ECLI:NL:PHR:2026:731

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
25/02463
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:68 lid 2 BWArt. 6:162 BWArt. 6 RvArt. 9 sub a RvArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot medewerking aan ontbinding religieus Pakistaans sjiitisch huwelijk afgewezen

De vrouw en man zijn in 2006 in Pakistan gehuwd en hebben na acht maanden uit elkaar geleefd. De vrouw woont in Nederland, de man in Australië. De vrouw vordert dat de man meewerkt aan de ontbinding van hun religieuze huwelijk door schriftelijke bekrachtiging van een mondeling uitgesproken talaq, betaling van de bruidsgave, teruggave van lijfsieraden en een bijdrage in levensonderhoud.

De rechtbank Rotterdam wees de vorderingen af wegens verjaring en onvoldoende bewijs. Het hof bekrachtigde dit oordeel en oordeelde dat de vrouw onvoldoende had bewezen dat de man mondeling talaq had uitgesproken en dat het religieuze huwelijk nog voortduurde. Het hof overwoog dat de man niet onrechtmatig handelde door niet mee te werken aan de bekrachtiging van de talaq.

De vrouw stelde in cassatie dat art. 1:68 lid 2 BW Pro (Wet tegengaan huwelijkse gevangenschap) van toepassing is en dat de man gehouden is medewerking te verlenen. De Hoge Raad concludeert dat deze bepaling codificeert wat reeds in jurisprudentie gold, maar dat de vrouw onvoldoende bewijs leverde. De vorderingen worden afgewezen, ook omdat de man zich bereid heeft verklaard mee te werken aan een alternatieve echtscheidingsprocedure. De vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van de vrouw tot medewerking aan ontbinding van het religieuze huwelijk en overige vorderingen worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs en onrechtmatigheid.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02463
Zitting17 juli 2026
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
[de vrouw](hierna: ‘de vrouw’)
tegen
[de man](hierna: ‘de man’)
Deze zaak draait om een vordering tot medewerking aan de beëindiging van een religieus huwelijk. De vrouw heeft aangevoerd dat de man onrechtmatig handelt omdat hij weigert zijn medewerking te verlenen aan de schriftelijke bekrachtiging van de
talaq– een vorm van echtscheiding naar islamitisch recht op initiatief van een man – die volgens de vrouw door hem eerder al mondeling is uitgesproken. Zij vordert dan ook de man te veroordelen mee te werken aan de ontbinding van het religieuze (sjiitisch islamitische) huwelijk door de
talaqnaar Pakistaans recht schriftelijk te bekrachtigen. Verder vordert zij de man te veroordelen tot een bijdrage in haar levensonderhoud, uitbetaling van de bruidsgave en teruggave van lijfsieraden. De man bestrijdt dat hij
talaqheeft uitgesproken en stelt dat partijen inmiddels al zijn gescheiden door
khula– een vorm van echtscheiding naar islamitisch recht op initiatief van een vrouw.
In hoger beroep zijn de vorderingen van de vrouw tot medewerking door de man aan de beëindiging van het religieuze huwelijk afgewezen. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de man mondeling
talaqhad uitgesproken die voor schriftelijke bekrachtiging in aanmerking kwam en is niet komen vast te staan dat de vrouw en de man naar Pakistaans/religieus recht nog getrouwd zijn. Ten overvloede heeft het hof geoordeeld dat het handelen van de man niet onrechtmatig is.
De vrouw komt in cassatie op tegen de afwijzing van haar vorderingen en beroept zich daarbij onder meer op het per 1 juli 2023 – hangende het hoger beroep – in werking getreden art. 1:68 lid 2 BW Pro. Deze bepaling is ingevoerd als onderdeel van de Wet tegengaan huwelijkse gevangenschap en enige andere onderwerpen. [1] Van huwelijkse gevangenschap is sprake als iemand tegen de eigen wil in een religieus huwelijk blijft, omdat de partner geen medewerking verleent aan de ontbinding van dat huwelijk. [2]

1.Feiten

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [3]
1.2
Op 5 augustus 2006 zijn de vrouw en de man in Quetta, Pakistan, in het huwelijk getreden. De vrouw woonde toen in Nederland en de man in Pakistan. Na de huwelijkssluiting hebben partijen acht maanden samengewoond in Pakistan, waarna de vrouw is teruggekeerd naar Nederland en de man is achtergebleven in Pakistan.
1.3
Blijkens de (Engelse vertaling van de) huwelijksakte zijn partijen, voor zover van belang, de volgende bruidsgave overeengekomen:
“13. Amount of Dower
: Rs 5,00,000/-
14. How much of the Dower is Mu’ajjal (Prompt) and how much Mu’wajjal (Deffered):
: NO PAYMENT
15. Whether any portion of the Dower was paid at the time of marriage, if so, how much
: NIL”
1.4
Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank Rotterdam op 18 november 2010 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 15 februari 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
1.5
Eind 2011 is de man gehuwd met een andere vrouw en in 2012 is hij vanuit Pakistan verhuisd naar Australië. Hij heeft daar inmiddels met deze vrouw een gezin gevormd. De vrouw woont nog steeds in Nederland.

2.Procesverloop

Eerste aanleg

2.1
In eerste aanleg heeft de vrouw gevorderd dat de rechtbank bij, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. de man zou veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan het bewerkstelligen van de echtscheiding van partijen naar islamitisch recht, door het naar voren schuiven van twee getuigen die samen met twee getuigen van de vrouw bij de [imam] (ook wel [imam] genoemd) in Pakistan een schriftelijk stuk hieromtrent dienen te ondertekenen en al hetgeen te doen en na te laten zodat de ontbinding van het religieuze huwelijk tot stand kan komen, althans dat de rechtbank zodanige medewerking aan de totstandkoming van de ontbinding van het religieuze huwelijk beveelt die zij in goede justitie redelijk en rechtvaardig acht;
II. aan de veroordeling onder I. zou verbinden dat de man een dwangsom verbeurt van € 1.000 per keer dat hij wordt opgeroepen en met die veroordeling in strijd handelt;
III. de man zou veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 6.000 betreffende de bruidsgave;
IV. de man zou veroordelen om aan de vrouw haar lijfsieraden en spullen terug te geven zoals beschreven in producties 7 en 8 bij de inleidende dagvaarding of haar een bedrag van € 34.141,48 te betalen;
V. de man zou veroordelen om aan de vrouw een bijdrage te betalen in de kosten van haar levensonderhoud voor de duur van drie maanden, naar sjiitisch recht ter hoogte van een Nederlandse bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande;
VI. de man zou veroordelen in de kosten van het geding, alsmede in de nakosten en kosten van lijfsdwang.
2.2
De man heeft verweer gevoerd en in een incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring kort gezegd betoogd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was om kennis te nemen van de vordering. De rechtbank heeft bij vonnis in het incident [4] (hierna: ‘het vonnis in het incident’) geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op grond van art. 6, aanhef en onder e, Rv, kort gezegd omdat de vrouw (in ieder geval:
ook) in Nederland de (gestelde) gevolgen van het voortbestaan van het religieuze huwelijk ervaart, zodat Nederland als
Erfolgsortkan worden aangemerkt.
2.3
Bij eindvonnis van 29 juni 2022 [5] (hierna: ‘het eindvonnis’) heeft de rechtbank Rotterdam de vorderingen van de vrouw afgewezen (rov. 4.17.-4.18. en dictum). In cassatie is het volgende van belang:
- de rechtbank heeft in rov. 3.4. geoordeeld dat partijen het erover eens zijn dat de Nederlandse rechter in dit geschil rechtsmacht heeft en dat op dit geschil Nederlands recht van toepassing is;
- volgens de rechtbank zijn de op onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen van de vrouw verjaard (rov. 4.2.-4.8.);
- hetzelfde geldt volgens de rechtbank voor de vordering tot nakoming van de contractuele (want uit de in Pakistan gesloten huwelijksovereenkomst voortvloeiende) verplichting tot uitkering van de bruidsgave (rov. 4.9.-4.10.);
- volgens de rechtbank heeft geen stuiting van de verjaring plaatsgehad (rov. 4.11.-4.14.) en is het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de man zich op verjaring beroept (rov. 4.15.-4.17.);
- de vordering tot afgifte van de lijfsieraden is afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat de man de lijfsieraden onder zich heeft (rov. 4.20.);
- ten slotte heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld in de proceskosten van de man (rov. 4.21.).
Hoger beroep
2.4
De vrouw heeft tegen het eindvonnis hoger beroep ingesteld. In hoger beroep heeft zij, na toelichting ter zitting, gevorderd dat het hof het bestreden eindvonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
(a) de man veroordeelt binnen drie dagen – of een door het hof te bepalen termijn – na betekening van het te wijzen arrest, zijn medewerking te verlenen aan het bewerkstelligen van de ontbinding van het religieuze Pakistaans-islamitische huwelijk, door het naar voren schuiven van twee getuigen die samen met twee getuigen van de vrouw bij [imam], dan wel diens vervanger, in Pakistan een schriftelijk stuk ondertekenen, en al hetgeen te doen en te laten dat nodig is voor de ontbinding van het religieuze Pakistaans-islamitische huwelijk (naar het hof [6] heeft begrepen: door middel van
talaq);
(b) aan de veroordeling onder (a) een dwangsom verbindt van € 1.000 per keer dat de man wordt opgeroepen en hij in strijd handelt met de veroordeling;
(c) de man veroordeelt aan de vrouw te betalen een bedrag van € 6.000 ter zake van de bruidsgave;
(d) de man veroordeelt aan de vrouw haar lijfsieraden en spullen terug te geven zoals beschreven in de productie 8 bij de inleidende dagvaarding, dan wel zijn moeder de opdracht geeft tot afgifte van deze lijfsieraden en spullen aan de vrouw, dan wel aan de vrouw een bedrag te betalen van € 34.141,48 verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid;
(e) de man veroordeelt tot betaling aan de vrouw van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud voor de duur van drie maanden vanaf de datum van voldoening aan het onder (a) gevorderde, ter hoogte van een Nederlandse bijstandsuitkering voor [7] de norm van een alleenstaande;
(f) de man veroordeelt in de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, alsmede de nakosten, dan wel bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten zal dragen. [8]
2.5
De man heeft in principaal hoger beroep verweer gevoerd en heeft zelf incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in het incident. De man heeft in principaal en incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat het hof het vonnis in het incident (en daarmee dus ook het eindvonnis) vernietigt en opnieuw rechtdoende bepaalt dat de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid heeft om van de vorderingen van de vrouw kennis te nemen. Ter zitting van 11 januari 2024 is namens de man verklaard dat dit bevoegdheidsverweer enkel ziet op de medewerking aan de huwelijksontbinding. Subsidiair, voor het geval het hof de beslissing in het vonnis in het incident in stand laat, heeft de man in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk verklaart in haar hoger beroep, althans haar vorderingen afwijst, en het eindvonnis bekrachtigt. Verder heeft de man het hof verzocht de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, alsmede in de nakosten. [9]
2.6
De vrouw heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot verwerping van de grieven van de man en tot bekrachtiging van het vonnis in het incident, onder veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties. [10]
2.7
Bij arrest van 8 april 2025 (‘het bestreden arrest’) heeft het hof de bestreden vonnissen bekrachtigd en de vrouw veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.
2.8
Het hof heeft daartoe in de eerste plaats de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordeeld:

Internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter
6.2
Het hof zal allereerst vaststellen of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid toekomt om van de vorderingen van de vrouw kennis te nemen. In het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit geval voortvloeit uit artikel 6 aanhef Pro en onder e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv). De man is het daar niet mee eens. In de kern betoogt de man (incidenteel appel, grief 1) dat de schadelijke gevolgen van het door de vrouw gestelde onrechtmatige handelen van de man – het nalaten zijn medewerking te verlenen aan de ontbinding van het Pakistaanse (religieuze) huwelijk – uitsluitend intreden in Pakistan, omdat zij – volgens de vrouw – in Pakistan nog als gehuwd zou gelden.
6.3
De grondslag van de vordering van de vrouw tot medewerking door de man aan de (religieuze) huwelijksontbinding in Pakistan is een onrechtmatige daad. Het
Handlungsort(de plaats waar de onrechtmatige daad zelf wordt gepleegd, in casu: het niet-verlenen medewerking aan de huwelijksontbinding) is gelegen in Pakistan, maar het
Erfolgsort(de plaats van de gestelde schadelijke gevolgen van de onrechtmatige daad) is naar het oordeel van het hof (mede) in Nederland gelegen. De vrouw woont in Nederland, maakt onderdeel uit van de Pakistaanse gemeenschap in Nederland, en heeft ter zitting van 10 december 2024 toegelicht dat zij nog steeds, ook in Nederland binnen haar gemeenschap, last ervan ondervindt dat zij in Pakistan niet is gescheiden. De vrouw stelt dan ook (mede) in Nederland de gevolgen te ondervinden van de weigering van de man om mee te werken aan de ontbinding van het religieuze huwelijk. Het hof onderstreept dat het hier gaat om gevolgen waarvan de vrouw
steltdat die zich in Nederland voordoen, of kunnen voordoen, en – in dit stadium – (nog) niet om een toets of daarvan ook daadwerkelijk sprake is. Dit betekent dan ook dat het incidenteel hoger beroep van de man niet slaagt.
6.4
Tijdens de mondelinge behandeling van 11 januari 2024 heeft de man verklaard dat de door hem opgeworpen onbevoegdheidsexceptie geen betrekking heeft op de vorderingen van de vrouw met betrekking tot de bruidsgave, de lijfsieraden en het levensonderhoud. Het hof leidt daaruit af dat partijen met betrekking tot deze punten de rechtsmacht van de Nederlandse rechter stilzwijgend hebben aanvaard (op grond van artikel 9 sub a Rv Pro).
6.5
Dit alles leidt tot de conclusie dat het hof zich, net als de rechtbank, bevoegd acht om van de vorderingen van de vrouw kennis te nemen, en het hof zal derhalve het bestreden tussenvonnis bekrachtigen.”
2.9
Vervolgens is het hof toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering van de vrouw. Het hof heeft in rov. 6.6-6.7 de standpunten van de vrouw en de man weergegeven. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man in 2008 al
talaqheeft uitgesproken, maar dat de man onrechtmatig handelt door zijn medewerking aan de vereiste bekrachtiging van deze
talaqte weigeren. De man betwist dat hij
talaqheeft uitgesproken:

Onrechtmatige daad
6.6
De vrouw stelt dat de man de
talaqalleen mondeling heeft uitgesproken in Pakistan in 2008, maar dat deze in Pakistan niet van kracht is geworden omdat de man weigert zijn medewerking te verlenen aan de naar Pakistaans recht vereiste bekrachtiging van de
talaqdoor het sturen van een schriftelijke bevestiging van de
talaqaan (de voorzitter van) de Union Council. Verder stelt zij verschillende andere pogingen te hebben gedaan om officieel van de man te scheiden in Pakistan, doch tevergeefs. Daardoor handelt de man onrechtmatig, waardoor sprake is van schending van artikelen 8 en 12 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is sprake van de schending van een zorgvuldigheidsnorm of onrechtmatige daad, omdat de man opzettelijk de vrouw hindert in het uitoefenen van haar rechten en vrijheden zoals bedoeld in voornoemde bepalingen. Zij kan immers nu niet met een andere man huwen en een (nieuw) gezin stichten zonder eerwraak of strafvervolging te riskeren bij het afreizen naar een islamitisch land. Ook brengt het religieus huwelijk haar in een ondergeschikte positie zolang er geen echtscheiding naar islamitisch recht plaatsvindt, aldus de vrouw. Er is sprake van huwelijkse gevangenschap. Daarbij wijst zij op artikel 1:68 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW), waaruit volgt dat de man medewerking moet verlenen aan het teniet doen gaan van een religieuze verbintenis als de vrouw daarom vraagt.
6.7
De man betwist dat hij de
talaqheeft uitgesproken. Hij is ook niet bereid om die alsnog uit te spreken, want er is al sprake van
khula-echtscheiding, doordat de vrouw echtscheiding in Nederland heeft gevraagd en de man daarmee heeft ingestemd. De man kan niet worden gedwongen mee te werken aan een echtscheiding naar Pakistaans recht terwijl hij reeds een echtscheiding heeft naar Nederlands recht en de vrouw dat zelf in Pakistan kan regelen volgens de
khula-procedure.”
2.1
In rov. 6.8 heeft het hof de toe te passen rechtsregels geschetst. Of de weigering van de man om mee te werken aan een religieuze echtscheiding een onrechtmatige gedraging oplevert, hangt volgens het hof af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate waarin de vrouw bij het uitblijven van een religieuze echtscheiding in haar verdere levensmogelijkheden wordt beperkt:
“6.8 De Hoge Raad heeft in een arrest van 22 januari 1982 (NJ 1[9]82/489) aanvaard dat de weigering van een man het nodige te doen om tot een religieuze echtscheiding te komen, onrechtmatig kan zijn wanneer deze weigering in strijd is met de zorgvuldigheid die de man in het maatschappelijk verkeer jegens de vrouw in acht behoort te nemen. Deze rechtspraak is inmiddels gecodificeerd in artikel 1:68 lid 2 BW Pro en artikel 827 lid 1 sub e Rv Pro. De man kan op de grondslag van een onrechtmatige daad, eventueel op straffe van een dwangsom, in rechte worden veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de religieuze echtscheiding. Of de weigering van de man om mee te werken aan een religieuze echtscheiding een onrechtmatige gedraging oplevert, hangt af van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort de mate waarin de vrouw bij het uitblijven van een religieuze echtscheiding in haar verdere levensmogelijkheden wordt beperkt. Verder is van belang de aard en het gewicht van de bezwaren die bij de man tegen het verlenen van zijn medewerking bestaan. Ten slotte moet rekening worden gehouden met de kosten die aan de medewerking van de man zijn verbonden, zulks mede in verband met de vermogenspositie van partijen en de eventuele bereidheid van de vrouw deze kosten geheel of ten dele voor haar rekening te nemen.”
2.11
Het hof heeft geoordeeld dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat de man mondeling
talaqheeft uitgesproken:
“6.9 Het hof is van oordeel dat de vrouw, op wie de bewijslast rust, onvoldoende heeft aangetoond dat de man mondeling de
talaqheeft uitgesproken en wel om de volgende redenen. De vrouw heeft wisselende verklaringen afgelegd over de wijze waarop de
talaqdoor de man is uitgesproken. Zo heeft zij in eerste aanleg tijdens de zitting van 22 oktober 2021 gezegd dat de
talaqtelefonisch door haar schoonmoeder is gegeven in 2008, maar later heeft zij tijdens de zitting aangegeven dat de
talaqin Pakistan door de man is uitgesproken ten overstaan van haar vader in het bijzijn van de [imam] en 4 getuigen. De man heeft tijdens die zitting weliswaar erkend dat hij met deze personen bijeen is gekomen, maar de man betwist dat hij de
talaqheeft uitgesproken. Volgens hem is de
talaqbewust niet uitgesproken omdat de vrouw voornemens was de
khulaaan te vragen bij de rechtbank. De betwisting van de man wordt onderschreven door de verklaring van 18 juli 2009 van de [oom van de man] in de Pakistaanse procedure over het levensonderhoud.
6.1
De man heeft daarnaast gemotiveerd op 22 oktober 2021 betwist dat iemand anders, zoals zijn moeder, de
talaqnamens hem mag uitspreken. In de Pakistaanse procedure over het levensonderhoud in 2009 heeft de man aangegeven dat hij nog steeds bereid is om samen te leven met de vrouw.
6.11
Hetgeen de vrouw heeft verklaard over de
talaqstaat bovendien haaks op het verweer van de man in de Nederlandse echtscheidingsprocedure, waarvan de mondelinge behandeling plaatsvond op 28 oktober 2010, dat hij nog steeds bereid was om met de vrouw samen te wonen. Ook is het voor het hof niet duidelijk waarom de vrouw in 2009 in de procedure in Pakistan over het levensonderhoud niet naar voren heeft gebracht dat de man reeds de
talaqhad uitgesproken. Integendeel; zij voerde aldaar een procedure tegen de man die is gebaseerd op het voortbestaan van het huwelijk. Daarin vorderde zij immers levensonderhoud van de man op basis van het feit dat het huwelijk nog steeds bestond en de man daartoe binnen het huwelijk verplicht is. Volgens de vrouw was een verzoek om levensonderhoud op dat moment nog het enige juridische middel en hoopte zij zo de man tot handelen conform de vereisten van de
talaqte kunnen bewegen. Het hof kan dit standpunt van de vrouw niet volgen nu deze procedure heeft geleid tot de beslissing van 28 oktober 2009 van de Familierechter te Quetta, Pakistan, waarbij het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud is toegewezen onder de voorwaarde dat de vrouw zich voegt bij haar echtgenoot, de man.”
2.12
Dit betekent volgens het hof dat de man niet onrechtmatig handelt door geen medewerking te verlenen aan de bekrachtiging van de
talaq, omdat niet is komen vast te staan dat hij (te bekrachtigen)
talaqmondeling heeft uitgesproken:
“6.12 Nu het hof niet kan vaststellen dat de man mondeling de
talaqheeft uitgesproken, handelt de man niet onrechtmatig door niet zijn medewerking te verlenen aan de door de vrouw gestelde vereiste bekrachtiging van de
talaq. Er is om die reden dan ook geen sprake van een onrechtmatige daad jegens de vrouw, zodat het hof de vordering van de vrouw tot medewerking aan de bekrachtiging van de
talaqzal afwijzen.”
2.13
Voor zover de vrouw zich erop beroept dat de man in het algemeen gehouden is om mee te werken aan de beëindiging van het huwelijk door middel van
talaqen de man zich erop beroept dat er al sprake is van een
khula-echtscheiding, heeft het hof geoordeeld dat onvoldoende duidelijk is geworden of in Pakistan nog sprake is van een voortdurend huwelijk. De vordering van de vrouw kan daarom niet worden toegewezen, aldus het hof:
“6.13 Voor zover de vrouw zich, meer in het algemeen, erop beroept dat de man gehouden is om mee te werken aan beëindiging van het religieuze Pakistaans-Islamitische huwelijk door middel van de
talaq, en de man zich erop beroept dat er al sprake is van een
khulaechtscheiding (althans dat zij de echtscheiding door middel van een
khulazelf kan bewerkstelligen), overweegt het hof nog het volgende. Ook na overlegging van nadere stukken door zowel de man als de vrouw is onvoldoende duidelijk geworden of in Pakistan nog sprake is van een tussen partijen voortdurend huwelijk. Partijen hebben over en weer elkaars stukken in twijfel getrokken en geprobeerd de stukken van de ander te laten vernietigen of herroepen, en geen van beiden heeft hierover uitsluitsel kunnen geven. Nu de vrouw zich beroept op de gevolgen van het voortbestaan van het religieuze Pakistaans-Islamitische huwelijk, rust de bewijslast van het voortbestaan hiervan op haar. Reeds daarom kan de vordering van de vrouw, ook meer in het algemeen, niet worden toegewezen.
6.14
Ter toelichting op het voorgaande geldt nog het volgende. Het huwelijk van partijen is in Nederland door echtscheiding tot een einde gekomen. De man heeft een verklaring van de Metropolitan Corporation Quetta overgelegd waaruit lijkt te kunnen worden geconcludeerd dat de echtscheiding ook in Pakistan wordt erkend. Om onduidelijke redenen heeft de vrouw, die juist zegt een echtscheiding in Pakistan te willen bewerkstelligen, deze verklaring aangevochten, en getracht deze te vernietigen. Dat is echter niet gebeurd, juist dit herzieningsverzoek van de vrouw zelf is vernietigd. Verder heeft de Raad van Arbitrage van het stadsbestuur Quetta vermeld dat het in dit kader gepast zou zijn als [de] vrouw zich tot de bevoegde rechtbank zou wenden om te bewijzen dat zij de wettige echtgenoot van de man is (waar zij zich in deze procedure kennelijk op heeft willen beroepen). Dit alles valt, net als de eerder genoemde procedure over levensonderhoud, moeilijk te rijmen met het standpunt van de vrouw dat zij in Pakistan verschillende vergeefse pogingen heeft gedaan om officieel van de man te scheiden.”
2.14
Ten overvloede heeft het hof geoordeeld dat de man niet onrechtmatig handelt jegens de vrouw door nu niet meer onvoorwaardelijk mee te werken aan de totstandkoming van
talaq:
“6.15 Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. Het hof is, mede in het licht van het voorgaande, van oordeel dat de man niet onrechtmatig tegen de vrouw handelt door (thans) niet (meer) onvoorwaardelijk mee te werken aan de totstandkoming van een
talaq. Tussen partijen staat vast dat de man de bruidsgave moet uitbetalen bij de beëindiging van het huwelijk door middel van de
talaq. Nu niet is komen vast te staan dat de man de
talaqmondeling heeft uitgesproken – zoals hierboven al werd geconcludeerd – kan de vordering van de vrouw tot schriftelijke bekrachtiging van de
talaqniet worden toegewezen. Het hof acht het ook niet onrechtmatig dat de man thans, in een procedure die de vrouw ruim meer dan tien jaar na het uiteengaan van partijen heeft aangespannen, en na inmiddels minstens zestien jaar, niet meer onvoorwaardelijk meewerkt aan de beëindiging van het huwelijk door alsnog de
talaquit te spreken. Duidelijk is dat een dergelijke wijze van beëindiging, zo veel jaren na dato, voor de man financiële risico’s met zich meebrengt, zoals de betaling van achterstallig levensonderhoud gedurende de tijd dat het huwelijk in dat geval kan worden geacht te hebben bestaan. Dat is ook waarop de vrouw hem in Pakistan al heeft aangesproken. Bij de
talaqmoet de man bovendien de bruidsgave uitbetalen. Het is de vraag of de man kan worden gehouden alsnog aan een
talaqmee te werken nadat het huwelijk reeds op initiatief van de vrouw in Nederland is geëindigd, waarbij kennelijk niet is geoordeeld dat de man aan de vrouw de bruidsgave moet uitbetalen (de vrouw heeft ter zitting verklaard zich niet te herinneren of dat destijds is verzocht). Tussen partijen is immers niet in geschil dat bij beëindiging van het huwelijk op initiatief van de vrouw volgens de
khula-procedure geen (onvoorwaardelijke) aanspraak bestaat op uitbetaling van de bruidsgave. Als de man gehouden zou zijn alsnog aan een
talaqmee te werken, heeft dat dus ook op dit punt voor hem financiële gevolgen. De man heeft reeds eerder in deze procedure aangeboden om aan een
khula-echtscheiding mee te werken, voor zover dat nog nodig zou zijn. Dat aanbod heeft de vrouw niet aangenomen. Ook heeft de man zich bereid verklaard mee te werken aan de totstandkoming van een
talaq, met dien verstande dat hij daarbij een vast bedrag aan de vrouw zou betalen en de vrouw daarbij verder afstand zou doen van enig achterstallig levensonderhoud en de uitbetaling van de bruidsgave. Ook dat aanbod is door de vrouw afgewezen. Naar het oordeel van het hof kan in deze omstandigheden niet worden geconcludeerd dat de man jegens de vrouw onrechtmatig handelt door na zoveel jaren niet (meer) mee te werken aan de beëindiging van het religieuze huwelijk op de door de vrouw gewenste wijze, met alle financiële risico’s van dien. Ook om die redenen kan een vordering van de vrouw tot medewerking aan de
talaqop grond van onrechtmatig handelen van de man niet worden toegewezen.”
2.15
In rov. 6.16 is het hof voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van de vrouw, omdat het onvoldoende was gespecificeerd. In rov. 6.17 heeft het hof overwogen dat het niet toekomt aan beantwoording van de vraag of de vordering van de vrouw al dan niet is verjaard:
“6.16 Aangezien de vrouw verder slechts in zijn algemeenheid een getuigenaanbod heeft gedaan, zonder dit te specificeren, gaat het hof hieraan voorbij. Dat de vrouw eventuele transcripties in deze procedure niet heeft overgelegd, komt voor haar rekening en risico.
6.17
Gelet op het voorgaande, komt het hof niet toe aan de vraag of de vordering van de vrouw zou zijn verjaard of niet.”
2.16
Vervolgens heeft het hof ten aanzien van de levensonderhoudvordering geoordeeld dat deze afhankelijk is van de veroordeling tot medewerking aan
talaq. Nu deze laatste vordering is afgewezen, is ook de vordering tot levensonderhoud afgewezen:

Levensonderhoud
6.18
De vrouw heeft ter zitting haar vordering op levensonderhoud toegelicht, deze ziet op het levensonderhoud vanaf het moment van de wachtperiode, dus ten aanzien van de
talaq, en is daarmee afhankelijk (…) van de veroordeling tot medewerking aan huwelijksontbinding. Nu deze vordering wordt afgewezen, treft de vordering om levensonderhoud hetzelfde lot.”
2.17
Het hof heeft in rov. 6.19 geoordeeld dat Pakistaans recht van toepassing is op de vordering tot teruggave van de bruidsgave. In rov. 6.20 heeft het hof geoordeeld dat geen sprake is van een onvoorwaardelijke aanspraak van de vrouw op de bruidsgave, omdat geen sprake is van
talaq:

Bruidsgave
Toepasselijk recht
6.19
Naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt de bruidsgave gekwalificeerd als een rechtsverhouding
sui generis. De bruidsgave wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de rechtsverhouding waaruit de bruidsgave voortvloeit. In dit geval is dat het naar Pakistaans recht voltrokken huwelijk van partijen. De vordering uit hoofde van de bruidsgave wordt derhalve beheerst door Pakistaans recht.
Inhoudelijk
6.2
Als gezegd is tussen partijen niet in geschil dat de vrouw naar Pakistaans recht enkel onvoorwaardelijk aanspraak heeft op de bruidsgave als het huwelijk is beëindigd door het geven van de
talaq(zie ook de memorie van grieven, nr. 26). Nu daarvan geen sprake is, is het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen uit dien hoofde aan haar een bedrag van € 6.000,- te voldoen, niet toewijsbaar. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.”
2.18
Met betrekking tot de lijfsieraden en overige goederen heeft het hof geoordeeld dat de vrouw in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man niet heeft aangetoond dat de sieraden in het bezit zijn van de man of in zijn opdracht aan de moeder van de man in bewaring zijn gegeven:

Lijfsieraden en overige goederen
6.21
Vast staat dat de man bij de huwelijksceremonie in Pakistan sieraden heeft geschonken aan de vrouw. De vrouw heeft gesteld dat de man deze in bezit heeft, en voor zover dat niet het geval is, dat zij deze sieraden bij de moeder van de man in bewaring heeft gegeven, hetgeen de man betwist. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, gezien de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, in het geheel niet aangetoond dat de sieraden in het bezit zijn van de man dan wel dat deze in opdracht van de man in bewaring zijn gegeven aan de moeder van de man. Het hof wijst de vorderingen van de vrouw jegens de man die zien op de lijfsieraden, de overige goederen en de eventuele daardoor ontstane schade, dan ook af.”
2.19
Het hof is tot de slotsom gekomen dat het hoger beroep van de vrouw niet slaagt en dat het bestreden eindvonnis moest worden bekrachtigd met verbetering van gronden. Het heeft de vrouw veroordeeld in de proceskosten:

Proceskosten
6.22
De conclusie is dat het hoger beroep van de vrouw niet slaagt. Daarom zal het hof het bestreden eindvonnis bekrachtigen, met verbetering van gronden, dus ook voor wat betreft de veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg. Het hof zal de vrouw als de in het ongelijk gestelde partij tevens veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak (HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).
6.23
De man heeft zich in het incidentele appel nog verzet tegen de proceskostencompensatie die de rechtbank in het vonnis in incident heeft uitgesproken. Volgens hem valt niet in te zien waarom de vrouw wel in de kosten van de hoofdzaak is veroordeeld, maar niet in die in het incident. Het hof is echter van oordeel dat de vrouw terecht niet in de proceskosten in het incident is veroordeeld, nu de incidentele vorderingen van de man in het vonnis in incident zijn afgewezen. Ook op dit punt zal het hof derhalve tot bekrachtiging overgaan.”
Cassatie
2.2
Bij procesinleiding van 8 juni 2025 heeft de vrouw tijdig cassatieberoep ingesteld. De man heeft verweer gevoerd met conclusie tot verwerping en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft in het voorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatieberoep verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten en vervolgens over en weer gerepliceerd en gedupliceerd. [11]

3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vier genummerde onderdelen. Onderdeel 1 is onderverdeeld in genummerde subonderdelen en bestrijdt de afwijzing van de vordering van de vrouw tot veroordeling van de man tot medewerking aan beëindiging van het religieuze huwelijk door
talaq. De andere onderdelen zijn niet nader verdeeld. Onderdeel 2 is gericht tegen de afwijzing van de vordering tot afgifte van de lijfsieraden. Onderdeel 3 betreft de in het bestreden arrest uitgesproken proceskostenveroordeling. Onderdeel 4 bevat een voortbouwklacht.
3.2
Voor een goed begrip van de vordering van de vrouw en het bestreden arrest is een enkele inleidende opmerking van terminologische aard vereist.
3.3
In deze procedure is sprake van
talaqen
khula(elders ook wel:
khoel’of
khul’). Deze begrippen duiden op twee verschillende manieren om in sommige op het zogenaamde ‘klassieke’ islamitische recht [12] gebaseerde rechtssystemen een echtscheiding te verkrijgen.
Talaqis in het Nederlands wel aangeduid als een ‘eenzijdige verstoting’ (in de regel) van de vrouw door de man, waarmee de nadruk is gelegd op het voornaamste onderscheid met
khula, te begrijpen als een ‘overeengekomen verstoting’ op initiatief van de vrouw. [13]
3.4
In het algemeen is
talaqhet prerogatief van een man, in die zin dat hij alleen daartoe is gerechtigd en geen medewerking van zijn echtgenote nodig heeft, en brengt
talaqvoor hem de verplichting mee om een nog niet betaalde bruidsgave alsnog aan zijn echtgenote uit te betalen, naast de verplichting om gedurende een zekere voor zijn (dan: voormalige) echtgenote geldende wachtperiode in haar levensonderhoud te voorzien. [14] Khulavereist in het algemeen medewerking van beide echtelieden en vaak is de vrouw aan haar echtgenoot compensatie verschuldigd, die bijvoorbeeld kan bestaan in afstand van de aanspraken op uitkering van de bruidsgave en op levensonderhoud tijdens de wachtperiode. [15]
3.5
Er bestaan in verschillende islamitische rechtstradities nog andere rechtsfiguren die leiden tot een einde van het huwelijk, maar die kunnen hier onbesproken blijven.
De eerste vordering van de vrouw en het bestreden arrest
3.6
Voordat ik toekom aan de bespreking van onderdeel 1, veroorloof ik mij enige opmerkingen over het bestreden arrest.
3.7
In de eerste plaats is van belang dat de eerste vordering van de vrouw volgens de uitleg door het hof de strekking heeft dat het religieuze huwelijk tussen de man en de vrouw moet worden beëindigd door
talaq. Het hof heeft de vordering dus niet uitgelegd als een vordering met de strekking dat de man in het algemeen moet meewerken aan het beëindigen van het religieuze huwelijk, maar als een vordering die ziet op een specifieke wijze van beëindiging van het religieuze huwelijk.
3.8
Deze vordering is volgens het hof op twee manieren op te vatten, die het hof afzonderlijk heeft besproken. In de eerste plaats heeft het hof de vordering gelezen als was zij gericht op door de man te verrichten
vervolghandelingendie voor de geldigheid van een reeds mondeling uitgesproken
talaqzijn vereist. [16] In de tweede plaats heeft het hof aandacht besteed aan de lezing van de vordering als had zij de strekking dat de man in het algemeen moet meewerken aan de totstandkoming van
talaq. [17]
3.9
Tegen de manier waarop het hof de vordering van de vrouw heeft begrepen zijn in cassatie geen klachten gericht.
3.1
De rechtbank heeft in rov. 3.4. overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat Nederlands recht op het geschil van toepassing is. Tegen dit oordeel is – voor zover het de vordering tot beëindiging van het religieuze huwelijk betreft [18] – in hoger beroep geen grief gericht, zodat het hof hiervan moest uitgaan. [19]
3.11
Van belang is verder dat de vordering van de vrouw een vordering is uit hoofde van art. 6:162 BW Pro (onrechtmatige daad). Die onrechtmatige daad bestaat er volgens de vrouw in dat de man in 2008 mondeling
talaqheeft uitgesproken, maar weigert mee te werken aan de naar Pakistaans recht vereiste schriftelijke bekrachtiging daarvan, terwijl de overige pogingen van de vrouw om in Pakistan van de man te scheiden tevergeefs zijn geweest (bestreden arrest, rov. 6.6). Het gaat dus om een
voortdurendeonrechtmatige daad (vergelijk rov. 4.7. van het eindvonnis).
3.12
Het hof heeft in rov. 6.9-6.12 gemotiveerd geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de man mondeling
talaqheeft uitgesproken. De vordering tot schriftelijke bekrachtiging van deze mondelinge
talaq– kennelijk heeft het hof daarmee het oog op de vordering weergegeven in randnummer 2.4 onder (a) van deze conclusie – kan daarom naar het oordeel van het hof niet worden toegewezen.
3.13
Als ik het goed zie is de redenering van het hof in zoverre kort samen te vatten: de man handelt niet onrechtmatig door te weigeren een mondeling uitgesproken
talaqte bekrachtigen als er geen mondeling uitgesproken
talaqis die kan worden bekrachtigd.
3.14
Het hof heeft vervolgens (in rov. 6.13 van het bestreden arrest) een andere lezing van de vordering van de vrouw besproken. In die lezing heeft de vrouw zich erop beroepen dat de man in het algemeen gehouden is om mee te werken aan beëindiging van het religieuze huwelijk door middel van
talaq. Het gaat in deze lezing van de vordering dus niet meer om de schriftelijke bekrachtiging van een mondelinge
talaq, maar om medewerking aan de totstandkoming van een
talaq-echtscheiding. Tegenover de vordering van de vrouw staat het betoog van de man, dat erop neerkomt dat het religieuze huwelijk al is geëindigd door een
khula-echtscheiding, althans dat de vrouw de echtscheiding door
khulazelf kan bewerkstelligen.
3.15
Het hof heeft (nog altijd in rov. 6.13) geoordeeld dat niet is komen vast te staan “
of in Pakistan nog sprake is van een tussen partijen voortdurend huwelijk”. Het hof heeft geoordeeld dat de vrouw de bewijslast draagt van het niet geëindigd zijn van het huwelijk, nu zij zich op de rechtsgevolgen van het voortbestaan beroept. Nu het voortbestaan van het huwelijk niet is komen vast te staan, kan de vordering van de vrouw niet worden toegewezen, aldus het hof in rov. 6.13.
3.16
Rov. 6.14 van het bestreden arrest bevat als ik het goed zie geen dragende overwegingen. Het hof heeft aldaar slechts gewezen op ogenschijnlijke tegenstrijdigheden in het betoog van de vrouw.
3.17
In de lange rov. 6.15 geeft het hof – uitdrukkelijk ten overvloede – een tweede motivering van zijn oordeel dat de vordering van de vrouw op grond van onrechtmatig handelen van de man niet kan worden toegewezen. Deze motivering is gedeeltelijk gelijk aan de eerdere motivering. Ik bespreek in randnummers 3.18-3.20 van deze conclusie kort de overwegingen die ten opzichte van de motivering in rov. 6.8-6.14 van het bestreden arrest nieuw zijn.
3.18
Het gaat in de eerste plaats om overwegingen omtrent de gevolgen van
talaqen de financiële risico’s die dat voor de man meebrengt. Tussen partijen staat vast dat de man de bruidsgave moet uitbetalen bij de beëindiging van het huwelijk door middel van
talaq. Daarnaast brengt
talaqzo veel jaren na het uiteengaan van partijen voor de man financiële risico’s mee, zoals de betaling van achterstallig levensonderhoud gedurende de tijd dat het huwelijk in dat geval kan worden geacht te hebben bestaan. [20] Als de man gehouden zou zijn alsnog aan
talaqmee te werken, heeft dat voor hem dus financiële gevolgen. Het is volgens het hof de vraag of de man kan worden gehouden alsnog aan
talaqmee te werken nadat het huwelijk reeds op initiatief van de vrouw in Nederland is geëindigd, waarbij kennelijk niet is geoordeeld dat de man aan de vrouw de bruidsgave moet uitbetalen.
3.19
In de tweede plaats is het hof ingegaan op een alternatief: een echtscheiding door een
khula-procedure. Tussen partijen is volgens het hof niet in geschil dat bij beëindiging van het huwelijk op initiatief van de vrouw volgens de
khula-procedure geen (onvoorwaardelijke) aanspraak bestaat op uitbetaling van de bruidsgave. De man heeft reeds eerder in deze procedure aangeboden om aan een
khula-echtscheiding mee te werken, voor zover dat nog nodig zou zijn. Dat aanbod heeft de vrouw niet aangenomen. De man heeft zich ook bereid verklaard mee te werken aan de totstandkoming van
talaq, met dien verstande dat hij daarbij een vast bedrag aan de vrouw zou betalen en de vrouw daarbij verder afstand zou doen van enig achterstallig levensonderhoud en de uitbetaling van de bruidsgave. Ook dat aanbod is door de vrouw afgewezen.
3.2
Naar het oordeel van het hof kan in deze omstandigheden niet worden geconcludeerd dat de man jegens de vrouw onrechtmatig handelt door na zoveel jaren (zestien jaar na het uiteengaan van partijen, in een procedure die meer dan tien jaar na het uiteengaan van partijen pas is aangespannen) niet (meer) mee te werken aan de beëindiging van het religieuze huwelijk op de door de vrouw gewenste wijze, met alle financiële risico’s voor de man van dien. Ook om die redenen kan een vordering van de vrouw tot medewerking aan
talaqop grond van onrechtmatig handelen van de man naar het oordeel van het hof niet worden toegewezen.
3.21
Het is niet helemaal duidelijk welke lezing van de vordering van de vrouw het middel tot uitgangspunt neemt. De structuur van het bestreden arrest brengt mee dat het principale cassatieberoep voor zover het is gericht tegen de afwijzing van de vordering van de vrouw tot veroordeling van de man tot medewerking aan de beëindiging van het religieuze huwelijk door
talaqalleen kan slagen als met succes wordt opgekomen tegen alle gronden die zelfstandig de afwijzing van de vordering zouden kunnen dragen.
3.22
Dit betekent dat in de
beperktelezing van de vordering (het gaat om bekrachtiging van een mondelinge
talaq) in cassatie moet worden opgekomen tegen het oordeel van het hof in rov. 6.12 dat de gestelde mondelinge
talaqdie moet worden bekrachtigd niet is komen vast te staan, tegen het oordeel van het hof in rov. 6.13 dat de vordering van de vrouw niet kan worden toegewezen omdat het voortbestaan van het huwelijk niet is komen vast te staan én tegen het oordeel van het hof in rov. 6.15 dat de man gelet op de omstandigheden van het geval niet onrechtmatig handelt door niet mee te werken aan de totstandkoming van
talaq.
3.23
In de
ruimerelezing van de vordering van de vrouw (de man is in het algemeen gehouden om mee te werken aan beëindiging van het religieuze huwelijk door middel van
talaq) zal de vrouw om in cassatie succesvol te zijn slagende klachten moeten richten tegen het oordeel van het hof dat het voortbestaan van het huwelijk niet is komen vast te staan en de vordering van de vrouw daarom niet kan worden toegewezen (rov. 6.13) en tegen het oordeel van het hof in rov. 6.15 dat de man gelet op de omstandigheden van het geval niet onrechtmatig handelt door niet mee te werken aan de totstandkoming van
talaq.
3.24
Dit betekent dat onderdeel 1, als tegen één van de genoemde oordelen in rov. 6.13 of 6.15 niet met succes wordt geklaagd, hoe dan ook niet tot cassatie kan leiden.
Onderdeel 1. Criterium art. 1:68 lid 2 BW Pro
3.25
Onderdeel 1 valt uiteen in zeven subonderdelen, die zijn genummerd als 1.1, 1.2.1, 1.2.2, 1.2.3, 1.3, 1.4.1 en 1.4.2. Het onderdeel bestrijdt de afwijzing van de op onrechtmatige daad gebaseerde vordering van de vrouw tot veroordeling van de man tot medewerking aan beëindiging van het religieuze huwelijk door
talaq.
3.26
Voordat ik toekom aan de behandeling van subonderdeel 1.1, dat betrekking heeft op de door het hof gehanteerde norm, veroorloof ik mij enkele inleidende opmerkingen.
3.27
Tussen partijen is in cassatie gedebatteerd over het antwoord op de vraag of art. 1:68 lid 2 BW Pro in deze zaak voor toepassing in aanmerking komt. De bepaling in kwestie luidt als volgt:
Een partij bij een religieuze of levensbeschouwelijke verbintenis is gehouden tot het verlenen van medewerking aan het teniet doen gaan van die verbintenis indien een andere partij daarom verzoekt, tenzij dit gelet op zwaarwegende belangen in redelijkheid niet kan worden gevergd.
3.28
De man heeft er in randnummers 4. en 5. van zijn schriftelijke toelichting op gewezen dat art. 1:68 lid 2 BW Pro in werking is getreden per 1 juli 2023, dus ruim nadat het hoger beroep was ingesteld. Volgens hem is de bepaling in de onderhavige procedure daarom niet van toepassing.
3.29
De vrouw heeft in haar eerste processtuk na het in werking treden van art. 1:68 lid 2 BW Pro een beroep op deze bepaling gedaan. [21] De man heeft gelegenheid gehad om hierop te reageren.
3.3
Ik roep in herinnering dat de vrouw een onrechtmatigedaadsvordering heeft ingesteld op grond van art. 6:162 BW Pro en dat de door haar gestelde onrechtmatige gedraging van de man neerkomt op vóórtdurende weigering om mee te werken aan beëindiging van het religieuze huwelijk door
talaq.
3.31
Een bijzondere regel van overgangsrecht is voor art. 1:68 lid 2 BW Pro niet voorzien. Er is geen reden om aan te nemen dat art. 1:68 lid 2 BW Pro terugwerkende kracht heeft. Of gedragingen verricht voor de inwerkingtredingsdatum strijdig waren met een geldende rechtsnorm, kan dus in beginsel niet worden beoordeeld aan de hand van art. 1:68 lid 2 BW Pro. Aan de orde is echter de vraag of het hof de man op grond van art. 6:162 BW Pro in verband met art. 1:68 lid 2 BW Pro had kunnen veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de beëindiging van het religieuze huwelijk door
talaq. Die vraag moet mijns inziens bevestigend worden beantwoord, omdat voor de beslissing op de ingestelde vordering tot veroordeling van de man tot medewerking doorslaggevend was of de gedraging van de man (het niet meewerken) onrechtmatig was op het moment van de beslissing. De vordering is immers gebaseerd op een voortdurende onrechtmatige daad.
3.32
Voor deze uitkomst pleit verder dat art. 1:68 lid 2 BW Pro is bedoeld als codificatie van reeds bestaand recht, in de zin dat in deze bepaling is vastgelegd wat voorheen in het kader van art. 6:162 BW Pro reeds als uit de maatschappelijke zorgvuldigheid voortvloeiende norm was aanvaard, zij het dat daarbij twee kanttekeningen zijn te plaatsen. Zie voor deze kanttekeningen randnummers 3.38 en 3.39 van deze conclusie.
3.33
Ik merk op dat mijn in de vorige randnummers voorgestelde oplossing overeenkomt met het systeem van de Overgangswet NBW. Dat systeem neemt althans voor het vermogensrecht [22] onmiddellijke werking als uitgangspunt (art. 68a Overgangswet NBW). Voor lopende procedures is art. 74 Overgangswet Pro NBW van belang. In het derde lid van die bepaling is vastgelegd dat het tevoren geldende recht van toepassing blijft, indien een vóór het van toepassing worden van de wet aangevangen geding in hoogste feitelijke instantie in staat van wijzen verkeert op het tijdstip waarop de wet van toepassing wordt, tenzij de rechter tot voortzetting van het geding beslist. In andere gevallen past de rechter het nieuwe, van toepassing geworden recht toe, zoals zich ook laat afleiden uit art. 74 lid 2 Overgangswet Pro NBW. Aansluiting bij dit systeem zou in het onderhavige geval, waarin de zaak zich in hoogste feitelijke instantie nog niet in staat van wijzen bevond, dus betekenen dat art. 1:68 lid 2 BW Pro mag worden toegepast.
3.34
Ik neem daarom hierna tot uitgangspunt dat art. 1:68 lid 2 BW Pro in de onderhavige procedure voor toepassing in aanmerking komt. Dit geeft aanleiding tot de volgende korte opmerkingen.
3.35
Zoals het hof in rov. 6.8 terecht heeft vooropgesteld en de man in randnummer 6. van zijn schriftelijke toelichting heeft onderkend, is art. 1:68 lid 2 BW Pro de codificatie van een in de jurisprudentie aangenomen ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. [23] De oorsprong van deze ongeschreven zorgvuldigheidsnorm is te herleiden tot een arrest van Uw Raad uit 1982. [24] In die procedure, die ging over een man die weigerde een voor de rabbinale echtscheiding vereiste scheidingsbrief (een zogenaamde ‘get’) af te geven, heeft Uw Raad geoordeeld dat een weigering van de man het nodige te doen voor het tot stand brengen van een rabbinale echtscheiding jegens de vrouw onrechtmatig kan zijn, immers in strijd kan komen met de zorgvuldigheid die hij in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van de persoon van zijn (naar burgerlijk recht reeds) gescheiden echtgenote in acht behoort te nemen. Uw Raad oordeelde daarbij:
“In dat geval zal de Nederlandse rechter hem ook kunnen veroordelen om zijn medewerking alsnog te verlenen. Of van onrechtmatigheid als bovenbedoeld sprake is, zal afhangen van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate waarin de vrouw bij uitblijven van een rabbinale echtscheiding na de ontbinding van het burgerlijk huwelijk in haar verdere levensmogelijkheden wordt beperkt, de aard en het gewicht van de bezwaren die bij de man tegen deze medewerking bestaan, en de kosten die aan die medewerking zijn verbonden, zulks mede in verband met de vermogenspositie van partijen en de eventuele bereidheid van de vrouw deze kosten ten dele of geheel voor haar rekening te nemen.”
3.36
Enkele van de door Uw Raad genoemde omstandigheden van het geval zijn ook terug te vinden in het volgende citaat uit de memorie van toelichting bij art. 1:68 lid 2 BW Pro:
“De rechter zal, als het bedoelde bevel tot medewerking in een van de hiervoor genoemde procedures wordt verzocht, beoordelen of de weigering om de ontbinding van de religieuze verbintenis tot stand te brengen onrechtmatig is. Hij zal daarbij moeten beoordelen of de aangesproken persoon voldoende zwaarwegende belangen heeft voor het niet verlenen van medewerking. Als die worden aangevoerd, zal de rechter in overeenstemming met de bestaande rechtspraak alle omstandigheden van het geval bij zijn oordeel moeten betrekken, met name de mate waarin de verzoeker bij uitblijven van het tenietgaan van de religieuze verbintenis in verdere levensmogelijkheden wordt beperkt, de aard en het gewicht van de bezwaren die bij de weigerachtige persoon tegen de medewerking bestaan en de kosten die aan die medewerking zijn verbonden, zulks mede in verband met de vermogenspositie van partijen en de eventuele bereidheid van de verzoeker deze kosten ten dele of geheel voor eigen rekening te nemen. Dit alles in het licht van de vrijheid van religie en levensovertuiging van betrokkenen en de scheiding van kerk en staat. Slechts als de rechter van oordeel is dat het verlenen van medewerking aan het teniet doen gaan van de religieuze verbintenis tussen de echtgenoten in redelijkheid niet van betrokkene verwacht kan worden, zal hij het verzoek tot verlenen van het bevel afwijzen.” [25]
3.37
In de memorie van toelichting zijn als in het bijzonder in aanmerking te nemen omstandigheden van het geval genoemd: de mate waarin de verzoeker in verdere levensmogelijkheden wordt beperkt, de aard en het gewicht van de bezwaren bij de weigerachtige persoon en de kosten die aan medewerking zijn verbonden, mede in verband met de vermogenspositie van partijen en de eventuele bereidheid van de verzoeker deze kosten (deels) te dragen. Al deze omstandigheden zijn ook al genoemd in het arrest van Uw Raad.
3.38
Uit deze korte schets blijkt dat met de invoering van art. 1:68 lid 2 BW Pro niet is beoogd een grote inhoudelijke verandering aan te brengen in de geldende norm. De minister heeft in de Nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer geschreven dat het in te voeren artikellid het criterium van Uw Raad (bedoeld is het criterium dat uit het arrest uit 1982 volgt) in die zin aanscherpt dat de partij die verzoekt om een bevel tot medewerking aan een ontbinding geen belang hoeft te stellen bij die ontbinding, omdat van het bestaan van dat belang wordt uitgegaan. [26]
3.39
In het algemeen geldt dat het slachtoffer van een wetsschending een sterkere positie heeft dan het slachtoffer van de schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Bij toetsing aan een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm moet immers juist nog een rechterlijke belangenafweging plaatsvinden, waarbij in principe alle omstandigheden van het geval een rol spelen. Bij een wetsschending zijn de door de geschonden wettelijke norm beschermde belangen in beginsel boven afweging verheven. [27]
3.4
Ik kom toe aan de bespreking van subonderdeel 1.1.
3.41
In
subonderdeel 1.1is het oordeel van het hof waartegen het subonderdeel is gericht, geciteerd:
“6.8 (…) Of de weigering van de man om mee te werken aan een religieuze echtscheiding een onrechtmatige gedraging oplevert, hangt af van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort de mate waarin de vrouw bij het uitblijven van een religieuze echtscheiding in haar verdere levensmogelijkheden wordt beperkt. Verder is van belang de aard en het gewicht van de bezwaren die bij de man tegen het verlenen van zijn medewerking bestaan. Ten slotte moet rekening worden gehouden met de kosten die aan de medewerking van de man zijn verbonden, zulks mede in verband met de vermogenspositie van partijen en de eventuele bereidheid van de vrouw deze kosten geheel of ten dele voor haar rekening te nemen.”
3.42
Volgens het subonderdeel heeft het hof met deze overweging een onjuist criterium aangelegd voor de beoordeling van de vorderingen van de vrouw, waarmee het heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel noopt art. 1:68 lid 2 BW Pro tot een afweging van de betrokken grondrechten van partijen en kan een vordering tot medewerking aan beëindiging van het religieuze huwelijk alleen worden afgewezen als er zwaarwegende belangen aan de zijde van de man zijn gesteld. Het hof heeft volgens het subonderdeel niet, althans niet kenbaar, onderzocht of de man dusdanig zwaarwegende belangen heeft gesteld dat aan de afweging van alle omstandigheden van het geval wordt toegekomen. In rov. 6.15 van het arrest heeft het hof enkel – in een
obiter dictum– ten onrechte zonder voorafgaande afweging van de betrokken grondrechten een belangenafweging gemaakt aan de hand van alle omstandigheden van het geval, klaagt het subonderdeel. Daarmee heeft het hof volgens de vrouw het in de wetsgeschiedenis uitgewerkte criterium voor de beoordeling van haar vordering miskend.
3.43
Over dit subonderdeel is het volgende op te merken.
3.44
In de eerste plaats valt op dat de in het subonderdeel geciteerde bestreden overwegingen grote gelijkenissen vertonen met de overwegingen van het arrest van Uw Raad uit 1982 en de passages uit de memorie van toelichting bij art. 1:68 lid 2 BW Pro die in randnummers 3.35 en 3.36 van deze conclusie zijn geciteerd. Uit deze overwegingen in rov. 6.8 blijkt niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu de genoemde omstandigheden inderdaad kunnen meewegen.
3.45
Voor zover de klacht mede is gericht tegen rov. 6.15 geldt het volgende. Naar blijkt uit de formulering, heeft het hof rov. 6.15 uitdrukkelijk ten overvloede gegeven. Desondanks kunnen de erin vervatte overwegingen de afwijzing van de vordering van de vrouw tot veroordeling van de man tot medewerking aan het formaliseren van
talaqzelfstandig dragen. Het hof heeft in rov. 6.15 onder meer – zeer kort weergegeven – vastgesteld dat de man bereid is mee te werken aan het doen tenietgaan van een eventueel tussen de man en de vrouw nog bestaande religieuze echtverbintenis. De weigering van de man heeft betrekking op de door de vrouw gewenste
wijzevan beëindiging van het religieuze huwelijk – zij wenst onvoorwaardelijke
talaq, de man heeft zich bereid verklaard mee te werken aan
khulaof aan
talaq, dit laatste op voorwaarde dat afspraken worden gemaakt over de financiële afwikkeling. Het hof heeft deze weigering van de man om mee te werken aan de
door de vrouw gewenste wijzevan religieuze echtscheiding niet onrechtmatig geacht.
3.46
De rechtsoverweging raakt aan een lastig element in de beoordeling van vorderingen als de onderhavige. Art. 1:68 lid 2 BW Pro is bedoeld als codificatie van de aanvankelijk in de jurisprudentie aanvaarde regel. Als er – zoals in dit geval – naar het betrokken religieuze recht in kwestie verschillende echtscheidingsprocedures naast elkaar bestaan, rijst de vraag aan wie de keuze is tussen de verschillende echtscheidingsprocedures en wat voor die keuze de betekenis is van art. 1:68 lid 2 BW Pro.
3.47
Moeilijk is ook dat voor de Nederlandse rechter lastig is vast te stellen wat de gevolgen zijn van de verschillende naast elkaar bestaande echtscheidingsprocedures. [28] Er bestaat variatie in de verschillende nationale islamitische rechtssystemen. [29] In de onderhavige zaak gaat het bijvoorbeeld om een Pakistaans sjiitisch-islamitisch huwelijk.
3.48
De tekst van art. 1:68 lid 2 BW Pro en de naam van de ‘Wet tegengaan huwelijkse gevangenschap’ leggen een zekere nadruk op de plicht van een echtgenoot om mee te werken aan het doen tenietgaan van een tussen partijen bestaande religieuze of levensbeschouwelijke huwelijksverbintenis. Het gaat erom dat de ene partner de andere partner niet door weigering van medewerking mag weerhouden van beëindiging van het huwelijk.
3.49
Of een man onrechtmatig handelt door zijn medewerking aan beëindiging van het religieuze huwelijk op de ene manier te weigeren terwijl hij zich op hetzelfde moment wél bereid verklaart mee te werken aan beëindiging van het religieuze huwelijk op een andere manier, is in het licht van het voorgaande niet een vraag die aan de hand van (enkel) art. 1:68 lid 2 BW Pro is te beantwoorden. In wezen zijn partijen het in een dergelijk geval vooral oneens over
de wijzewaarop het religieuze huwelijk tussen hen moet eindigen. Daarvoor is art. 1:68 lid 2 BW Pro niet geschreven. De bepaling is te algemeen geformuleerd om aanknopingspunten te bieden voor de beantwoording van de vraag welke scheidingswijze moet worden gevolgd.
3.5
Dergelijke aanknopingspunten zijn misschien niet te vinden in art. 1:68 lid 2 BW Pro, ze zijn mogelijk wel te distilleren uit de maatschappelijke zorgvuldigheid als gedragsnorm. Daarbij hoeft niet als uitgangspunt te gelden dat er een recht bestaat op medewerking door de ene echtgenoot aan beëindiging van een religieus huwelijk op de voor de andere gunstigste wijze. Weigering om mee te werken aan
talaqis dan niet automatisch onrechtmatig als de weigeraar zich wel bereid verklaart aan
khulamee te werken. Denkbaar is evenwel dat uit de omstandigheden van het geval voortvloeit dat de handelswijze van de betrokkene in strijd komt met de zorgvuldigheid die hij in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van de persoon van zijn (naar burgerlijk recht eventueel reeds gescheiden) echtgenote in acht behoort te nemen. Relevante mee te wegen omstandigheden lijken me in dit verband onder meer de financiële en sociale gevolgen die de verschillende manieren van beëindiging voor partijen hebben. Als bijvoorbeeld een vrouw het religieuze huwelijk in theorie zonder medewerking van de man kan beëindigen, maar daardoor een geldelijke vergoeding aan de man moet betalen, kan de hoogte van dit verschuldigde bedrag gewicht in de schaal leggen bij de beantwoording van de vraag of uit de maatschappelijke zorgvuldigheid voortvloeit dat de man jegens de vrouw gehouden is om mee te werken aan een beschikbare wijze van beëindiging van het religieuze huwelijk die niet leidt tot een dergelijke betalingsverplichting van de vrouw. Een ander voorbeeld zou kunnen zijn dat een bepaalde wijze van echtscheiding de vrouw verplicht om een lange, kostbare en wat uitkomst betreft onzekere gerechtelijke procedure te voeren in een land van herkomst. [30] De inwerkingtreding van art. 1:68 lid 2 BW Pro heeft dit een en ander niet gewijzigd – die bepaling gaat immers niet over de beantwoording van de vraag
welkescheidingsmethode de voorkeur heeft.
3.51
In de onderhavige procedure is in cassatie niet verwezen naar vindplaatsen waar omstandigheden als in het vorige randnummer bedoeld zijn aangevoerd. Het subonderdeel bestrijdt rov. 6.15 alleen door aan te voeren dat het hof aldaar ten onrechte een belangenafweging heeft gemaakt met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, zonder voorafgaande – en dus kennelijk van een belangenafweging met inachtneming van de omstandigheden van het geval te onderscheiden – afweging van “
de betrokken grondrechten”. In randnummer 3.3 van haar schriftelijke toelichting heeft de vrouw hieraan toegevoegd dat het hof niet heeft beoordeeld of de in rov. 6.15 besproken bezwaren dusdanig zwaarwegend zijn dat medewerking van de man aan beëindiging van het religieuze huwelijk in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd.
3.52
Die klachten treffen geen doel. Ook als ik met het middel tot uitgangspunt neem dat art. 1:68 lid 2 BW Pro in de onderhavige procedure voor toepassing in aanmerking komt, volgt daaruit in verband met wat ik hiervoor heb opgemerkt niet, althans niet zonder meer, dat de man gehouden is tot medewerking aan de beëindiging van het huwelijk precies op de wijze die de vrouw wenst. Dat is immers geen kwestie die door art. 1:68 lid 2 BW Pro wordt bestreken.
3.53
De afweging in rov. 6.15 van het bestreden arrest impliceert wellicht oordelen van het hof over de rechtsgevolgen van
talaqen
khulanaar het onder Pakistaanse sjiitische moslims in acht genomen religieuze recht. Tegen deze impliciete oordelen, voor zover aanwezig, zijn in cassatie geen klachten gericht. [31]
3.54
Ten overvloede merk ik op dat de beoordeling van de klachten niet anders zou uitvallen als moest worden aangenomen dat art. 1:68 lid 2 BW Pro in deze procedure niet voor toepassing in aanmerking komt.
3.55
Subonderdeel 1.1 faalt om de hiervoor uiteengezette redenen.
3.56
Subonderdeel 1.1 is het enige subonderdeel van het cassatiemiddel waarin (ook) klachten zijn gericht tegen rov. 6.15. De overwegingen van het hof in rov. 6.15 kunnen, ofschoon uitdrukkelijk ten overvloede gegeven, de afwijzing van de op onrechtmatige daad gebaseerde vordering van de vrouw zelfstandig dragen.
3.57
Bij die stand van zaken falen de
subonderdelen 1.2.1-1.4.2bij gebrek aan belang. Ik zal deze subonderdelen hierna ten overvloede kort bespreken.
Ten overvloede: bespreking van de subonderdelen 1.2.1-1.4.2
3.58
Volgens
subonderdeel 1.2.1heeft het hof, in weerwil van het criterium aan de hand waarvan het de vorderingen van de vrouw had dienen te beoordelen, in rov. 6.9-6.12 van het arrest onderzocht of de man
talaqheeft uitgesproken en heeft het vervolgens in rov. 6.13-6.14 van het arrest onderzocht of het religieuze huwelijk tussen partijen nog voortduurt. Daarmee heeft het hof volgens het subonderdeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In de eerste plaats geldt volgens het subonderdeel dat de beantwoording van de vragen of
talaqis uitgesproken en of het religieuze huwelijk nog voortduurt niet relevant is voor de beoordeling van de vorderingen van de vrouw. Waar het bij de beoordeling van de vordering uit hoofde van art. 1:68 lid 2 BW Pro volgens het subonderdeel op aankomt is of de man zwaarwegende belangen heeft gesteld die ertoe nopen hem niet te verplichten mee te werken aan de ontbinding van het huwelijk.
3.59
Subonderdeel 1.2.2klaagt dat het oordeel van het hof met betrekking tot de vraag of de man
talaqheeft uitgesproken onbegrijpelijk is. Zonder nadere motivering valt volgens het subonderdeel niet in te zien dat voor toewijzing van de vordering uit hoofde van art. 1:68 lid 2 BW Pro dient te worden vastgesteld of al dan niet
talaqis uitgesproken en of het religieuze huwelijk al dan niet voortduurt.
3.6
In
subonderdeel 1.2.3voert de vrouw aan dat het niet aan de Nederlandse rechter is in het kader van de vordering tot medewerking aan ontbinding van het huwelijk te beoordelen of
talaqis uitgesproken en of het religieuze huwelijk nog voortduurt. Die materiële vragen zijn immers voorbehouden aan de rechter in de plaats waar het religieuze huwelijk dient te worden beëindigd, hetgeen het hof heeft miskend. De ratio van art. 1:68 lid 2 BW Pro brengt immers mee dat de Nederlandse rechter er bij de beoordeling van een dergelijke vordering vanuit dient te gaan dat het religieuze huwelijk voortduurt en dat de man weigert mee te werken aan de ontbinding daarvan.
3.61
De subonderdelen 1.2.1, 1.2.2 en 1.2.3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.62
De subonderdelen zien over het hoofd dat de vordering van de vrouw is gebaseerd op art. 6:162 BW Pro. Dit betekent dat de vordering van de vrouw eerst toewijsbaar is als een normschending door de man komt vast te staan. Het cassatiemiddel voert in dat kader art. 1:68 lid 2 BW Pro op als de geschonden norm. Volgens de vrouw heeft de man de uit dit artikel of uit de maatschappelijke zorgvuldigheid voortvloeiende norm geschonden door geen vervolg te geven aan een mondeling uitgesproken
talaq, althans niet alsnog
talaqte formaliseren.
3.63
De rechter kan geen vordering op grond van een onrechtmatige daad toewijzen zonder dat een normschending is komen vast te staan. Hieruit volgt dat voor toewijsbaarheid van de vordering van de vrouw vereist is dat de Nederlandse rechter bij wie de vordering aanhangig is gemaakt kan vaststellen dat de man mondeling
talaqheeft uitgesproken maar die weigert te bekrachtigen, althans dat de man weigert mee te werken aan ontbinding van het religieuze huwelijk, zoals de vrouw heeft gesteld. Gelet op de betwisting van deze stellingen door de man en het door hem gevoerde verweer [32] dat het religieuze huwelijk reeds is geëindigd, moest het hof nader onderzoeken of de man inderdaad zoals de vrouw aanvoert reeds mondeling
talaqheeft uitgesproken maar de vereiste bekrachtigingshandeling weigert te verrichten en of het religieuze huwelijk tussen partijen nog voortduurt. Dit is niet anders in het licht van art. 1:68 lid 2 BW Pro, aangenomen dat die bepaling in deze procedure van toepassing is.
3.64
In het licht van het voorgaande falen de subonderdelen 1.2.1, 1.2.2 en 1.2.3.
3.65
Subonderdeel 1.3klaagt dat de oordelen van het hof in rov. 6.9-6.15 van het bestreden arrest, voor zover het hof in het kader van de vorderingen van de vrouw zou hebben te onderzoeken of de man
talaqheeft uitgesproken en of het huwelijk nog voortduurt, evenzeer rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, zijn. Het hof heeft immers verzuimd vast te stellen naar welk recht dient te worden beoordeeld of de vrouw voldoende heeft bewezen of de man
talaqheeft uitgesproken en of het huwelijk nog voortduurt. Bovendien heeft het hof geen criterium aangelegd aan de hand waarvan deze vragen dienen te worden beantwoord. Het hof heeft zo volgens het subonderdeel miskend dat die vragen dienen te worden beoordeeld aan de hand van het Pakistaanse shariarecht. De oordelen van het hof zijn zonder enige duiding van het aangelegde toetsingskader volgens het subonderdeel oncontroleerbaar en dus onvoldoende gemotiveerd.
3.66
Het subonderdeel ziet eraan voorbij dat de vrouw een vordering uit onrechtmatige daad heeft ingesteld. Dit betekent dat naar Nederlands recht moet komen vast te staan dat de gestelde onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden. [33] In dit geval betekent dat ook dat naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld of de vrouw voldoende heeft bewezen dat de man mondeling
talaqheeft uitgesproken. Wat betreft het voortduren van het huwelijk is erop te wijzen dat volgens de regels van het Nederlandse bewijsrecht moet worden vastgesteld of het huwelijk naar Pakistaans islamitisch recht voortduurt. Anders dan het subonderdeel aanneemt, behoefde dit geen nadere toelichting.
3.67
Het subonderdeel faalt daarom.
3.68
Subonderdeel 1.4.1neemt tot uitgangspunt dat Nederlands recht inderdaad van toepassing is. Ook dan heeft het hof in rov. 6.9-6.14 van het arrest volgens het subonderdeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft immers miskend dat de verweren van de man dat hij
talaqniet heeft uitgesproken en dat de religieuze echtscheiding reeds is geformaliseerd zijn te kwalificeren als bevrijdende verweren, zodat de bewijslast dat de man al dan niet
talaqheeft uitgesproken en dat het religieuze huwelijk tussen partijen is ontbonden op grond van art. 150 Rv Pro niet op de vrouw, maar op de man rust. In het licht hiervan én in het licht van de ratio van art. 1:68 lid 2 BW Pro heeft het hof dan ook ten onrechte de bewijslast van het uitspreken van
talaqen het voortduren van het huwelijk op de vrouw gelegd.
3.69
De vrouw heeft gevorderd de man te veroordelen tot (medewerking aan) de schriftelijke bekrachtiging van een mondeling uitgesproken
talaq, omdat de man door die schriftelijke bekrachtiging te weigeren onrechtmatig zou handelen. In dat kader ligt het, gelet op de hoofdregel van art. 150 Rv Pro, op haar weg om te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen dat er een mondelinge
talaqis die voor bekrachtiging in aanmerking komt en dat er een huwelijk bestaat dat voor ontbinding door
talaqin aanmerking komt. Het betoog van de man dat hij geen mondelinge
talaqheeft uitgesproken is aan te merken als een betwisting van de door de vrouw gestelde feitelijke grondslag. In zoverre faalt het subonderdeel.
3.7
Met betrekking tot het betoog van de man dat de religieuze echtscheiding reeds is geformaliseerd liggen de zaken anders. Tussen partijen is niet in geschil dat zij op 5 augustus 2006 in Pakistan met elkaar in het huwelijk zijn getreden. Het is de man die zich, in de woorden van het hof (rov. 6.13), “
erop beroept dat er al sprake is van eenkhula-
echtscheiding”. Daarmee doet de man een beroep op het rechtsgevolg van een
khuladie tot een einde van het huwelijk zou hebben geleid. Ten aanzien van deze
khulaheeft de man conform de hoofdregel van art. 150 Rv Pro dan ook stelplicht en bewijslast. In zoverre is de klacht terecht voorgesteld.
3.71
Dit betekent dat subonderdeel 1.4.1 deels terecht is voorgesteld. De klacht faalt echter bij gebrek aan belang, omdat – zoals gezegd in randnummers 3.56-3.57 van deze conclusie – de zelfstandig dragende grond in rov. 6.15 niet met succes is bestreden.
3.72
Volgens
subonderdeel 1.4.2heeft het hof ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting als ervan moet worden uitgegaan dat de bewijslast op de vrouw rust. Op grond van de ratio en het doel van art. 1:68 lid 2 BW Pro kon het hof volgens de vrouw niet van haar verlangen dat zij zou bewijzen dat de man
talaqmondeling heeft uitgesproken en dat het huwelijk nog zou voortduren. Het hof heeft volgens het subonderdeel dan ook ten onrechte een te zware stelplicht en bewijslast op de vrouw gelegd. De ratio van art. 1:68 lid 2 BW Pro en het doel dat ermee wordt gediend nopen de rechter volgens het subonderdeel ervan uit te gaan dat de in rechte aangesproken partner weigert mee te werken aan beëindiging van het religieuze huwelijk en dat dat huwelijk nog voortduurt. Alleen als die premissen tot uitgangspunt van de beoordeling worden genomen, kan de andere partner daadwerkelijk uit de huwelijkse gevangenschap worden bevrijd, zoals de wetgever bij invoering van art. 1:68 lid 2 BW Pro beoogde te bereiken, aldus de vrouw. Bovendien is het volgens het subonderdeel niet aan de Nederlandse rechter, maar aan de rechter in de plaats waar het religieuze huwelijk dient te worden beëindigd, te beoordelen of de aangesproken partner al dan niet wenst mee te werken aan ontbinding van het religieuze huwelijk en of dat huwelijk nog voortduurt.
3.73
Zoals hiervoor bij de behandeling van subonderdeel 1.4.1 al is opgemerkt, heeft het hof ten onrechte de vrouw gehouden geacht tot het bewijs van het voortduren van het huwelijk. Dit heeft evenwel – anders dan subonderdeel 1.4.2 aanvoert – niets met art. 1:68 lid 2 BW Pro van doen: het is een toepassing van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro. Het is immers de man die zich heeft beroepen op het rechtsgevolg van
khula.
3.74
Anders dan het subonderdeel zie ik in art. 1:68 lid 2 BW Pro geen bijzondere regel van bewijslastverdeling in de zin dat de rechter zou zijn gehouden om het bestaan van een huwelijk tussen partijen en weigering tot beëindiging van dat huwelijk door de aangesproken echtgenoot aan te nemen. De bepaling schrijft geen wettelijk vermoeden voor. [34] De bepaling is bedoeld als codificatie van de uit de maatschappelijke zorgvuldigheid voortvloeiende gedragsnorm die inhoudt dat echtgenoten jegens elkaar gehouden zijn mede te werken aan de gewenste beëindiging van een tussen hen bestaand religieus huwelijk of een andere tussen hen bestaande levensbeschouwelijke verbintenis. Wie – zoals in dit geval de vrouw – een vordering baseert op het onrechtmatig handelen van een ander, moet onder meer feiten stellen en zo nodig bewijzen waaruit volgt dat aan alle elementen van de normovertreding is voldaan. [35]
3.75
De in subonderdeel 1.4.2 geopperde rechtsopvatting dat het aan de rechter van de plaats waar het religieuze huwelijk is om te beoordelen of de aangesproken partner al dan niet wenst mee te werken aan beëindiging van het religieuze huwelijk en of dat huwelijk voortduurt, is onjuist. De ingestelde vordering is gegrond op art. 6:162 BW Pro (in verbinding met art. 1:68 lid 2 BW Pro), hetgeen betekent dat aan de vereisten van die bepaling moet zijn voldaan en voor toewijzing van de vordering dus onder meer is vereist dat het gestelde onrechtmatig handelen van de man (het niet meewerken aan het beëindigen van het huwelijk) komt vast te staan.
3.76
Het een en ander betekent dat het subonderdeel faalt.
3.77
De slotsom is dat subonderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2. Lijfsieraden
3.78
Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 6.21 van het bestreden arrest) dat de vrouw in het geheel niet heeft aangetoond dat de sieraden in het bezit zijn van de man dan wel dat deze in opdracht van de man in bewaring zijn gegeven aan de moeder van de man. Volgens het onderdeel heeft het hof wederom blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof heeft verzuimd vast te stellen naar welk recht deze vordering dient te worden beoordeeld. Omdat de vrouw heeft aangevoerd [36] dat sjiitisch islamitisch recht op deze rechtsverhouding van toepassing is, had het hof volgens onderdeel 2 moeten vaststellen naar welk recht het deze vordering heeft beoordeeld. Nu het hof dit heeft nagelaten is zijn oordeel ten aanzien van de lijfsieraden bovendien oncontroleerbaar en daarmee onbegrijpelijk.
3.79
In eerste aanleg heeft de rechtbank in rov. 3.4. van het eindvonnis geoordeeld dat Nederlands recht op het geschil van toepassing is. Tegen dit oordeel is, althans voor zover het betrekking heeft op de vordering tot afgifte van de lijfsieraden, in hoger beroep niet gegriefd. Het onderdeel verwijst dan ook niet naar enige vindplaats in de gedingstukken in hoger beroep. Daarmee moest in hoger beroep tot uitgangspunt worden genomen dat Nederlands recht van toepassing was, zoals het hof heeft gedaan. [37]
3.8
In dat licht faalt onderdeel 2.
Onderdeel 3. Proceskostenveroordeling
3.81
Onderdeel 3 is gericht tegen de in rov. 6.22 van het bestreden arrest uitgesproken proceskostenveroordeling. Dit oordeel is volgens het subonderdeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. De vorderingen van de vrouw betreffen volgens de vrouw ontegenzeggelijk het familierecht, zodat het in de rede had gelegen dat het hof de proceskosten tussen partijen had gecompenseerd. In familiezaken wordt immers alleen een proceskostenveroordeling ten laste van één der partijen uitgesproken als sprake is van misbruik van procesrecht of evident onredelijk of nodeloos procederen, aldus het subonderdeel. In het licht hiervan diende het hof de veroordeling van de vrouw in de proceskosten te motiveren, omdat zonder een dergelijke motivering niet valt in te zien dat de vrouw misbruik van procesrecht heeft gemaakt of dat zij haar vorderingen evident onredelijk of nodeloos aanhangig heeft gemaakt, klaagt de vrouw.
3.82
Anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, is de onderhavige procedure een handelszaak. Dit gegeven op zich hoeft nog niet te leiden tot falen van de klacht, omdat art. 237 Rv Pro op vorderingszaken (waaronder handelszaken) van toepassing is.
3.83
Ten aanzien van de klacht is van belang dat art. 237 lid 1 Rv Pro bepaalt dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld, maar dat de kosten geheel en gedeeltelijk mogen worden gecompenseerd tussen onder meer echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen. Uit de formulering van de bepaling blijkt duidelijk dat er geen verplichting tot compensatie van de proceskosten bestaat. Een beslissing om in afwijking van de hoofdregel wél tot compensatie over te gaan, moet worden gemotiveerd. Een beslissing om overeenkomstig de hoofdregel de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten, behoeft geen nadere motivering (dan een verwijzing naar de wettelijke maatstaf). [38]
3.84
Het hof heeft de vrouw als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Deze motivering is niet onbegrijpelijk, ook niet als wordt aangenomen dat compensatie van proceskosten tussen gewezen echtelieden gebruikelijk is.
3.85
Onderdeel 3 faalt.
Onderdeel 4. Veegklacht
3.86
Bij het slagen van één of meer klachten van het eerste middelonderdeel kunnen volgens onderdeel 4 ook de oordelen met betrekking tot het levensonderhoud (rov. 6.18), de bruidsgave (rov. 6.20) en de proceskostenveroordeling (rov. 6.22) evenmin in stand blijven.
3.87
Deze voortbouwklacht behoeft geen behandeling.
Slotsom
3.88
De slotsom is dat geen van de onderdelen slaagt. Ik zal daarom in het principale cassatieberoep concluderen tot verwerping.

4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele cassatieberoep

De man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld onder de voorwaarde dat één of meer cassatieklachten van de vrouw slagen. Gelet op het falen van alle klachten in het principale cassatieberoep is deze voorwaarde niet vervuld. Het middel in het incidentele cassatieberoep behoeft daarom geen behandeling.

5.Conclusie

De conclusie in het principale cassatieberoep strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Wet van 9 maart 2023 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten (tegengaan huwelijkse gevangenschap en enige andere onderwerpen),
2.Zo bijvoorbeeld Asser Personen- en familierecht/W.D. Kolkman & F.R. Salomons,
3.Ontleend aan het bestreden arrest, hof Den Haag 8 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:669, rov. 3.1-3.4, en weergegeven met enige redactionele ingrepen.
4.Rb. Rotterdam 19 mei 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:4377. In het bestreden arrest heeft het hof naar deze uitspraak steeds verwezen als ‘het tussenvonnis’.
5.Rb. Rotterdam 29 juni 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5214.
6.Bestreden arrest, rov. 5.1 onder (a).
7.Bedoeld zal zijn: ‘naar’.
8.Zie bestreden arrest, rov. 5.1.
9.Zie bestreden arrest, rov. 5.2.
10.Zie bestreden arrest, rov. 5.3.
11.In het A-dossier ontbreken een H16 formulier van de man van 6 maart 2024 en een verzoek tot het mogen nemen van een akte van de vrouw van 24 mei 2024. In het B-dossier ontbreken de pleitnota’s van beide partijen van 11 januari 2024 en de pleitnota’s van beide partijen van 10 december 2024.
12.Volgens M.S. Berger, ‘Het islamitische echtscheidingsrecht’,
13.Aldus bijvoorbeeld W.J. van den Bergh, ‘Wet tegengaan huwelijkse gevangenschap in de praktijk’,
14.Zie F.J.A. van der Velden,
15.Zie F.J.A. van der Velden,
16.Zie nader randnummers 3.11-3.13 van deze conclusie.
17.Zie nader randnummers 3.14-3.15 van deze conclusie.
18.In grief 2 in het principaal hoger beroep is aangevoerd dat op de bruidsgave Pakistaans recht van toepassing is. Zie memorie van grieven, randnummer 26. Het hof heeft in rov. 6.19 van het bestreden arrest geoordeeld dat op de bruidsgave Pakistaans recht van toepassing is.
19.Zie Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling-van Gent,
20.Zie over de onderhoudsplicht van een man jegens zijn vrouw in het Pakistaanse recht M. Shahid Malik, ‘Pakistan’, in W. Pintens (ed.),
21.Zie de pleitnota van de vrouw van 24 januari 2024, p. 1
22.De hierna te bespreken art. 68a en 74 Overgangswet NBW zijn ingevolge art. 68 Overgangswet Pro NBW niet van toepassing op bepalingen in boek 1 BW.
23.MvT,
24.HR 22 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4319,
25.MvT,
26.Nota naar aanleiding van het verslag,
27.In die zin bijvoorbeeld
28.Vergelijk S.W.E. Rutten, ‘Successen en hindernissen op de weg uit huwelijkse gevangenschap’,
29.M.S. Berger, ‘Het islamitische echtscheidingsrecht’,
30.Vergelijk P.M. Kruiniger & S.W.E. Rutten, ‘Informele huwelijken en huwelijkse gevangenschap: wat iedere praktijkjurist moet weten’,
31.Of het tussen Pakistaanse sjiitische moslims geldende recht is aan te merken als het recht van vreemde staten in de zin van art. 79 lid Pro 1, onder b., RO, kan in het midden blijven.
32.Door het hof ten onrechte aangemerkt als betwisting, zoals hierna bij de bespreking van subonderdeel 1.4.1 nog aan de orde zal komen.
33.Zie in dit verband ook randnummer 3.10 van deze conclusie.
34.Volgens W.J. van den Bergh, ‘Wet tegengaan huwelijkse gevangenschap in de praktijk’,
36.Er is verwezen naar de inleidende dagvaarding, randnummers 15.-16.: “
37.Zie Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling-van Gent,
38.HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4339,