Conclusie
talaq– een vorm van echtscheiding naar islamitisch recht op initiatief van een man – die volgens de vrouw door hem eerder al mondeling is uitgesproken. Zij vordert dan ook de man te veroordelen mee te werken aan de ontbinding van het religieuze (sjiitisch islamitische) huwelijk door de
talaqnaar Pakistaans recht schriftelijk te bekrachtigen. Verder vordert zij de man te veroordelen tot een bijdrage in haar levensonderhoud, uitbetaling van de bruidsgave en teruggave van lijfsieraden. De man bestrijdt dat hij
talaqheeft uitgesproken en stelt dat partijen inmiddels al zijn gescheiden door
khula– een vorm van echtscheiding naar islamitisch recht op initiatief van een vrouw.
talaqhad uitgesproken die voor schriftelijke bekrachtiging in aanmerking kwam en is niet komen vast te staan dat de vrouw en de man naar Pakistaans/religieus recht nog getrouwd zijn. Ten overvloede heeft het hof geoordeeld dat het handelen van de man niet onrechtmatig is.
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
ook) in Nederland de (gestelde) gevolgen van het voortbestaan van het religieuze huwelijk ervaart, zodat Nederland als
Erfolgsortkan worden aangemerkt.
talaq);
Internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter
Handlungsort(de plaats waar de onrechtmatige daad zelf wordt gepleegd, in casu: het niet-verlenen medewerking aan de huwelijksontbinding) is gelegen in Pakistan, maar het
Erfolgsort(de plaats van de gestelde schadelijke gevolgen van de onrechtmatige daad) is naar het oordeel van het hof (mede) in Nederland gelegen. De vrouw woont in Nederland, maakt onderdeel uit van de Pakistaanse gemeenschap in Nederland, en heeft ter zitting van 10 december 2024 toegelicht dat zij nog steeds, ook in Nederland binnen haar gemeenschap, last ervan ondervindt dat zij in Pakistan niet is gescheiden. De vrouw stelt dan ook (mede) in Nederland de gevolgen te ondervinden van de weigering van de man om mee te werken aan de ontbinding van het religieuze huwelijk. Het hof onderstreept dat het hier gaat om gevolgen waarvan de vrouw
steltdat die zich in Nederland voordoen, of kunnen voordoen, en – in dit stadium – (nog) niet om een toets of daarvan ook daadwerkelijk sprake is. Dit betekent dan ook dat het incidenteel hoger beroep van de man niet slaagt.
talaqheeft uitgesproken, maar dat de man onrechtmatig handelt door zijn medewerking aan de vereiste bekrachtiging van deze
talaqte weigeren. De man betwist dat hij
talaqheeft uitgesproken:
Onrechtmatige daad
talaqalleen mondeling heeft uitgesproken in Pakistan in 2008, maar dat deze in Pakistan niet van kracht is geworden omdat de man weigert zijn medewerking te verlenen aan de naar Pakistaans recht vereiste bekrachtiging van de
talaqdoor het sturen van een schriftelijke bevestiging van de
talaqaan (de voorzitter van) de Union Council. Verder stelt zij verschillende andere pogingen te hebben gedaan om officieel van de man te scheiden in Pakistan, doch tevergeefs. Daardoor handelt de man onrechtmatig, waardoor sprake is van schending van artikelen 8 en 12 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is sprake van de schending van een zorgvuldigheidsnorm of onrechtmatige daad, omdat de man opzettelijk de vrouw hindert in het uitoefenen van haar rechten en vrijheden zoals bedoeld in voornoemde bepalingen. Zij kan immers nu niet met een andere man huwen en een (nieuw) gezin stichten zonder eerwraak of strafvervolging te riskeren bij het afreizen naar een islamitisch land. Ook brengt het religieus huwelijk haar in een ondergeschikte positie zolang er geen echtscheiding naar islamitisch recht plaatsvindt, aldus de vrouw. Er is sprake van huwelijkse gevangenschap. Daarbij wijst zij op artikel 1:68 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW), waaruit volgt dat de man medewerking moet verlenen aan het teniet doen gaan van een religieuze verbintenis als de vrouw daarom vraagt.
talaqheeft uitgesproken. Hij is ook niet bereid om die alsnog uit te spreken, want er is al sprake van
khula-echtscheiding, doordat de vrouw echtscheiding in Nederland heeft gevraagd en de man daarmee heeft ingestemd. De man kan niet worden gedwongen mee te werken aan een echtscheiding naar Pakistaans recht terwijl hij reeds een echtscheiding heeft naar Nederlands recht en de vrouw dat zelf in Pakistan kan regelen volgens de
khula-procedure.”
talaqheeft uitgesproken:
talaqheeft uitgesproken en wel om de volgende redenen. De vrouw heeft wisselende verklaringen afgelegd over de wijze waarop de
talaqdoor de man is uitgesproken. Zo heeft zij in eerste aanleg tijdens de zitting van 22 oktober 2021 gezegd dat de
talaqtelefonisch door haar schoonmoeder is gegeven in 2008, maar later heeft zij tijdens de zitting aangegeven dat de
talaqin Pakistan door de man is uitgesproken ten overstaan van haar vader in het bijzijn van de [imam] en 4 getuigen. De man heeft tijdens die zitting weliswaar erkend dat hij met deze personen bijeen is gekomen, maar de man betwist dat hij de
talaqheeft uitgesproken. Volgens hem is de
talaqbewust niet uitgesproken omdat de vrouw voornemens was de
khulaaan te vragen bij de rechtbank. De betwisting van de man wordt onderschreven door de verklaring van 18 juli 2009 van de [oom van de man] in de Pakistaanse procedure over het levensonderhoud.
talaqnamens hem mag uitspreken. In de Pakistaanse procedure over het levensonderhoud in 2009 heeft de man aangegeven dat hij nog steeds bereid is om samen te leven met de vrouw.
talaqstaat bovendien haaks op het verweer van de man in de Nederlandse echtscheidingsprocedure, waarvan de mondelinge behandeling plaatsvond op 28 oktober 2010, dat hij nog steeds bereid was om met de vrouw samen te wonen. Ook is het voor het hof niet duidelijk waarom de vrouw in 2009 in de procedure in Pakistan over het levensonderhoud niet naar voren heeft gebracht dat de man reeds de
talaqhad uitgesproken. Integendeel; zij voerde aldaar een procedure tegen de man die is gebaseerd op het voortbestaan van het huwelijk. Daarin vorderde zij immers levensonderhoud van de man op basis van het feit dat het huwelijk nog steeds bestond en de man daartoe binnen het huwelijk verplicht is. Volgens de vrouw was een verzoek om levensonderhoud op dat moment nog het enige juridische middel en hoopte zij zo de man tot handelen conform de vereisten van de
talaqte kunnen bewegen. Het hof kan dit standpunt van de vrouw niet volgen nu deze procedure heeft geleid tot de beslissing van 28 oktober 2009 van de Familierechter te Quetta, Pakistan, waarbij het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud is toegewezen onder de voorwaarde dat de vrouw zich voegt bij haar echtgenoot, de man.”
talaq, omdat niet is komen vast te staan dat hij (te bekrachtigen)
talaqmondeling heeft uitgesproken:
talaqheeft uitgesproken, handelt de man niet onrechtmatig door niet zijn medewerking te verlenen aan de door de vrouw gestelde vereiste bekrachtiging van de
talaq. Er is om die reden dan ook geen sprake van een onrechtmatige daad jegens de vrouw, zodat het hof de vordering van de vrouw tot medewerking aan de bekrachtiging van de
talaqzal afwijzen.”
talaqen de man zich erop beroept dat er al sprake is van een
khula-echtscheiding, heeft het hof geoordeeld dat onvoldoende duidelijk is geworden of in Pakistan nog sprake is van een voortdurend huwelijk. De vordering van de vrouw kan daarom niet worden toegewezen, aldus het hof:
talaq, en de man zich erop beroept dat er al sprake is van een
khulaechtscheiding (althans dat zij de echtscheiding door middel van een
khulazelf kan bewerkstelligen), overweegt het hof nog het volgende. Ook na overlegging van nadere stukken door zowel de man als de vrouw is onvoldoende duidelijk geworden of in Pakistan nog sprake is van een tussen partijen voortdurend huwelijk. Partijen hebben over en weer elkaars stukken in twijfel getrokken en geprobeerd de stukken van de ander te laten vernietigen of herroepen, en geen van beiden heeft hierover uitsluitsel kunnen geven. Nu de vrouw zich beroept op de gevolgen van het voortbestaan van het religieuze Pakistaans-Islamitische huwelijk, rust de bewijslast van het voortbestaan hiervan op haar. Reeds daarom kan de vordering van de vrouw, ook meer in het algemeen, niet worden toegewezen.
talaq:
talaq. Tussen partijen staat vast dat de man de bruidsgave moet uitbetalen bij de beëindiging van het huwelijk door middel van de
talaq. Nu niet is komen vast te staan dat de man de
talaqmondeling heeft uitgesproken – zoals hierboven al werd geconcludeerd – kan de vordering van de vrouw tot schriftelijke bekrachtiging van de
talaqniet worden toegewezen. Het hof acht het ook niet onrechtmatig dat de man thans, in een procedure die de vrouw ruim meer dan tien jaar na het uiteengaan van partijen heeft aangespannen, en na inmiddels minstens zestien jaar, niet meer onvoorwaardelijk meewerkt aan de beëindiging van het huwelijk door alsnog de
talaquit te spreken. Duidelijk is dat een dergelijke wijze van beëindiging, zo veel jaren na dato, voor de man financiële risico’s met zich meebrengt, zoals de betaling van achterstallig levensonderhoud gedurende de tijd dat het huwelijk in dat geval kan worden geacht te hebben bestaan. Dat is ook waarop de vrouw hem in Pakistan al heeft aangesproken. Bij de
talaqmoet de man bovendien de bruidsgave uitbetalen. Het is de vraag of de man kan worden gehouden alsnog aan een
talaqmee te werken nadat het huwelijk reeds op initiatief van de vrouw in Nederland is geëindigd, waarbij kennelijk niet is geoordeeld dat de man aan de vrouw de bruidsgave moet uitbetalen (de vrouw heeft ter zitting verklaard zich niet te herinneren of dat destijds is verzocht). Tussen partijen is immers niet in geschil dat bij beëindiging van het huwelijk op initiatief van de vrouw volgens de
khula-procedure geen (onvoorwaardelijke) aanspraak bestaat op uitbetaling van de bruidsgave. Als de man gehouden zou zijn alsnog aan een
talaqmee te werken, heeft dat dus ook op dit punt voor hem financiële gevolgen. De man heeft reeds eerder in deze procedure aangeboden om aan een
khula-echtscheiding mee te werken, voor zover dat nog nodig zou zijn. Dat aanbod heeft de vrouw niet aangenomen. Ook heeft de man zich bereid verklaard mee te werken aan de totstandkoming van een
talaq, met dien verstande dat hij daarbij een vast bedrag aan de vrouw zou betalen en de vrouw daarbij verder afstand zou doen van enig achterstallig levensonderhoud en de uitbetaling van de bruidsgave. Ook dat aanbod is door de vrouw afgewezen. Naar het oordeel van het hof kan in deze omstandigheden niet worden geconcludeerd dat de man jegens de vrouw onrechtmatig handelt door na zoveel jaren niet (meer) mee te werken aan de beëindiging van het religieuze huwelijk op de door de vrouw gewenste wijze, met alle financiële risico’s van dien. Ook om die redenen kan een vordering van de vrouw tot medewerking aan de
talaqop grond van onrechtmatig handelen van de man niet worden toegewezen.”
talaq. Nu deze laatste vordering is afgewezen, is ook de vordering tot levensonderhoud afgewezen:
Levensonderhoud
talaq, en is daarmee afhankelijk (…) van de veroordeling tot medewerking aan huwelijksontbinding. Nu deze vordering wordt afgewezen, treft de vordering om levensonderhoud hetzelfde lot.”
talaq:
Bruidsgave
sui generis. De bruidsgave wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de rechtsverhouding waaruit de bruidsgave voortvloeit. In dit geval is dat het naar Pakistaans recht voltrokken huwelijk van partijen. De vordering uit hoofde van de bruidsgave wordt derhalve beheerst door Pakistaans recht.
talaq(zie ook de memorie van grieven, nr. 26). Nu daarvan geen sprake is, is het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen uit dien hoofde aan haar een bedrag van € 6.000,- te voldoen, niet toewijsbaar. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.”
Lijfsieraden en overige goederen
Proceskosten
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
talaq. De andere onderdelen zijn niet nader verdeeld. Onderdeel 2 is gericht tegen de afwijzing van de vordering tot afgifte van de lijfsieraden. Onderdeel 3 betreft de in het bestreden arrest uitgesproken proceskostenveroordeling. Onderdeel 4 bevat een voortbouwklacht.
talaqen
khula(elders ook wel:
khoel’of
khul’). Deze begrippen duiden op twee verschillende manieren om in sommige op het zogenaamde ‘klassieke’ islamitische recht [12] gebaseerde rechtssystemen een echtscheiding te verkrijgen.
Talaqis in het Nederlands wel aangeduid als een ‘eenzijdige verstoting’ (in de regel) van de vrouw door de man, waarmee de nadruk is gelegd op het voornaamste onderscheid met
khula, te begrijpen als een ‘overeengekomen verstoting’ op initiatief van de vrouw. [13]
talaqhet prerogatief van een man, in die zin dat hij alleen daartoe is gerechtigd en geen medewerking van zijn echtgenote nodig heeft, en brengt
talaqvoor hem de verplichting mee om een nog niet betaalde bruidsgave alsnog aan zijn echtgenote uit te betalen, naast de verplichting om gedurende een zekere voor zijn (dan: voormalige) echtgenote geldende wachtperiode in haar levensonderhoud te voorzien. [14] Khulavereist in het algemeen medewerking van beide echtelieden en vaak is de vrouw aan haar echtgenoot compensatie verschuldigd, die bijvoorbeeld kan bestaan in afstand van de aanspraken op uitkering van de bruidsgave en op levensonderhoud tijdens de wachtperiode. [15]
talaq. Het hof heeft de vordering dus niet uitgelegd als een vordering met de strekking dat de man in het algemeen moet meewerken aan het beëindigen van het religieuze huwelijk, maar als een vordering die ziet op een specifieke wijze van beëindiging van het religieuze huwelijk.
vervolghandelingendie voor de geldigheid van een reeds mondeling uitgesproken
talaqzijn vereist. [16] In de tweede plaats heeft het hof aandacht besteed aan de lezing van de vordering als had zij de strekking dat de man in het algemeen moet meewerken aan de totstandkoming van
talaq. [17]
talaqheeft uitgesproken, maar weigert mee te werken aan de naar Pakistaans recht vereiste schriftelijke bekrachtiging daarvan, terwijl de overige pogingen van de vrouw om in Pakistan van de man te scheiden tevergeefs zijn geweest (bestreden arrest, rov. 6.6). Het gaat dus om een
voortdurendeonrechtmatige daad (vergelijk rov. 4.7. van het eindvonnis).
talaqheeft uitgesproken. De vordering tot schriftelijke bekrachtiging van deze mondelinge
talaq– kennelijk heeft het hof daarmee het oog op de vordering weergegeven in randnummer 2.4 onder (a) van deze conclusie – kan daarom naar het oordeel van het hof niet worden toegewezen.
talaqte bekrachtigen als er geen mondeling uitgesproken
talaqis die kan worden bekrachtigd.
talaq. Het gaat in deze lezing van de vordering dus niet meer om de schriftelijke bekrachtiging van een mondelinge
talaq, maar om medewerking aan de totstandkoming van een
talaq-echtscheiding. Tegenover de vordering van de vrouw staat het betoog van de man, dat erop neerkomt dat het religieuze huwelijk al is geëindigd door een
khula-echtscheiding, althans dat de vrouw de echtscheiding door
khulazelf kan bewerkstelligen.
of in Pakistan nog sprake is van een tussen partijen voortdurend huwelijk”. Het hof heeft geoordeeld dat de vrouw de bewijslast draagt van het niet geëindigd zijn van het huwelijk, nu zij zich op de rechtsgevolgen van het voortbestaan beroept. Nu het voortbestaan van het huwelijk niet is komen vast te staan, kan de vordering van de vrouw niet worden toegewezen, aldus het hof in rov. 6.13.
talaqen de financiële risico’s die dat voor de man meebrengt. Tussen partijen staat vast dat de man de bruidsgave moet uitbetalen bij de beëindiging van het huwelijk door middel van
talaq. Daarnaast brengt
talaqzo veel jaren na het uiteengaan van partijen voor de man financiële risico’s mee, zoals de betaling van achterstallig levensonderhoud gedurende de tijd dat het huwelijk in dat geval kan worden geacht te hebben bestaan. [20] Als de man gehouden zou zijn alsnog aan
talaqmee te werken, heeft dat voor hem dus financiële gevolgen. Het is volgens het hof de vraag of de man kan worden gehouden alsnog aan
talaqmee te werken nadat het huwelijk reeds op initiatief van de vrouw in Nederland is geëindigd, waarbij kennelijk niet is geoordeeld dat de man aan de vrouw de bruidsgave moet uitbetalen.
khula-procedure. Tussen partijen is volgens het hof niet in geschil dat bij beëindiging van het huwelijk op initiatief van de vrouw volgens de
khula-procedure geen (onvoorwaardelijke) aanspraak bestaat op uitbetaling van de bruidsgave. De man heeft reeds eerder in deze procedure aangeboden om aan een
khula-echtscheiding mee te werken, voor zover dat nog nodig zou zijn. Dat aanbod heeft de vrouw niet aangenomen. De man heeft zich ook bereid verklaard mee te werken aan de totstandkoming van
talaq, met dien verstande dat hij daarbij een vast bedrag aan de vrouw zou betalen en de vrouw daarbij verder afstand zou doen van enig achterstallig levensonderhoud en de uitbetaling van de bruidsgave. Ook dat aanbod is door de vrouw afgewezen.
talaqop grond van onrechtmatig handelen van de man naar het oordeel van het hof niet worden toegewezen.
talaqalleen kan slagen als met succes wordt opgekomen tegen alle gronden die zelfstandig de afwijzing van de vordering zouden kunnen dragen.
beperktelezing van de vordering (het gaat om bekrachtiging van een mondelinge
talaq) in cassatie moet worden opgekomen tegen het oordeel van het hof in rov. 6.12 dat de gestelde mondelinge
talaqdie moet worden bekrachtigd niet is komen vast te staan, tegen het oordeel van het hof in rov. 6.13 dat de vordering van de vrouw niet kan worden toegewezen omdat het voortbestaan van het huwelijk niet is komen vast te staan én tegen het oordeel van het hof in rov. 6.15 dat de man gelet op de omstandigheden van het geval niet onrechtmatig handelt door niet mee te werken aan de totstandkoming van
talaq.
ruimerelezing van de vordering van de vrouw (de man is in het algemeen gehouden om mee te werken aan beëindiging van het religieuze huwelijk door middel van
talaq) zal de vrouw om in cassatie succesvol te zijn slagende klachten moeten richten tegen het oordeel van het hof dat het voortbestaan van het huwelijk niet is komen vast te staan en de vordering van de vrouw daarom niet kan worden toegewezen (rov. 6.13) en tegen het oordeel van het hof in rov. 6.15 dat de man gelet op de omstandigheden van het geval niet onrechtmatig handelt door niet mee te werken aan de totstandkoming van
talaq.
talaq.
talaq.
talaq. Die vraag moet mijns inziens bevestigend worden beantwoord, omdat voor de beslissing op de ingestelde vordering tot veroordeling van de man tot medewerking doorslaggevend was of de gedraging van de man (het niet meewerken) onrechtmatig was op het moment van de beslissing. De vordering is immers gebaseerd op een voortdurende onrechtmatige daad.
subonderdeel 1.1is het oordeel van het hof waartegen het subonderdeel is gericht, geciteerd:
obiter dictum– ten onrechte zonder voorafgaande afweging van de betrokken grondrechten een belangenafweging gemaakt aan de hand van alle omstandigheden van het geval, klaagt het subonderdeel. Daarmee heeft het hof volgens de vrouw het in de wetsgeschiedenis uitgewerkte criterium voor de beoordeling van haar vordering miskend.
talaqzelfstandig dragen. Het hof heeft in rov. 6.15 onder meer – zeer kort weergegeven – vastgesteld dat de man bereid is mee te werken aan het doen tenietgaan van een eventueel tussen de man en de vrouw nog bestaande religieuze echtverbintenis. De weigering van de man heeft betrekking op de door de vrouw gewenste
wijzevan beëindiging van het religieuze huwelijk – zij wenst onvoorwaardelijke
talaq, de man heeft zich bereid verklaard mee te werken aan
khulaof aan
talaq, dit laatste op voorwaarde dat afspraken worden gemaakt over de financiële afwikkeling. Het hof heeft deze weigering van de man om mee te werken aan de
door de vrouw gewenste wijzevan religieuze echtscheiding niet onrechtmatig geacht.
de wijzewaarop het religieuze huwelijk tussen hen moet eindigen. Daarvoor is art. 1:68 lid 2 BW Pro niet geschreven. De bepaling is te algemeen geformuleerd om aanknopingspunten te bieden voor de beantwoording van de vraag welke scheidingswijze moet worden gevolgd.
talaqis dan niet automatisch onrechtmatig als de weigeraar zich wel bereid verklaart aan
khulamee te werken. Denkbaar is evenwel dat uit de omstandigheden van het geval voortvloeit dat de handelswijze van de betrokkene in strijd komt met de zorgvuldigheid die hij in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van de persoon van zijn (naar burgerlijk recht eventueel reeds gescheiden) echtgenote in acht behoort te nemen. Relevante mee te wegen omstandigheden lijken me in dit verband onder meer de financiële en sociale gevolgen die de verschillende manieren van beëindiging voor partijen hebben. Als bijvoorbeeld een vrouw het religieuze huwelijk in theorie zonder medewerking van de man kan beëindigen, maar daardoor een geldelijke vergoeding aan de man moet betalen, kan de hoogte van dit verschuldigde bedrag gewicht in de schaal leggen bij de beantwoording van de vraag of uit de maatschappelijke zorgvuldigheid voortvloeit dat de man jegens de vrouw gehouden is om mee te werken aan een beschikbare wijze van beëindiging van het religieuze huwelijk die niet leidt tot een dergelijke betalingsverplichting van de vrouw. Een ander voorbeeld zou kunnen zijn dat een bepaalde wijze van echtscheiding de vrouw verplicht om een lange, kostbare en wat uitkomst betreft onzekere gerechtelijke procedure te voeren in een land van herkomst. [30] De inwerkingtreding van art. 1:68 lid 2 BW Pro heeft dit een en ander niet gewijzigd – die bepaling gaat immers niet over de beantwoording van de vraag
welkescheidingsmethode de voorkeur heeft.
de betrokken grondrechten”. In randnummer 3.3 van haar schriftelijke toelichting heeft de vrouw hieraan toegevoegd dat het hof niet heeft beoordeeld of de in rov. 6.15 besproken bezwaren dusdanig zwaarwegend zijn dat medewerking van de man aan beëindiging van het religieuze huwelijk in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd.
talaqen
khulanaar het onder Pakistaanse sjiitische moslims in acht genomen religieuze recht. Tegen deze impliciete oordelen, voor zover aanwezig, zijn in cassatie geen klachten gericht. [31]
subonderdelen 1.2.1-1.4.2bij gebrek aan belang. Ik zal deze subonderdelen hierna ten overvloede kort bespreken.
subonderdeel 1.2.1heeft het hof, in weerwil van het criterium aan de hand waarvan het de vorderingen van de vrouw had dienen te beoordelen, in rov. 6.9-6.12 van het arrest onderzocht of de man
talaqheeft uitgesproken en heeft het vervolgens in rov. 6.13-6.14 van het arrest onderzocht of het religieuze huwelijk tussen partijen nog voortduurt. Daarmee heeft het hof volgens het subonderdeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In de eerste plaats geldt volgens het subonderdeel dat de beantwoording van de vragen of
talaqis uitgesproken en of het religieuze huwelijk nog voortduurt niet relevant is voor de beoordeling van de vorderingen van de vrouw. Waar het bij de beoordeling van de vordering uit hoofde van art. 1:68 lid 2 BW Pro volgens het subonderdeel op aankomt is of de man zwaarwegende belangen heeft gesteld die ertoe nopen hem niet te verplichten mee te werken aan de ontbinding van het huwelijk.
talaqheeft uitgesproken onbegrijpelijk is. Zonder nadere motivering valt volgens het subonderdeel niet in te zien dat voor toewijzing van de vordering uit hoofde van art. 1:68 lid 2 BW Pro dient te worden vastgesteld of al dan niet
talaqis uitgesproken en of het religieuze huwelijk al dan niet voortduurt.
subonderdeel 1.2.3voert de vrouw aan dat het niet aan de Nederlandse rechter is in het kader van de vordering tot medewerking aan ontbinding van het huwelijk te beoordelen of
talaqis uitgesproken en of het religieuze huwelijk nog voortduurt. Die materiële vragen zijn immers voorbehouden aan de rechter in de plaats waar het religieuze huwelijk dient te worden beëindigd, hetgeen het hof heeft miskend. De ratio van art. 1:68 lid 2 BW Pro brengt immers mee dat de Nederlandse rechter er bij de beoordeling van een dergelijke vordering vanuit dient te gaan dat het religieuze huwelijk voortduurt en dat de man weigert mee te werken aan de ontbinding daarvan.
talaq, althans niet alsnog
talaqte formaliseren.
talaqheeft uitgesproken maar die weigert te bekrachtigen, althans dat de man weigert mee te werken aan ontbinding van het religieuze huwelijk, zoals de vrouw heeft gesteld. Gelet op de betwisting van deze stellingen door de man en het door hem gevoerde verweer [32] dat het religieuze huwelijk reeds is geëindigd, moest het hof nader onderzoeken of de man inderdaad zoals de vrouw aanvoert reeds mondeling
talaqheeft uitgesproken maar de vereiste bekrachtigingshandeling weigert te verrichten en of het religieuze huwelijk tussen partijen nog voortduurt. Dit is niet anders in het licht van art. 1:68 lid 2 BW Pro, aangenomen dat die bepaling in deze procedure van toepassing is.
talaqheeft uitgesproken en of het huwelijk nog voortduurt, evenzeer rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, zijn. Het hof heeft immers verzuimd vast te stellen naar welk recht dient te worden beoordeeld of de vrouw voldoende heeft bewezen of de man
talaqheeft uitgesproken en of het huwelijk nog voortduurt. Bovendien heeft het hof geen criterium aangelegd aan de hand waarvan deze vragen dienen te worden beantwoord. Het hof heeft zo volgens het subonderdeel miskend dat die vragen dienen te worden beoordeeld aan de hand van het Pakistaanse shariarecht. De oordelen van het hof zijn zonder enige duiding van het aangelegde toetsingskader volgens het subonderdeel oncontroleerbaar en dus onvoldoende gemotiveerd.
talaqheeft uitgesproken. Wat betreft het voortduren van het huwelijk is erop te wijzen dat volgens de regels van het Nederlandse bewijsrecht moet worden vastgesteld of het huwelijk naar Pakistaans islamitisch recht voortduurt. Anders dan het subonderdeel aanneemt, behoefde dit geen nadere toelichting.
talaqniet heeft uitgesproken en dat de religieuze echtscheiding reeds is geformaliseerd zijn te kwalificeren als bevrijdende verweren, zodat de bewijslast dat de man al dan niet
talaqheeft uitgesproken en dat het religieuze huwelijk tussen partijen is ontbonden op grond van art. 150 Rv Pro niet op de vrouw, maar op de man rust. In het licht hiervan én in het licht van de ratio van art. 1:68 lid 2 BW Pro heeft het hof dan ook ten onrechte de bewijslast van het uitspreken van
talaqen het voortduren van het huwelijk op de vrouw gelegd.
talaq, omdat de man door die schriftelijke bekrachtiging te weigeren onrechtmatig zou handelen. In dat kader ligt het, gelet op de hoofdregel van art. 150 Rv Pro, op haar weg om te stellen en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen dat er een mondelinge
talaqis die voor bekrachtiging in aanmerking komt en dat er een huwelijk bestaat dat voor ontbinding door
talaqin aanmerking komt. Het betoog van de man dat hij geen mondelinge
talaqheeft uitgesproken is aan te merken als een betwisting van de door de vrouw gestelde feitelijke grondslag. In zoverre faalt het subonderdeel.
erop beroept dat er al sprake is van eenkhula-
echtscheiding”. Daarmee doet de man een beroep op het rechtsgevolg van een
khuladie tot een einde van het huwelijk zou hebben geleid. Ten aanzien van deze
khulaheeft de man conform de hoofdregel van art. 150 Rv Pro dan ook stelplicht en bewijslast. In zoverre is de klacht terecht voorgesteld.
subonderdeel 1.4.2heeft het hof ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting als ervan moet worden uitgegaan dat de bewijslast op de vrouw rust. Op grond van de ratio en het doel van art. 1:68 lid 2 BW Pro kon het hof volgens de vrouw niet van haar verlangen dat zij zou bewijzen dat de man
talaqmondeling heeft uitgesproken en dat het huwelijk nog zou voortduren. Het hof heeft volgens het subonderdeel dan ook ten onrechte een te zware stelplicht en bewijslast op de vrouw gelegd. De ratio van art. 1:68 lid 2 BW Pro en het doel dat ermee wordt gediend nopen de rechter volgens het subonderdeel ervan uit te gaan dat de in rechte aangesproken partner weigert mee te werken aan beëindiging van het religieuze huwelijk en dat dat huwelijk nog voortduurt. Alleen als die premissen tot uitgangspunt van de beoordeling worden genomen, kan de andere partner daadwerkelijk uit de huwelijkse gevangenschap worden bevrijd, zoals de wetgever bij invoering van art. 1:68 lid 2 BW Pro beoogde te bereiken, aldus de vrouw. Bovendien is het volgens het subonderdeel niet aan de Nederlandse rechter, maar aan de rechter in de plaats waar het religieuze huwelijk dient te worden beëindigd, te beoordelen of de aangesproken partner al dan niet wenst mee te werken aan ontbinding van het religieuze huwelijk en of dat huwelijk nog voortduurt.
khula.