Conclusie
hierna: Sensire,
verweerster in cassatie,
1.Inleiding en samenvatting
niet-vrijwilligeopname op grond van een besluit van het CIZ als bedoeld in artikel 21 Wzd Pro (hierna ook: artikel 21-besluit) omgezet in een
onvrijwilligeopname op grond van een rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 24 lid 1 Wzd Pro. In cassatie draait het in de kern om de vraag of een artikel 21-besluit een geldige titel voor opname en (voortgezet) verblijf van een betrokkene kan zijn in die periode van omzetting.
De rechtbank is ook niet van oordeel dat door de zorgaanbieder een IBS had moeten worden aangevraagd tegelijk met de rechterlijke machtiging. Dit had onnodig belastend geweest voor betrokkene en past ook niet in het wettelijke kader (artikel 21 lid 3 Wzd Pro jo artikel 22 lid 9 juncto Pro artikel 24 lid Pro 1).”
(…) Ik ga uit van een periode van vijfendertig dagen voor de omvang van de schadevergoeding.
Dat is anders dan bij de rechtbank en in het beroepschrift. Dat was achttien dagen.
Ik heb gelezen tot aan 3 april, het moment dat de machtiging is aangevraagd.
Het verzoek tot schadevergoeding
Aangezien verzet, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, in de loop van de tijd kan wisselen en soms tijdelijk te ondervangen is door afleiding en geruststelling, is het redelijk dat een zorgaanbieder bij een cliënt met een artikel 21-besluit enige tijd wordt gegund te onderzoeken of sprake is van verzet en om een rechterlijke machtiging aan te vragen.
De termijn tussen de eerste tekenen van verzet (20 maart) en het versturen van de aanvraag voor een rechterlijke machtiging met medische verklaring naar het CIZ (28 maart) komt het hof niet onredelijk voor. Sensire heeft vanaf het moment dat duidelijk was dat [betrokkene] tekenen van verzet liet zien naar het oordeel van het hof voortvarend gehandeld.Zo heeft Sensire de procedure voor de aanvraag van een rechterlijke machtiging reeds op 22 maart 2024 in gang gezet door het aanvragen van een beoordeling door een onafhankelijke arts. Die beoordeling heeft op 27 maart 2024 plaatsgevonden en Sensire heeft de aanvraag voor de rechterlijke machtiging op 28 maart 2024 naar het CIZ gestuurd.
[Betrokkene] verbleef immers met een geldige titel in een instelling omdat het artikel 21-besluit op grond van artikel 22 lid Pro 9 [hier is mijns inziens lid 10 bedoeld; A-G] Wzd doorloopt totdat een rechterlijke machtiging is afgegeven.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
a tot en met d.
a lawful detention of [a person] of unsound mind” in de zin van artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM, en dat het hof in strijd met artikel 5 lid 5 EVRM Pro en artikel 44 lid 2 Wzd Pro heeft beslist dat betrokkene over deze periode geen recht heeft op schadeloosstelling.
voortbouwklachtaan het slot van het middel is gericht tegen de r.o. 5.12 t/m 5.14 en het dictum van de bestreden beschikking.
Er is ook feitenrechtspraak waarin wordt aangenomen dat de zorgaanbieder hier enige ruimte wordt gegund. [17]
Reeds genomen CIZ-besluiten hebben dan direct geen betekenis meer. Het besluit kan dan niet toegepast worden om de cliënt op te nemen of een opname te verlengen. In deze situatie is een gedwongen verblijf alleen mogelijk met een rechterlijke machtiging of een inbewaringstelling.”
iser ook een rechterlijke machtiging aangevraagd (door Sensire), verzocht (door het CIZ) en uiteindelijk verleend (door de rechter).
Onderdeel 1,
onder blijkt hieraan voorbij te zien.
Dat het hof heeft overwogen dat het redelijk is dat een zorgaanbieder bij een betrokkene met een artikel 21-besluit enige tijd wordt gegund om te onderzoeken of sprake is van verzet en om een rechterlijke machtiging aan te vragen, omdat verzet in de loop van de tijd kan wisselen en soms tijdelijk is te ondervangen door afleiding en geruststelling, is hiermee in lijn.
onderdeel 1,
onder awel veronderstelt, dat de voortzetting van het verblijf ook zonder titel, en dus niet gelegitimeerd, is zolang niet een rechterlijke machtiging is verleend. Hierin voorziet nu juist artikel 22 lid Pro 10, aanhef en onder b, Wzd, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat het besluit tot opname en verblijf vervalt vanaf het moment waarop de rechter een machtiging tot opname en verblijf heeft verleend. Deze bepaling brengt met zich dat, in de situatie dat een rechterlijke machtiging wordt voorbereid, het besluit tot opname en verblijf doorloopt tot het moment dat de machtiging is verleend. Hiermee strookt dat het hof aan het slot van r.o. 5.9 van de bestreden beschikking heeft overwogen dat betrokkene met een geldige titel in de instelling verbleef, omdat het artikel 21-besluit doorloopt totdat een rechterlijke machtiging verleend. [30]
onderdeel 1,
onder cconcentreert zich tot slot op de vraag óf in een geval als hier aan de orde een beschikking tot inbewaringstelling kan worden genomen, dus of in een geval als hier aan de orde aan de voorwaarden van artikel 29 lid 2 Wzd Pro kan zijn of is voldaan. Wat daar ook van zij (zie hiervoor onder 3.34 e.v.), het onderdeel miskent hiermee mijns inziens de strekking van het oordeel van het hof. Dit oordeel komt er niet alleen op neer dat in dit geval niet aan de voorwaarden voor een inbewaringstelling is voldaan, maar ook dat die inbewaringstelling geen meerwaarde heeft, gelet op de voortdurende geldigheid van het artikel 21-besluit, die voortvloeit uit artikel 22 lid Pro 10, aanhef en onder b, Wzd.
onder d.
a lawful detention of [a person] of unsound mind” in de zin van artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM, en dat het hof in strijd met artikel 5 lid 5 EVRM Pro en artikel 44 lid 2 Wzd Pro heeft beslist dat betrokkene over deze periode geen recht heeft op schadeloosstelling.
voortbouwende klachtaan het slot van het middel die is gericht tegen de r.o. 5.12 t/m 5.14 en het dictum van de bestreden beschikking.