat ene [betrokkene 5] hem heeft benaderd om geld te gaan ophalen bij het [B] hotel in [plaats] , maar dat onderzoek door de politie naar de betrokkenheid van een [betrokkene 5] niets heeft opgeleverd en dat [betrokkene 2] later bij de rechtbank Gelderland heeft verklaard dat [betrokkene 5] 'gedeeltelijk verzonnen' is.69 Tenslotte betrekt het hof hierbij de omstandigheid dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat [verdachte] hem die woensdag (29 mei 2020) rond 23.00 uur met de auto heeft opgepikt en daarna heeft afgezet bij [betrokkene 3] , maar daarbij niet heeft verklaard dat er naast hemzelf en [verdachte] nog een derde persoon in de auto zat. Dat zou, uitgaande van het scenario van verdachte, wel het geval moeten zijn geweest omdat op dat moment ook de telefoon van de afperser de zendmast bij [adres 1] in [plaats] , aanstraalde.”
5.4
De stellers van het middel klagen allereerst dat de vaststelling van het hof dat de verdachte de gebruiker was van de telefoon waarmee [benadeelde 1] in de periode van 26 mei tot en met 5 juni 2019 is afgeperst niet uit de bewijsvoering kan volgen. Daartoe voeren zijn aan dat de vaststelling van het hof ‘dat op 30 mei 2019 tussen 00.37 en 00.53 uur zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser over de [snelweg] heeft gereden of werd vervoerd op het traject tussen [plaats] en [plaats] ’ en dat ‘deze reisbewegingen van [verdachte] en de telefoon van de afperser verenigbaar zijn met het scenario waarin de verdachte de telefoon van de afperser heeft vervoerd en tussen 00.37 en 00.41 uur van [plaats] naar [plaats] is gereisd en vervolgens tussen 00.49 en 00.53 uur van [plaats] naar [plaats] ’, onbegrijpelijk is. Ter onderbouwing wordt aangevoerd dat uit de verkeersgegevens d.d. 30 mei 2019 van de gsm van de verdachte slechts blijkt dat deze om 00:28:09 uur de mast aan de [adres 9] in [plaats] aanstraalde, om 00:53:13 uur die aan de [adres 12] in [plaats] en om 00:53:23 uur die aan de [adres 11] in [plaats] , en daaruit niet kan worden ontleend ‘dat de telefoon van de afperser omstreeks 00:53 uur over de [snelweg] is vervoerd op het traject tussen [plaats] en [plaats] in de richting van [plaats] ’, nu die gsm op 30 mei 2019 om 00:49:25 uur immers als laatste de mast aan de [adres 14] in [plaats] had aangestraald.
5.5
Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de telefoon van de afperser (* [telefoonnummer 2] ) op 30 mei 2019 (om 00:25:47 uur) de thuismast van de verdachte in [plaats] aanstraalde, daarna volgens zendmastgegevens is verplaatst via [plaats] (00:38:40 uur) naar [plaats] (00:41:28) en om 00:49 uur nog in [plaats] was. Uit de locaties van de aangestraalde zendmasten en informatie ontleend aan Google Maps leidt het hof af dat de telefoon van de afperser tussen 00:37 uur en 00:41 uur over de [snelweg] is vervoerd op het traject tussen [plaats] en [plaats] (in de richting van [plaats] ) en om 00:49 uur nog in [plaats] was. Ten aanzien van de telefoon van de verdachte volgt uit de bewijsvoering dat deze op 30 mei 2019 (om 00:28:09) de thuismast van de verdachte in [plaats] aanstraalde en om 00:53:13 en 00:53:23 in de omgekeerde richting over de [snelweg] is vervoerd, te weten op het traject tussen [plaats] en [plaats] in de richting van [plaats] . De vaststelling van het hof ‘dat op 30 mei 2019 tussen 00.37 en 00.53 uur zowel [verdachte] als de telefoon van de afperser over de [snelweg] heeft gereden of werd vervoerd op het traject tussen [plaats] en [plaats] ’ is dus niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor de vaststelling ‘deze reisbewegingen van [verdachte] en de telefoon van de afperser verenigbaar zijn met het scenario waarin de verdachte de telefoon van de afperser heeft vervoerd en tussen 00.37 en 00.41 uur van [plaats] naar [plaats] is gereisd en vervolgens tussen 00.49 en 00.53 uur van [plaats] naar [plaats] ’. Daarmee heeft het hof immers niet vastgesteld dat de telefoon van de afperser op 30 mei 2019
omstreeks 00:53 uurover de [snelweg] is vervoerd op het traject tussen [plaats] en [plaats] , in de richting van [plaats] , maar heeft het hof dit slechts voor mogelijk gehouden. Daarmee mist de klacht feitelijke grondslag en faalt deze.
5.6
Ten tweede klaagt het middel dat het hof is afgeweken van twee uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging, zonder in het bijzonder de redenen daarvoor op te geven.
5.7
Het eerste uitdrukkelijk onderbouwde standpunt zou inhouden dat de verdachte niet de afperser van [benadeelde 1] is, reeds omdat hij [betrokkene 2] juist heeft afgeraden om voor de afperser(s) geld van [benadeelde 1] op te halen. Voor dit standpunt verwijzen de stellers van het middel naar de randnummers 11 tot en met 26 van de pleitnota in hoger beroep. Deze randnummers bevatten een overzicht van belangrijke contra-indicaties voor een schuldscenario van de verdachte, maar dit kan niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv, reeds omdat daaraan geen ‘procesrechtelijke’ [22] ondubbelzinnige conclusie wordt verbonden.
5.8
De verdere klacht dat het gelet op de indringendheid van de aan het verweer ten grondslag gelegde argumenten die het hof onbesproken heeft gelaten, niet begrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat aanwijzing bestaat dat de verdachte met [betrokkene 2] heeft afgesproken dat [betrokkene 2] naar [plaats] zou gaan om geld op te halen, volg ik niet. Het enkele feit dat het hof niet gereageerd heeft op een niet-responsieplichtig verweer, maakt het oordeel van het hof niet reeds onbegrijpelijk. Verder meen ik dat het hof op grond van zijn vaststellingen zonder meer tot het oordeel heeft kunnen komen dat de verdachte de afperser van [benadeelde 1] is.
5.9
Het tweede uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging zou inhouden dat de communicatie tussen de verdachte en [betrokkene 4] ‘drugsgerelateerd’ was en derhalve geen verband hield met de afpersing van [benadeelde 1] . Voor dit standpunt verwijzen de stellers van het middel naar de randnummers 27 tot en met 72 van de pleitnota in hoger beroep. Dit verweer is door het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk evenmin aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv. De kern van het verweer is immers dat ‘het WhatsApp verkeer niet belastend is en wijst […] naar een scenario waarin cliënt bezig was met drugshandel’.
5.1
Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.

6.Het derde middel

6.1
Het derde middel richt zich tegen het in de zaak met parketnummer 05-780029-21 onder 1 bewezenverklaarde. Het bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte voor het versturen van de afpersingsberichten in de periode van 26 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021 strafrechtelijk verantwoordelijk is als ‘pleger’. Daarnaast klaagt het middel dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.
6.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-780029-21 onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op meerdere data gelegen in de periode van 26 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021 te [plaats] en [plaats] en elders in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 2 miljoen (euro) of (later) 2,5 miljoen (euro), in bitcoins en in contanten (in briefjes van 200 en 500), in ieder geval een (groot) geldbedrag bitcoins, dat/die aan die [benadeelde 1] , in elk geval aan (een) ander(en) toebehoorde(n),
aan die [benadeelde 1] dreigende sms-berichten heeft verstuurd
-
waarin gedreigd werd door te gaan met "AANSLAGEN PLEGEN" (kennelijk doelend op de in 2020 eerder gepleegde aanslagen met shells, vuurwerkbommen, zwaar vuurwerk, schietincidenten bij/nabij/op/in woningen van (ex-)medewerkers van [A] en/of familie van [benadeelde 1] ) en
-
"DE AANSLAGEN ZULLEN VANAF NU SERIEUZER WORDEN" en
-
hervatten van de aanslagen, "MAAR DIT X ZAL DE SCHADE ANDERS ZIJN" en
-
"het zal erger zijn dan hedel " (bij de kort ervoor gepleegde aanslag in Hedel op 25-11 2020 op een woning aan de [f-straat 1] hebben de bewoners de aanslag ternauwernood overleefd) en
-
je krijgt "zoals beloofd een nieuwe aanslag, dit x zal het er iets anders aan toe gaan" en
-
IK ZWEER HET OP MIJN VADERS GRAF. DE EERST VOLGENDE AANSLAG ZAL EEN LEVEN KOSTEN. WIJ ZIJN ECHT NIET AFHANKELIJK VAN EEN OF ANDERE LIJST. JE HOEFT NIET ZO HEEL LANG TE WACHTEN. JULLIE ZULLEN NOOIT RUSTEN ZOLANG IK ME GELD NIET HEB",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
6.3
Het hof heeft in zijn arrest op PROMIS-wijze onder meer overwogen (met weglating van voetnoten):
3.4.3.21. Rol [verdachte]
Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat [verdachte] verantwoordelijk is voor de in Panter 1 ten laste gelegde pogingen tot afpersing van [benadeelde 1] , dus voor zowel de telefoonberichten naar [benadeelde 1] als de daarmee samenhangende (verijdelde) woningaanslagen. Deze conclusie baseert het hof op het volgende.
Verband tussen de Maldiven- en de Panter-berichten
Zoals eerder overwogen, is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat [verdachte] in de periode van 26 mei 2019 tot en met 3 juni 2019 in het kader van pogingen tot afpersing telefoonberichten naar [benadeelde 1] heeft gestuurd (hierna: Maldiven-berichten). Het hof is van oordeel dat er overeenkomsten zijn tussen de Maldiven-berichten en de telefoonberichten die [benadeelde 1] heeft ontvangen in de periode van 26 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021 (hierna: Panter-berichten), zodanig dat die overeenkomsten een aanwijzing vormen dat de Panter-berichten afkomstig zijn van dezelfde persoon als de Maldiven-berichten. Het betreft de volgende overeenkomsten.
- Voor beide berichtenreeksen geldt dat het gaat om telefoonberichten die zijn gestuurd naar [benadeelde 1] en waarvan de strekking is dat aanslagen zullen worden gepleegd als [benadeelde 1] geen geld of bitcoins betaalt aan de afperser.
- De Maldiven-berichten strekten aanvankelijk tot betaling van een geldbedrag, maar die berichtenreeks eindigde ermee dat de afperser wilde dat [benadeelde 1] zou betalen in bitcoins. De Panter-berichtenreeks begon met een bericht dat strekte tot het betalen van bitcoins. Op dat punt sluiten de Maldiven-berichten en de Panter-berichten dus op elkaar aan.
- Zowel de Maldiven-berichten als de Panter-berichten zijn verstuurd door middel van wisselende telefoon(nummer)s die telkens maar op één of twee dagen werden gebruikt. Ook bevatten beide berichtenreeksen berichten met de strekking dat het toestel waarmee het bericht is verzonden zal worden vernietigd of nog maar een bepaald aantal minuten actief is, alsook berichten die inhouden dat [benadeelde 1] een bepaald aantal minuten de tijd had voor een reactie.
- De Maldiven- en Panter-berichten bevatten opvallende overeenkomsten wat betreft de opmaak van de berichten. Voor beide berichtenreeksen geldt dat verschillende opmaakstijlen zijn gebruikt. Beide berichtenreeksen bevatten berichten die volledig bestaan uit hoofdletters en berichten waarin ieder woord met een hoofdletter begint.
[..]
Verklaringen van [getuige 1]
[…]
Over de telefoonberichten die [benadeelde 1] ontving van de afperser heeft [getuige 1] verklaard dat dat hij van [medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] ) heeft gehoord dat [verdachte] sms-berichten liet sturen naar [benadeelde 1] . Het hof begrijpt dat dit ging over de (Panter-) berichten die zijn verstuurd in de periode waarin [getuige 1] zelf betrokken is geweest bij de woningaanslagen die plaatsvonden in het kader van de poging(en) tot afpersing van [benadeelde 1] .
[…]
Locatiegegevens telefoon [verdachte] en telefoon afperser
Bij de beoordeling van het daderschap van [verdachte] met betrekking tot de poging tot afpersing van [benadeelde 1] in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021 heeft het hof rekening gehouden met het volgende.
Uit het voorgaande blijkt dat [benadeelde 1] in de periode van 26 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021 op een aantal dagen telefoonberichten heeft ontvangen van de afperser. De politie heeft voor die dagen historische verkeersgegevens verkregen van zowel de telefoon van de afperser als de telefoon van [verdachte] . die heeft verklaard dat hij gebruikmaakte van [telefoonnummer 5] . Uit die verkregen locatiegegevens leidt het hof af dat voor 1, 6 en 12 november 2020 en 1 januari 2021 geldt dat de telefoon van de afperser en de telefoon van [verdachte] op bepaalde tijdstippen op verschillende locaties waren. Hieruit volgt dat de persoon die de telefoon van de afperser gebruikte op die tijdstippen niet de telefoon van [verdachte] met nummer [telefoonnummer 5] bij zich had. Het hof heeft deze bevinding betrokken bij de beantwoording van de vraag of het buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat [verdachte] verantwoordelijk is voor de poging(en) tot afpersing van [benadeelde 1] in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 1 januari 2021. Hierover overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt vast dat de Panter-berichten zijn verstuurd nadat [verdachte] was aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de poging(en) tot afpersing van [benadeelde 1] waarover het onderzoek Maldiven gaat. [verdachte] was toen dus al ondervraagd over de Maldiven- berichten en kon dus ook beschikken over het politiedossier waaruit blijkt dat de Maldiven- verdenking onder meer gebaseerd was op (de resultaten van) een vergelijking van de locatiegegevens van de telefoon van de afperser met de locatiegegevens van zijn eigen telefoon. Dat [verdachte] zich ook daadwerkelijk bewust was van de rol van telefoonlocatiegegevens in het politieonderzoek, blijkt uit de volgende passage uit een politieverhoor van 15 januari 2021 waarin [verdachte] werd verhoord als verdachte.
[…]
De omstandigheid dat in het onderzoek Maldiven voor alle dagen waarop de afperser en [benadeelde 1] telefonisch contact hebben gehad, geldt dat er geen enkel tijdstip is waarvoor geldt dat uit de verkregen locatiegegevens kan worden afgeleid dat [verdachte] niet op dezelfde locatie kan zijn geweest als de telefoon van de afperser, mede heeft bijgedragen aan het bewijs dat verdachte de afperser is, maakt niet dat het feit dat dit bij de Panter-berichten niet zo is, ontlastend is. Verdachte zou, temeer gezien zijn hiervoor benoemde kennis over het risico van mastlocaties, eenvoudigweg voor deze keren zijn eigen telefoon thuis of ergens anders hebben kunnen laten of het bericht kunnen laten verzenden door een derde. Wat betreft de laatstgenoemde mogelijkheid, is het hof van oordeel dat deze mogelijkheid - nu het hof vaststelt dat de bron van de dreigberichten aan [benadeelde 1] verdachte was en wat betreft de eventuele medebetrokkenheid van een derde geen vaststellingen kunnen worden gedaan - er niet aan in de weg staat dat verdachte voor het versturen van de berichten strafrechtelijk verantwoordelijk is als pleger.
Conclusies
[…]
-Pogingen tot afpersing (05/780029-21, feit 1)
Verder concludeert het hof dat [verdachte] in de periode van 26 oktober 2020 tot en 1 januari 2021 meermalen een poging heeft gedaan tot afpersing van [benadeelde 1] , door telefoonberichten te sturen naar [benadeelde 1] met de strekking dat (nieuwe) aanslagen zouden volgen als [benadeelde 1] niet zou betalen.”
6.4
Het middel keert zich ten eerste tegen het oordeel van het hof dat de verdachte voor het versturen van de afpersingsberichten strafrechtelijk verantwoordelijk is als ‘pleger’, welk oordeel van een onjuiste rechtsopvatting zou getuigen, althans onbegrijpelijk zou zijn. Daartoe voeren de stellers van het middel aan dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is, nu het hof heeft overwogen dat over de eventuele medebetrokkenheid van een derde geen vaststellingen kunnen worden gedaan, terwijl het de verklaring van [getuige 1] heeft gebezigd waaruit volgt dat de verdachte sms-berichten ‘liet sturen’ naar [benadeelde 1] en de betrokkenheid van een derde als verstuurder van de dreigberichten uitsluit dat de verdachte ‘pleger’ is. Het middel klaagt ten tweede dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door de verdachte vrij te spreken van ‘medeplegen’ van afpersing, terwijl het hof de verdachte impliciet heeft veroordeeld voor de niet tenlastegelegde ‘uitlokking’, nu het de verklaring van [getuige 1] heeft gebezigd waaruit volgt dat de verdachte sms-berichten ‘liet sturen’ naar [benadeelde 1] .
6.5
Het hof heeft vastgesteld dat uit de locatiegegevens in de tenlastegelegde periode volgt dat de telefoon van de afperser en de telefoon van de verdachte op bepaalde tijdstippen op verschillende locaties waren, maar dit gegeven niet ontlastend is. Daartoe heeft het hof – ter verwerping van het verweer dat voornoemd gegeven wél ontlastend is – overwogen dat de verdachte met zijn opgedane kennis over het risico van mastgegevens ervoor kan hebben gekozen om zijn telefoon dit keer ergens anders te laten of ‘het bericht kunnen laten verzenden door een derde’. Naar het oordeel van het hof staat laatstgenoemde mogelijkheid er evenwel niet aan in de weg dat de verdachte voor het versturen van de berichten strafrechtelijk verantwoordelijk is als pleger, aangezien vastgesteld is dat de verdachte de bron van de dreigberichten aan [benadeelde 1] was en wat betreft de eventuele medebetrokkenheid van een derde geen vaststellingen kunnen worden gedaan.
6.6
Het hof heeft allereerst niet ‘geoordeeld’ dat de verdachte daadwerkelijk berichten heeft laten verzenden door derden, maar heeft slechts ter verwerping van het verweer van de verdediging overwogen het niet ontlastend is dat uit de locatiegegevens in de tenlastegelegde periode volgt dat de telefoon van de afperser en de telefoon van de verdachte op bepaalde tijdstippen op verschillende locaties waren. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag, voor zover het ervan uitgaat dat het hof dat vorenstaande heeft ‘geoordeeld’ en dat oordeel aan de bewezenverklaring ten grondslag ligt.
6.7
Verder is het middel gebaseerd op de veronderstelling dat uit het gebruik voor het bewijs van de verklaring van [getuige 1] , waaruit blijkt dat [getuige 1] van [medeverdachte 5] ( [medeverdachte 5] ) heeft gehoord dat [verdachte] sms-berichten liet sturen naar [benadeelde 1] , volgt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte berichten door anderen heeft laten sturen en dat hij daarmee niet meer als pleger kan worden aangemerkt. Het hof heeft echter vastgesteld dat de bron van de dreigberichten aan [benadeelde 1] de verdachte was en dat nu – en dus kennelijk ondanks de verklaring van [getuige 1] – wat betreft de eventuele medebetrokkenheid van een derde geen vaststellingen kunnen worden gedaan, de verdachte voor het versturen van de berichten strafrechtelijk verantwoordelijk is als pleger. Het vorenstaande brengt mee dat van innerlijke tegenstrijdigheid noch grondslagverlating sprake is.
6.8
Het middel faalt.

7.Het vierde middel

7.1
Het vierde middel richt zich tegen het onder 2 bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 05-780001-21 en bevat de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake was van te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
7.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 in de zaak met parketnummer 05-780001-21 bewezenverklaard dat:
“ [medeverdachte 8] en een andere persoon op 11 oktober 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht bij een woning ( [g-straat 1] ) door
-
naar die woning, waar [betrokkene 6] en die [betrokkene 7] op dat moment verbleven, te gaan en
-
een mortierbom te plaatsen bij de voordeur van die woning en
-
de lont van die mortierbom aan te steken, waarbij die mortierbom nabij die woning tot ontploffing is gekomen,
ten gevolge waarvan ramen en een deur van die woning zijn vernield en daarvan gemeen gevaar voor (de inboedel van) die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de aanwezige bewoners van die woning, te weten [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [betrokkene 6] en die [betrokkene 7] , te duchten was,
welk feit door verdachte in of omstreeks de periode van 1 oktober 2020 tot en met 11 oktober 2020 te in Nederland tezamen en in vereniging met een ander door beloften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen opzettelijk is uitgelokt, immers hebben verdachte en zijn mededader
-
het plan opgevat om een ontploffing bij de woning van die [betrokkene 6] en die [betrokkene 7] teweeg te brengen en
-
een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld als dit feit gepleegd zou worden en
-
adresgegevens van die [betrokkene 6] en die [betrokkene 7] doorgegeven en
-
die [medeverdachte 8] en/of die andere persoon benaderd voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij de woning van die [betrokkene 6] en die [betrokkene 7] en/of
-
een mortierbom ter beschikking gesteld aan die [medeverdachte 8] en
-
instructies gegeven aan die [medeverdachte 8] en/of aan die andere persoon over hoe het teweegbrengen van die ontploffing uitgevoerd zou moeten worden (gebruik van een mortierbom).”
7.3
Het hof heeft het ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 05-780001-21 het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“3.4.3.4. 11 oktober 2020: aanslag in [plaats] (05/780001-21, feit 1 en 2)
Op 11 oktober 2020 omstreeks 00.30 uur hoorden de bewoners van de woning op het adres [g-straat 1] in [plaats] een harde knal en glasgerinkel. Die bewoners, [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , zijn beneden gaan kijken en zagen dat de gang en het toilet vol rook stonden, dat het toiletraam ontzet was en dat zowel het kleine raam boven de voordeur als het toiletraam rechts van de voordeur eruit lag. Ook stond op dat moment volgens [betrokkene 6] de voordeur aan de bovenzijde een stukje open. Bij de voordeur was de grond helemaal zwart. Op camerabeelden is te zien dat op 11 oktober 2020 om 00.32 uur een ontploffing heeft plaatsgevonden in de [g-straat] in [plaats] . De politie heeft vóór de woning op meerdere plaatsen restanten van vuurwerk aangetroffen, waarbij het ging om vuurwerkrestanten afkomstig van een shell. [getuige 2] , buurman van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , stond binnen twee minuten na de knal buiten en zag dat de bak met paraplu's in brand stond. Die bak met paraplu's stond buiten naast de voordeur van de woning.
Het adres van de woning waar de aanslag is gepleegd, komt voor op de eerder genoemde personeelslijst van [A] die in het onderzoek Maldiven in het dossier is gevoegd.
Uitvoerders ( [medeverdachte 8] en [getuige 1] )
[getuige 1] heeft verklaard dat hij bij een aanslag in [plaats] is geweest. ‘ [medeverdachte 8] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 8] ) was daar ook bij. Verder heeft [getuige 1] verklaard dat hij bij een rit is geweest waarbij ze met vier personen waren: [getuige 1] zelf, ‘ [medeverdachte 8] ’ ( [medeverdachte 8] ), [betrokkene 8] en [betrokkene 9] . [betrokkene 8] was de bestuurder en zijn auto werd gebruikt. [getuige 1] en [medeverdachte 8] zijn de auto uit gegaan. [betrokkene 9] bleef bij [betrokkene 8] in de auto. [medeverdachte 8] stak bij de woning een shell van drie inch aan. [getuige 1] stond op de uitkijk. De aanslag vond plaats in de buurt van een tankstation. Gelet op de hieronder nader genoemde verklaring van [naam 1] , betreft de rit waarover [getuige 1] in dit verband heeft verklaard een rit voor de aanslag in [plaats] .
[…]
Tussenconclusies
Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [medeverdachte 8] en [getuige 1] - gelet op het feit dat zij zich samen naar de plaats delict hebben laten brengen en daar met het kennelijke doel van het laten plaatsvinden van een aanslag samen uit de auto zijn gestapt: tezamen en in vereniging - een ontploffing teweeg hebben gebracht bij de woning op het adres [g-straat 1] in [plaats] . Hierbij stelt het hof vast dat de gebruikte mortierbom/shell van drie inch tot ontploffing is gekomen bij de voordeur van die woning, wat het hof afleidt uit het gegeven dat de grond helemaal zwart was bij de voordeur en uit de schade aan het raam boven de voordeur en aan het toiletraam naast de voordeur.
Naar het oordeel van het hof is door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Daarnaast is het hof van oordeel dat door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren. Ter onderbouwing van dit oordeel overweegt het hof het volgende. De uitvoerders van de aanslag hebben bij de voordeur van een woning een mortierbom van drie inch tot ontploffing gebracht. Die mortierbom was kennelijk krachtig genoeg om het raam boven de deur te doen breken en om het toiletraam naast de voordeur en de deur zelf te ontzetten. Tijdens de ontploffing waren in de woning mensen aanwezig. Naar het oordeel van het hof was het in de gegeven omstandigheden een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de ontploffing zou plaatsvinden terwijl een van de bewoners zich nabij de voordeur zou bevinden of dat door de ontploffing in de woning brand zou zijn ontstaan. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een ontploffing van een mortierbom in het algemeen tot gevolg heeft dat brandende delen worden weggeslingerd en dat in dit geval door de ontploffing ook brand is ontstaan in een bak met paraplu’s die naast de voordeur van de woning stond. Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat het ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat door die ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten zou zijn.”
7.4
Art. 157 Sr Pro luidt:
“Hij die opzettelijk brand sticht, een ontploffing teweegbrengt of een overstroming veroorzaakt, wordt gestraft:1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.”
7.5
In art. 157 Sr Pro is degene strafbaar gesteld die opzettelijk brand sticht of opzettelijk een ontploffing veroorzaakt indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is dan wel gemeen gevaar voor goederen. Om in rechte zodanig gevaar als vaststaand te kunnen aannemen, is volgens de Hoge Raad vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat het betreffende gevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat dat gevaar ten tijde van het teweegbrengen van de brand of ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. [23] Het opzet als bedoeld in art. 157 Sr Pro behoeft slechts gericht te zijn op het brandstichten dan wel op het teweeg brengen van een ontploffing of een overstroming en niet op het teweegbrengen van de gevolgen. [24] Nu de gevolgen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moeten zijn geweest, is niet van belang dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien. [25]
7.6
Het bestanddeel ‘gevaar’ in art. 157 Sr Pro ziet op misdrijven waardoor de algemene veiligheid in gevaar wordt gebracht. Daarbij gaat het om het teweegbrengen van een calamiteit – onder meer een brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing – door het ontbinden van natuurkrachten die de dader niet bij machte is te bedwingen. [26] Het gaat er daarbij om dat de veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht, al is zij daardoor niet rechtstreeks aangetast. Daarbij moet het gevaar
ex ante(vooraf) worden beoordeeld, waarbij wordt uitgegaan van een voorzichtig mens. Het gevaar bestaat wanneer naar de gewone loop der dingen zonder buitengewone omstandigheden de ernstige mogelijkheid van noodlottige afloop aanwezig is. [27] Bij het voorgaande moet worden aangetekend dat het gevaar in het algemeen voorzienbaar moet zijn in verband met de handeling zonder dat die voorzienbaarheid in het bijzonder de dader betreft. [28] Beslissend daarbij is of op het moment voorafgaande aan het misdrijf reden was te denken dat het feit, voltooid zijnde, gevaar zou opleveren.
7.7
Het in art. 157 Sr Pro opgenomen delict is een concreet gevaarzettingsdelict, waarvoor vereist is dat het gevaar ten tijde van de gedraging(en) naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Over de vraag of de bewijsvoering bij een bewezenverklaring toereikend was, heeft de Hoge Raad zich al menigmaal uitgesproken.
7.8
Zo wees de Hoge Raad in 1988 arrest in een zaak waarin brand was gesticht in een woning van de verdachte, welke brand zichzelf gedoofd heeft door zuurstofgebrek. Uit de bewijsvoering volgde onder meer dat de woning onderdeel uitmaakt van een ‘lintbebouwing’ en er enkele buren thuis waren, zodat daaruit kon volgen dat levensgevaar was te duchten voor een of meer zich in de buurpanden bevindende personen. [29]
7.9
De Hoge Raad heeft in 2009 geoordeeld dat voor het te duchten levensgevaar is vereist dat dit gevaar ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. [30] In die zaak ging het om een brandstichting in een bedrijfspand met daarboven gelegen een woning, waar evenwel niemand aanwezig was die bewuste avond. Het middel van cassatie klaagde dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat van de brandstichting levensgevaar voor personen te duchten was. De Hoge Raad casseerde de zaak, waartoe het overwoog:
“2.3 In art. 157 Sr Pro is straf bedreigd tegen onder anderen degene die opzettelijk brand sticht indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.
Van zulk levensgevaar is niet reeds sprake indien de brand is gesticht in een woning (of een andere behuizing die tot menselijke bewoning dient). Vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 1881, blz. 115-132, alsmede Notulen der Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafregt, 1870-1876, deel I blz. 244-248, deel III blz. 224-225, en deel III blz. 230-231. Om in een dergelijk geval in rechte het levensgevaar voor in het bijzonder de bewoner(s) als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband dus niet van belang.
Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien de bewoner(s) zich ten tijde van de brandstichting niet in de woning bevond(en).”
7.1
In het arrest van 5 juni 2012 liet de Hoge Raad een veroordeling in stand wegens het voorbereiden van een ontploffing waarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten zou zijn, ‘mede gelet op hetgeen het Hof in de bewijsvoering heeft vastgesteld omtrent de aard van bedoelde voorwerpen en/of stoffen en de omstandigheden waaronder de verdachte deze voorhanden heeft gehad.’ De verdachte had zeer explosieve – TATP – pijpbommen gefabriceerd. [31]
7.11
In een zaak die leidde tot een arrest uit 2013 [32] ging het om een brandstichting om 06:00 uur in de ochtend op de eerste woonlaag van een appartementencomplex, door middel van open vuur in aanraking brengen met brandbare stoffen. Daarnaast had de verdachte de kranen van het gasfornuis opengezet. In cassatie werd geklaagd dat uit de bewijsvoering niet kon volgen dat van de brandstichting levensgevaar te duchten is geweest voor anderen. De Hoge Raad overwoog:
“3.4. Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de brand is gesticht in een woning die deel uitmaakt van een complex van naast en boven elkaar gelegen woningen, de brand is gesticht op een tijdstip waarop, naar van algemene bekendheid is, de kans zeer groot is dat minstens een deel van de bewoners van de omliggende woningen thuis is, de bewoners van twee ondergelegen woningen inderdaad thuis waren, en de verdachte, alvorens de brandbare stoffen tot ontsteking te brengen, door het openen van kranen van een gasfornuis had bewerkstelligd dat in de woning gas uitstroomde, kunnen de bewijsmiddelen het oordeel van het Hof dragen dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor andere personen voorzienbaar was.”
7.12
In een zaak uit 2018 [33] ging het om het geval waarin een storing veroorzaakt was in de meterkast, doordat die meterkast was gemanipuleerd. De verdachte had een hennepplantage en nam stroom ‘buiten de meter om’ af. Die handelswijze had een woningbrand veroorzaakt in het appartementencomplex waar de verdachte woonachtig was. In dat complex werden mensen aangetroffen. Het middel klaagde over het te duchten gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen. De Hoge Raad overwoog:
“2.5.2.Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte en zijn mededader de stroomvoorziening ten behoeve van een hennepkwekerij hadden aangelegd op een wijze die niet voldeed aan de minimale voorschriften waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen en aldus de ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen hadden verijdeld, terwijl dit geschiedde in een appartementencomplex waarin personen huizen en ook aanwezig waren, en daadwerkelijk brand is ontstaan op de zolderruimte van het perceel, kunnen de bewijsmiddelen het oordeel van het Hof dragen dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor anderen voorzienbaar was. Het middel faalt ook in zoverre.”
7.13
Tot slot ging het in een arrest uit 2023 om een inbraak in een woning die vanwege asbestsanering tijdelijk leeg stond, waarbij koperen gas- en waterleidingen zijn weggehaald, waardoor gas en water is weggestroomd. [34] Door voornoemde handelingen heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het beschadigen van voornoemde woning en aan een poging tot het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing. Daartoe overwoog het hof dat een zeer gevaarlijke situatie is ontstaan voor goederen (voor de woning en de naastgelegen woningen) en zelfs levensgevaar voor personen, met name de aanwezige medewerkers van de hulpdiensten, de verschillende omwonenden en zij die in de directe omgeving van de woning waren geweest. Door het wegstromen van gas is fors was volgens het hof immers explosiegevaar ontstaan in de woning en in de belendende woning. Vanwege dit explosiegevaar moest de weg tot 50 meter van de woning worden afgezet. De naastgelegen woning moest worden ontruimd en van tegenover gelegen woningen moesten de ramen en deuren gesloten blijven.
7.14
Het cassatiemiddel klaagde dat uit de bewijsvoering van de poging om in die woning opzettelijk een ontploffing te veroorzaken niet kan worden afgeleid dat daarvan levensgevaar voor anderen te duchten was. De Hoge Raad oordeelde:
“2.4Voor het te duchten levensgevaar voor een ander, zoals bedoeld in artikel 157 Sr Pro en in artikel 170 Sr Pro, is vereist dat dit gevaar ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dit gevaar kan dus ook voorzienbaar zijn als het ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen weliswaar nog niet, maar als gevolg van die gedragingen wel op een later moment te duchten is.
2.5
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte uit een leegstaande woning gasleidingen heeft verwijderd, waarna hij de woning heeft verlaten. Als gevolg daarvan is gas uitgestroomd en blijven uitstromen, waarbij direct sprake moet zijn geweest van een luid sissend geluid en een sterke gaslucht. Door dit uitstromende gas is in de woning en de belendende woning groot explosiegevaar – en daarmee een ‘zeer gevaarlijke situatie’ – ontstaan. Verder heeft het hof vastgesteld dat na de bewezenverklaarde gedragingen personen in de woning en in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn geweest. Daarnaast moesten de bewoners van een andere, naastgelegen woning hun woning verlaten vanwege dit explosiegevaar. In het licht van deze vaststellingen getuigt het oordeel van het hof dat ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor anderen voorzienbaar was, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.”
7.15
Art. 157 Sr Pro betreft een concreet gevaarzettingsdelict, waarvoor is vereist dat het gevaar ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen naar algemene ervaringsregels ‘voorzienbaar’ te duchten is geweest. Daarbij gaat het om de vraag of een bepaald gevaar gegeven de feitelijke situatie naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was en niet om het subjectieve perspectief van de dader. [35]
7.16
Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2009 overwoog, is van de vereiste voorzienbaarheid ‘in de regel’ geen sprake indien de bewoner(s) zich ten tijde van een brandstichting of teweegbrengen van een ontploffing niet in de woning bevond(en). Een bewezenverklaring van te duchten levensgevaar is in dat geval niet helemaal uitgesloten, maar om in een dergelijk geval toch tot een bewezenverklaring van genoemd gevaar te kunnen komen, zal de feitenrechter dit ‘bewijsgat’ op basis van wettige bewijsmiddelen in zijn bewijsmotivering moeten dichten door overwegingen te wijden aan dergelijk levensgevaar voor bijvoorbeeld personen die zich in de directe omgeving van de woning bevonden.
7.17
Daarnaast dient de rechter na te gaan of het betreffende gevaar ook verder ten tijde van de gedragingen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. Aan het oordeel dat dit zo was, staat niet in de weg dat in de nabijheid bevindende personen weg konden of hadden kunnen komen. Verder geldt dat eventuele kwetsbaarheden van de zich in de nabijheid bevindende personen voor risico van de verdachte komen en dat opvattingen van eventuele deskundigen niet doorslaggevend zijn voor de vraag of gevaar naar ‘algemene ervaringsregels’ voorzienbaar was ten tijde van de brandstichting of het teweegbrengen van de ontploffing. Bij de vraag naar de ‘ex ante-voorzienbaarheid’ van gevaar kan gewicht toekomen aan de aard en het tijdstip van de gedragingen en de constructieve situatie ter plaatse, eventueel in onderlinge samenhang bezien. [36]
7.18
Terug naar de zaak. Het middel klaagt, zoals aangegeven, dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake was van te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Daartoe voeren de stellers van het middel aan dat het hof heeft overwogen dat de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de ontploffing zou plaatsvinden terwijl een van de bewoners zich nabij de voordeur zou bevinden, terwijl de ontploffing buiten de woning heeft plaatsgevonden en door het hof niet is vastgesteld dat tijdens die ontploffing buiten de woning mensen zich in de nabijheid daarvan bevonden. Verder klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat door de ontploffing in de woning brand zou zijn ontstaan – gelet op het vorenstaande – niet zonder meer begrijpelijk is.
7.19
Het hof heeft met betrekking tot het levensgevaar en het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel vastgesteld dat de bewoners van de woning aan de [g-straat 1] , te weten [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , in [plaats] omstreeks 00:30 uur een harde knal en glasgerinkel hoorden en vervolgens beneden zijn gaan kijken en zagen dat de gang en het toilet vol rook stonden, het toiletraam ontzet was en dat zowel het kleine raam boven de voordeur als het toiletraam rechts van de voordeur eruit lag. Verder volgt uit de bewijsvoering dat de voordeur aan de bovenzijde een stukje open was en de grond bij de voordeur helemaal zwart was. Op de camerabeelden is te zien dat op 11 oktober 2020 om 00.32 uur een ontploffing heeft plaatsgevonden in de [g-straat] in [plaats] . De politie heeft vóór de woning op meerdere plaatsen restanten van vuurwerk aangetroffen, waarbij het ging om vuurwerkrestanten afkomstig van een shell. Voorts stond de bak met paraplu’s, die buiten naast de voordeur van de woning stond, in brand. Het hof heeft met betrekking tot de ontploffing uit het gegeven dat de grond zwart was bij de voordeur en uit de schade aan het raam boven de voordeur en aan het toiletraam naast de voordeur afgeleid dat de uitvoerders een mortierbom/shell van drie inch tot ontploffing hebben gebracht bij de voordeur van de woning. Op basis van voorgaande vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest en dit gevaar zich ook verwezenlijkt heeft.
7.2
Het hof heeft daarnaast geoordeeld dat door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren. Daartoe heeft het hof vastgesteld dat de uitvoerders van de aanslag bij de voordeur van een woning een mortierbom van drie inch tot ontploffing hebben gebracht en die mortierbom kennelijk krachtig genoeg was om het raam boven de deur te doen breken en om het toiletraam naast de voordeur en de deur zelf te ontzetten. Door het hof is verder vastgesteld dat tijdens de ontploffing de bewoners in de woning aanwezig waren en het in de gegeven omstandigheden een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was dat de ontploffing zou plaatsvinden terwijl een van de bewoners zich nabij de voordeur zou bevinden of dat door de ontploffing in de woning brand zou zijn ontstaan.
7.21
Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een ontploffing van een mortierbom in het algemeen tot gevolg heeft dat brandende delen worden weggeslingerd en dat in dit geval door de ontploffing ook brand is ontstaan in een bak met paraplu’s die naast de voordeur van de woning stond. Het hof heeft aan het voorgaande de conclusie verbonden dat het ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat door die ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten zou zijn.
7.22
Naar mijn oordeel heeft het hof op basis van voormelde vaststellingen, mede gelet op hetgeen ik onder 7.5 tot en met 7.19 heb overwogen, tot het niet onbegrijpelijke oordeel kunnen komen dat het afsteken van een mortierbom/shell van drie inch – welke mortierbom/shell brandende delen wegslingert – bij de voordeur van de woning tot ontploffing is gekomen, ervoor heeft gezorgd dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de aanwezigen in de woning. Daaraan doet niet af dat de bewoners in geval van een ontploffing wakker zullen schrikken en een eventuele brand zullen opmerken, nu het er om gaat of het gevaar ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. In dit geval was zowel levensgevaar als zwaar lichamelijk letsel voor aanwezigen in de woning te duchten wegens brand en rondvliegend glas.
7.23
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

8.Het vijfde middel

8.1
Het vijfde middel richt zich tegen het in de zaak met parketnummer 05-780029-21 onder 3 bewezenverklaarde en bevat de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake was van te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
8.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-780029-21 onder 3 bewezenverklaard dat:
“ [medeverdachte 8] en [getuige 1] op 4 november 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht bij een woning (perceel [h-straat 1] ) door naar die woning (waar op dat moment de bewoners [aangever 1] en diens vrouw verbleven te gaan en een mortierbom/shell te plaatsen bij de voordeur van die woning en de lont van die mortierbom/shell aan te steken waarbij die mortierbom nabij die woning tot ontploffing is gekomen, ten gevolge waarvan de voordeur van die woning beschadigd is geraakt en gemeen gevaar voor (de inboedel van) die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de aanwezige bewoner(s) van die woning en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die bewoners te duchten was,
welk feit door verdachte in de periode van 1 november 2020 tot en met 4 november in Nederland tezamen en in vereniging met een ander door beloften en door het verschaffen van middelen en inlichtingen, opzettelijk is uitgelokt, immers hebben verdachte en zijn mededader
-
Het plan opgevat om een ontploffing bij de woning van die [aangever 1] teweeg te brengen en
-
een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld als dit feit gepleegd zou worden en
-
adresgegevens van die [aangever 1] doorgegeven en
-
die [medeverdachte 8] en/of die [getuige 1] benaderd voor het uitvoeren van dat plan en
-
(een) (mortier)bom ter beschikking gesteld aan die [medeverdachte 8] en/of die [getuige 1] en
-
instructies gegeven aan die [medeverdachte 8] en/of die [getuige 1] over hoe het teweegbrengen van die ontploffing bij de woning van die [aangever 1] uitgevoerd zou moeten worden (gebruik van mortierbom).”
8.3
Het hof heeft het ten aanzien van deze bewezenverklaring op PROMIS-wijze overwogen (met weglating van voetnoten):
“3.4.3.9. 4 november 2020: aanslag in [plaats] (05/780029-21, feit 3)[aangever 1] woonde op het adres [h-straat 1] in [plaats] en was op 4 november 2020 thuis, samen met zijn vrouw. Omstreeks 23.10 uur hoorde de aangever een harde knal. Het glas van de voordeur was kapot. Het glas lag zowel buiten als binnen in de woning. De politie heeft op 5 november 2020 omstreeks 00.30 uur ter plaatse forensisch onderzoek verricht. In de bosschages rechts bij de voordeur van de woning werd een krater aangetroffen. De verbalisanten hebben mede uit de omstandigheid dat het glas van de voordeur in de woning was geslagen afgeleid dat het een reële situatie was dat het explosief naar binnen zou slaan. Dat had letsel kunnen veroorzaken bij de bewoners als zij zich op dat moment in de hal bevonden.
Het adres van de woning waar de aanslag is gepleegd, komt voor op de eerder genoemde personeelslijst van [A] die in het onderzoek Maldiven in het dossier is gevoegd.
Uitvoerders ( [medeverdachte 8] en [getuige 1] )[getuige 1] heeft verklaard dat hijzelf en ‘ [medeverdachte 8] ' (het hof begrijpt: [medeverdachte 8] ) bij deze aanslag betrokken zijn geweest. [getuige 1] heeft gereden en [medeverdachte 8] heeft de shell aangestoken. Het betrof een 'shell 3' (het hof begrijpt: een shell van drie inch), die [medeverdachte 8] nog bij zich had van Hedel waar ze toen niets hadden gedaan.
[…]
[getuige 1] en [medeverdachte 8] zijn op 3 november 2020 omstreeks 00.28 uur door de politie gecontroleerd terwijl zij in het voertuig zaten met het [kenteken 2] . Die controle vond plaats in Hedel . [getuige 1] heeft daarover verklaard dat zij toen een shell van drie inch bij zich hadden met de bedoeling om die te laten afgaan bij de voordeur van een bepaalde woning. [getuige 1] en [medeverdachte 8] waren bij de woning wezen kijken en besloten daar geen aanslag te plegen, omdat ze het daar te druk vonden.
TussenconclusiesHet hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [medeverdachte 8] en [getuige 1] - gelet op het onderling gecoördineerde optreden van beiden en het feit dat de samenwerking tussen beiden inmiddels een zekere duurzaamheid had gekregen: tezamen en in vereniging - een ontploffing teweeg hebben gebracht bij de woning op het adres [h-straat 1] in [plaats] . Hierbij stelt het hof vast dat de gebruikte mortierbom/shell van drie inch tot ontploffing is gekomen bij de voordeur van die woning, wat het hof afleidt uit het kapotgaan van het glas in de voordeur en de krater in de bosschages bij de voordeur.
Naar het oordeel van het hof is door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Daarnaast is het hof van oordeel dat door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren. Ter onderbouwing van dit oordeel overweegt het hof het volgende. De uitvoerders van de aanslag hebben bij de voordeur van een woning een mortierbom van drie inch tot ontploffing gebracht. Die mortierbom was kennelijk krachtig genoeg om het glas in de voordeur te doen breken en naar binnen te laten slaan. Tijdens de ontploffing waren in de woning mensen aanwezig. Naar het oordeel van het hof was het in de gegeven omstandigheden een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de ontploffing zou plaatsvinden terwijl een van de bewoners zich nabij de voordeur zou bevinden of dat door de ontploffing in de woning brand zou zijn ontstaan. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een ontploffing van een mortierbom in het algemeen tot gevolg heeft dat brandende delen worden weggeslingerd en dat het een reële mogelijkheid was dat brandende delen door het breken van de ruit in de woning terecht zouden komen. Dat wordt ondersteund door de hierboven genoemde bevindingen van de politie ter plaatse dat er een reële mogelijkheid was dat het explosief in de woning zou slaan. Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat het ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat door die ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten zou zijn.”
8.4
Het middel klaagt, zoals aangegeven, dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat sprake was van te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Daartoe voert het middel aan dat het hof heeft overwogen dat de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de ontploffing zou plaatsvinden terwijl een van de bewoners zich nabij de voordeur zou bevinden, terwijl de ontploffing buiten de woning heeft plaatsgevonden en door het hof niet is vastgesteld dat tijdens die ontploffing buiten de woning mensen zich in de nabijheid daarvan bevonden. Verder klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat door de ontploffing in de woning brand zou zijn ontstaan – gelet op het vorenstaande – niet zonder meer begrijpelijk is.
8.5
Voor het toepasselijke juridische kader verwijs ik naar randnummers 7.5 tot en met 7.17 van deze conclusie.
8.6
Het hof heeft vastgesteld dat de bewoners van de woning van het adres [h-straat 1] in [plaats] op 4 november 2020 omstreeks 23:10 uur samen thuis waren en een harde knal hoorden, waarbij zij zagen dat het glas van de voordeur kapot was. Verder is vastgesteld dat het glas zowel buiten als binnen in de woning lag en de politie bij het forensische onderzoek in de bosschages rechts bij de voordeur van de woning een krater aantroffen. Mede uit de omstandigheid dat het glas van de voordeur in de woning was geslagen hebben zij afgeleid dat het een reële situatie was dat het explosief naar binnen zou slaan, wat letsel had kunnen veroorzaken bij de bewoners als zij zich op dat moment in de hal bevonden. Het hof heeft verder vastgesteld dat de gebruikte mortierbom/shell van drie inch tot ontploffing is gekomen bij de voordeur van die woning, wat het hof afleidt uit het kapotgaan van het glas in de voordeur en de krater in de bosschages bij de voordeur. Door de ontploffing is naar het oordeel van het hof gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt.
8.7
Het hof heeft verder geoordeeld dat de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren. Daartoe heeft het hof overwogen dat de uitvoerders van de aanslag bij de voordeur van een woning een mortierbom van drie inch tot hebben ontploffing gebracht, die kennelijk krachtig genoeg was om het glas in de voordeur te doen breken en naar binnen te laten slaan. Het hof heeft verder vastgesteld dat tijdens de ontploffing in de woning mensen aanwezig waren. Naar het oordeel van het hof was het in de gegeven omstandigheden een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de ontploffing zou plaatsvinden terwijl een van de bewoners zich nabij de voordeur zou bevinden of dat door de ontploffing in de woning brand zou zijn ontstaan. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een ontploffing van een mortierbom in het algemeen tot gevolg heeft dat brandende delen worden weggeslingerd en dat het een reële mogelijkheid was dat brandende delen door het breken van de ruit in de woning terecht zouden komen, hetgeen wordt ondersteund door de bevindingen van de politie ter plaatse dat er een reële mogelijkheid was dat het explosief in de woning zou slaan. Het hof heeft aan het voorgaande de conclusie verbonden dat het ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat door die ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten zou zijn.
8.8
Naar mijn oordeel heeft het hof ook hier op basis van die vaststellingen tot het niet onbegrijpelijke oordeel kunnen komen dat het afsteken van een mortierbom/shell van drie inch – welke mortierbom/shell brandende delen wegslingert – bij de voordeur van de woning van de slachtoffers tot ontploffing is gekomen, ervoor heeft gezorgd dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is voor de aanwezigen in de woning. De overweging dat door de ontploffing een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat door de ontploffing bij de voordeur, in de woning brand zou ontstaan draagt dit oordeel zelfstandig. Daaraan doet niet af dat door de bewoner door de ontploffing wakker zullen schrikken en de brand zullen opmerken. [37]
8.9
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

9.Het zesde en zevende middel

9.1
Het zesde en zevende middel richten zich tegen het in de zaak met parketnummer 05-780001-21 onder 3 bewezenverklaarde. Het zesde middel bevat de klacht dat de bewijsvoering van het hof met betrekking tot het voorwaardelijk opzet op de dood innerlijk tegenstrijdig is. Het zevende middel richt zich in het bijzonder tegen de bewezenverklaring van uitlokking van poging tot moord. Ten behoeve van de bespreking van beide middelen geef ik eerst de betreffende bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof weer.
9.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-780001-21 onder 3 bewezenverklaard dat:
“ [betrokkene 10] op 23 november 2020 te [plaats] , ter uitvoering van het door die [betrokkene 10] voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde 3] en [benadeelde 4] van het leven te beroven na kalm beraad en rustig overleg,
-
naar de woning van die [benadeelde 3] en die [benadeelde 4] ( [i-straat 1] ) is gereden en
-
een steen met die aangestoken/brandende explosieve stof tegen een slaapkamerraam van die woning, waar die [benadeelde 3] en die [benadeelde 4] op dat moment lagen te slapen/verbleven, heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welk feit door verdachte in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 23 november 2020 in Nederland door beloften en door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk is uitgelokt, immers heeft verdachte
-
een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld of laten stellen als dit feit gepleegd zou worden en
-
adresgegevens van die [benadeelde 3] en die [benadeelde 4] doorgegeven of laten doorgeven en
-
die [betrokkene 10] benaderd of laten benaderen voor het uitvoeren van het plan en
-
instructies gegeven of laten geven aan die [betrokkene 10] (gebruik van explosieve middelen).”
9.3
Het hof heeft het ten aanzien van deze bewezenverklaring op PROMIS-wijze overwogen (met weglating van voetnoten):
“3.4.3.14. 23 november 2020: aanslag in [plaats] (05/780001-21, feit 3 en 4)
[aangever 2] heeft aangifte gedaan van een incident bij haar woning op het adres [i-straat 1] in [plaats] . Op 23 november 2020 lagen de aangeefster en haar vriend ( [benadeelde 4] ) in de slaapkamer, die zich bevond op de begane grond aan de straatzijde. Omstreeks 02.05 uur werd de aangeefster wakker van een luide knal. Meteen na de knal hoorde zij glasgerinkel. De vriend van de aangeefster vertelde haar dat hij vóór de luide knal een soort gebonk op het slaapkamerraam had gehoord.
Op camerabeelden is te zien dat op 23 november 2020 omstreeks 02.05 uur twee personen voor de woning stonden. Een van die personen had een lichtkleurig voorwerp in zijn hand, waarbij het volgens de verbalisant mogelijk ging om een plastic tas. De andere persoon stak dat voorwerp in brand, waarbij volgens de verbalisant vermoedelijk een lont werd aangestoken. Vervolgens werd het brandende voorwerp in de richting van de voorgevel van de woning gegooid. Twaalf seconden na het aansteken en gooien vond een explosie plaats. Vier seconden later volgde wederom een explosie, waarbij glasgerinkel te horen is en veel vuurwerk te zien.
De politie heeft op 23 november 2020 om 13.20 uur forensisch onderzoek verricht op de plaats van het incident. De politie vernam toen van [benadeelde 4] dat in de tuin een onbekende steen is aangetroffen en dat hij die nacht wakker was geworden van een bonkgeluid tegen het slaapkamerraam, dat hij vervolgens het vallen van een steen op de bestrating hoorde en dat daarna een luide explosie te horen was en het slaapkamerraam brak en siervuurwerk te zien was. Verder toonde [benadeelde 1] camerabeelden, waarop de verbalisant heeft waargenomen dat twee personen voor de woning staan, een object lijken aan te steken en dat richting de raampartij in de buitengevel gooien. Volgens de verbalisant lijkt het object lijkt af te ketsen tegen een van de ruiten en vervolgens te vallen op de bestrating voor de voorgevel. Vervolgens deed de verbalisant de volgende bevindingen. In de tuin voor de voorgevel lag een stuk natuursteen met een gewicht van ongeveer 2,4 kilogram. Op de bestrating in de voortuin direct voor de voorgevel lag gebroken glas. Diezelfde plek op de bestrating was beroet. De buitenste ruit van het dubbelglas in het raamkozijn was gebroken. De zinken dakgoot, die ongeveer 2,5 meter boven het beroete deel van de bestrating hing, bevatte een perforatie die van onderaf was ontstaan. De auto, die op ongeveer vier meter afstand van het beroete deel van de bestrating stond, bevatte een metaalvervorming. De politie concludeerde dat een explosie heeft plaatsgevonden direct voor de raampartij in de voorgeval van de woning waarachter een slaapkamer gesitueerd was. Volgens de verbalisant is het zeer wel mogelijk dat het ontplofte explosief zwaar siervuurwerk betrof, zoals een mortierbom.
[…]
[betrokkene 10] is de foto getoond van de persoon die achterin die auto zat. [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij die persoon is. [betrokkene 10] heeft verder verklaard dat hij een pakketje voor de woning in [plaats] heeft gegooid. Hij zou daarvoor € 200,- krijgen. Het pakketje zat in een witte plastic tas. [betrokkene 10] dacht dat in die tas ‘een nitraat of iets dergelijks' zat. Iemand anders had de lont van het pakketje aangestoken. [betrokkene 10] heeft erkend dat hij op 23 november 2020 om 00.47 uur op zijn telefoon in Google Maps heeft gezocht naar ‘ [j-straat 1] ’ en vervolgens het adres [j-straat 1] in [plaats] heeft geselecteerd. De telefoon van [betrokkene 10] is gebruikt om naar dat adres te navigeren.
[betrokkene 11] is de foto getoond van de persoon die als bijrijder in de auto zat. [betrokkene 11] heeft erkend dat hij die persoon is. [betrokkene 11] heeft verder verklaard dat hij één van de twee personen is die te zien zijn op de genoemde camerabeelden bij de woning waar de ontploffing heeft plaatsgevonden en dat hij, [betrokkene 11] , een lont heeft aangestoken.
Tussenconclusies
Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [betrokkene 12] , [betrokkene 10] en [betrokkene 11] tezamen en in vereniging een ontploffing teweeg hebben gebracht bij de woning op het adres [i-straat 1] in [plaats] . [betrokkene 12] heeft de auto bestuurd waarin het drietal naar de plaats van het misdrijf is gereden. [betrokkene 10] en [betrokkene 11] zijn uit de auto geweest en naar de woning gegaan, waar [betrokkene 11] de lont heeft aangestoken en [betrokkene 10] het explosief naar de woning heeft gegooid. Bovendien heeft voorafgaand aan het teweegbrengen van de ontploffing door [betrokkene 12] , [betrokkene 10] en [betrokkene 11] een verkenning plaatsgevonden van de (omgeving van de) plaats van het misdrijf, wat het hof afleidt uit het herhaaldelijk rijden over de [k-straat] en de [l-straat] tussen 01.28 en 01.41 uur. Daarnaast heeft [betrokkene 12] gewacht in de auto teneinde de vlucht voor zijn mededaders mogelijk te maken. Op grond van al deze feiten en omstandigheden blijkt dat er een nauwe en bewuste samenwerking tussen alle drie de verdachten was.
Naar het oordeel van het hof is door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Verder is het hof van oordeel dat:
-
door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren en
-
de bijdrage aan de ontploffing van in ieder geval [betrokkene 10] moet worden aangemerkt als een poging tot moord.
Ter onderbouwing van deze oordelen overweegt het hof het volgende.
Het hof stelt vast dat gebruik is gemaakt van een explosief dat blijkbaar krachtig genoeg was om vanaf de grond de buitenste ruit van het dubbelglas van de slaapkamer te doen breken, een perforatie te veroorzaken in een zinken dakgoot die 2,5 meter van het explosief verwijderd was en een metaalvervorming te bewerkstelligen in een auto die op vier meter afstand van het explosief stond.
Daarnaast stelt het hof vast dat het explosief tegen de ruit van de slaapkamer in de voorgevel is gegooid. Dit leidt het hof in het bijzonder af uit de volgende onderzoeksresultaten, bezien in onderlinge samenhang. Voorafgaand aan de luide knal hoorde [benadeelde 1] een soort gebonk op de ruit en daarna iets vallen op de bestrating. De politieambtenaar die ter plaatste forensisch onderzoek heeft verricht, heeft camerabeelden bekeken waarop het incident te zien is en heeft daarop waargenomen dat het explosief richting de raampartij van de woning werd gegooid en dat het erop lijkt dat het explosief is afgeketst tegen een van de ruiten en op de bestrating voor de voorgevel is gevallen. Ook de omstandigheid dat het explosief verzwaard was met een steen, vormt naar het oordeel van het hof een aanwijzing dat het de bedoeling was dat het explosief door een ruit zou worden gegooid. Dat het explosief verzwaard was met een steen, leidt het hof af uit de volgende onderzoeksresultaten, bezien in onderlinge samenhang. [benadeelde 1] heeft verklaard na het bonkgeluid tegen het slaapkamerraam iets te hebben gehoord dat klonk als het vallen van een steen op de bestrating. Daarnaast is kort na de explosie in de voortuin direct voor de voorgevel, dus bij de plek van de ontploffing, een steen aangetroffen met een gewicht van ongeveer 2,4 kilogram. Verder zat het explosief in een plastic tas, wat er naar het oordeel van het hof op duidt dat het explosief gebundeld was met een ander voorwerp.
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat [betrokkene 10] een krachtig explosief, dat verzwaard was met een steen van ongeveer 2,4 kilo, tegen een ruit van de slaapkamer in de voorgevel van de woning heeft gegooid.
Poging tot moord
Uit de uiterlijke verschijningsvorm leidt het hof af dat het kennelijk de bedoeling was dat het (verzwaarde) explosief door de woningruit heen zou gaan, vervolgens in de woning tot ontploffing zou komen en daar zou hebben geleid tot een woningbrand of andersoortige levensgevaarlijke situatie waarbij een dodelijke afloop voor de personen die in die woning aanwezig waren een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was. Naar het oordeel van het hof is het ook algemeen bekend dat een ontploffing van een krachtig explosief binnen in een woning - vanwege de specifieke combinatie van een uitzonderlijk grote gevaarzetting en de veelal volstrekte onvoorspelbaarheid van de precieze situatie in de woning op het moment van en direct na de ontploffing - gepaard gaat met de reële mogelijkheid dat dit leidt tot de dood van de personen die tijdens die ontploffing in de woning aanwezig zijn. [betrokkene 10] heeft wellicht niet geweten dat achter het raam waartegen het explosief werd gegooid een slaapkamer gesitueerd was waarin op dat moment personen lagen te slapen, maar naar het oordeel van het hof is er geen enkele reden om aan te nemen dat hij geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat in de woning mensen aanwezig waren. Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) [betrokkene 10] zich ervan bewust is geweest dat het gooien van het verzwaarde explosief door de woningruit zou leiden tot een aanmerkelijke kans op het overlijden van de personen die in die woning aanwezig waren. Verder is het hof van oordeel dat de gedraging van [betrokkene 10] , het gooien van een verzwaard krachtig explosief tegen de woningruit, zozeer gericht was op het veroorzaken van het overlijden van de personen in die woning, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat [betrokkene 10] de aanmerkelijke kans op het overlijden van die personen bewust heeft aanvaard.
In het voorgaande ligt besloten dat het hof van oordeel is dat de onderhavige woningaanslag moet worden aangemerkt als een poging tot moord, begaan tegen de personen die op dat moment in die woning aanwezig waren. Het hof acht immers ook bewezen dat [betrokkene 10] door het explosief tegen de woningruit te gooien, heeft gehandeld met voorbedachte raad. Hij is vanuit de omgeving van [plaats] met een explosief naar de plaats van het misdrijf gegaan om daar dat explosief tot ontploffing te laten komen in een woning. Deze gang van zaken getuigt van een planmatige aanpak. Het hof leidt hieruit af dat [betrokkene 10] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit om een explosief in een woning tot ontploffing te laten komen. [betrokkene 10] heeft dus de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan rekenschap te geven.
Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezigen in de woning
Uit het vorenstaande volgt tevens dat het ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat door die ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten zou zijn voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren.”
Het zesde middel
9.4
Het zesde middel klaagt dat de bewijsvoering van het hof innerlijk tegenstrijdig is, nu de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 10] – inhoudende dat hij een pakketje voor de woning in [plaats] heeft gegooid, dat dit pakketje in een witte plastic tas zat en dat hij dacht dat in die tas ‘een nitraat of iets dergelijks' zat – zich niet verhoudt met het bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet op dodelijk letsel, in het bijzonder omdat de vaststelling dat een ‘verzwaard’ explosief tegen de ruit is gegooid, zich niet met deze verklaring verhoudt.
9.5
Het hof heeft voor het bewijs de verklaring van [betrokkene 10] gebruikt die inhoudt dat hij dacht dat in de witte plastic tas die hij voor de woning in [plaats] heeft gegooid ‘een nitraat of iets dergelijks' zat. Het hof heeft daarnaast – dus los van de verklaring van [betrokkene 10] – vastgesteld dat het explosief dat tegen de ruit van de woning is gegooid, verzwaard was.
9.6
Anders dan de stellers van het middel ben ik van mening dat het gebruik van voormelde verklaring van [betrokkene 10] geen innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijsvoering oplevert. De verklaring over de inhoud van de tas is door de toevoeging ‘of iets dergelijks’ immers niet erg precies en sluit niet uit dat aan het voorwerp in de plastic tas ter verzwaring een steen was verbonden. Bovendien houdt de verklaring niets in over het gewicht van de inhoud van de tas.
9.7
Het middel faalt.
Het zevende middel
9.8
Het zevende middel richt zich – zoals al aangegeven – tegen de bewezenverklaring van uitlokking van poging tot moord. Het bevat allereerst de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat er sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood. Daarnaast bevat het de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het uitlokken van de poging tot moord.
9.9
Het hof heeft vastgesteld dat er gebruik is gemaakt van een explosief dat blijkbaar krachtig genoeg was om vanaf de grond de buitenste ruit van het dubbelglas van de slaapkamer te doen breken, een perforatie te veroorzaken in een zinken dakgoot die 2,5 meter van het explosief verwijderd was en een metaalvervorming te bewerkstelligen in een auto die op vier meter afstand van het explosief stond. Het hof heeft ook vastgesteld dat het explosief tegen de ruit van de slaapkamer is gegooid, maar daarop is afgeketst. Het hof heeft tevens de omstandigheid dat het explosief verzwaard was met een steen van 2,4 kilogram als aanwijzing opgevat dat het de bedoeling was dat het explosief door een ruit zou worden gegooid. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte [betrokkene 10] een krachtig explosief, dat verzwaard was met een steen van ongeveer 2,4 kilo, tegen een ruit van de slaapkamer in de voorgevel van de woning heeft gegooid. Uit de uiterlijke verschijningsvorm heeft het hof vervolgens de kennelijke bedoelding afgeleid dat het (verzwaarde) explosief door de woningruit heen zou gaan, vervolgens in de woning tot ontploffing zou komen en daar zou hebben geleid tot een woningbrand of andersoortige levensgevaarlijke situatie waarbij een dodelijke afloop voor de personen die in die woning aanwezig waren een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was. Daarbij heeft het hof geoordeeld dat het algemeen bekend is dat een ontploffing van een krachtig explosief binnen in een woning – vanwege de specifieke combinatie van een uitzonderlijk grote gevaarzetting en de veelal volstrekte onvoorspelbaarheid van de precieze situatie in de woning op het moment van en direct na de ontploffing – gepaard gaat met de reële mogelijkheid dat dit leidt tot de dood van de personen die tijdens die ontploffing in de woning aanwezig zijn.
9.1
Op basis van de voornoemde vaststellingen heeft het hof zonder meer tot het oordeel kunnen komen dat met het gooien van het (verzwaarde) explosief de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel heeft bestaan. Immers, het gooien van een (aangestoken) krachtig explosief dat is verzwaard met een steen van 2,4 kilogram in de richting van c.q. tegen een woningruit (van de slaapkamer) levert een aanmerkelijke kans op de dood op. Anders dan de stellers van het middel menen, doet de omstandigheid dat het verzwaarde explosief is afgeketst van de ruit van de woning daar niet aan af aangezien een poging tot moord bewezen is verklaard. Daarbij heeft het hof ook – wederom anders dan de stellers van het middel menen – weldegelijk vaststellingen gedaan over de kracht van het explosief.
9.11
Het middel klaagt verder dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte dit feit opzettelijk heeft uitgelokt, meer in het bijzonder dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat het opzet van de verdachte mede betrekking had op het gooien van een steen en aangestoken/brandende explosieve stof tegen een slaapkamerraam.
9.12
Met betrekking tot het uitlokken van de aanslag door onder meer de verdachte heeft het hof overwogen:
“[…]
Cluster 2 (uitvoerders: onder meer [betrokkene 10] en [betrokkene 12] )
Wat betreft de (voltooide) woningaanslagen van 23 en 25 november 2020 concludeert het hof dat [verdachte] die aanslagen heeft uitgelokt. Ook wat betreft de verijdelde eerste woningaanslag in [plaats] (activiteiten van 16 en 17 december 2020) concludeert het hof dat [verdachte] de op die beoogde aanslag gerichte voorbereidingshandelingen heeft uitgelokt. Dat uitlokken gebeurde in ieder geval door telkens een adres te verstrekken met de opdracht daar een aanslag te plegen en door de uitvoerders daarvoor een financiële beloning in het vooruitzicht te stellen.
Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat de opdracht van [verdachte] er bij de Cluster 2-feiten telkens toe strekte dat een explosief in de woning tot ontploffing zou worden gebracht. Dit leidt het hof in de eerste plaats af uit de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de opdracht. Het hof heeft geconcludeerd dat de aanslagen van 23 en 25 november 2020 erop gericht waren een explosief in de woning tot ontploffing te laten komen en dat dit ook de bedoeling was bij de aanslag in [plaats] die werd voorbereid. Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat in de telefoonberichten naar [benadeelde 1] was aangekondigd dat de aanslagen meer schade zouden veroorzaken. Ook heeft [getuige 1] verklaard dat [verdachte] wilde dat het steeds extremer werd en dat na de aanslag in [plaats] de boodschap kwam dat meer schade moest worden veroorzaakt.
Naar het oordeel van het hof is het geven van een opdracht om een zwaar explosief in een woning tot ontploffing te laten komen zozeer gericht op het veroorzaken van de dood van de mensen die op dat moment in die woning aanwezig zijn, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat [verdachte] de aanmerkelijke kans op het overlijden van die aanwezigen bewust heeft aanvaard.”
9.13
Het hof heeft de verdachte aangemerkt als opdrachtgever van onder meer de aanslag op 23 november 2020 en heeft vastgesteld dat de opdracht van [verdachte] er bij de Cluster 2-feiten telkens toe strekte dat een explosief in de woning tot ontploffing zou worden gebracht, hetgeen het heeft afgeleid uit de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de opdracht, waarbij het in aanmerking heeft genomen dat in de telefoonberichten naar [benadeelde 1] was aangekondigd dat de aanslagen meer schade zouden veroorzaken en [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte wilde dat het steeds extremer werd en dat na de aanslag in [plaats] de boodschap kwam dat meer schade moest worden veroorzaakt. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het geven van een opdracht om een zwaar explosief in een woning tot ontploffing te laten komen zozeer is gericht op het veroorzaken van de dood van de mensen die op dat moment in die woning aanwezig zijn, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van die aanwezigen bewust heeft aanvaard.
9.14
Uit de – op bewijsmiddelen gebaseerde – vaststellingen van het hof, volgt daarmee in weerwil van de klacht voldoende uit de bewijsvoering dat de verdachte opzet heeft gehad op de wijze van uitvoering van de opdracht tot het plegen van de aanslag en daarmee op de wijze waarmee [betrokkene 10] deze aanslag heeft gepleegd.
9.15
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

10.Het achtste middel

10.1
Het achtste middel richt zich tegen het in de zaak met parketnummer 05-780001-21 onder 4 bewezenverklaarde en bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat sprake is van veroorzaakt levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner(s) van de woning waar een aanslag is gepleegd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen omkleed is.
10.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-780001-21 onder 4 bewezenverklaard dat:
“ [betrokkene 12] en [betrokkene 10] en [betrokkene 11] op 23 november 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht bij een woning ( [i-straat 1] ) door
-
naar die woning te rijden en
-
de lont van een zwaar explosieve stof aan te steken, en/of vervolgens
-
die aangestoken explosieve stof tegen een (slaapkamer)raam van die woning (perceel [i-straat 1] ) te gooien,
waarbij die explosieve stof onder een (slaapkamer)raam tot ontploffing is gekomen, ten gevolge waarvan het buitenste (slaapkamer)raam van die woning is vernield en daarvan gemeen gevaar voor (de inboedel van) die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de aanwezige bewoners van die woning, te weten [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [benadeelde 3] en die [benadeelde 1] te duchten was,
welk feit door verdachte in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 23 november 2020 in Nederland door beloften en door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk is uitgelokt, immers heeft verdachte
-
het plan opgevat om een ontploffing in de woning van die [benadeelde 3] en die [benadeelde 1] teweeg te brengen en
-
een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld of laten stellen als dit feit gepleegd zou worden en
-
adresgegeven van die [benadeelde 3] en die [benadeelde 1] doorgegeven of laten doorgeven
-
die [medeverdachte 5] en/of die [betrokkene 10] en/of die [betrokkene 11] benaderd of laten benaderen voor het uitvoeren van dat plan
-
instructies gegeven of laten geven aan die [betrokkene 10] en/of aan die [betrokkene 11] over hoe het teweegbrengen van die ontploffing in de woning van die [benadeelde 3] en/of die [benadeelde 1] uitgevoerd zou moeten worden (gebruik van explosieve middelen).”
10.3
Voor het toepasselijke juridische kader verwijs ik naar randnummer 7.5 tot en met 7.17 van deze conclusie.
10.4
Voor de bewijsoverwegingen van het hof verwijs ik naar randnummer 9.3 van deze conclusie. Het hof heeft vastgesteld dat gebruik is gemaakt van een explosief dat blijkbaar krachtig genoeg was om vanaf de grond de buitenste ruit van het dubbelglas van de slaapkamer te doen breken, een perforatie te veroorzaken in een zinken dakgoot die 2,5 meter van het explosief verwijderd was en een metaalvervorming te bewerkstelligen in een auto die op vier meter afstand van het explosief stond. Het hof heeft ook vastgesteld dat het explosief tegen de ruit van de slaapkamer is gegooid, maar daarop is afgeketst. Het hof heeft tevens de omstandigheid dat het explosief verzwaard was met een steen van 2,4 kilogram als aanwijzing opgevat dat het de bedoeling was dat het explosief door een ruit zou worden gegooid. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte [betrokkene 10] een krachtig explosief, dat verzwaard was met een steen van ongeveer 2,4 kilo, tegen een ruit van de slaapkamer in de voorgevel van de woning heeft gegooid. Uit de uiterlijke verschijningsvorm heeft het hof vervolgens de kennelijke bedoeling afgeleid dat het (verzwaarde) explosief door de woningruit heen zou gaan, vervolgens in de woning tot ontploffing zou komen en daar zou hebben geleid tot een woningbrand of andersoortige levensgevaarlijke situatie waarbij een dodelijke afloop voor de personen die in die woning aanwezig waren een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was. Daarbij heeft het hof geoordeeld dat het algemeen bekend is dat een ontploffing van een krachtig explosief binnen in een woning – vanwege de specifieke combinatie van een uitzonderlijk grote gevaarzetting en de veelal volstrekte onvoorspelbaarheid van de precieze situatie in de woning op het moment van en direct na de ontploffing – gepaard gaat met de reële mogelijkheid dat dit leidt tot de dood van de personen die tijdens die ontploffing in de woning aanwezig zijn.
10.5
Het middel klaagt onder meer dat het hof heeft geredeneerd vanuit het hypothetische scenario dat het explosief door de ruit was gegaan, terwijl het hof niet heeft vastgesteld dat aannemelijk was dat het explosief daadwerkelijk door de ruit zou zijn gegaan en ‘meer in het bijzonder’ vaststellingen van het hof ontbreken over de kracht van het explosief, waardoor het oordeel dat het gooien van een (zwaar) explosief tegen de ruit van het slaapkamerraam de aanmerkelijke kans op de dood oplevert, onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed. Het middel gaat er hierbij aan voorbij dat is bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de uitlokking van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing waarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Zoals blijkt uit hetgeen ik onder randnummer 7.5 tot en met 7.17 van deze conclusie heb vermeld, is voor de bewezenverklaring van het betreffende gevaar slechts vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat het betreffende gevaar ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels ‘voorzienbaar’ is geweest.
10.6
Daarbij heeft het hof op basis van de vaststellingen dat het explosief verzwaard was met een natuursteen van 2,4 kilogram de bewijsconclusie kunnen trekken dat het aannemelijk was dat dit explosief door de ruit van de slaapkamer zou gaan bij het gooien daarvan in die richting. Tevens heeft het hof anders dan de stellers van het middel kennelijk menen in zijn bewijsoverwegingen weldegelijk nadere vaststellingen gedaan over de kracht van het explosief. In dat verband heeft het hof overwogen dat gebruik is gemaakt van een explosief dat blijkbaar krachtig genoeg was om vanaf de grond de buitenste ruit van het dubbelglas van de slaapkamer te doen breken, een perforatie te veroorzaken in een zinken dakgoot die 2,5 meter van het explosief verwijderd was en een metaalvervorming te bewerkstelligen in een auto die op vier meter afstand van het explosief stond.
10.7
Het middel klaagt verder dat het oordeel van het hof dat ‘gebruik is gemaakt van een explosief dat blijkbaar krachtig genoeg was om vanaf de grond de buitenste ruit van het dubbelglas van de slaapkamer te doen breken, een perforatie te veroorzaken in een zinken dakgoot die 2,5 meter van het explosief verwijderd was en een metaalvervorming te bewerkstelligen in een auto die op vier meter afstand van het explosief stond’, onvoldoende redengevend is voor zijn oordeel dat door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in de woning aanwezig waren. Hierin kan ik de stellers van het middel niet volgen, nu het hof hiermee vaststellingen heeft gedaan over de aard en kracht van het explosief en dat heeft kunnen en mogen betrekken bij zijn oordeel dat de teweeggebrachte ontploffing zodanig was dat daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
10.8
Het middel faalt.

11.Het negende middel

11.1
Het negende middel richt zich tegen het in de zaak met parketnummer 05-780001-21 onder 5 bewezenverklaarde. Het klaagt allereerst over het aannemen door het hof van de aanmerkelijke kans op de dood van personen die tijdens de ontploffing in de woning aanwezig waren. Daarnaast klaagt het middel over het bewezenverklaarde opzet van de verdachte op de dood van de bewoners van de woning waar de aanslag plaatsvond.
11.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-780001-21 onder 5 bewezenverklaard dat:
“ [betrokkene 10] op 25 november 2020 te Hedel ter uitvoering van het door die [betrokkene 10] voorgenomen misdrijf om [aangever 3] en [benadeelde 5] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven
-
naar de woning van die [aangever 3] en die [benadeelde 5] ( [f-straat 1] ) is gereden en
-
de lont van een zwaar explosieve stof heeft aangestoken en
-
de lont van een zwaar explosieve stof heeft aangestoken en vervolgens
-
die aangestoken stof met kracht door een raam van die woning, waar die [aangever 3] en die [benadeelde 5] op dat moment verbleven, heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welk feit door verdachte, in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 25 november 2020 in Nederland door beloften en door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk is uitgelokt, immers heeft verdachte
-
een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld of laten stellen als dit feit gepleegd zou worden en
-
adresgegevens van die [aangever 3] en die [benadeelde 5] doorgegeven of laten doorgeven en
-
die [betrokkene 10] benaderd of laten benaderen voor het uitvoeren van het plan en
-
instructies gegeven of laten geven aan die [betrokkene 10] (gebruik van explosieve middelen).”
11.3
Het hof heeft het ten aanzien van deze bewezenverklaring op PROMIS-wijze onder meer overwogen (met weglating van voetnoten):
“3.4.3.15. 25 november 2020: aanslag in Hedel (05/780001-21, feit 5 en 6)
Op 25 november 2020 om 03.12 uur ontving de politie een melding van een woningbrand op het adres [f-straat 1] in Hedel .
[aangever 3] , die net als zijn broer [benadeelde 5] die nacht in die woning was, hoorde een heel harde knal. Kort daarna hoorde de aangever een tweede harde knal. Kort erna riep zijn broer dat er brand was. De aangever zag vuur en rook, die van beneden kwam. Kort daarna is de aangever uit een raam geklommen en via de partytent naar beneden geklommen.
[benadeelde 5] is die nacht wakker geworden van glasgerinkel beneden. Kort daarna hoorde hij een geluid dat volgens hem klonk als een ontsteking of ontbranding. Even later hoorde hij een enorme klap. Kort daarna vulde het huis zich met dikke rook. [benadeelde 5] is vanaf de eerste verdieping uit een raam gesprongen en kwam terecht in het gras. Door de brand en de sprong heeft [aangever 3] verschillende soorten letsel opgelopen, waaronder een diepe hoofdwond, tweedegraads brandwonden op zijn rechterarm en een breuk van zijn rechterpols.
De politie heeft later die dag forensisch onderzoek verricht en geconcludeerd dat de brand is ontstaan in de linker voorkamer van de woning. De ruit van de linkerkamer was eruit geblazen. Op het gras in de voortuin werd glas aangetroffen, tot 23 meter bij de woning vandaan. Uit de breuken van het glas leidde de politie af dat het glas kapot was gegaan door geweld, bijvoorbeeld door een explosie. Aan beide zijden van het glas in de voortuin was geen afzetting van roet zichtbaar, wat er volgens de politie op duidt dat de ruit voorafgaand aan de brand al kapot was. De politie concludeerde dat een ontploffing, bijvoorbeeld door zwaar vuurwerk, zeer aannemelijk is.
[betrokkene 10] heeft verklaard dat hij met iemand naar Hedel is gereden omdat daar weer een pakketje naar een woning moest worden gegooid. […]
[…]
Tussenconclusies
Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [betrokkene 12] en [betrokkene 10] tezamen en in vereniging een ontploffing teweeg hebben gebracht op het adres [f-straat 1] in Hedel . [betrokkene 12] heeft de auto bestuurd waarin het tweetal naar de plaats van het misdrijf is gereden. Voorafgaand aan het teweegbrengen van de ontploffing heeft een verkenning plaatsgevonden van de (omgeving van de) plaats van het misdrijf, wat het hof afleidt uit de aanwezigheid van de auto van [betrokkene 12] op niet meer dan enkele honderden meters van de plaats van het misdrijf tussen 01.23 en 01.37 uur.
Het hof stelt vast dat het explosief door de ruit in de voorgevel bij de linker voorkamer is gegooid en dat het explosief daarna in die linker voorkamer tot ontploffing is gekomen. Dit leidt het hof in het bijzonder af uit de volgende onderzoeksresultaten, bezien in onderlinge samenhang. Ten eerste heeft [benadeelde 5] voorafgaand aan de ‘enorme klap' glasgerinkel gehoord. Ten tweede zijn in de voortuin van de woning glasdelen zonder roetafzetting aangetroffen op een afstand van 23 meter van de woning. Naar het oordeel van het hof duiden deze bevindingen op een gang van zaken waarbij eerst het explosief door de ruit in de woning is gegooid en vervolgens dat explosief in de woning tot ontploffing is gekomen, waarbij die ontploffing ervoor heeft gezorgd dat glas dat nog in de geval zat bij de woning vandaan de voortuin in is geblazen.
Daarnaast stelt het hof vast dat het explosief tegen de ruit is gegooid met de bedoeling het explosief in de woning tot ontploffing te laten komen. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat:
-
twee dagen eerder (op 23 november 2020) door dezelfde dadergroep de hiervóór behandelde woningaanslag in [plaats] is gepleegd, waarbij is geprobeerd een (met een steen verzwaard) explosief door een woningruit te gooien en in een woning tot ontploffing te laten komen, en
-
de afperser van [benadeelde 1] - naar het oordeel van het hof ook de opdrachtgever van de aanslagen - op 1 november 2020 heeft aangekondigd dat de aanslagen serieuzer zullen worden en op 14 november 2020 heeft aangekondigd dat als de aanslagen worden hervat de schade anders zal zijn.
Het hof is van oordeel dat:
-
door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren en
-
het teweegbrengen van de ontploffing moet worden aangemerkt als een poging tot moord.
Ter onderbouwing van deze oordelen overweegt het hof het volgende.
Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezigen in de woning
Naar het oordeel van het hof is door de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten geweest voor de personen die tijdens de ontploffing in die woning aanwezig waren. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt, want de ontploffing heeft geleid tot een woningbrand, waardoor een levensgevaarlijke situatie is ontstaan waarin de bewoners geen andere mogelijkheid zagen dan de woning te verlaten via een raamopening op de eerste verdieping. Naar het oordeel van het hof was dit gevaar ook naar algemene ervaringsregels voorzienbaar ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing.
Poging tot moord
Het hof is van oordeel dat door de ontploffing in de woning een aanmerkelijke kans is ontstaan op het overlijden van de twee personen die in de woning aanwezig waren. De ontploffing heeft geleid tot een woningbrand, waardoor een levensgevaarlijke situatie is ontstaan waarin de bewoners geen andere mogelijkheid zagen dan de woning te verlaten via een raamopening op de eerste verdieping. Naar het oordeel van het hof is het ook algemeen bekend dat een ontploffing van een krachtig explosief binnen in een woning - zoals eerder opgemerkt: vanwege de specifieke combinatie van een uitzonderlijk grote gevaarzetting en de veelal volstrekte onvoorspelbaarheid van de precieze situatie in de woning op het moment van en direct na de ontploffing - gepaard gaat met de reële mogelijkheid dat dit leidt tot de dood van de personen die tijdens die ontploffing in de woning aanwezig zijn. Op basis van het voorgaande komt het hof tot de (tussen)conclusie dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) de persoon die het explosief in de woning tot ontploffing heeft laten komen (hierna: de uitvoerder) zich ervan bewust is geweest dat die ontploffing zou leiden tot een aanmerkelijke kans op het overlijden van de personen die (mogelijk) in die woning aanwezig waren. Verder is het hof van oordeel dat de gedraging van de uitvoerder, het gooien van een krachtig explosief tegen de woningruit met de kennelijke bedoeling het explosief in de woning tot ontploffing te laten komen, zozeer gericht was op het veroorzaken van het overlijden van de personen in die woning, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de uitvoerder de aanmerkelijke kans op het overlijden van die personen bewust heeft aanvaard.
In het voorgaande ligt besloten dat het hof van oordeel is dat de onderhavige woningaanslag moet worden aangemerkt als een poging tot moord, begaan tegen de personen die op dat moment in die woning aanwezig waren. Het hof acht namelijk ook bewezen dat is gehandeld met voorbedachte raad. De pleger is vanuit de omgeving van [plaats] met een explosief naar de vooraf vastgestelde plaats van het misdrijf gegaan om daar een explosief in een woning tot ontploffing te laten komen. Deze gang van zaken getuigt van een planmatige aanpak. Het hof leidt daaruit af dat de pleger zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit om een explosief in een woning tot ontploffing te laten komen. Die persoon heeft dus de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan rekenschap te geven.”
11.4
Het middel klaagt – zoals al aangegeven – allereerst over het aannemen door het hof van de aanmerkelijke kans op de dood van personen die tijdens de ontploffing in de woning aanwezig waren. De stellers van het middel voeren aan dat het hof niet heeft vastgesteld dat de bewoners zich ten tijde van de ontploffing ophielden in het vertrek waar het vuurwerk is afgegaan en geen nadere vaststellingen heeft gedaan over de kracht van het zware explosief, zodat zijn oordeel dat het gooien van een zwaar explosief tegen/door de ruit van een woonkamerraam de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel oplevert, onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed is. Tevens wordt aangevoerd dat het in de nachtelijke uren gooien van vuurwerk in een vertrek op de begane grond waar op dat moment geen personen aanwezig zijn, niet een gedraging is die zozeer op de dood van de bewoners van die woning is gericht dat het niet anders kan dan dat de verdachten de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust hebben aanvaard. Het andersluidende oordeel van het hof zou dan ook onbegrijpelijk zijn en/of onvoldoende met redenen zijn omkleed.
11.5
Het oordeel van het hof is wat mij betreft echter niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het gooien van een zwaar explosief
doorde woonkamerruit van een woning – waardoor het explosief dus in de woonkamer terecht komt – levert zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood op voor de bewoners van die woning. Dat de bewoners zich ten tijde van de ontploffing niet in die bewuste woonkamer bevonden, doet daaraan – gelet op de aard en impact van het explosief – niet af. [38] In het licht van dat vorenstaande doet aan de begrijpelijkheid van dat oordeel evenmin af dat het vuurwerk in de nachtelijke uren in een vertrek is gegooid waar op dat moment geen personen aanwezig waren. Die gedragingen heeft het hof in mijn visie niet onbegrijpelijk aangemerkt als zozeer gericht is op de dood van de bewoners van die woning dat het niet anders kan dan dat de verdachten de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust hebben aanvaard.
11.6
Het middel klaagt verder nog dat het oordeel van het hof dat ‘het explosief tegen de ruit is gegooid met de bedoeling het explosief in de woning tot ontploffing te laten komen’, tegenstrijdig is met de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 10] waaruit volgt dat hij met iemand naar Hedel is gereden omdat een pakketje ‘naar een woning moest worden gegooid’, waardoor het oordeel dat de aanmerkelijke kans op de dood door de uitvoerder en de uitlokker bewust is aanvaard ook onbegrijpelijk is. Naar mijn oordeel berust deze klacht op een verkeerde lezing van het arrest, nu het hof de verklaring van [betrokkene 10] kennelijk heeft gebezigd om zijn betrokkenheid bij de aanslag te construeren. Daarmee heeft het hof niet overwogen of vastgesteld dat het van de verklaring van [betrokkene 10] met betrekking tot zijn ‘bedoeling’ uitgaat. Integendeel, nu het hof later heeft overwogen dat ‘de pleger vanuit de omgeving van [plaats] met een explosief naar de vooraf vastgestelde plaats van het misdrijf [is] gegaan om daar een explosief
in een woningtot ontploffing te laten komen’. Los van het vorenstaande sluit het gooien van zwaar vuurwerk ‘naar’ een woning niet uit dat is gehandeld met de bedoeling om het vuurwerk
inde woning tot ontploffing te laten komen.
11.7
Het middel klaagt in de laatste plaats dat het oordeel van het hof dat de uitlokker (de verdachte) de aanmerkelijke kans op de dood van de bewoners van de woning waar de aanslag is gepleegd, heeft aanvaard onbegrijpelijk is.
11.8
Voor hetgeen het hof met betrekking tot de rol van de verdachte bij deze woningaanslag heeft overwogen, verwijs ik naar hetgeen onder randnummer 9.12 van deze conclusie is weergegeven.
11.9
Gelet op de overwegingen die onder randnummer 9.12 van deze conclusie zijn weergegeven, heeft het hof de verdachte aangemerkt als opdrachtgever van onder meer de woningaanslag op 25 november 2020. Verder heeft het hof vastgesteld dat de opdracht van de verdachte er bij de Cluster 2-feiten [39] telkens toe strekte dat een explosief in de woning tot ontploffing zou worden gebracht, hetgeen het hof heeft afgeleid uit de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de opdracht, waarbij het in aanmerking heeft genomen dat in de telefoonberichten naar [benadeelde 1] was aangekondigd dat de aanslagen meer schade zouden veroorzaken en [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte wilde dat het steeds extremer werd en dat na de aanslag in [plaats] de boodschap kwam dat meer schade moest worden veroorzaakt. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het geven van een opdracht om een zwaar explosief in een woning tot ontploffing te laten komen zozeer is gericht op het veroorzaken van de dood van de mensen die op dat moment in die woning aanwezig zijn, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van die aanwezigen bewust heeft aanvaard.
11.1
Uit de – op bewijsmiddelen gebaseerde – vaststellingen van het hof, volgt daarmee in weerwil van de klacht voldoende uit de bewijsvoering dat de verdachte opzet heeft gehad op de wijze van uitvoering van de opdracht tot het plegen van de aanslag en daarmee op de wijze waarmee [betrokkene 10] deze aanslag heeft gepleegd.
11.11
Het middel faalt.

12.Het tiende middel

12.1
Het tiende middel richt zich tegen het in de zaak met parketnummer 05-780001-21 onder 7 bewezenverklaarde en klaagt dat het ‘te duchten levensgevaar’ met betrekking tot de (eerste) aanslag in de periode 15 december 2020 tot en met 22 december 2020, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid en uit die bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte dit opzettelijk heeft uitgelokt, althans de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard.
12.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-780001-21 onder 7 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 15 december 2020 tot en met 22 december 2020 in Nederland ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met anderen een ander door beloften, en door het verschaffen van middelen en inlichtingen te bewegen om een misdrijf te begaan, te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen in een woning (perceel [o-straat 1] te [plaats] ) met gemeen gevaar voor goederen te duchten, opzettelijk
-
een geldbedrag als beloning voor het plegen van voornoemd misdrijf in het vooruitzicht heeft gesteld en
-
adresgegevens van (een) bewoner(s) (van voornoemde woning) en
-
(een) (mortier)bom(men)/shell(s)/cobra(‘s) (in een zak op een verstopplek onder bladeren bij een specifieke boom in [plaats] en aangeduid in de communicatie tussen [medeverdachte 8] en [betrokkene 13] als ‘dingen’
bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf, te weten de uitlokking, niet is voltooid
EN
[betrokkene 12] en [betrokkene 10] in de periode van 13 december 2020 tot en met 17 december 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging ter voorbereiding van een of meer misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in een woning (perceel [o-straat 1] te [plaats] ) met gemeen gevaar voor goederen en met levensgevaar voor de bewoner(s) te duchten, opzettelijk
- een mortierbom (na de aanhouding van [betrokkene 10] op 17 december 2020 aangetroffen in diens slaapkamer) en
- een auto (Renault Clio, gekentekend [kenteken 3] , op naam en in gebruik bij [betrokkene 12] ),
bestemd tot het begaan van die misdrijven voorhanden hebben gehad,
welk feit hij, verdachte, in de periode van 8 december 2020 tot en met 17 december 2020 in Nederland door beloften of door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt door
-
adresgegevens ( [o-straat 1] te [plaats] ) aan die [betrokkene 12] en/of aan die [betrokkene 10] beschikbaar te (laten) stellen en
-
een geldelijke beloning aan die [betrokkene 12] en/of aan die [betrokkene 10] in het vooruitzicht te (laten) stellen.”
12.3
Het hof heeft het ten aanzien van deze bewezenverklaring overwogen (met weglating van voetnoten):
“3.4.3.18. 16-21 december 2020: verijdelde aanslagen in [plaats] (05/780001-21, feit 7)
[…]
16-17 december 2020: verijdelde aanslag 1 ( [betrokkene 10] en [betrokkene 12] )
[…]
Vanaf 01:04:51 uur
[medeverdachte 5] : kan je niet met papier verlengen? Want die lont is gevoelig toch?
[betrokkene 10] : ja maar als ik m gooi
Vanaf 01:05:11 uur
[medeverdachte 5] : wol, je moet wol hebben, wol, iets wat langzaam brand en niet uitgaat
[betrokkene 10] : ja man als je die door de raam heen gooit (...) afgaat (...)
[medeverdachte 5] : als je m door die raam heen gooit kan het ook zijn (...) knalt
Vanaf 01:06:03 uur
[medeverdachte 5] : (...) Kijk als jij hier rent (...) ik zal je laten zien, kijk als jij de [n-straat] [het hof begrijpt: [n-straat] ] pakt, is letterlijk twee-/driehonderd meter (...)
[betrokkene 10] : zodra die bakkie is gegooid en shell er in zit dan moet je eigenlijk al weg zijn, dan moet je al in de auto zitten
[medeverdachte 5] : weet ik weet ik, maar je moet zo zien he die straat is sowieso fucked up voor mij. Je moet zo zien he het is onze eigen stad he bro, ik rij met deze auto gewoon in de buurt snap je
[…]
[betrokkene 10] is op 15 november 2021 als getuige verhoord bij de rechter-commissaris, onder meer over een incident in [plaats] . In dat verband heeft [betrokkene 10] de vraag of daar iets gepland was met een vuurwerkbom beantwoord met ‘ja’.
[…]
Tussenconclusies
Bij de interpretatie van de weergegeven gespreksfragmenten en de overige genoemde bevindingen heeft het hof in aanmerking genomen dat [betrokkene 10] en [betrokkene 12] een aantal weken vóór 16 december 2020 samen twee woningaanslagen hebben gepleegd (op 23 november 2020 in [plaats] en op 25 november 2020 in Hedel ) die erop gericht waren een explosief in een woning tot ontploffing te laten komen. Daarbij zijn zij beide keren naar de plaats van het misdrijf gereden in de auto van [betrokkene 12] , zijnde een Renault Clio met het [kenteken 3] .
Het hof leidt uit het voorgaande af dat [betrokkene 10] en [betrokkene 12] van plan waren een woningaanslag te plegen aan de [o-straat] in [plaats] . Op 16 december 2020 waren zij tussen 00.36 en 01.34 uur nabij de plaats van het (beoogde) misdrijf voor een verkenning van de situatie ter plaatse. Zij spraken onder meer over de [p-straat] , de [n-straat] en het [n-straat] . Aan Google Maps heeft het hof ontleend dat straten met die namen gelegen zijn op een afstand van hemelsbreed minder dan 500 meter van de [o-straat] in [plaats] . [betrokkene 10] en [betrokkene 12] bespraken de mogelijkheid om de aanslag ‘nu’ te plegen of ‘om twee, drie’ (het hof begrijpt: rond 02.00 en 03.00 uur), maar besluiten uiteindelijk om de aanslag uit te stellen tot ‘morgen’ (het hof begrijpt: 17 december 2020). Wat betreft de wijze van uitvoering was het de bedoeling dat een baksteen (“bakkie’) door een woningraam zou worden gegooid en dat daarna een mortierbom (‘shell’) in de woning zou worden gegooid. Het hof leidt hieruit af dat het de bedoeling was dat de mortierbom in de woning tot ontploffing zou komen. Met het oog op de aanslag had [betrokkene 10] mortierbommen in zijn slaapkamer liggen. Verder was het de bedoeling dat [betrokkene 12] zou optreden als chauffeur en daarvoor gebruik zou maken van zijn Renault Clio met het [kenteken 3] . Dit laatste leidt het hof af uit de omstandigheid dat zowel bij de aanslagen van 23 en 25 november 2020 als bij de verkenning op 16 december 2020 gebruik is gemaakt van die auto en dat niets erop wijst dat bij de aanslag op 17 december 2020 een andere auto zou worden gebruikt. De aanslag is voorkomen doordat [betrokkene 10] en [betrokkene 12] op 17 december 2020 zijn aangehouden.
Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat [betrokkene 10] en [betrokkene 12] tezamen en in vereniging bezig waren met het voorbereiden van het teweegbrengen van een ontploffing in een woning aan de [o-straat] in [plaats] . Met het oog op die aanslag had [betrokkene 10] een mortierbom in zijn slaapkamer liggen en [betrokkene 12] beschikte over een auto die bestemd was tot het plegen van de aanslag. Gelet op de bedoeling van [betrokkene 10] en [betrokkene 12] om in de woning een mortierbom tot ontploffing te brengen, is het hof van oordeel dat door die ontploffing niet alleen gemeen gevaar voor goederen te duchten zou zijn geweest, maar dat het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zou zijn geweest dat door die ontploffing ook levensgevaar te duchten zou zijn geweest voor de aanwezigen in die woning tijdens de ontploffing.”
12.4
Voor het juridisch kader met betrekking tot het ‘te duchten gevaar’ verwijs ik naar randnummer 7.5 tot en met 7.17 van deze conclusie.
12.5
Uit de bewijsvoering volgt dat [betrokkene 10] met betrekking tot het incident in [plaats] (de verijdelde woningaanslag) bevestigend geantwoord heeft op de vraag of daar iets gepland was met een vuurwerkbom. Het hof heeft vervolgens bij de interpretatie van het bewijs betrokken dat [betrokkene 10] en [betrokkene 12] een aantal weken vóór 16 december 2020 samen twee woningaanslagen hebben gepleegd die erop gericht waren een explosief in een woning tot ontploffing te laten komen. Het hof heeft vervolgens uit de bewijsvoering afgeleid dat [betrokkene 10] en [betrokkene 12] van plan waren een woningaanslag te plegen aan de [o-straat] in [plaats] . Met betrekking tot de wijze van uitvoering heeft het hof vastgesteld dat het de bedoeling was dat een baksteen (“bakkie’) door een woningraam zou worden gegooid en dat daarna een mortierbom (‘shell’) in de woning zou worden gegooid. Het hof heeft hieruit afgeleid dat het de bedoeling was dat de mortierbom in de woning tot ontploffing zou komen. Gelet op die bedoelding heeft het hof geoordeeld dat door die ontploffing niet alleen gemeen gevaar voor goederen te duchten zou zijn geweest, maar dat het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zou zijn geweest dat door die ontploffing ook levensgevaar te duchten zou zijn geweest voor de aanwezigen in die woning tijdens de ontploffing.
12.6
Op basis van het vorenstaande heeft het hof uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat het de bedoeling was om een explosief in de woning te laten afgaan. Anders dan de stellers van het middel kennelijk menen, heeft het hof die conclusie niet enkel gebaseerd op de vaststellingen met betrekking tot de eerdere aanslagen, maar heeft het erbij ook betrokken dat tussen de uitvoerders besproken is dat er een baksteen (“bakkie’) door een woningraam zou worden gegooid en dat daarna een mortierbom (‘shell’) in de woning zou worden gegooid. Op die vaststellingen heeft het hof vervolgens zijn oordeel kunnen baseren dat het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zou zijn geweest dat door die ontploffing ook levensgevaar te duchten zou zijn geweest voor de aanwezigen in die woning tijdens de ontploffing.
12.7
Aan de begrijpelijkheid van dat oordeel doet – in het licht van de bewezenverklaarde uitlokking van de
voorbereidingvan een woningaanslag – niet af dat door het hof niet is vastgesteld dat het ook de bedoeling was, althans naar algemene regels voorzienbaar was, dat zich ten tijde van de ontploffing mensen in de nabijheid van het explosief zouden bevinden. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat het ‘voorzienbaar’ is dat bewoners zich ’s nachts in hun woning bevinden. Daarbij betrek ik dat de uitvoerders op 16 december 2020 tussen 00:36 en 01:34 uur ter plaatse waren bij de woning voor een verkenning en zij toen de mogelijkheid bespraken om de aanslag ‘nu’ te plegen of ‘om twee, drie’ (om 02:00 uur of 03:00 uur), maar uiteindelijk besloten om het uit te stellen tot ‘morgen’ (17 december 2020) en toen zijn aangehouden.
12.8
Het hof heeft ten aanzien van de rol van de verdachte overwogen:
“- Cluster 2 (uitvoerders: onder meer [betrokkene 10] en [betrokkene 12] )
Wat betreft de (voltooide) woningaanslagen van 23 en 25 november 2020 concludeert het hof dat [verdachte] die aanslagen heeft uitgelokt. Ook wat betreft de verijdelde eerste woningaanslag in [plaats] (activiteiten van 16 en 17 december 2020) concludeert het hof dat [verdachte] de op die beoogde aanslag gerichte voorbereidingshandelingen heeft uitgelokt. Dat uitlokken gebeurde in ieder geval door telkens een adres te verstrekken met de opdracht daar een aanslag te plegen en door de uitvoerders daarvoor een financiële beloning in het vooruitzicht te stellen.
Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld dat de opdracht van [verdachte] er bij de Cluster 2-feiten telkens toe strekte dat een explosief in de woning tot ontploffing zou worden gebracht. Dit leidt het hof in de eerste plaats af uit de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de opdracht. Het hof heeft geconcludeerd dat de aanslagen van 23 en 25 november 2020 erop gericht waren een explosief in de woning tot ontploffing te laten komen en dat dit ook de bedoeling was bij de aanslag in [plaats] die werd voorbereid. Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat in de telefoonberichten naar [benadeelde 1] was aangekondigd dat de aanslagen meer schade zouden veroorzaken. Ook heeft [getuige 1] verklaard dat [verdachte] wilde dat het steeds extremer werd en dat na de aanslag in [plaats] de boodschap kwam dat meer schade moest worden veroorzaakt.
Naar het oordeel van het hof is het geven van een opdracht om een zwaar explosief in een woning tot ontploffing te laten komen zozeer gericht op het veroorzaken van de dood van de mensen die op dat moment in die woning aanwezig zijn, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat [verdachte] de aanmerkelijke kans op het overlijden van die aanwezigen bewust heeft aanvaard.”
12.9
Met betrekking tot het opzet van de verdachte heeft het hof vastgesteld dat de verdachte verantwoordelijk is voor de verijdelde woningaanslagen. Daartoe heeft het hof geconcludeerd dat de verdachte de op die beoogde aanslag gerichte voorbereidingshandelingen heeft uitgelokt, in ieder geval door telkens een adres te verstrekken met de opdracht daar een aanslag te plegen en door de uitvoerders daarvoor een financiële beloning in het vooruitzicht te stellen. Het hof heeft verder vastgesteld dat de opdracht van [verdachte] er bij de Cluster 2-feiten telkens toe strekte dat een explosief
inde woning tot ontploffing zou worden gebracht. Dat is door het hof afgeleid uit de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de opdracht, waarbij het in aanmerking heeft genomen dat in de telefoonberichten naar [benadeelde 1] was aangekondigd dat de aanslagen meer schade zouden veroorzaken en [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte wilde dat het steeds extremer werd en dat na de aanslag in [plaats] de boodschap kwam dat meer schade moest worden veroorzaakt. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het geven van een opdracht om een zwaar explosief
ineen woning tot ontploffing te laten komen zozeer gericht is op het veroorzaken van de dood van de mensen die op dat moment in die woning aanwezig zijn, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van die aanwezigen bewust heeft aanvaard.
12.1
Uit de – op bewijsmiddelen gebaseerde – vaststellingen van het hof, volgt daarmee in weerwil van de klacht voldoende uit de bewijsvoering dat de verdachte opzet heeft gehad op de wijze van uitvoering van de opdracht tot het plegen van de aanslag.

13.Het elfde middel

13.1
Het elfde middel richt zich tegen het in de zaak met parketnummer 05-780039-21 onder 2 subsidiair bewezenverklaarde en klaagt dat het opzet op de bedreiging van [aangever 4] en [benadeelde 6] , niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
13.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-780039-21 onder 2 subsidiair bewezenverklaard dat:
“ A . [betrokkene 14] op 9 mei 2021 te [plaats] , [aangever 4] en/of [benadeelde 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is die [betrokkene 14] opzettelijk naar de woning van voornoemde [aangever 4] en [benadeelde 6] , waar deze op dat moment verbleven ( [q-straat 1] [plaats] ) gegaan en heeft die [betrokkene 14] vervolgens een kogel door de ruit van de voordeur van die woning afgevuurd,
welk feit door verdachte in de periode van 1 april 2021 tot en met 8 mei 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen door beloften en door het verschaffen van inlichtingen, opzettelijk is uitgelokt, immers hebben verdachte en zijn mededader(s)
-
het plan opgevat om een of meer perso(o)n(en) wonend te [plaats] te bedreigen en
-
een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld of laten stellen als dit feit gepleegd zou worden en
-
adresgegevens van die personen wonend te [plaats] doorgegeven of laten doorgeven en
-
die [betrokkene 14] benaderd of laten benaderen voor het uitvoeren van dat plan tot het bedreigen van die perso(o)n(en) wonend te [plaats] en.”
13.3
Het hof heeft het ten aanzien van deze bewezenverklaring overwogen (met weglating van voetnoten):
3.6.3.3. 9 mei 2021: aanslag in [plaats] (feit 2)
[aangever 4] heeft het volgende verklaard over een incident bij zijn woning op het adres [q-straat 1] in [plaats] . Op 9 mei 2021 omstreeks 08.45 uur is de vrouw van aangever naar beneden gegaan en zij zag schade aan ruit van de voordeur. Aangever zag vervolgens een gat in het raam in de voordeur van zijn woning. Er zat ook een gat in de deur in de hal en in een keukenkast die in het verlengde ligt van de voordeur en de deur in de hal. Op de grond bij het keukenkastje lag een stukje ijzer of koper waarvan de aangever dacht dat het een kogel was.
[…]
Uitvoerder ( [betrokkene 14] )
[…]
Onderzoek aan de iPhone 6 die werd gebruikt door [betrokkene 14] (IMEI * […] ) heeft geleid tot de volgende bevindingen.
Op 9 mei 2021 omstreeks 01.18 uur zijn in de applicatie 'Apple Maps' de coördinaten weergegeven van het adres [r-straat 1] in [plaats] . Diezelfde dag omstreeks 01.21 uur zijn op die telefoon meerdere zoekslagen verricht met betrekking tot dat adres.
[…]
Vervolgens werd de zoekopdracht verruimd met de zoekterm ‘woningg beschoten*. Hierna kwam een resultaat naar boven van het schietincident aan de [q-straat]
Het adres [r-straat 1] in [plaats] komt voor op de eerder genoemde personeelslijst van [A] die in het onderzoek Maldiven in het dossier heeft gezeten. Deze woning is gelegen in een hofje achter de plaats van het misdrijf.
[…]
Tussenconclusies
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat de woning met adres [q-straat 1] in [plaats] is beschoten, dat die woningbeschieting is uitgevoerd door [betrokkene 14] en dat woningbeschieting eigenlijk had moeten plaatsvinden op het adres [r-straat 1] in [plaats] .
[…]
3.6.3.6. Tussenconclusies woningbeschietingen
[…]
Bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde (bedreiging)
Naar het oordeel van het hof geldt voor alle vier de woningbeschietingen dat deze moeten worden aangemerkt als bedreiging van de bewoners met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het hof is telkens van oordeel dat de woningbeschieting in redelijkheid bij de bewoners van de beschoten woning de vrees kon opwekken dat zij het slachtoffer zouden worden van een levensmisdrijf. In een woningbeschieting ligt immers de suggestie besloten dat iemand het op de bewoners gemunt heeft en dat diegene niet terugdeinst voor het gebruik van (vuurwapen)geweld. Dat een woningbeschieting bij de bewoners een dergelijke vrees kan opwekken, ligt naar het oordeel van het hof zo voor de hand dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de schutter zich daarvan bewust is geweest. Verder is het hof van oordeel dat de woningbeschietingen zozeer gericht waren op het teweegbrengen van een dergelijke vrees bij de bewoners van die woningen, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de schutter de aanmerkelijke kans op het ontstaan van die vrees bij de bewoners bewust heeft aanvaard.”
13.4
Het middel klaagt dat de uitvoerders de verkeerde woning hebben beschoten en dit aan de weg staat aan het aannemen van het opzet van de verdachte als uitlokker op die woningbeschieting. Die aan het middel ten grondslag liggende veronderstelling vindt echter geen steun in het recht. Los van het beoogde adres heeft de verdachte opzet gehad op het uitlokken van het plegen van een bedreiging (het grondfeit), hetgeen is gebeurd. Een ‘
error in objecto’ van de uitvoerders staat niet in de weg aan de bewezenverklaring van het opzet van de uitlokker, omdat dit niet afdoet aan het gemeenschappelijke (dubbele) opzet op de bedreiging. [40]

14.Het twaalfde middel

14.1
Het twaalfde middel richt zich tegen het in de zaak met parketnummer 05-780039-21 onder 4 subsidiair bewezenverklaarde en klaagt over het bewezenverklaarde opzet op de bedreiging van [aangever 5] en/of [benadeelde 8] .
14.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-780039-21 onder 4 subsidiair bewezenverklaard dat:
“ A . [betrokkene 14] op 16 mei 2021 te [plaats] , [aangever 5] en/of [benadeelde 8] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is die [betrokkene 14] opzettelijk naar de woning van voornoemde [aangever 5] en [benadeelde 8] , waar deze op dat moment verbleven ( [s-straat 1] [plaats] ) gegaan en heeft die [betrokkene 14] vervolgens een kogel door de ruit van de woonkamer van die woning afgevuurd,
welk feit door verdachte in de periode van 1 april 2021 tot en met 15 mei 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander door beloften en door het verschaffen van inlichtingen, opzettelijk is uitgelokt, immers hebben verdachte en zijn mededader
-
Het plan opgevat om een of meer perso(o)n(en) wonend te [plaats] te bedreigen en
-
een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld of laten stellen als dit feit gepleegd zou worden en
-
adresgegevens van die perso(o)n(en) wonend te [plaats] doorgegeven of laten doorgeven en
-
die [betrokkene 14] benaderd of laten benaderen voor het uitvoeren van dat plan tot het bedreigen van die perso(o)n(en) wonend te [plaats] en.”
14.3
Het hof heeft het ten aanzien van deze bewezenverklaring overwogen (met weglating van voetnoten):
“3.6.3.5. 16 mei 2021: aanslag in [plaats] (feit 4)
[aangever 5] heeft het volgende verklaard over een incident bij zijn woning op het adres [s-straat 1] in [plaats] . Op 16 mei 2021 omstreeks 02.58 uur hoorden de aangever en zijn vrouw, [benadeelde 7] , een knal.
Diezelfde dag rond 12.30 uur zag zijn vrouw een gat in het midden van het grote raam in de woonkamer.
De politie heeft op 16 mei 2021 om 15.04 uur forensisch onderzoek verricht bij de woning van de aangever. In het woonkamerraam aan de voorzijde van de woning zat een gat. Op de vensterbank van het woonkamerraam lag een koperen fragment van een projectiel. Volgens de politie zijn de gedane bevindingen het meest waarschijnlijk in het scenario waarin een schietincident heeft plaatsgevonden waarbij een projectiel het woonkamerraam vanaf de buitenzijde heeft gepenetreerd.
Een politieambtenaar die op 16 mei 2021 om 13.40 uur bij de woning van de aangever was, werd daar aangesproken door iemand die toen woonde op het adres [u-straat 1] in [plaats] . Diegene vertelde dat dit adres (aan de Prinses Beatrixstraat) voorkomt op de personeelslijst van [benadeelde 1] (het hof begrijpt: de personeelslijst die in het onderzoek Maldiven is toegevoegd aan het dossier). De woning waarop geschoten is, ligt op de hoek van de Prinses Beatrixstraat. Mensen die op het adres [u-straat 1] moeten zijn, staan vaak bij het verkeerde huis (het hof begrijpt: bij het huis van de aangever, dat hetzelfde huisnummer heeft).
[…]
Het hof acht bewezen dat [verdachte] ook de opdrachtgever is geweest van de (door [medeverdachte 6] uitgelokte) woningbeschietingen van 9, 10 en 16 mei 2021 en de brandstichting van 5 juni 2021. Deze conclusies baseert het hof op het volgende.
[…]
Wat betreft de woningaanslag op 16 mei 2021 wordt overwogen dat uit het dossier is af te leiden dat door de opdrachtgevers kennelijk beoogd was de aanslag te laten plegen op het adres [u-straat 1] in plaats van op het adres [s-straat 1] in [plaats] . Dat maakt echter niet dat de opdrachtgevers niet als uitlokkers van deze aanslag kunnen worden aangemerkt. Door de uitvoering van de opdracht aan anderen over te laten en daarbij geen voorzorgsmaatregelen te nemen die het risico op andere slachtoffers dan de beoogde slachtoffers konden wegnemen, hebben verdachte en zijn mede-uitlokkers bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aanslag op een ander adres dan het beoogde adres zou plaatsvinden.”
14.4
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat er kortgezegd op neerkomt dat de vergissing ten aanzien van de woning waar de aanslag is gepleegd, niet maakt dat de opdrachtgevers niet als uitlokkers van deze aanslag kunnen worden aangemerkt. Naar mijn oordeel getuigt het oordeel van het hof – dat door de uitvoering van de opdracht aan anderen over te laten en daarbij geen voorzorgsmaatregelen te nemen die het risico op andere slachtoffers dan de beoogde slachtoffers konden wegnemen, de verdachte en zijn mede-uitlokkers bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de aanslag op een ander adres dan het beoogde adres zou plaatsvinden – niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk. [41]
14.5
Anders dan de stellers van het middel kennelijk menen, gaat het niet enkel om het uitblijven van voorzorgsmaatregelen, maar daarnaast om het aan de uitvoerders laten van de uitvoering van de opdracht om een
aanslagte plegen op een bepaald adres. Dat de aanslag niet op het juiste adres is gepleegd, doet ook hier niet af aan het gemeenschappelijke (dubbel) opzet op de bedreiging. [42]
14.6
Het middel faalt.

15.Het dertiende middel

15.1
Het dertiende middel richt zich tegen het onder 5 bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 05-780039-21 en klaagt dat het oordeel van het hof dat levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning te duchten was, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
15.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-780039-21 onder 5 bewezenverklaard dat:
“ [betrokkene 14] en een ander persoon op 5 juni 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging ter uitvoering van het door die [betrokkene 14] en die persoon voorgenomen misdrijf om [aangever 6] en/of [benadeelde 9] en/of hun kinderen opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven met een hoeveelheid brandbare vloeistof naar een woning (perceel [t-straat 1] [plaats] ) waar op dat moment voornoemde [aangever 6] en voornoemde gezinsleden verbleven zijn gegaan en vervolgens brand hebben gesticht bij die woning door die brandbare vloeistof te gooien tegen de voordeur van die woning en die vloeistof aan te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
EN
[betrokkene 14] en een ander persoon in op 5 juni 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging opzettelijk brand hebben gesticht bij een woning (perceel [t-straat 1] ) door een brandbare vloeistof te gooien tegen de voordeur van die woning en die vloeistof aan te steken, ten gevolge waarvan die voordeur en een kozijn en de voorgevel van die woning gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor de bewoners van die woning, te weten [aangever 6] en [benadeelde 9] en hun kinderen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor die bewoners en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die bewoners, te duchten was,
welke feiten door verdachte in de periode van 1 april 2021 tot en met 4 juni 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander door beloften en door het verschaffen van inlichtingen, opzettelijk zijn uitgelokt, immers hebben verdachte en zijn mededader
-
Het plan opgevat om brand te stichten en
-
een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld of laten stellen als deze feiten gepleegd zouden worden en
-
adresgegevens van die [aangever 6] en die [benadeelde 9] doorgegeven of laten doorgeven, en
-
die [betrokkene 14] en die persoon benaderd of laten benaderen voor het uitvoeren van dat plan het stichten van brand bij de woning van die [aangever 6] en die [benadeelde 9] .”
15.3
Het hof heeft met betrekking tot deze bewezenverklaring onder meer overwogen:
“3.6.3.7. 5 juni 2021: aanslag in [plaats] (feil 5)
[aangever 6] heeft het volgende verklaard over een incident bij zijn woning op het adres [t-straat 1] in [plaats] , waar hij woont met zijn vrouw en twee kinderen. Op 5 juni 2021 omstreeks 03.00 uur werd de aangever wakker van de rookmelder. De buurman schreeuwde toen dat de voordeur in brand stond. Hij heeft verklaard dat hij naar beneden ging en zag dat er een flinke rookontwikkeling in de gang was en dat het buiten brandde. Hij verklaarde dat hij de deur bewust dicht heeft gelaten omdat hij wist dat de brand naar binnen zou komen als hij de deur open zou zetten. Zijn vrouw en kinderen zijn van deze brandstichting erg geschrokken en hebben de woning verlaten om elders even tot rust te komen.
De politie heeft op 5 juni 2021 om 06.00 uur forensisch onderzoek verricht bij de woning van de aangever. Op de voordeur, het kozijn, de onderzijde van het luifel boven de voordeur en de bakstenen links en rechts van de deurluifel werd rook- en roetschade waargenomen. Vanaf de onderzijde tot ongeveer halverwege het kozijn is aan beide zijden blaarvorming van de verf waargenomen.
De brandstichting is vastgelegd door een camera. Op de camerabeelden is te zien dat op 5 juni 2021 om 03:02:36 uur een persoon in de richting van de voordeur liep. Die persoon bleef ongeveer twee meter voor de voordeur stilstaan en gooide een vloeistof tegen de voordeur aan. Die persoon had in beide handen een fles vast. Uit beide flessen kwam een vloeistof die terechtkwam op de deur en de grond. Die persoon stond met zijn eigen schoenen in de vloeistof en op basis van het zichtbare spetteren is het volgens de verbalisant aannemelijk dat spetters terecht zijn gekomen op de kleding en het schoeisel van die persoon. Omstreeks 03:02:41 uur liep die persoon weg en verdween die persoon uit het beeld. Door het weglopen van die persoon is de camera even gestopt met vastleggen. Vanaf 03:03:02 uur zijn er weer beelden van diezelfde camera. Daarop is een brandhaard te zien tegen de voordeur aan. De vlammen kwamen hoger dan de voordeur.
[…]
[betrokkene 16] heeft verklaard dat hij in de avond van 4 juni 2021 in opdracht van [betrokkene 14] twee flessen wasbenzine heeft gekocht bij Albert Heijn. Later die avond troffen [betrokkene 16] en [betrokkene 14] elkaar bij een school. Kort daarna kwam een BMW aangereden waarvan ‘ [medeverdachte 7] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 7] ) de bestuurder was, met ‘ [betrokkene 17] ' (het hof begrijpt: [betrokkene 17] ) ernaast. In [plaats] is [betrokkene 16] uitgestapt en samen met [betrokkene 14] weggelopen van de BMW. [betrokkene 14] liep naar een woning. Kort daarna werd [betrokkene 16] door [betrokkene 14] geroepen en zei [betrokkene 14] onder de benzine te zitten. [betrokkene 16] kreeg van [betrokkene 14] een servet en een aansteker. Vervolgens liep [betrokkene 16] in de richting van de voordeur van de woning, terwijl [betrokkene 16] het servet aanstak. [betrokkene 16] gooide het brandende servet in de richting van de voordeur. Bij de voordeur zag [betrokkene 16] een plas vloeistof. Direct daarna zag [betrokkene 16] vuur en is [betrokkene 16] samen met [betrokkene 14] naar de BMW gerend.
[…]
Tussenconclusies
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat [betrokkene 14] de inhoud van twee flessen wasbenzine tegen de voordeur van de woning heeft gegooid en dat [betrokkene 16] vervolgens een brandend servet heeft gegooid naar die met wasbenzine overgoten deur. Daardoor is een brand ontstaan, waarbij de vlammen boven de voordeur uitkwamen.
Naar het oordeel van het hof is door die brandstichting gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt.
Verder is het hof van oordeel dat:
-
de brandstichting moet worden aangemerkt als een poging tot moord en
-
door de brandstichting levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de brandstichting in die woning aanwezig waren.
Ter onderbouwing van deze oordelen overweegt het hof het volgende.
Poging tof moord
Gelet op de hoeveelheid en de verspreiding van de wasbenzine die is gebruikt en op de hoogte van de vlammen bij de voordeur, is het hof van oordeel dat een dergelijke wijze van brandstichten bij de voordeur van een woning naar algemene ervaringsregels tot gevolg heeft dat er een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid is dat de brand bij de voordeur leidt tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn. In dit verband neemt het hof mede in aanmerking dat - zoals kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de persoon die de wasbenzine gooide dit met twee flessen tegelijk deed en daarbij met zijn eigen schoenen in de vloeistof kwam te staan - het gooien van de wasbenzine op ongecontroleerde en bijzonder onvoorzichtige wijze plaatsvond (en er bijvoorbeeld ook wasbenzine onder de voordeur door de woning in had kunnen lopen). Het hof ziet de brandstichting als een zeer lompe en met grote onverschilligheid uitgevoerde actie op een voor woningen mogelijk zeer kwetsbare plaats, te weten: bij een voordeur met kozijn die minder maar ook meer brandbaar kan zijn. Daarbij is het hof van oordeel dat bij de beoordeling van het risico op een dodelijke afloop in enige mate moet worden geabstraheerd van de precieze concrete situatie waarin de brandstichting heeft plaatsgevonden, waarvan overigens ook niet is gebleken dat de brandstichters er een degelijk onderzoek naar hebben verricht. Dat in dit geval door een brandonderzoeker op basis van het sporenbeeld achteraf en een deskundige analyse van de brandbaarheid van de betrokken materialen is geconcludeerd dat er omstandigheden waren waardoor het onwaarschijnlijk was dat de brand bij de voordeur zich zou hebben ontwikkeld tot een woningbrand, leidt niet tot een ander oordeel over de (aanmerkelijke) kans op het ontstaan van een woningbrand met een dodelijke afloop voor de aanwezigen in die woning.
Naar het oordeel van het hof is het ook algemeen bekend dat een dergelijke wijze van brandstichting bij de voordeur van een woning gepaard gaat met de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat dit leidt tot de dood van de personen die op dat moment in de woning aanwezig zijn. Daaruit leidt het hof af dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) [betrokkene 14] en [betrokkene 16] zich van die mogelijkheid bewust zijn geweest. Verder is het hof van oordeel dat de verrichte gedraging, namelijk brandstichting bij een voordeur die is overgoten met wasbenzine, zozeer gericht is op het veroorzaken van het overlijden van de mensen in die woning, dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat [betrokkene 14] en [betrokkene 16] bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de brandstichting tot de dood van die mensen zou leiden.
[…]
Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezigen in de woning
De uitvoerders van de aanslag hebben brand gesticht bij de voordeur van een woning waarin op dat moment mensen aanwezig waren. Uit het voorgaande blijkt dat het hof van oordeel is dat er in de gegeven omstandigheden een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was dat de brand bij de voordeur zou leiden tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig waren. Naar het oordeel van het hof was dit gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar ten tijde van de brandstichting.”
15.4
De klacht dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning te duchten was, bespreek ik gelet op de nauwe samenhang daarvan gezamenlijk. [43]
15.5
Het hof heeft ter onderbouwing van onder meer zijn oordeel dat door de brandstichting levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is geweest voor de personen die tijdens de brandstichting in die woning aanwezig waren overwogen dat:
- de wijze van brandstichting gelet op de hoeveelheid en de verspreiding van de wasbenzine die is gebruikt en op de hoogte van de vlammen bij de voordeur, naar algemene ervaringsregels tot gevolg heeft dat er een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid is dat de brand bij de voordeur leidt tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn;
- dat het gooien van de wasbenzine op ongecontroleerde en bijzonder onvoorzichtige wijze plaatsvond en er bijvoorbeeld ook wasbenzine onder de voordeur door de woning in had kunnen lopen;
- de brandstichting is uitgevoerd op een voor woningen mogelijk zeer kwetsbare plaats, te weten bij een voordeur met kozijn die minder maar ook meer brandbaar kan zijn.
15.6
Op basis van voorgaande vaststellingen heeft het hof naar mijn mening de bewijsconclusie kunnen trekken dat levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige bewoners te duchten is geweest. Daaraan doet niet af dat er op basis van het sporenbeeld achteraf en een deskundige analyse van de brandbaarheid van de betrokken materialen is geconcludeerd dat er omstandigheden waren waardoor het onwaarschijnlijk was dat de brand bij de voordeur zich zou hebben ontwikkeld tot een woningbrand. Het gaat immers om de voorzienbaarheid van het gevaar ten tijde van de brandstichting, terwijl niet is gebleken dat de brandstichters er een degelijk onderzoek naar hebben verricht. In dat verband heeft het hof iets mogen abstraheren van de concrete situatie. [44] Dat de aanwezigen de brand tijdig hebben opgemerkt en maatregelen hebben kunnen treffen om gevaar voor zichzelf af te wenden (door de deur dicht te houden om te voorkomen dat de brand naar binnen zou slaan), leidt evenmin tot een ander oordeel in het licht van het gevaarzettingskarakter van het bestanddeel ‘levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel’, wat slechts vereist dat de gevolgen voorzienbaar waren. [45]
15.7
Het middel faalt.

16.Het veertiende middel

16.1
Het veertiende middel richt zich tegen het in de zaak met parketnummer 05-780039-21A onder 1 bewezenverklaarde en klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
16.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-780039-21A onder 1 bewezenverklaard dat:
“ [medeverdachte 8] op 22 september 2020 te [plaats] ter uitvoering van het door die [medeverdachte 8] voorgenomen misdrijf om [benadeelde 10] en/of [aangeefster] (zijnde de moeder van [benadeelde 10] ) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven naar de woning van die [aangeefster] ( [x-straat 1] ) is gegaan en een zogenaamde Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) (te weten een met motorbenzine gevulde jerrycan met daaraan bevestigd een mortierbom/shell) heeft geplaatst bij de voordeur van die woning en opzettelijk open vuur in aanraking heeft gebracht met die zwaar brandbare en explosieve stoffen waarop deze VBC tot ontploffing is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
EN
[medeverdachte 8] op 22 september 2020 te [plaats] opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in de directe nabijheid van een woning ( [x-straat 1] ) door naar die woning te gaan en een zogenaamde Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) (te weten een met motorbenzine, gevulde jerrycan met daaraan bevestigd een mortierbom) te plaatsen bij de voordeur van die woning, en opzettelijk open vuur in aanraking te brengen met zwaar brandbare of explosieve stoffen, waarbij voornoemde VBC nabij die woning tot ontploffing is gekomen, ten gevolge waarvan onder meer de voordeur en een raam van die woning en omringende woning(en) is vernield en daarvan gemeen gevaar voor (de inboedel van) die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de aanwezige bewoonster van die woning, te weten [aangeefster] en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [aangeefster] te duchten was,
welk feit door verdachte in de periode van 1 september 2020 tot en met 22 september 2020 in Nederland door beloften en door het verschaffen van inlichtingen, opzettelijk zijn uitgelokt, immers heeft verdachte
- het plan opgevat om brand te stichten en een ontploffing teweeg te brengen met levensgevaar voor die [benadeelde 10] en die [aangeefster] en/of met gemeen gevaar voor goederen en
- een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld of laten stellen en
- adresgegevens, waaronder het woonadres [x-straat 1] te [plaats] , doorgegeven of laten doorgeven en
- die [medeverdachte 8] benaderd of laten benaderen voor het uitvoeren van dat plan tot het stichten van brand bij de woning van die [aangeefster] .”
16.3
Het hof heeft met betrekking tot deze bewezenverklaring onder meer overwogen:
“Vaststaat dat op 22 september 2020 in [plaats] een VBC[ik begrijp: een Vuurwerk Brandstof Combinatie, D.P.]
tot ontploffing is gebracht bij de voordeur van de woning van [aangeefster] . De vraag die het hof moet beantwoorden is wie hierbij betrokken zijn geweest.
[getuige 1] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 8] in [plaats] een aanslag heeft gepleegd op de woning van een treitervlogger. Hij heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 8] is benaderd om hem ergens naar toe te brengen tegen een vergoeding. [medeverdachte 8] zou daar vuurwerk afsteken. Hij reed (in een Volkswagen Caddy met [kenteken 4] ) en stond op de uitkijk, terwijl [medeverdachte 8] het vuurwerk afstak, een shell. [medeverdachte 8] vertelde hem later dat de opdracht van [verdachte] kwam en hij ( [medeverdachte 8] ) daarvoor € 150,- of € 200,- kreeg.
[…]
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat [getuige 1] en [medeverdachte 8] bij dit feit betrokken zijn geweest.
[…]
De rol van verdachte
[getuige 1] heeft verklaard dat hij (samen met [medeverdachte 8] ) de aanslag op 22 september 2020 in [plaats] heeft gepleegd in opdracht van [verdachte] . De aanslag had te maken met een conflict tussen [betrokkene 18] (een jeugdvriend van [verdachte] , hierna: [betrokkene 18] ) en een andere vlogger. [betrokkene 18] had [verdachte] gevraagd of er wat kon gebeuren bij die vlogger in [plaats] . Onderweg naar [plaats] vertelde [medeverdachte 8] hem wat hij daar ging doen en dat de opdracht van [verdachte] kwam. [medeverdachte 8] zou daarvoor € 150,- of € 200,- krijgen. [verdachte] heeft bemiddeld in de zaak door mensen te regelen die de aanslag zouden plegen.
Met betrekking tot het verkrijgen van het adres door verdachte overweegt het hof het volgende.
Op 10 september 2020 rond 16:00 uur laat verdachte in een WhatsApp-gesprek aan zijn partner [betrokkene 19] weten dat ‘die hond zsm dood gaat’ en dat hem verzekerd is dat hij vermoord gaat worden.' Verdachte heeft verklaard dat dat gesprek gaat over [benadeelde 10] , die eerder die dag [betrokkene 18] zou hebben mishandeld.
Daarna vindt de volgende communicatie plaats tussen [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 3] .
Om 16:49:17 uur stuurt [medeverdachte 4] naar [medeverdachte 3] : ‘Ik heb je nu nodig, bel me op' (...) Om 17:17:07 uur vindt een telefoongesprek van 27 seconden plaats tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] .
Tussen 17:23 - 18:32 uur vraagt [medeverdachte 3] de persoonsgegevens van [benadeelde 10] en diens familie op. Hierbij wordt onder andere het adres [x-straat 1] [plaats] (het adres van de moeder van [benadeelde 10] ) zichtbaar.
Verdachte erkent actief navraag naar de persoonsgegevens van [benadeelde 10] en familieleden van hem te hebben gedaan.
Op de telefoon van verdachte is een WhatsApp-gesprek van 10 september 2020 tussen 18:08-18:10 uur tussen hem en [betrokkene 21] aangetroffen waarin verdachte spreekt over een ‘shell' en ‘drie stuks'. Ook wordt een screenshot aangetroffen van een chat waarin de adressen [v-straat 1] in [plaats] en [x-straat 1] in [plaats] worden doorgegeven. Dit screenshot is gemaakt op 10 september 2020 om 18:36 uur.
Op 11 september 2020 vindt vervolgens een eerste aanslag plaats op het adres [v-straat 1] in [plaats] (het adres van de vader van [benadeelde 10] ). [aangever 7] werd wakker van twee harde knallen, ging naar beneden en rook de geur van rook. Hij zag dat er veel glas op straat lag en dat de stroom was uitgevallen. Toen de politie ter plaatse kwam heeft hij zijn zoon gebeld en zijn zoon gaf aan dat hij vaker bedreigd is. Op beelden van een beveiligingscamera zijn vermoedelijk twee ontploffende projectielen te horen (de verbalisant kan niet met zekerheid zeggen of liet één, twee of meerdere projectielen betroffen omdat er mogelijk sprake is van een echo-effect) en is een lichtflits waarneembaar. Uit forensisch onderzoek is aannemelijk geworden dat op het trottoir voor perceel 5 een shell/mortier tot ontploffing is gebracht.
Diezelfde avond heeft verdachte een WhatsApp-gesprek met [betrokkene 15] waarin wordt gesproken over een aanslag op ‘ [benadeelde 10] ’ en verdachte in dat verband zegt: ‘haha nee joh dit is pas het startschot' en 'die van afgelopen nacht gaat alleen maar erger worden'.
Verdachte en ( [medeverdachte 5] ) [medeverdachte 5] hebben op 13-14 september 2020 contact via WhatsApp. Tijdens dat gesprek vraagt verdachte herhaaldelijk of ‘hij ready is'. Ook vraagt verdachte of 'hij alles compleet heeft'. Daarbij geeft verdachte aan dat 'hij zelf geen vervoer heeft’ en 'laat ook hem proberen te fixen‘.
Vervolgens vindt op 15 september 2020 een tweede aanslag plaats, dit keer op de [x-straat 1] in [plaats] (de eerste aanslag op dit adres). [aangeefster] heeft verklaard dat zij televisie aan het kijken was toen zij een explosie hoorde. Ze zag dat het glas naar binnen geblazen werd en zag donkere rook en vuur. Op beelden van een beveiligingscamera is te zien dat er vermoedelijk iets ontstoken/aangestoken werd, dat het brandende voorwerp in de richting van de woning aan de [x-straat 1] werd gegooid, dat er een ontbranding plaatsvond die afnam, waarna een tweede zeer sterke vermoedelijke ontbranding volgde. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat er zowel een explosief als een drinkfles motorbenzine is gebruikt bij de aanslag.
Op 19 september 2020 vraagt verdachte via WhatsApp aan [betrokkene 20] actief informatie op over de adressen van [benadeelde 10] en familieleden van hem.
Op 22 september 2020 vindt vervolgens een derde aanslag plaats op de [x-straat 1] in [plaats] . Dit betreft de tweede aanslag op dit adres en dit is de aanslag waarvan het hof hiervoor reeds heeft vastgesteld dat die is gepleegd door [medeverdachte 8] . [aangeefster] heeft opnieuw aangifte gedaan en heeft verklaard dat zij een enorme knal hoorde, dat haar voordeur opensloeg en dat zij vuur en zwarte rook zag. Bij deze aanslag is een VBC gebruikt. De VBC bestond uit een met motorbenzine gevulde jerrycan met daaraan zwaar vuurwerk (mortierbom) bevestigd.
Het hof leidt uit het voorgaande af dat verdachte een conflict met [benadeelde 10] had, hetgeen een bevestiging vormt voor de verklaring van [getuige 1] . Ook beschikte verdachte kort voor de eerste aanslag over het adres van zowel de vader als de moeder van [benadeelde 10] . Die adressen kreeg hij via [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Daarbij is opvallend dat verdachte kort voordat hij de adressen krijgt een gesprek voert met [betrokkene 21] over shells, want de opvolgende nacht vindt de eerste aanslag plaats waarbij een shell is gebruikt. Kort na die aanslag weet verdachte ook al te vertellen ‘dat dit pas het startschot is' en ‘het alleen maar erger gaat worden'. Die opmerking van verdachte wordt bevestigd door het feit dat bij de tweede aanslag naast een explosief ook een drinkfles motorbenzine is gebruikt en bij de derde aanslag naast een explosief zelfs een jerrycan motorbenzine. Een paar dagen later na de tweede aanslag voert verdachte een gesprek met [medeverdachte 5] waarin hij vraagt of hij (verwijzend naar een iemand) klaar staat en of diegene alles compleet heeft. Uiteindelijk blijkt dat diegene alleen nog geen vervoer heeft waarna verdachte aangeeft dat diegene dat moet proberen te fixen. Ook dit past wat de modus operandi betreft bij de verklaring van [getuige 1] dat [medeverdachte 8] bij de volgende aanslag heeft gevraagd hem naar [plaats] te brengen.
Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien kan volgens het hof tot geen andere conclusie leiden dan dat verdachte de opdrachtgever van deze aanslag op 22 september 2020 is geweest.”
16.4
Het middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat de verdachte de aanslag op 22 september 2020 in [plaats] heeft uitgelokt en/of dat hij op 19 september 2020 [medeverdachte 5] actief heeft verzocht om informatie over de adressen van [benadeelde 10] en familieleden van hem.
16.5
Het hof heeft de vaststelling dat de verdachte op 19 september 2020 [medeverdachte 5] actief heeft verzocht om informatie over de adressen van [benadeelde 10] en familieleden van hem gebaseerd op ‘het proces-verbaal van bevindingen, p. 20 (Navigator. 1e aanvulling)’. De stellers van het middel wijzen erop dat op de betreffende pagina van het proces-verbaal, onder meer het relaas is opgenomen dat op 10 september 2020, in een gesprek tussen de verdachte en ‘Neefje [betrokkene 21] ’, door die laatstgenoemde adresgegevens zijn gedeeld van [benadeelde 10] en zijn familieleden, waarna de verdachte vraagt ‘hier woonde hij zelf toch’ en daarna vraagt om een sofinummer.
16.6
Op basis van dat bewijsmiddel kan op zich niet zonder meer de gevolgtrekking worden gemaakt dat de verdachte op 19 september 2020 ‘actief’ heeft verzocht om informatie over de adressen van [benadeelde 10] en familieleden. Evenwel is de gevolgtrekking dat de verdachte actief heeft verzocht om informatie over de adressen van [benadeelde 10] en familieleden in het licht van de bewijsvoering in zijn geheel niet onbegrijpelijk. Immers, uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte de opdracht heeft gegeven aan [getuige 1] en [medeverdachte 8] om de aanslag op 22 september 2020 te plegen in [plaats] . Verder wijs ik erop dat het hof onder verwijzing naar een onderliggend bewijsmiddel heeft vastgesteld dat de verdachte heeft erkend actief navraag te hebben gedaan naar de persoonsgegevens van [benadeelde 10] en familieleden van hem.
16.7
Het middel faalt.

17.Het vijftiende middel

17.1
Het vijftiende middel richt zich – net als het veertiende middel – tegen het in de zaak met parketnummer 05-780039-21A onder 1 bewezenverklaarde en klaagt opnieuw, maar nu op andere gronden, dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
17.2
Voor hetgeen ten laste van de verdachte in de zaak met parketnummer 05-780039-21A onder 1 is bewezenverklaard, verwijs ik naar randnummer 16.2 van deze conclusie.
17.3
Het hof heeft met betrekking tot deze bewezenverklaring onder meer overwogen:
“Op 22 september 2020 omstreeks 23:20 uur is een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) tot ontploffing gebracht bij de voordeur van een woning aan de [x-straat 1] in [plaats] . Het betrof de woning van [aangeefster] (de moeder van [benadeelde 10] , ook wel bekend als ' [benadeelde 10] '). [aangeefster] stond op het moment van ontploffing in de hal. De VBC bestond uit een met motorbenzine gevulde jerrycan met daaraan zwaar vuurwerk (mortierbom) bevestigd. Als gevolg van de explosie is de voordeur naar binnen geslagen, kwam er zwarte rook naar binnen, zijn de bovenlichten van de toegangsdeuren van de nummers 58, 60 en 62 gebroken en lagen er in de omgeving glasscherven. Daarnaast was er schade aan beplanting en decoraties. Op camerabeelden is te zien dat één persoon om 23:20 uur in de richting van de voorzijde van de [x-straat 1] loopt, ter hoogte van de woning vermoedelijk iets aansteekt en daarna wegrent. Om 23:26 uur is een Volkswagen Caddy ( [kenteken 4] ) twee ANPR-camera's in de omgeving van de plaats delict gepasseerd. Het voertuig kwam vanuit de richting van [plaats] en bewoog in de richting van de Rijksweg […] .
[…]
Opzet op de dood?
De vraag die het hof, gelet op de tenlastelegging, vervolgens moet beantwoorden is of [getuige 1] en/of [medeverdachte 8] opzet op de dood van de bewoner hebben gehad. Van vol opzet is niet gebleken. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien verdachten zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Volgens het onderzoek van de brandonderzoeker kon door de explosieve verbranding van een zwaar stuk vuurwerk een drukgolf ontstaan. Door die drukgolf zijn vrijwel alle ramen van de aan deze portiek gelegen voordeuren vernield geraakt. Door de kracht van de explosie zijn glasdelen met grote kracht in diverse richtingen weggeschoten, met de beschreven schade tot gevolg. Personen die zich op dat moment in de omgeving hadden bevonden, al dan niet in de woning zelf, hadden als gevolg van weggeschoten fragmenten of glasdelen ernstig tot dodelijk letsel kunnen oplopen. Ook kon de ontploffing van de VBC tot een heftige explosie leiden, waarbij door de ontbranding van de motorbenzine een grote vuurbal kon ontstaan. Het ontstaan van deze vuurbal, in combinatie met de constructie van de betreffende portiek en de vernielde ruiten van de voordeuren, kon tot een zeer snelle tot explosieve branduitbreiding in verschillende woningen leiden. Personen die op dat moment in de woningen of in de omgeving daarvan aanwezig waren konden daardoor ernstig tot dodelijk (brand)letsel oplopen.
Met betrekking tot [getuige 1] overweegt het hof dat niet kan worden vastgesteld dat hij de aanmerkelijke kans dat er mensen konden overlijden of zwaar lichamelijk letsel konden oplopen willens en wetens heeft aanvaard. [getuige 1] heeft verklaard dat hij dacht dat het om lichter vuurwerk ging dat in een tuin tot ontploffing zou worden gebracht ter afschrikking. Dat [medeverdachte 8] een VBC heeft gebruikt en deze bij een voordeur van een woning tot ontploffing heeft gebracht wist [getuige 1] (vooraf) niet. Zijn rol ging niet verder dan het besturen van de auto en het op de uitkijk staan, waardoor hij ook niet tussentijds van het gebruik van de VBC op de hoogte is geraakt. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen die het tegendeel onderbouwen. Om die reden acht het hof niet bewezen dat er bij [getuige 1] sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van de bewoners. Dat betekent dat hij niet als (mede)pleger van de ten laste gelegde poging tot moord/doodslag/zware mishandeling kan worden gezien.
Met betrekking tot [medeverdachte 8] overweegt het hof dat de mortierbom die hij bij de voordeur van de woning tot ontploffing heeft gebracht op zichzelf genomen al zwaar illegaal vuurwerk is dat een enorme knal en drukgolf veroorzaakt. Daarbij is tevens door hem gebruik gemaakt van een met motorbenzine gevulde jerrycan. Deze VBC heeft hij bij de voordeur nabij glas tot ontploffing gebracht. Mede in het licht van de bevindingen van de brandonderzoeker, beoordeelt het hof de kans dat personen in/nabij de woningen als gevolg van de ontploffing hadden kunnen overlijden als aanmerkelijk. Voorts is het hof van oordeel dat [medeverdachte 8] de aanmerkelijke kans op overlijden ook bewust heeft aanvaard. Op het moment van de ontploffing stond [aangeefster] overigens daadwerkelijk in de hal op korte afstand van de voordeur. Zij is door de kracht van de explosie haar woning ingeworpen.”
17.4
Het middel klaagt dat niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat gebruik is gemaakt van een mortierbom/shell, althans de vaststelling van het hof dat daarvan gebruik is gemaakt onbegrijpelijk is, nu de identificatie van het vuurwerk niet mogelijk bleek. Verder klaagt het middel dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat [aangeefster] daadwerkelijk in de hal op korte afstand van de voordeur stond en door de kracht van de explosie haar woning is ingeworpen, althans deze vaststellingen onbegrijpelijk zijn, nu zulks niet uit haar verklaring volgt. Het middel klaagt voorts nog dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat er fragmenten of glasscherven in de woning van [aangeefster] zijn aangetroffen, zodat de kans dat [aangeefster] als gevolg van die weggeschoten fragmenten of glasscherven dodelijk letsel zou bekomen nadere motivering behoeft. Ook zouden de resultaten van het brandonderzoek te weinig gegevens bieden voor het oordeel dat er een aanmerkelijke kans op overlijden was als gevolg van weggeschoten fragmenten of glasscherven, terwijl het hof zelf geen nadere vaststellingen daaromtrent heeft gedaan. Tot slot klaagt het middel in de kern dat het hof zijn oordeel over de aanmerkelijke kans heeft gebaseerd op een hypothetische situatie.
17.5
Het hof heeft vastgesteld dat op 22 september 2020 een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) tot ontploffing is gebracht bij de voordeur van een woning aan de [x-straat 1] in [plaats] , alwaar [aangeefster] (de moeder van [benadeelde 10] , ook wel bekend als ' [benadeelde 10] ') woonachtig was. Verder is vastgesteld dat [aangeefster] op het moment van de ontploffing in de hal stond. Op basis van processen-verbaal heeft het hof vastgesteld dat de VBC bestond uit een met motorbenzine gevulde jerrycan met daaraan zwaar vuurwerk (mortierbom) bevestigd en dat ten gevolge van de explosie van die VBC de voordeur naar binnen is geslagen, er zwarte rook naar binnen kwam, de bovenlichten van de toegangsdeuren van de nummers 58, 60 en 62 zijn gebroken en er in de omgeving glasscherven lagen. Voorts is schade geconstateerd aan beplanting en decoraties. Onder verwijzing naar het onderzoek van de brandonderzoeker heeft het hof geconstateerd dat door de explosieve verbranding van een zwaar stuk vuurwerk een drukgolf kon ontstaan en door die drukgolf vrijwel alle ramen van de aan deze portiek gelegen voordeuren vernield zijn geraakt. Verder is vastgesteld dat door de kracht van de explosie glasdelen met grote kracht in diverse richtingen zijn weggeschoten, met de beschreven schade tot gevolg en personen die zich op dat moment in de omgeving hadden bevonden, al dan niet in de woning zelf, als gevolg van weggeschoten fragmenten of glasdelen ernstig tot dodelijk letsel hadden kunnen oplopen. Ook is vastgesteld dat de ontploffing van de VBC tot een heftige explosie kon leiden, waarbij door de ontbranding van de motorbenzine een grote vuurbal kon ontstaan en het ontstaan van deze vuurbal, in combinatie met de constructie van de betreffende portiek en de vernielde ruiten van de voordeuren, tot een zeer snelle tot explosieve branduitbreiding in verschillende woningen kon leiden en personen die op dat moment in de woningen of in de omgeving daarvan aanwezig waren daardoor ernstig tot dodelijk (brand)letsel konden oplopen.
17.6
Het hof heeft met betrekking tot [medeverdachte 8] onder meer overwogen dat de mortierbom die hij bij de voordeur van de woning tot ontploffing heeft gebracht op zichzelf genomen al zwaar illegaal vuurwerk is dat een enorme knal en drukgolf veroorzaakt en daarbij tevens gebruik is gemaakt van een met motorbenzine gevulde jerrycan. Verder is overwogen dat hij deze VBC bij de voordeur, nabij glas, tot ontploffing heeft gebracht. Naar aanleiding van die vaststellingen heeft het hof mede in het licht van de bevindingen van de brandonderzoeker geoordeeld dat de kans dat personen in/nabij de woningen als gevolg van de ontploffing hadden kunnen overlijden aanmerkelijk was en dat [medeverdachte 8] de aanmerkelijke kans op overlijden ook bewust heeft aanvaard. Het hof heeft daarbij overwogen dat op het moment van de ontploffing [aangeefster] ‘overigens’ daadwerkelijk in de hal op korte afstand van de voordeur stond en door de kracht van de explosie haar woning is ingeworpen.
17.7
De klacht dat niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat gebruik is gemaakt van een mortierbom/shell, althans de vaststelling van het hof dat daarvan gebruik is gemaakt onbegrijpelijk is, nu de identificatie van het vuurwerk niet mogelijk bleek, kan ik niet volgen. Het hof heeft immers op basis van processen-verbaal niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de VBC bestond uit een met motorbenzine gevulde jerrycan met daaraan zwaar vuurwerk (mortierbom) bevestigd.
17.8
Voor zover het middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat [aangeefster] daadwerkelijk in de hal op korte afstand van de voordeur stond en door de kracht van de explosie haar woning is ingeworpen, keert het zich tegen een overweging ten overvloede. Indien en voor zover het vorenstaande niet uit de bewijsvoering zou kunnen volgen, meen ik dat die omstandigheid niet afdoet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof over de aanmerkelijkheid van de ‘kans’ op het overlijden van [aangeefster] .
17.9
Het middel klaagt verder nog dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat er fragmenten of glasscherven in de woning van [aangeefster] zijn aangetroffen, zodat de kans dat [aangeefster] als gevolg van die weggeschoten fragmenten of glasscherven dodelijk letsel zou bekomen, nadere motivering behoeft. Ik meen dat uit de vaststellingen van het hof, die inhouden dat er een VBC – een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) die bestond uit een met motorbenzine gevulde jerrycan met daaraan zwaar vuurwerk (mortierbom) – tot ontploffing is gebracht bij de voordeur van een woning aan de [x-straat 1] in [plaats] , in het licht van de vaststellingen over de aard en kracht van de explosie, voldoende kan volgen dat de kans bestond dat [aangeefster] als gevolg van die weggeschoten fragmenten of glasscherven dodelijk letsel zou bekomen. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
17.1
Tot slot klaagt het middel in de kern dat het hof zijn oordeel over de aanmerkelijke kans heeft gebaseerd op een hypothetische situatie. Uit de bewijsvoering blijkt immers niet dat daadwerkelijk sprake is geweest van een ‘vuurbal’ die heeft geleid tot snelle tot explosieve branduitbreiding verschillende woningen. Dit gaat er echter aan voorbij dat het oordeel of sprake is van een aanmerkelijke ‘kans’ op een bepaald gevolg, niet – zoals de stellers van het middel lijken te veronderstellen – vereist dat die kans zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt (en tot het gevolg heeft geleid). Het argument dat de omstandigheid zich ook niet voordeed dat de bewoner van de woning sliep, welke omstandigheid wel door de brandonderzoeker ten grondslag is gelegd aan zijn conclusie over het gevaar van de explosie, gaat eveneens aan de invulling van de aanmerkelijke kans voorbij.
17.11
Het middel faalt.

18.Het zestiende middel

18.1
Het zestiende middel richt zich wederom tegen het in de zaak met parketnummer 05-780039-21A onder 1 bewezenverklaarde en klaagt opnieuw dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
18.2
Voor hetgeen ten laste van de verdachte in de zaak met parketnummer 05-780039-21A onder 1 is bewezenverklaard, verwijs ik ook nu naar randnummer 16.2 van deze conclusie.
18.3
Met betrekking tot het gevaar dat de ontploffing teweeg heeft gebracht, heeft het hof overwogen:
Eendaadse samenloop met opzettelijk ontploffing teweegbrengen
Hetzelfde feitencomplex is tevens aan [medeverdachte 8] en [getuige 1] ten laste gelegd ais het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, met gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van dit feit het opzet van een verdachte slechts gericht hoeft te zijn op het teweegbrengen van een ontploffing en niet ook op het teweegbrengen van de gevolgen daarvan. Van belang is of het gevaar ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.
Gelet op het tijdstip (laat in de avond), de locatie waar de VBC tot ontploffing is gebracht (bij de voordeur), de kracht van de ontploffing die af te leiden is uit de schade die door de ontploffing is veroorzaakt én waarbij benzine als brandversneller is gebruikt en de feitelijke aanwezigheid van de bewoonster in de woning, is het hof van oordeel dat naar algemene ervaringsregels voor [medeverdachte 8] voorzienbaar moet zijn geweest dat door dit handelen gemeen gevaar voor (de inboedel van) de woning, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor de bewoners van die woning te duchten was.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat voor [getuige 1] , ten aanzien van wie alleen kan worden vastgesteld dat hij dacht dat het om lichter vuurwerk ging dat in een tuin tot ontploffing zou worden gebracht ter afschrikking en dat hij is opgetreden als degene die de auto bestuurde en op de uitkijk stond, naar algemene ervaringsregels niet zonder meer voorzienbaar kan worden geacht dat door het handelen van [medeverdachte 8] gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor de bewoners van een woning te duchten was. Wel acht het hof bewezen dat voor [getuige 1] voorzienbaar moet zijn geweest dat door het tot ontploffing brengen van vuurwerk in een tuin gemeen gevaar voor goederen te duchten was.”
18.4
Het zestiende middel bevat onder meer de klacht dat het hof ten onrechte de vraag of het gevaar voor de verdachte voorzienbaar moet zijn geweest tot uitgangspunt neemt, terwijl het gaat om de voorzienbaarheid van het gevaar naar algemene ervaringsregels en die voorzienbaarheid niet uit de omstandigheden van het geval valt af te leiden. Naast die klacht bevat het klachten die gelijkluidend zijn aan de reeds naar aanleiding van het vijftiende middel besproken klachten onder randnummers 17.7 tot en met 17.10, zodat ik voor de bespreking van die klachten volsta met een verwijzing naar die randnummers, met de conclusie dat die klachten falen.
18.5
Met betrekking tot de in dit middel nog te bespreken klacht meen ik dat deze berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft immers niet – zoals de stellers van het middel menen – overwogen dat het gevaar ‘voor de verdachte’ voorzienbaar moet zijn geweest, maar dat ‘naar algemene ervaringsregels’ voor [medeverdachte 8] voorzienbaar moet zijn geweest dat door dit handelen gemeen gevaar voor (de inboedel van) de woning, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor de bewoners van die woning te duchten was. Aldus mist de klacht feitelijke grondslag.
18.6
Ik wijs er tevens op dat het hof heeft vooropgesteld dat van belang is of het gevaar ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest en daarmee van het juiste criterium is uitgegaan.
18.7
Het middel faalt.

19.Het zeventiende middel

19.1
Ook het zeventiende middel richt zich tegen het in de zaak met parketnummer 05-780039-21A onder 1 bewezenverklaarde en klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
19.2
Voor hetgeen ten laste van de verdachte in de zaak met parketnummer 05-780039-21A onder 1 is bewezenverklaard, verwijs ik opnieuw naar randnummer 16.2 van deze conclusie.
19.3
Het middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat [benadeelde 10] ten tijde van de aanslag aanwezig was in de woning waar deze aanslag is gepleegd, zodat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van die [benadeelde 10] . Daarmee berust het middel op de veronderstelling dat het hof ten aanzien van [benadeelde 10] heeft geoordeeld dat sprake is van voorwaardelijk opzet op zijn dood.
19.4
Het hof heeft met betrekking tot het bewezenverklaarde onder meer overwogen:
“Opzet op de dood?
De vraag die het hof, gelet op de tenlastelegging, vervolgens moet beantwoorden is of [getuige 1] en/of [medeverdachte 8] opzet op de dood van de bewoner hebben gehad. Van vol opzet is niet gebleken. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien verdachten zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Volgens het onderzoek van de brandonderzoeker kon door de explosieve verbranding van een zwaar stuk vuurwerk een drukgolf ontstaan. Door die drukgolf zijn vrijwel alle ramen van de aan deze portiek gelegen voordeuren vernield geraakt. Door de kracht van de explosie zijn glasdelen met grote kracht in diverse richtingen weggeschoten, met de beschreven schade tot gevolg. Personen die zich op dat moment in de omgeving hadden bevonden, al dan niet in de woning zelf, hadden als gevolg van weggeschoten fragmenten of glasdelen ernstig tot dodelijk letsel kunnen oplopen. Ook kon de ontploffing van de VBC tot een heftige explosie leiden, waarbij door de ontbranding van de motorbenzine een grote vuurbal kon ontstaan. Het ontstaan van deze vuurbal, in combinatie met de constructie van de betreffende portiek en de vernielde ruiten van de voordeuren, kon tot een zeer snelle tot explosieve branduitbreiding in verschillende woningen leiden. Personen die op dat moment in de woningen of in de omgeving daarvan aanwezig waren konden daardoor ernstig tot dodelijk (brand)letsel oplopen.
[…]
Met betrekking tot [medeverdachte 8] overweegt het hof dat de mortierbom die hij bij de voordeur van de woning tot ontploffing heeft gebracht op zichzelf genomen al zwaar illegaal vuurwerk is dat een enorme knal en drukgolf veroorzaakt. Daarbij is tevens door hem gebruik gemaakt van een met motorbenzine gevulde jerrycan. Deze VBC heeft hij bij de voordeur nabij glas tot ontploffing gebracht. Mede in het licht van de bevindingen van de brandonderzoeker, beoordeelt het hof de kans dat personen in/nabij de woningen als gevolg van de ontploffing hadden kunnen overlijden als aanmerkelijk. Voorts is het hof van oordeel dat [medeverdachte 8] de aanmerkelijke kans op overlijden ook bewust heeft aanvaard. Op het moment van de ontploffing stond [aangeefster] overigens daadwerkelijk in de hal op korte afstand van de voordeur. Zij is door de kracht van de explosie haar woning ingeworpen.”
19.5
Ik lees de overweging van het hof zo dat het voorwaardelijk opzet heeft aangenomen ten aanzien van de dood van ‘personen in/nabij de woningen’. [benadeelde 10] behoort niet tot die personen, aangezien hij niet aanwezig was ‘in’ of ‘nabij’ de woning ten tijde van de aanslag. Naar mijn oordeel heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de uitvoerder ‘vol opzet’ had op de dood van [benadeelde 10] , doordat hij ter uitvoering van de opdracht van de verdachte [46] – met betrekking tot welke opdracht het hof heeft vastgesteld dat de verdachte aangaf dat ‘die hond zsm dood gaat’ en hem verzekerd is dat hij vermoord gaat worden – een aanslag heeft gepleegd op de woning middels een VBC, zijnde een mortierbom met een jerrycan motorbenzine. Bij die lezing mist het middel feitelijke grondslag en faalt het.
19.6
Voor zover de Hoge Raad dit anders ziet en meent dat het middel terecht is voorgesteld, merk ik op dat het middel bij gebrek aan belang niet tot cassatie behoeft te leiden, nu de aard en de ernst van wat verder ten laste van de verdachte is bewezenverklaard in zijn geheel beschouwd niet wezenlijk wordt aangetast, terwijl ook de kwalificatie van het bewezenverklaarde ongewijzigd blijft. [47]

20.Het achttiende middel

20.1
Het achttiende middel richt zich tegen het in de zaak met parketnummer 05-780039-21A onder 2 bewezenverklaarde en klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
20.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 05-780039-21A onder 2 subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij in of omstreeks de periode van 20 april 2021 tot en met 2 mei 2021 te [plaats] ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en) [betrokkene 26] en [betrokkene 24] door beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om misdrijven te weten moord en opzettelijke brandstichting en/of opzettelijk een ontploffing teweegbrengen in een woning (perceel [w-straat 1] te [plaats] ) met gemeen gevaar voor goederen en met levensgevaar voor de bewoner(s) te duchten, te laten begaan, daartoe opzettelijk
- adresgegevens van voormelde woning aan die [betrokkene 26] en aan die [betrokkene 24] hebben verstrekt en
- een geldbedrag aan die [betrokkene 26] en die [betrokkene 24] als beloning voor het plegen van dit feit in het vooruitzicht hebben gesteld of laten stellen en
- die [betrokkene 26] en [betrokkene 24] op dwingende wijze hebben gezegd dit feit te plegen en
- aan die [betrokkene 26] en die [betrokkene 24] instructies hebben gegeven of laten geven hoe dit feit diende te worden uitgevoerd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf, te weten de uitlokking, niet is voltooid.”
20.3
Het hof heeft met betrekking tot deze bewezenverklaring onder meer overwogen:
“2 mei 2021: incident in [plaats]
Op 2 mei 2021 heeft zich 's nachts een incident voorgedaan bij de woning van [aangever 8] op het adres [w-straat 1] in [plaats] . De aangever heeft op camerabeelden waargenomen dat omstreeks 01.22 uur een man iets tegen de muur bij de voordeur gooide en dat omstreeks 01.25 uur diezelfde man iets gooide tegen een woningraam. Dat laatste heeft geleid tot krassen op dat raam. De politie heeft op camerabeelden van aangever [aangever 8] waargenomen dat op 2 mei 2021 omstreeks 01.22 uur een man iets tegen de muur boven de deur gooide en dat daarbij een klap hoorbaar was. Nadat de man was weggerend, gooide om 01.25 uur een man met hetzelfde signalement iets naar de woning.
Het adres [w-straat 1] in [plaats] komt voor op de personeelslijst van [A] die in het onderzoek Maldiven in het dossier is gevoegd.
[betrokkene 24] heeft verklaard dat hij de persoon is die zichtbaar is op de camerabeelden en dat hij kiezelstenen naar de woning heeft gegooid. Hij was door [betrokkene 23] gebeld met het oog op dat incident. [medeverdachte 1] zat op dat moment vast. [medeverdachte 1] had [betrokkene 24] voor de aanslag een geldbedrag beloofd.
Verdachte heeft op de terechtzitting van het hof van 4 november 2024 verklaard dat hij [medeverdachte 1] het adres in [plaats] heeft gegeven met de opdracht daar een aanslag te laten plegen.
Verdachte en [medeverdachte 1] waren in de periode van 11 maart 2021 tot 23 september 2021 allebei gedetineerd in PI [plaats] , locatie [C] .
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte hem een stukje papier gaf waarop hij van verdachte het adres [w-straat 1] moest noteren. Van verdachte moest daar chaos worden gemaakt. Het raam moest kapot en er moest iets naar binnen. [medeverdachte 1] heeft daarvoor [betrokkene 25] (het hof begrijpt: [betrokkene 26] ) benaderd.
[betrokkene 26] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 1] heeft gesproken over het plegen van een aanslag op het adres [w-straat 1] in [plaats] .
Tussenconclusie
Op basis van het voorgaande komt het hof tot de volgende tussenconclusie. Verdachte heeft in PI [C] medegedetineerde [medeverdachte 1] benaderd om een aanslag te laten plegen op het adres [w-straat 1] in [plaats] . [medeverdachte 1] heeft vervolgens naar aanleiding van die opdracht onder meer gesproken met [betrokkene 26] en [betrokkene 24] . Eén van de voorliggende vragen is tot welk misdrijf of tot welke misdrijven [medeverdachte 1] geprobeerd heeft [betrokkene 26] en/of [betrokkene 24] uit te lokken. Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof onder meer gelet op onderstaande (fragmenten van) telefoongesprekken die [medeverdachte 1] vanuit PI [C] heeft gevoerd met [betrokkene 26] en [betrokkene 24] .
[…]
Het hof leidt uit het voorgaande het volgende af.
Op 20 april 2021 zei [medeverdachte 1] tegen [betrokkene 26] dat er een adres was en dat daar iets moest gebeuren, met daarbij aan [betrokkene 26] het verzoek dat uit te voeren in ruil voor geld (‘pap'). Op 21 april 2021 verstrekte [medeverdachte 1] het adres ( [w-straat 1] ) aan [betrokkene 26] . Tijdens verschillende gesprekken in de periode van 20 tot en met 30 april 2021 bespraken [medeverdachte 1] en [betrokkene 26] wat [medeverdachte 1] wilde dat op dat adres zou gebeuren. [medeverdachte 1] sprak daarbij over het doen breken (’splash’) van een raam (’window’) en vervolgens iets naar binnen gooien. Daarbij sprak [medeverdachte 1] in verschillende gesprekken over het gebruik van een explosief (‘cobra') of een brandbare stof (benzine). Toen [betrokkene 26] het gebruik van een molotovcocktail (’molo’) voorstelde, reageerde [medeverdachte 1] instemmend en voegde [medeverdachte 1] daaraan toe dat het het beste is als ’die ding splashja' (het hof begrijpt: de ruit wordt ingegooid) en ’daarna binnen' (het hof begrijpt: daarna de molotovcocktail naar binnen wordt gegooid). Daarbij zei [medeverdachte 1] op 25 april 2021 tegen [betrokkene 26] dat het hem ( [medeverdachte 1] ) niet boeide als het huis (‘osso') ‘loezoe'. Het hof begrijpt dat dit in de gegeven context betekende dat het [medeverdachte 1] niet uitmaakte of de aanslag zou leiden tot verwoesting van de woning.
[medeverdachte 1] heeft aanvankelijk [betrokkene 26] benaderd om de opdracht van [verdachte] uit te voeren. Tijdens het gesprek van 22 april 2021 noemde [betrokkene 26] dat [betrokkene 24] mogelijk mee zou gaan, waarbij het toen nog de insteek was dat [betrokkene 26] en [betrokkene 24] beiden zouden deelnemen aan de uitvoering. In het gesprek van 27 april 2021 verstrekte [betrokkene 26] aan [medeverdachte 1] het telefoonnummer van [betrokkene 24] . In het gesprek van 30 april 2021 tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 26] zei [medeverdachte 1] dat ’hij', een derde dus, vandaag moet gaan. Het hof leidt daaruit af dat het op dat moment de insteek was dat [betrokkene 24] de aanslag zou plegen. Op 1 mei 2021 nam [medeverdachte 1] telefonisch contact op met [betrokkene 24] . In dat gesprek benadrukte [medeverdachte 1] dat het die dag moest gebeuren. Ook werd gesproken over de financiële beloning voor [betrokkene 24] voor het plegen van de aanslag (’Je wou drie, toch?'). In dat gesprek werd niet gesproken over de wijze van uitvoering, terwijl niet is gebleken van verder contact tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 24] voorafgaand aan het incident van 2 mei 2021. Het hof leidt hieruit af dat ( [medeverdachte 1] ervan uitgang dat) [betrokkene 24] over de wijze van uitvoering was geïnstrueerd door [betrokkene 26] .
3.5.3.1. Rol [medeverdachte 1]
Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat [medeverdachte 1] een poging heeft gedaan om [betrokkene 26] en [betrokkene 24] te bewegen tot het plegen een aanslag op het adres [w-straat 1] in [plaats] . Om hen tot die woningaanslag te bewegen, heeft [medeverdachte 1] onder meer het adres verstrekt waar de aanslag moest plaatsvinden en hen een financiële beloning in het vooruitzicht gesteld voor het uitvoeren van de aanslag. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] aan [betrokkene 26] instructies gegeven over de wijze waarop de aanslag moest worden uitgevoerd en ging [medeverdachte 1] ervan uit dat [betrokkene 26] instructies doorgaf aan [betrokkene 24] .
Poging tot uitlokking van een misdrijf
De opdracht van [medeverdachte 1] strekte ertoe dat een woningraam zou worden ingegooid en dat vervolgens een explosief (‘cobra') of een brandend voorwerp (’benzine’, molotovcocktail) in de woning zou worden gegooid. Naar het oordeel van het hof is daarmee gepoogd om anderen te bewegen tot het begaan van een brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing teweeg te brengen waarvan gemeen voor goederen te duchten was. Daarnaast geldt voor een dergelijke woningaanslag dat daarin de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid besloten ligt dat de aanslag leidt tot een woningbrand of andersoortige levensgevaarlijke situatie met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn. Naar het oordeel van het hof is dit - zoals reeds eerder opgemerkt - ook algemeen bekend, wat meebrengt dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) [medeverdachte 1] zich ervan bewust is geweest dat hij [betrokkene 26] en [betrokkene 24] probeerde te bewegen tot een woningaanslag die zou leiden tot een aanmerkelijke kans op het overlijden van de personen die (mogelijk) in die woning aanwezig zouden zijn. Dit besef heeft [medeverdachte 1] niet weerhouden van de poging om de woningaanslag uit te lokken. Daar komt bij dat [medeverdachte 1] tegen [betrokkene 26] heeft gezegd dat het hem niet boeit als het huis ’loezoe’ (het hof begrijpt: verwoest wordt). Het hof leidt uit deze uitspraak af dat [medeverdachte 1] er rekening mee hield dat de beoogde woningaanslag verstrekkende gevolgen zou hebben en dat die gevolgen voor [medeverdachte 1] geen reden vormden om van (de poging tot uitlokking van) die woningaanslag af te zien. Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat [medeverdachte 1] bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard op het overlijden van de mensen die (eventueel) in die woning aanwezig zouden zijn. Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van opzettelijke uitlokking van medeplegen van opzettelijk brandstichten of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
In het voorgaande ligt verder besloten dat is geprobeerd een woningaanslag uit te lokken die naar het oordeel van het hof tevens kan worden aangemerkt als een (poging tot) moord, begaan tegen de personen die op dat moment in die woning aanwezig waren. Het hof leidt uit het voorgaande namelijk af dat ook is gehandeld met voorbedachte raad. Zowel de uitlokkers als de beoogde uitvoerders hadden immers de gelegenheid om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de beoogde woningaanslag en om zich daarvan rekenschap te geven.
3.5.3.2. Rol [verdachte]
Naar het oordeel van het hof heeft [verdachte] als medepleger deelgenomen aan de poging van [medeverdachte 1] om anderen te bewegen tot het begaan van een moord. [verdachte] heeft aan de basis heeft gestaan van het incident in [plaats] door [medeverdachte 1] het adres [w-straat 1] in [plaats] te verstrekken met de opdracht daar een aanslag te laten plaatsvinden. Daarbij acht het hof bewezen dat [verdachte] bij het verstrekken van die opdracht aan [medeverdachte 1] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de uitvoering daarvan zou leiden tot de dood van de eventuele aanwezigen in die woning. Ter onderbouwing hiervan overweegt het hof het volgende.
Wat betreft de wijze van uitvoering van de woningaanslag heeft [verdachte] bij het hof verklaard dat hij [medeverdachte 1] heeft opgedragen om ervoor te zorgen dat met een handvuurwapen twee of drie keer op de woning zou worden geschoten. Naar het oordeel van het hof is dit niet geloofwaardig. Die verklaring van [verdachte] staat op gespannen voet met de opdracht die [medeverdachte 1] heeft gegeven aan de beoogde uitvoerders. Het hof ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [medeverdachte 1] aan de opdracht van [verdachte] een eigen invulling heeft gegeven met mogelijk veel ernstigere gevolgen dan bij een woningbeschieting. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [verdachte] in het kader van de (poging tot) afpersing van [benadeelde 1] al eerder opdracht had gegeven tot woningaanslagen waarbij een explosief in een woning tot ontploffing is gekomen (of daartoe een poging is gedaan). Het hof gaat er dus van uit dat de opdrachten die [medeverdachte 1] aan de beoogde uitvoerders gaf, pasten binnen de opdracht die [medeverdachte 1] had gekregen van [verdachte] .
Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat [verdachte] aan [medeverdachte 1] de opdracht heeft gegeven om een woningaanslag te laten plegen waarbij eerst een woningraam zou worden ingegooid en vervolgens een explosief of een brandend voorwerp in de woning zou worden gegooid. Naar het oordeel van het hof geldt voor een dergelijke woningaanslag dat daarin de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid besloten ligt dat de aanslag leidt tot een woningbrand of andersoortige levensgevaarlijke situatie met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn. Naar het oordeel van het hof is dit ook algemeen bekend, wat meebrengt dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) [verdachte] zich ervan bewust is geweest dat hij aan [medeverdachte 1] opdracht gaf tot het laten plegen van een woningaanslag die zou leiden tot een aanmerkelijke kans op het overlijden van de personen die in die woning aanwezig zouden zijn. Dit besef heeft [verdachte] er niet van weerhouden [medeverdachte 1] die opdracht te geven. Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat [verdachte] bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard op het overlijden van de mensen die (eventueel) in die woning aanwezig zouden zijn.”
20.4
Het hof heeft onder meer vastgesteld dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte hem een stukje papier gaf waarop hij van verdachte het adres [w-straat 1] moest noteren, waar chaos moest worden gemaakt. Het stukje papier hield kennelijk ook in dat het raam kapot moest en er ‘iets’ naar binnen moest. Uit die vaststelling heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte de opdracht heeft gegeven aan [medeverdachte 1] om woningaanslag te laten plegen waarbij eerst een woningraam zou worden ingegooid en vervolgens een explosief of een brandend voorwerp in de woning zou worden gegooid. Het hof heeft op basis daarvan tevens kunnen oordelen dat het geen aanknopingspunten ziet om aan te nemen dat [medeverdachte 1] aan die opdracht een eigen invulling heeft gegeven met mogelijk veel ernstige gevolgen. Het hof heeft aldus tot het oordeel kunnen komen dat de verdachte een poging tot moord heeft uitgelokt alsmede het teweegbrengen van een ontploffing met levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de opdracht er toe strekte dat een brandend voorwerp in de woning zou worden gegooid, faalt gelet op de vaststelling van het hof ook.
20.5
De stellers van het middel wijzen er terecht op dat ten aanzien van de aanslag op de woning op het adres [w-straat 1] in [plaats] niet expliciet blijkt dat er ten tijde van die aanslag personen aanwezig waren in de woning. Ik meen evenwel dat die aanwezigheid van personen in de woning in de bewijsvoering van het hof besloten ligt. Ik ontleen dat aan het volgende. Het hof heeft in de zaak tegen de [medeverdachte 1] (25/01229) – wiens rol erop neerkwam dat hij de opdracht van de verdachte verder heeft afgewikkeld – in dat verband overwogen dat is geprobeerd een woningaanslag uit te lokken die naar het oordeel van het hof tevens kan worden aangemerkt als een (poging tot) moord, begaan tegen ‘de personen die
op dat momentin die woning aanwezig waren’. Daarbij betrek ik dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep nimmer een dergelijk verweer is gevoerd, waardoor aangenomen mag worden dat eenieder van dat gegeven is uitgegaan.
20.6
Daarmee resteert nog de klacht dat de verdachte niet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn opdracht personen kwamen te overlijden en/of gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Die faalt naar mijn oordeel evident, nu uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte de opdracht heeft gegeven om het raam op het adres [w-straat 1] in te gooien, waarna ‘iets’ (een explosief of brandend voorwerp) naar binnen moest en het hof daarop zijn niet onbegrijpelijke oordeel heeft kunnen baseren dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van de eerdergenoemde gevolgen bewust heeft aanvaard.
20.7
Het middel faalt.

21.Het negentiende middel

21.1
Het negentiende middel klaagt dat de redelijke termijn van inzending als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is geschonden.
21.2
Op 7 april 2025 is namens de (gedetineerde) verdachte cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 oktober 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de redelijke termijn van inzending – die in deze situatie zes maanden bedraagt – overschreden met zes maanden. Het middel is daarmee terecht voorgesteld.
21.3
Ambtshalve merk ik verder op dat de redelijke termijn van berechting – die in deze zaak zestien maanden bedraagt – overschreden zal worden indien de Hoge Raad – zoals te verwachten valt – na 7 augustus 2026 uitspraak zal doen. Afhankelijk van de mate van overschrijding zal ook die overschrijding tot strafvermindering aanleiding kunnen geven.

22.Slotsom

22.1
De middelen 1 tot en met 18 falen. De middelen 1, met uitzondering van de tweede deelklacht, 2, 4, 5, 8 en 10 tot en met 18 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Middel 19 slaagt. Omdat de middelen 3, 6, 7 en 9 klagen over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening daarvan op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro niet voor de hand. [48]
22.2
Deze conclusie strekt tot:
- vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de duur van de opgelegde gevangenisstraf vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en
- verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 21-004253-22. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2025:2009.
2.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,
3.Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR: 2004:AM2533,
4.HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533,
5.HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533,
6.HR 7 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2740,
7.HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539,
8.Zie onder meer EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), paragraaf 107-116.
9.Zie onder meer EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), paragraaf 117.
10.EHRM 15 december 2011, nrs. 26 766 en 22 228/06 (
11.HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539,
12.Zo ook B. de Wilde,
13.EHRM 15 december 2011, nrs. 26 766 en 22 228/06 (
14.Een blik over de papieren muur wijst uit dat het op 18 april 2021 door de moeder van [getuige 1] ontvangen bericht inhoudt: “
15.Dit blijkt uit het deel van het arrest waarin het hof ingaat op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] . Ik citeer uit paragraaf 2.3 van het bestreden arrest: “Dat [getuige 1] op 17 en 18 mei 2021 heeft verklaard dat alles wat hij eerder had gezegd gelogen was en zich verder op zijn zwijgrecht heeft beroepen, maakt niet dat zijn eerdere verklaringen daadwerkelijk feitelijk onjuist of onvolledig zijn. Reden voor zijn latere opstelling was volgens [getuige 1] zelf een aan zijn moeder gerichte dreig-sms van 18 april 2021 met een ultimatum aan [getuige 1] om zijn verklaring in te trekken omdat het leven voor hem en zijn familie anders een hel zou worden. Het hof acht het aannemelijk dat deze sms - gelet op de inhoud afkomstig van de dader(s) van de aanslagen - voor [getuige 1] reden is geweest om zijn proceshouding aan te passen en zich vanaf dat moment als verdachte op zijn zwijgrecht en als getuige op zijn verschoningsrecht te beroepen. Iets wat [getuige 1] ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen strafzaak ook heeft verklaard. Het hof hecht om die reden geen waarde aan de verklaring van [getuige 1] dat hij alles wat hij eerder had verklaard, heeft gelogen.”
16.Zie onder meer EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), paragraaf 107-116.
17.EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), paragraaf 123.
18.EHRM 6 februari 2024, nr. 56440/15 (Snijders t. Nederland).
19.Vgl. wat betreft videoregistratie van verhoor EHRM 2 april 2013, nr. 25307/10 (D.T t. Nederland), paragraaf 50. Zie ook inzake video- en audioregistratie EHRM 2 juli 2002, nr. 34209/96 (S.N. t. Zweden), paragraaf 52. Enkel audio is wel van mindere waarde, zo meent De Wilde (zie B. De Wilde,
20.Vgl. wat betreft een deskundigenoordeel omtrent de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring EHRM 2 april 2013, nr. 25307/10 (D.T. t. Nederland), paragraaf 51. Zie ook De Wilde p. 537.
21.Zie De wilde p. 537 en EHRM 2 april 2013, nr. 25307/10 (D.T t. Nederland), paragraaf 51.
22.Daarmee bedoel ik: een conclusie die is geënt op een van de voor de rechter te beantwoorden vragen van art. 348 en Pro 350 Sv.
23.Vgl. HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7170, r.o. 3.3, HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1700, r.o. 2.3 en HR 17 februari 2009, LJN BG1653,
24.HR 8 juli 1992,
25.vgl. HR 17 februari 2009,
28.HR 29 maart 1966,
29.HR 26 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0155,
30.Vgl. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653,
31.HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4230,
32.HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7170.
33.HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:16.
34.HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:230.
35.Vgl. in dit verband de noot van J. Silvis,
36.Vgl. in dat verband de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Harteveld van 29 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:981.
37.vgl. HR 17 februari 2009,
38.Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenote Spronken van 27 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:113, randnummer 6.
39.Het gaat hierbij om de woningaanslagen die in de zaak met parketnummer 05/780001-21 onder 3. 4, 5 en 6 zijn tenlastegelegd.
40.Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:372 (en de voorafgaande conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Hofstee), HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:895 en HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0148,
41.Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:372.
42.Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:372 (en de voorafgaande conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Hofstee), HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:895 en HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0148,
43.Voor het juridische kader verwijs ik wederom naar randnummer 7.5 tot en met 7.17 van deze conclusie.
44.Vgl. HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8840, r.o. 2.6.
45.Vgl. HR 17 februari 2009,
46.In haar proefschrift verwijst Arendse naar Machielse, die van mening is dat of het opzet van de uitgelokte met het opzet van de uitlokker overeenkwam niet relevant is zolang de uiterlijke verschijningsvorm van hetgeen in werkelijkheid is uitgevoerd, beantwoordt aan het opzet van de uitlokker. Zie S.S. Arendse,
47.Vgl. HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:820, r.o. 4.3.
48.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,