ECLI:NL:PHR:2026:739

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
25/02765
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 WzdArt. 22 lid 5 WzdArt. 22 lid 9 WzdArt. 22 lid 10 WzdArt. 24 lid 1 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid en schadevergoeding bij omzetting artikel 21-besluit naar rechterlijke machtiging Wzd

In deze zaak staat centraal of een artikel 21-besluit op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd) een geldige titel vormt voor opname en verblijf tijdens de periode waarin een rechterlijke machtiging wordt voorbereid en verleend. Betrokkene werd op 18 maart 2024 opgenomen zonder geldige titel, waarna op 19 maart 2024 het artikel 21-besluit werd afgegeven. Vanaf 20 maart toonde betrokkene verzet, waarna de zorgaanbieder een aanvraag voor een rechterlijke machtiging startte. De rechterlijke machtiging werd op 22 april 2024 verleend.

Betrokkene vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige opname zonder geldige titel vanaf 18 maart 2024 tot de verlening van de machtiging. De rechtbank wees dit af, het hof kende een beperkte vergoeding toe voor de dag vóór het artikel 21-besluit. In cassatie betoogt betrokkene dat het artikel 21-besluit geen geldige titel meer is zodra verzet ontstaat, en dat de zorgaanbieder direct een rechterlijke machtiging had moeten aanvragen.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het systeem van de Wzd inhoudt dat het artikel 21-besluit blijft gelden tot de rechterlijke machtiging is verleend, conform artikel 22 lid 10 Wzd Pro. Verzet kan momentgebonden en wisselend zijn, waardoor enige tijd wordt gegund om verzet te onderzoeken en een machtiging aan te vragen. Een beschikking tot inbewaringstelling is slechts in spoedsituaties aangewezen en niet noodzakelijk in deze situatie. De klachten falen en het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het artikel 21-besluit blijft geldig tot de rechterlijke machtiging is verleend, waardoor schadevergoeding alleen geldt voor de dag vóór het artikel 21-besluit.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02765
Zitting17 juli 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
tegen
Stichting Sensire,
hierna: Sensire,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. T. van Malssen.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wzd-zaak is een
niet-vrijwilligeopname op grond van een besluit van het CIZ als bedoeld in artikel 21 Wzd Pro (hierna ook: artikel 21-besluit) omgezet in een
onvrijwilligeopname op grond van een rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 24 lid 1 Wzd Pro. In cassatie draait het in de kern om de vraag of een artikel 21-besluit een geldige titel voor opname en (voortgezet) verblijf van een betrokkene kan zijn in die periode van omzetting.
1.2
Op het moment dat het CIZ het artikel 21-besluit nam, was naar het oordeel van het CIZ voldaan aan de eis van ‘geen bereidheid, geen verzet’ (niet-vrijwilligheid). Betrokkene is kort na zijn opname tekenen van verzet gaan tonen (onvrijwilligheid). Daarop heeft de zorgaanbieder bij het CIZ een aanvraag gedaan voor een verzoek om een rechterlijke machtiging. Op verzoek van het CIZ heeft de rechtbank de rechterlijke machtiging verleend.
1.3
In de onderhavige procedure heeft betrokkene op grond van artikel 44 lid 2 Wzd Pro schadevergoeding verzocht. Aan dat verzoek heeft hij ten grondslag gelegd, kort weergegeven, dat hij op 18 maart 2024 is opgenomen in de accommodatie, dat hij vanaf dat moment verzet heeft getoond en dat ondanks de frequente uitingen van verzet pas achttien dagen na de opname, een rechterlijke machtiging is verzocht.
1.4
De rechtbank heeft het schadevergoedingsverzoek geheel afgewezen. Het hof heeft het schadevergoedingsverzoek vervolgens grotendeels afgewezen. Aan die beslissing heeft het hof ten grondslag gelegd dat betrokkene naar het oordeel van het hof vanaf het nemen van het artikel 21-besluit tot aan het verlenen van de rechterlijke machtiging met een geldige titel in de zorginstelling verbleef. Tegen dat oordeel komt betrokkene in cassatie op.
1.5
Mijns inziens slagen de klachten niet, omdat uit het systeem van de wet voortvloeit dat bij het vervangen van een artikel 21-besluit door een rechterlijke machtiging, eerstgenoemd besluit pas vervalt vanaf het moment waarop de rechterlijke machtiging is verleend (art. 22 lid 10 Wzd Pro).
2.Feiten [1] en procesverloop [2]
Artikel 21-besluit en rechterlijke machtiging
2.1
Op 15 maart 2024 is door een consulent Wonen Welzijn en Zorg van zorginstelling Careaz bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) een verzoek gedaan tot afgifte van een besluit ten behoeve van betrokkene als bedoeld in artikel 21 Wzd Pro.
2.2
Betrokkene is op 18 maart 2024 opgenomen in de accommodatie van de zorgaanbieder Sensire.
2.3
Op 19 maart 2024 heeft een vertegenwoordiger van het CIZ in de accommodatie met betrokkene gesproken en onderzocht of opname en verblijf in een Wzd-accommodatie op grond van artikel 21 Wzd Pro aan de orde was. Dit was volgens het CIZ het geval omdat er geen sprake was van bereidheid tot opname maar betrokkene zich ook niet verzette. Per brief van 19 maart 2024 is een besluit tot opname voor de duur van vijf jaar afgegeven door het CIZ.
2.4
Op 27 maart 2024 is betrokkene ten behoeve van de aanvraag van een rechterlijke machtiging door een onafhankelijke arts beoordeeld. Op 28 maart 2024 is de aanvraag voor een rechterlijke machtiging voor betrokkene door Sensire verstuurd naar het CIZ. Het CIZ heeft het verzoek [3] voor een rechterlijke machtiging op 3 april 2024 bij de rechtbank ingediend. Bij beschikking van de rechtbank van 22 april 2024 is ten aanzien van betrokkene een rechterlijke machtiging verleend, tot en met uiterlijk 22 oktober 2024.
Schadevergoedingsprocedure in eerste aanleg en hoger beroep
2.5
Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen op 22 april 2024, heeft betrokkene de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) verzocht, kort weergegeven, Sensire op grond van artikel 44 Wzd Pro te veroordelen tot het betalen van een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 2.700,-, oftewel € 150,- per dag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 maart 2024.
2.6
Aan dat verzoek heeft hij ten grondslag gelegd, kort weergegeven en voor zover in cassatie van belang, dat hij op 18 maart 2024 is opgenomen in de accommodatie, dat hij vanaf dat moment verzet heeft getoond en dat ondanks de frequente uitingen van verzet pas op 3 april 2024, dus achttien dagen na de opname, [4] een rechterlijke machtiging is verzocht. Dat is in strijd met artikel 24 lid 1 Wzd Pro.
2.7
Sensire heeft verweer gevoerd en heeft de rechtbank primair verzocht het verzoek af te wijzen en, subsidiair, het aantal dagen naar beneden bij te stellen en de hoogte van de schadevergoeding te matigen tot een bedrag van (maximaal) € 10 per dag.
2.8
Bij beschikking van 15 juli 2024 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. [5] De rechtbank heeft daartoe voor zover in cassatie van belang het volgende overwogen:
“4.3. (…) Direct na opname op 19 maart 2024 is er een zogenoemde artikel 21-verklaring afgegeven door het CIZ. Het CIZ heeft op dat moment vastgesteld dat er geen verzet was. Vanaf 20 maart begon verzoeker de eerste tekenen van verzet te tonen tegen de opname en het verblijf. In eerste instantie was dit nog verbaal en wisselend en was het mogelijk om verzoeker af te leiden. In de dagen erna nam het verzet toe. (…)
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de afbakening tussen de situatie van een artikel 21-verklaring (geen verzet, geen instemming) en een rechterlijke machtiging (verzet) in de praktijk niet altijd makkelijk is. Verzet kan in de loop van de tijd wisselen en is soms tijdelijk te ondervangen door afleiding en geruststelling. Om die reden is het ook redelijk dat een zorgaanbieder bij een cliënt met een artikel 21-verklaring enige tijd wordt gegund om te onderzoeken of sprake is van verzet en om een rechterlijke machtiging aan te vragen. In dit geval zat er een week tussen de eerste tekenen van verzet (20 maart) en het in gang zetten van de procedure voor de rechterlijke machtiging (27 maart). Dat is naar het oordeel van de rechtbank een redelijke termijn. Ook daarna is door de zorgaanbieder voortvarend gehandeld en is de aanvraag op 28 maart 2024 aan het CIZ verstuurd. Dat de aanvraag en de behandeling door de rechtbank toen nog enige tijd (tot 22 april) heeft geduurd valt de zorgaanbieder niet te verwijten. Bij dit oordeel speelt ook een rol dat cliënt met een juridische titel in de accommodatie verbleef omdat er bij opname geen verzet werd gezien.
De rechtbank is ook niet van oordeel dat door de zorgaanbieder een IBS had moeten worden aangevraagd tegelijk met de rechterlijke machtiging. Dit had onnodig belastend geweest voor betrokkene en past ook niet in het wettelijke kader (artikel 21 lid 3 Wzd Pro jo artikel 22 lid 9 juncto Pro artikel 24 lid Pro 1).”
2.9
Betrokkene is van die beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof). Betrokkene heeft het hof daarbij verzocht die beschikking te vernietigen en opnieuw recht te doen, kosten rechtens. [6]
2.1
Sensire heeft verweer gevoerd en heeft het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen, met veroordeling van betrokkene in de kosten van het geding.
2.11
De mondeling behandeling bij het hof heeft op 27 maart 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren de advocaat van betrokkene, mr. Kool, en twee vertegenwoordigers van Sensire, bijgestaan door een advocaat, mr. Hanemaaijer, aanwezig. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. De advocaat van betrokkene heeft ter zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
2.12
Blijkens het proces-verbaal is tijdens de mondelinge behandeling de reikwijdte van het verzoek van betrokkene waarop in hoger beroep moet worden beslist aan de orde gekomen, als volgt: [7]
“mr. Kool:
(…) Ik ga uit van een periode van vijfendertig dagen voor de omvang van de schadevergoeding.
De voorzitter:
Dat is anders dan bij de rechtbank en in het beroepschrift. Dat was achttien dagen.
mr. Kool:
Er was geen grond tot aan het moment dat de rechterlijke machtiging is verleend.
De voorzitter:
Ik had genoteerd € 2.700,- à € 150,- per dag. Dat is bij de rechtbank gevraagd. Ik ging er dan ook vanuit dat dat achttien dagen waren.
(…)
De voorzitter:
Ik heb gelezen tot aan 3 april, het moment dat de machtiging is aangevraagd.
mr. Kool:
De titel was er niet en die is er pas op het moment van de uitspraak gekomen.
De voorzitter:
Dan moeten we kijken of het verzoek nog gewijzigd kan worden.
(…)
mr. Hanemaaijer:
(…) In eerste aanleg ging het over achttien dagen en ik zie geen schriftelijke eisvermeerdering. Voor zover er sprake is van een eisvermeerdering maak ik daar bezwaar tegen.”
2.13
Uit het proces-verbaal blijkt niet dat ter zitting is beslist over de toelaatbaarheid van de vermeerdering van het verzoek. Ook in de hierna te noemen beschikking heeft het hof niet uitdrukkelijk daarop beslist. [8]
2.14
Het hof heeft bij beschikking van 15 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de beschikking van de rechtbank van 15 juli 2024 vernietigd, en opnieuw beschikkende, Sensire veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan betrokkene van € 100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2024 tot en met de dag van betaling, de kosten van het geding in hoger beroep gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen. [9]
2.15
Het hof heeft daartoe voor zover in cassatie van belang het volgende overwogen (mijn onderstreping):

Het verzoek tot schadevergoeding
5.7
Op grond van de Wdz is een geldige titel vereist voor opname en verblijf in een instelling. Partijen zijn het er over eens dat er bij [betrokkene] geen bereidheid was tot opname dan wel dat [betrokkene] niet langer in staat was om weloverwogen te beslissen over een verhuizing. Dat betekent dat er van een vrijwillige opname geen sprake kon zijn, zodat afhankelijk van de actuele situatie een zogenoemd artikel 21-besluit, een rechterlijke machtiging dan wel een inbewaringstelling nodig was voor een opname met een geldige titel. Geen van deze titels was op 18 maart 2024 echter verleend, zodat [betrokkene] op die datum in strijd met de Wzd zonder geldige titel in de zorginstelling is opgenomen.
Dat het CIZ en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), zoals Sensire stelt, hebben afgesproken dat een zorgaanbieder een cliënt mag opnemen op het moment dat de aanvraag voor een besluit tot opname en verblijf op grond van artikel 21 Wzd Pro in behandeling is bij het CIZ, maakt het voorgaande niet anders. Het enkele feit dat de IGJ heeft laten weten in dat geval niet te zullen handhaven, maakt namelijk niet dat de Wzd in acht is genomen. Sensire had op 18 maart 2024 geen geldige titel voor opname van [betrokkene], terwijl dat op grond van de Wzd wel is vereist. Daarmee heeft Sensire de Wzd niet in acht genomen, zodat het verzoek van [betrokkene] op grond van 44 Wzd in zoverre toewijsbaar is.
5.8
Op 19 maart 2024 heeft het CIZ een artikel 21-besluit afgegeven, zodat [betrokkene] vanaf dat moment met een geldige titel in de accommodatie van Sensire verbleef. Het oordeel of sprake is van een artikel 21-situatie is op grond van de Wzd uitsluitend voorbehouden aan het CIZ en het CIZ heeft op dat moment vastgesteld dat er geen sprake was van bereidheid, maar ook niet van verzet. Naar het oordeel van het hof mag de zorgaanbieder afgaan op de juistheid van het oordeel van het CIZ, zodat Sensire erop mocht vertrouwen dat het gedrag dat [betrokkene] op dat moment liet zien niet achteraf alsnog te kwalificeren is als verzet.
5.9
Onderdeel van het systeem van de Wzd is dat als de houding van de cliënt ten opzichte van zijn opname of verblijf verandert, de opnametitel moet worden bijgesteld. In dat kader heeft Sensire gesteld dat het gedrag van [betrokkene] vanaf 20 maart 2024 begon te veranderen. [Betrokkene] begon vanaf dat moment tekenen van verzet tegen het verblijf te tonen.
Aangezien verzet, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, in de loop van de tijd kan wisselen en soms tijdelijk te ondervangen is door afleiding en geruststelling, is het redelijk dat een zorgaanbieder bij een cliënt met een artikel 21-besluit enige tijd wordt gegund te onderzoeken of sprake is van verzet en om een rechterlijke machtiging aan te vragen.
De termijn tussen de eerste tekenen van verzet (20 maart) en het versturen van de aanvraag voor een rechterlijke machtiging met medische verklaring naar het CIZ (28 maart) komt het hof niet onredelijk voor. Sensire heeft vanaf het moment dat duidelijk was dat [betrokkene] tekenen van verzet liet zien naar het oordeel van het hof voortvarend gehandeld.Zo heeft Sensire de procedure voor de aanvraag van een rechterlijke machtiging reeds op 22 maart 2024 in gang gezet door het aanvragen van een beoordeling door een onafhankelijke arts. Die beoordeling heeft op 27 maart 2024 plaatsgevonden en Sensire heeft de aanvraag voor de rechterlijke machtiging op 28 maart 2024 naar het CIZ gestuurd.
Hiermee heeft Sensire naar het oordeel van het hof bovendien in lijn met de Wzd gehandeld. Dat de zorgaanbieder tegelijk met de rechterlijke machtiging een inbewaringstelling had moeten aanvragen, zoals [betrokkene] betoogt, volgt niet uit de Wzd en past, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, ook niet in het wettelijke kader van de Wzd (artikel 21 lid 3 in Pro verbinding met artikel 22 lid 9 en Pro artikel 24 lid 1 Wzd Pro). Een onvrijwillige opname met een beschikking tot inbewaringstelling op grond van artikel 29 Wzd Pro is aangewezen als sprake is van een spoedsituatie en de procedure tot het verkrijgen van een rechterlijke machtiging niet afgewacht kan worden. Daar was in dit geval geen sprake van.
[Betrokkene] verbleef immers met een geldige titel in een instelling omdat het artikel 21-besluit op grond van artikel 22 lid Pro 9 [hier is mijns inziens lid 10 bedoeld; A-G] Wzd doorloopt totdat een rechterlijke machtiging is afgegeven.
5.1
Het voorgaande brengt met zich dat [betrokkene] vanaf de afgifte van het artikel 21-besluit tot aan het afgeven van de rechterlijke machtiging met een geldige titel in de zorginstelling van Sensire is verbleven.
5.11
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [betrokkene] recht heeft op een schadevergoeding naar billijkheid voor de dag, namelijk 18 maart 2024, dat hij zonder geldige titel in de zorginstelling verbleef.”
2.16
Betrokkene heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Sensire heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen en een afsluitende voortbouwklacht.
3.2
Onderdeel 1is gericht tegen r.o. 5.9 van de bestreden beschikking, naar ik begrijp in het bijzonder tegen de hiervoor onder 2.15 door mij onderstreepte passages. Het onderdeel klaagt dat het hof daarmee heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, en werkt die algemene rechtsklachten vervolgens nader uit in subonderdelen
a tot en met d.
3.3
Onder aklaagt het onderdeel dat het hof rechtens onjuist heeft geoordeeld dat betrokkene in de periode waarin Sensire de (eerste) tekenen van verzet heeft onderzocht voor het aanvragen van een rechterlijke machtiging, met een geldige titel in de instelling verbleef omdat het artikel 21-besluit op grond van artikel 22 lid Pro 9 [10] Wzd doorloopt totdat de rechterlijke machtiging is afgegeven. Indien een betrokkene met toepassing van artikel 21 lid 1 Wzd Pro is opgenomen en verblijft in een accommodatie maar zich vervolgens op zodanige wijze verzet tegen verschillende onderdelen van de zorgverlening dat het leveren van cliëntgerichte zorg feitelijk niet mogelijk is, wordt de voortzetting van het verblijf geacht onvrijwillig te zijn en is artikel 24 lid 1 Wzd Pro van toepassing, aldus het onderdeel met verwijzing naar artikelen 21 lid 3, 22 lid 9 en 24 lid 6 Wzd. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de bedoeling van de wetgever is dat bij (blijkend) verzet “altijd” een rechterlijke machtiging nodig is voor onvrijwillige opname c.q. voortzetting van het verblijf, en dat een besluit van het CIZ als bedoeld in artikel 21 lid 1 Wzd Pro “slechts aan de orde” is als de vertegenwoordiger instemt met de opname en de betrokkene niet instemt en zich niet verzet of kan verzetten tegen een opname. Hieraan doet niet af dat, zoals het hof (kennelijk en) ten onrechte oordeelt, het besluit van het CIZ op grond van artikel 22 lid Pro 10, aanhef en onder b, Wzd vervalt vanaf het moment waarop de rechter een machtiging heeft gegeven. Aldus heeft het hof miskend dat het besluit van het CIZ niet meer kwalificeert als een (geldige) titel voor de voortzetting van het onvrijwillige verblijf van de verzettende betrokkene, en heeft het hof eraan voorbijgezien dat het besluit van het CIZ slechts een titel verschaft bij “vrijwillig verblijf”, zonder verzet, aldus onderdeel 1, onder a.
3.4
Onder bklaagt het onderdeel dat de oordelen van het hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting waar het hof heeft overwogen, kort gezegd, dat het redelijk is dat de zorgaanbieder enige tijd wordt gegund om te onderzoeken of sprake is van verzet en om een rechterlijke machtiging aan te vragen, dat de termijn tussen de eerste tekenen van verzet en de aanvraag niet onredelijk voorkomt en dat Sensire voortvarend heeft gehandeld vanaf het moment dat duidelijk was dat betrokkene tekenen van verzet liet zien. Voor de beoordeling of toen (nog) sprake was van een geldige titel voor de voortzetting van het onvrijwillig geachte verblijf is immers rechtens niet relevant of de zorgaanbieder enige tijd moet worden gegund om het verzet te onderzoeken en een rechterlijke machtiging aan te vragen. Volgens de wet wordt de voortzetting van het verblijf reeds geacht onvrijwillig te zijn zodra de betrokkene zich op zodanige wijze verzet tegen verschillende onderdelen van de zorgverlening dat het leveren van cliëntgerichte zorg feitelijk niet mogelijk is, voor welk verblijf het besluit van het CIZ niet meer als geldige titel kwalificeert, aldus onderdeel 1, onder b.
3.5
Onder cricht het onderdeel zich tegen het oordeel van het hof dat niet uit de Wzd volgt en ook niet in het kader van die wet past dat de zorgaanbieder tegelijk met de rechterlijke machtiging een inbewaringstelling had moeten aanvragen. Daarbij wijst het onderdeel er om te beginnen opnieuw op dat een besluit als bedoeld in artikel 21 lid 1 Wzd Pro “slechts aan de orde” is als de betrokkene niet instemt en zich niet (kan) verzet(ten) tegen een opname, alsmede dat bij onvrijwillig verblijf van een verzettende betrokkene altijd een andere geldige titel vereist is. Onvrijwillige opname met een beschikking tot inbewaringstelling is niet slechts aangewezen als sprake is van een spoedsituatie, zoals het hof heeft overwogen, maar bij elke crisissituatie waarvoor wordt voldaan aan dezelfde criteria zoals die gelden voor de rechterlijke machtiging en, zonder minder zwaar middel, opname en verblijf “noodzakelijk en geschikt” zijn om een ernstig nadeel af te wenden. Daarvan zal dan ook sprake (kunnen) zijn als een betrokkene zich zodanig verzet tegen verschillende onderdelen van de zorgverlening dat cliëntgerichte zorg feitelijk niet mogelijk is en de voortzetting van diens verblijf wordt geacht “onvrijwillig” te zijn. Aldus heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de last tot inbewaringstelling slechts in spoedsituaties aangewezen is en dat zich hier daarom geen situatie voordeed waarin een inbewaringstelling als geldige titel voor onvrijwillige zorg kon gelden, aldus, in de kern, onderdeel 1, onder c.
3.6
Onder dbevat het onderdeel een op de voorafgaande klachten voortbouwende klacht gericht tegen r.o. 5.10 en 5.11 van de bestreden beschikking.
3.7
Onderdeel 2betoogt, geheel in het verlengde van onderdeel 1, dat de vrijheidsbenemende maatregel krachtens het besluit van het CIZ als bedoeld in artikel 21 lid 1 Wzd Pro voor de periode vanaf 20 maart tot en met 22 april 2024 niet kan worden aangemerkt als “
a lawful detention of [a person] of unsound mind” in de zin van artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM, en dat het hof in strijd met artikel 5 lid 5 EVRM Pro en artikel 44 lid 2 Wzd Pro heeft beslist dat betrokkene over deze periode geen recht heeft op schadeloosstelling.
3.8
De
voortbouwklachtaan het slot van het middel is gericht tegen de r.o. 5.12 t/m 5.14 en het dictum van de bestreden beschikking.
3.9
Met het cassatiemiddel wordt uitdrukkelijk niet opgekomen tegen de overwegingen van het hof in r.o. 5.7 en 5.8 van de bestreden beschikking. [11] Daarmee vormt in cassatie uitgangspunt dat betrokkene in ieder geval op 19 maart 2024, de dag waarop het CIZ een artikel 21-besluit heeft gegeven, met een geldige titel in de accommodatie van Sensire verbleef.
3.1
De strekking van het middel is kort gezegd dat het besluit tot opname en verblijf van het CIZ als bedoeld in artikel 21 Wzd Pro vanaf een dag later, te weten 20 maart 2024, gelet op de tekenen van verzet tegen het verblijf die betrokkene vanaf dat moment begon te tonen, niet meer een toereikende titel voor dat verblijf vormde.
3.11
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.
Schadevergoeding
3.12
Uit artikel 44 lid 2 Wzd Pro volgt dat betrokkene, als de wet niet in acht is genomen door de zorgaanbieder, de rechter schadevergoeding door de zorgaanbieder kan verzoeken. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
Niet-vrijwillige opname (art. 21 Wzd Pro) en onvrijwillige opname (art. 24 Wzd Pro)
3.13
Artikel 21 lid 1 Wzd Pro houdt in dat opname en verblijf of de voortzetting van het verblijf [12] van een betrokkene die geen blijk geeft van de nodige bereidheid daartoe, maar zich er ook niet tegen verzet, uitsluitend plaatsvindt in een geregistreerde accommodatie op basis van een besluit tot opname en verblijf van het CIZ. Voor betrokkenen die geen blijk geven van de nodige bereidheid tot opname en verblijf of voortzetting van het verblijf, maar zich daar ook niet tegen verzetten (in de praktijk als categorie kortweg ook wel aangeduid als ‘geen bereidheid, geen verzet’ of ‘gbgv’), is opname en verblijf of voortzetting van het verblijf dus mogelijk zonder rechterlijke tussenkomst, met een besluit van het CIZ. De geldigheidsduur van een artikel 21-besluit is maximaal vijf jaar (art. 22 lid 5 Wzd Pro).
3.14
In dit verband wordt ook wel gesproken over
niet-vrijwilligeopname, [13] ter onderscheiding van
vrijwilligeopname enerzijds en van
onvrijwilligeopname en verblijf waarover artikel 24 Wzd Pro handelt anderzijds.
3.15
Artikel 24 lid 1 Wzd Pro bepaalt dat onvrijwillige opname en verblijf of voortzetting van het verblijf van een betrokkene alleen mogelijk is met een rechterlijke machtiging in een geregistreerde accommodatie. Uit artikel 24 lid Pro 2, aanhef en onder a, Wzd volgt dat de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf onvrijwillig is indien de betrokkene zich daartegen verzet.
Omzetting van niet-vrijwillige opname naar onvrijwillige opname
3.16
In de praktijk komt voor dat een betrokkene die aanvankelijk op basis van een besluit als bedoeld in artikel 21 Wzd Pro (geen bereidheid, geen verzet) is opgenomen, na verloop van tijd alsnog verzet gaat uiten of tonen. Uit artikel 21 lid 3 Wzd Pro volgt dat indien een betrokkene vrijwillig of op grond van een besluit als bedoeld in artikel 21 lid 1 Wzd Pro is opgenomen en verblijft in een accommodatie, maar zich vervolgens op zodanige wijze verzet tegen verschillende onderdelen van de zorgverlening dat het leveren van cliëntgerichte zorg feitelijk niet mogelijk is, de voortzetting van het verblijf wordt geacht onvrijwillig te zijn en dat artikel 24 lid 1 Wzd Pro van toepassing is. Vergelijk ook artikel 24 lid 6 Wzd Pro, dat een sterk vergelijkbare bepaling bevat.
3.17
Verder houdt artikel 22 lid 9 Wzd Pro in dat indien een betrokkene, die met een artikel 21- besluit is opgenomen in een accommodatie, zich verzet tegen het verblijf in die accommodatie, en dit verblijf niet in een andere door de betrokkene of zijn vertegenwoordiger aangewezen accommodatie wil voortzetten, artikel 24 lid 1 Wzd Pro van toepassing is.
3.18
In voornoemde situaties waarin na een besluit op grond van artikel 21 lid 1 Wzd Pro alsnog verzet wordt geuit of getoond, is artikel 24 lid 1 Wzd Pro van toepassing en is onvrijwillige opname en verblijf of voortzetting van het verblijf van een betrokkene alleen mogelijk met een rechterlijke machtiging in een geregistreerde accommodatie. [14]
Verzet
3.19
Het begrip ‘verzet’ is in de Wzd niet gedefinieerd. In de parlementaire geschiedenis is dit begrip in algemene termen omschreven als “de tegenstand die een cliënt of bewoner actueel vertoont tegen een hem/haar betreffende vorm van zorg en/of behandeling omdat die door hem/haar wordt ervaren als niet juiste vorm van machtsuitoefening”. Een compleet beeld van het verzet van een betrokkene is er, wanneer duidelijk is (1) dat het gedrag een protest inhoudt (aard); (2) waartegen het verzet gericht is (richting) en (3) welke redenen iemand heeft om zich te verzetten (achtergrond). Daarbij is onder meer opgemerkt dat verzet gaat om een afwijking van het normale gedragspatroon, en dat een grillig gedragspatroon soms hoort bij dementie. [15]
3.2
In de memorie van toelichting is in dit kader verder onder meer het volgende vermeld: [16]
“Uit de tweede evaluatie van de Wet bopz is gebleken dat verzet bij mensen met dementie of een verstandelijke beperking lang niet altijd als zodanig wordt herkend. Het niet erkennen komt voornamelijk voort uit de onterechte aanname dat een wilsonbekwame patiënt zich niet kán verzetten. Met klem benadruk ik dat ook het verzet van een wilsonbekwame cliënt serieus genomen moet worden. Zoals in de voorgaande alinea [al] uiteen is gezet, kan het verzet wel momentgebonden zijn; een standaard reactie bijna. Daarom hoeft het serieus nemen van het verzet dat een zorgverlener op dat moment constateert, niet te betekenen dat alles rondom onvrijwillige zorg uit de kast wordt gehaald. (…)
Als uitgangspunt kan worden gehanteerd dat verzet in de zin van dit wetsvoorstel in ieder geval moet worden aangenomen bij gedrag dat duidelijk afwijkt van het bekende gedragsrepertoire en het bij de stoornis passende gedrag, zoals terughoudendheid. Daaruit volgt dat de momenten van
afwijzing binnen een grillig gedragspatroon niet onmiddellijk hoeven te worden aangemerkt als zorg waartegen de cliënt zich verzet, met als gevolg dat de artikelen 7 tot en met 10 moeten worden toegepast, mits zij maar typerend zijn voor die persoon. Wordt het verzet echter met een zekere consistentie geuit, dan zal de zorgverlener het verzet serieus moeten nemen. Van een dementerende bewoonster van een verpleeghuis, die een keer aan de deur van de gesloten afdeling staat te morrelen omdat ze het eten wil opzetten voor haar kinderen die in haar beleving ieder moment uit school kunnen komen, hoeft niet direct verzet te worden aangenomen. Zeker niet als zij zich makkelijk door een verzorgende laat afleiden en haar eerdere gemorrel daardoor vergeet. Maar weigert ze afleiding en probeert ze de daarop volgende dagen ook de deur open te
maken, dan moet verzet wel worden aangenomen. Ten aanzien van verzet kan tot slot worden opgemerkt dat verzet in een aantal gevallen wel kan worden geconstateerd, maar dat een zorgverlener er niet altijd naar kan handelen, omdat de cliënt niet duidelijk kan maken waartegen hij zich verzet. Om consequenties te kunnen verbinden aan verzet in de zin van dit wetsvoorstel, dient een zorgverlener minstens een idee te hebben van waar het verzet zich tegen richt: een persoon, een zorghandeling, bepaald voedsel, het verblijf in een accommodatie zelf of nog iets heel anders.”
3.21
Hieruit maak ik op dat, nu verzet (bij mensen met dementie) momentgebonden en van voorbijgaande aard kan zijn, niet bij de allereerste tekenen van verzet onmiddellijk hoeft te worden uitgegaan van onvrijwilligheid. Zodra evenwel sprake is van verzet dat afwijkt van het normale gedragspatroon (welk gedragspatroon ook grillig kan zijn in zichzelf) en dat met enige mate van consistentie wordt geuit of getoond, verandert dat en zal de zorgaanbieder de voorbereidingsprocedure voor een rechterlijke machtiging in gang moeten zetten.
Er is ook feitenrechtspraak waarin wordt aangenomen dat de zorgaanbieder hier enige ruimte wordt gegund. [17]
Blijft een artikel 21-besluit een geldige titel hangende (de voorbereiding van) een procedure voor een rechterlijke machtiging?
3.22
De voorbereidingsprocedure voor een rechterlijke machtiging start met een schriftelijke aanvraag bij het CIZ als bedoeld in artikel 25 Wzd Pro. Ingevolge artikel 25 lid Pro 1, aanhef en onder d, Wzd kan deze aanvraag worden gedaan door de zorgaanbieder die de betrokkene feitelijk zorg verleent. In het geval waarin de betrokkene op grond van een artikel 21-besluit in een accommodatie is opgenomen en nadien alsnog verzet ontstaat, ligt het voor de hand dat de zorgaanbieder deze aanvraag doet. Het CIZ doet vervolgens zo spoedig mogelijk maar binnen drie weken na ontvangst van de aanvraag bij de rechter een verzoek tot het verlenen van een machtiging, indien er grond is om aan te nemen dat de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf onvrijwillig is en dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening van die machtiging (art. 26 lid 1 in Pro verbinding met lid 3 Wzd). [18] Artikel 39 lid 1 Wzd Pro schrijft voor dat de rechter zo spoedig mogelijk beslist op het verzoek tot het verlenen van een machtiging, en, indien het verzoek betrekking heeft op een betrokkene die reeds in een accommodatie verblijft, in elk geval binnen drie weken na de datum van indiening van het verzoekschrift.
3.23
Waar er dus voorafgaand aan de aanvraag voor een verzoek om een rechterlijke machtiging bij het CIZ als bedoeld in artikel 25 Wzd Pro enige speling kan zijn tussen de eerste tekenen van verzet en de vaststelling dat sprake is van voldoende consistent en rechtens relevant verzet, is vanaf het moment van indiening van die aanvraag met wettelijke termijnen gewaarborgd dat binnen afzienbare tijd een beslissing door de rechter kan worden genomen over al dan niet verlening van een rechterlijke machtiging. [19]
3.24
Hierbij lijkt aan te sluiten dat op grond van artikel 22 lid Pro 10, aanhef en onder b, Wzd een artikel 21-besluit vervalt vanaf het moment waarop de rechterlijke machtiging is verleend of de burgemeester een last tot inbewaringstelling heeft afgegeven. Mijns inziens vloeit daarmee uit het systeem van de wet voort dat artikel 22 lid 10 Wzd Pro voorziet in een voortdurende geldigheid van het artikel 21-besluit tot de rechterlijke machtiging is verleend. Zo blijft het artikel 21-besluit een geldige titel voor opname en (voortgezet) verblijf in de periode die nodig is voor het verkrijgen van een rechterlijke machtiging, hoewel inmiddels sprake is van verzet. Een rechterlijke machtiging is er immers niet van de ene op de andere dag, zoals hiervoor bleek. De aanvraag en het verzoek voor die machtiging moeten worden voorbereid, gevolgd door een rechterlijke procedure.
3.25
Die voortdurende geldigheid van het artikel 21-besluit in een dergelijk geval van omzetting van niet-vrijwillige opname op grond van artikel 21 Wzd Pro naar onvrijwillige opname op grond van artikel 24 Wzd Pro staat niet met zoveel woorden in de wet, maar vloeit mijns inziens daaruit dus wel voort. Concrete vindplaatsen in de wetsgeschiedenis die deze logische gevolgtrekking onderbouwen, heb ik echter helaas niet kunnen vinden.
3.26
Anderzijds vond ik wel een passage in de wetsgeschiedenis die er juist op zou kunnen duiden dat het artikel 21-besluit geen geldige titel meer is zodra sprake is van verzet en dat van voortdurende geldigheid in afwachting van een rechterlijke machtiging dan dus geen sprake zou zijn (mijn onderstreping): [20]
“Tegen het besluit tot opname en verblijf dat genomen wordt door het CIZ, is geen bezwaar en beroep mogelijk. Ook hiermee blijft het systeem hetzelfde als in de huidige Wet bopz. Natuurlijk kan de cliënt het CIZ wel laten weten het niet eens te zijn met het besluit. Hiermee geeft de cliënt direct aan dat er sprake is van verzet en er dus geen besluit tot opname en verblijf door het CIZ genomen kan worden.
Reeds genomen CIZ-besluiten hebben dan direct geen betekenis meer. Het besluit kan dan niet toegepast worden om de cliënt op te nemen of een opname te verlengen. In deze situatie is een gedwongen verblijf alleen mogelijk met een rechterlijke machtiging of een inbewaringstelling.”
3.27
Uit dit citaat uit de wetsgeschiedenis blijkt echter niet hoe dit zich verhoudt tot de vervalregeling van artikel 22 lid Pro 10, aanhef en onder b, Wzd, waarin immers wel gewoon staat dat een artikel 21-besluit vervalt vanaf het moment waarop de rechterlijke machtiging is verleend of de burgemeester een last tot inbewaringstelling heeft afgegeven. Uit de tekst van de wet lijkt derhalve voort te vloeien dat een artikel 21-besluit, in geval van verzet, een geldige titel blijft totdat de rechterlijke machtiging is verleend of een last tot inbewaringstelling is afgegeven.
3.28
Bovendien wijs ik in dit verband op het in het concept wetsvoorstel Evaluatiewet Wvggz en Wzd nieuw voorgestelde artikel 23 Wzd Pro dat, voor zover hier relevant, als volgt luidt: [21]
Artikel 23
1. Indien een cliënt met toepassing van deze paragraaf verblijft in een accommodatie en zich op enig moment verzet tegen het verblijf in een accommodatie is artikel 24, eerste lid, van toepassing.
2. Het besluit tot opname vervalt vanaf het moment waarop:
(…)
b. de rechter een machtiging tot opname heeft verleend of de burgemeester een crisismaatregel heeft afgegeven; (…).
3.29
In de concept memorie van toelichting staat over dit nieuw voorgestelde artikel 23 Wzd Pro: [22]
“Dit voorgestelde artikel regelt wanneer een opname op grond van artikel 21 moet Pro worden omgezet in een gedwongen opname en wanneer het CIZ-besluit tot opname vervalt. Tot nu toe zijn deze artikelen als tiende (…) lid opgenomen in artikel 22. Als een cliënt is opgenomen (…) op grond van een CIZ-besluit tot opname en hij verzet zich op enig moment tegen het verblijf in een accommodatie, dan moet in principe de procedure voor een rechterlijke machtiging voor een gedwongen opname worden opgestart. (…) Ook vervalt het besluit [het CIZ-besluit tot opname; A-G] als de rechter een machtiging tot opname heeft verleend of de burgemeester een crisismaatregel heeft afgegeven. (…) Deze gronden voor het komen te vervallen van een CIZ-besluit zijn ook in het huidige artikel 22, tiende lid opgenomen. (…)”
3.3
Dit nieuw voorgestelde artikel 23 Wzd Pro bevat geen nieuwe regels ten opzichte van het huidige recht, maar heeft bestaande regels die bij elkaar horen samengevoegd tot een nieuw artikel. [23] Wat hier staat, heeft mijns inziens dus ook betekenis voor het huidige recht. De voorgestelde bepaling en vooral de toelichting daarop maken duidelijk wat geldt bij een omzetting van niet-vrijwillige opname op grond van een artikel 21-besluit naar gedwongen (onvrijwillige) opname op grond van een rechterlijke machtiging. In dat geval moet een artikel 21-besluit van het CIZ worden vervangen door een rechterlijke machtiging, waartoe een procedure voor die machtiging moet worden opgestart en waarbij, zo begrijp ik de toelichting, het artikel 21-besluit vervalt vanaf het moment waarop die rechterlijke machtiging is verleend. Hierin vind ik steun voor mijn opvatting dat uit het systeem van de wet voortvloeit dat het artikel 21-besluit een voortdurende geldigheid heeft in geval van omzetting van niet-vrijwillige opname op grond van artikel 21 Wzd Pro naar onvrijwillige opname op grond van artikel 24 Wzd Pro. Het zou mijns inziens wel wenselijk zijn dat in de Evaluatiewet Wvggz en Wzd op dit punt van de al dan niet voortdurende geldigheid van een artikel 21-besluit meer expliciete duidelijkheid wordt verschaft.
3.31
De al dan niet voortdurende geldigheid van het artikel 21-besluit wordt in de literatuur niet genoemd en de kwestie wordt daarin al helemaal niet geproblematiseerd. [24] In hun JGz-noot bij de hier bestreden uitspraak nemen de annotatoren zonder verder commentaar aan dat het artikel 21-besluit de geldige titel blijft tot er een rechterlijke machtiging is. Ik citeer: [25]
“( …) Daarbij is van belang dat het artikel 21-besluit op grond van art. 22 lid Pro 9 [lid 10; A-G] Wzd doorloopt totdat een RM wordt afgegeven, zodat de cliënt in de tussenperiode niet zonder titel in de zorgaccommodatie verbleef. De tussenperiode tussen de afgifte van het artikel 21-besluit en de verlening van de RM is daarmee met een geldige titel gedekt.”
3.32
Ook in de gepubliceerde rechtspraak komt de kwestie nauwelijks aan de orde. [26] Naast de uitspraken in eerste aanleg en appel in de onderhavige procedure heb ik slechts twee andere relevante uitspraken, eveneens in schadevergoedingsprocedures, gevonden. [27] Ook in die beide andere zaken is het verzoek om schadevergoeding afgewezen en lijkt ervan te worden uitgegaan dat het artikel 21-besluit een geldige titel vormt hangende (de voorbereiding van) de procedure voor een rechterlijke machtiging. In deze uitspraken wordt niet verwezen naar de vervalregeling van artikel 22 lid 10 Wzd Pro.
3.33
Mede gelet op de onduidelijkheid in de wetsgeschiedenis is het best opmerkelijk dat de vraag of een artikel 21-besluit een geldige titel blijft in de periode van het omzetten van een niet-vrijwillige opname naar een onvrijwillige opname tot nu toe zo weinig aandacht heeft gekregen in rechtspraak en literatuur. Het is dus goed dat deze vraag nu aan de Hoge Raad voorligt.
Inbewaringstelling in de periode van omzetting van niet-vrijwillige opname naar onvrijwillige opname?
3.34
De mijns inziens uit het huidige artikel 22 lid 10 Wzd Pro voortvloeiende voortdurende geldigheid van het artikel 21-besluit brengt ook mee dat niet een beschikking tot inbewaringstelling van de burgemeester op grond van artikel 29 Wzd Pro nodig is ter overbrugging van de periode tot aan de verlening van de rechterlijke machtiging. Het artikel 21-besluit blijft immers nog tot dat moment een geldige titel vormen voor opname en (voortgezet) verblijf, ook al is inmiddels sprake van verzet. Op die manier wordt ook een onwenselijke stapeling van maatregelen voorkomen.
3.35
Nu het artikel 21-besluit mijns inziens pas vervalt vanaf het moment van de rechterlijke machtiging zal daarmee in de regel ook zijn gegeven dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het nemen van een beschikking tot inbewaringstelling, te weten dat het ernstig nadeel zodanig onmiddellijk dreigend is dat een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht en dat de inbewaringstelling noodzakelijk is om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden (zie art. 29 lid Pro 2, aanhef en onder b en d, Wzd).
3.36
Overigens volgt uit artikel 22 lid Pro 10, aanhef en onder b, Wzd dat niet is uitgesloten dat in aansluiting op een besluit tot opname en verblijf een beschikking tot inbewaringstelling wordt genomen. Dat betekent echter niet dat dit de geëigende route is wanneer een betrokkene die met een artikel 21-besluit is opgenomen alsnog verzet gaat uiten of tonen. [28] In ieder geval wijzen de artikelen 21 lid 3, 22 lid 9 en 24 lid 6 Wzd voor dat geval de weg naar de rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 24 Wzd Pro. [29]
3.37
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
3.38
De beschikking van het hof is met het voorgaande in lijn. Daarop stuit het middel in cassatie, dat uitsluitend rechtsklachten bevat, af. Het verdedigt een rechtsopvatting die geen steun vindt in het recht. Ik licht dit nog nader toe.
3.39
Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat bij blijkend verzet een rechterlijke machtiging (dan wel een beschikking tot inbewaringstelling) nodig is voor onvrijwillige opname en verblijf of voortzetting van het verblijf (zie met name onder a en onder c). Het hof heeft dat evenwel ook onder ogen gezien, en heeft in r.o. 5.9 van de bestreden beschikking tot uitgangspunt genomen dat onderdeel van het systeem van de Wzd is dat als de houding van de betrokkene ten opzichte van zijn opname of verblijf verandert, de opnametitel moet worden bijgesteld. In het geval van betrokkene
iser ook een rechterlijke machtiging aangevraagd (door Sensire), verzocht (door het CIZ) en uiteindelijk verleend (door de rechter).
3.4
Het is echter niet zo dat bij de eerste tekenen van verzet van een betrokkene onmiddellijk sprake is van relevant verzet als bedoeld in onder meer de artikelen 21 lid 3 en 24 lid 6 Wzd of artikel 22 lid 9 Wzd Pro, waarbij de zorgaanbieder onmiddellijk daarop zou moeten acteren door een aanvraag voor een rechterlijke machtiging bij het CIZ in te dienen. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de Wzd uitdrukkelijk voor ogen gehad dat momenten van afwijzing binnen een grillig gedragspatroon niet onmiddellijk hoeven te worden aangemerkt als zorg waartegen de betrokkene zich verzet, alsook dat verzet momentgebonden (en, zo begrijp ik: van voorbijgaande aard) kan zijn (zie hiervoor onder 3.20).
Onderdeel 1,
onder blijkt hieraan voorbij te zien.
Dat het hof heeft overwogen dat het redelijk is dat een zorgaanbieder bij een betrokkene met een artikel 21-besluit enige tijd wordt gegund om te onderzoeken of sprake is van verzet en om een rechterlijke machtiging aan te vragen, omdat verzet in de loop van de tijd kan wisselen en soms tijdelijk is te ondervangen door afleiding en geruststelling, is hiermee in lijn.
3.41
Het hof heeft verder, kort weergegeven, geoordeeld dat in dit geval de termijn tussen de eerste tekenen van verzet (20 maart) en het versturen van de aanvraag voor een rechterlijke machtiging met medische verklaring naar het CIZ (28 maart) niet onredelijk voorkomt, en dat Sensire vanaf het moment dat duidelijk was dat betrokkene tekenen van verzet liet zien voortvarend heeft gehandeld. Dat oordeel wordt in cassatie niet met een motiveringsklacht bestreden.
3.42
Zodra (wel) moet worden uitgegaan van verzet als bedoeld in de artikelen 21 lid 3 en 24 lid 6 Wzd, wordt, zo volgt uit deze bepalingen, de voortzetting van het verblijf geacht onvrijwillig te zijn. Dat betekent echter niet, zoals
onderdeel 1,
onder awel veronderstelt, dat de voortzetting van het verblijf ook zonder titel, en dus niet gelegitimeerd, is zolang niet een rechterlijke machtiging is verleend. Hierin voorziet nu juist artikel 22 lid Pro 10, aanhef en onder b, Wzd, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat het besluit tot opname en verblijf vervalt vanaf het moment waarop de rechter een machtiging tot opname en verblijf heeft verleend. Deze bepaling brengt met zich dat, in de situatie dat een rechterlijke machtiging wordt voorbereid, het besluit tot opname en verblijf doorloopt tot het moment dat de machtiging is verleend. Hiermee strookt dat het hof aan het slot van r.o. 5.9 van de bestreden beschikking heeft overwogen dat betrokkene met een geldige titel in de instelling verbleef, omdat het artikel 21-besluit doorloopt totdat een rechterlijke machtiging verleend. [30]
3.43
Het betoog in
onderdeel 1,
onder cconcentreert zich tot slot op de vraag óf in een geval als hier aan de orde een beschikking tot inbewaringstelling kan worden genomen, dus of in een geval als hier aan de orde aan de voorwaarden van artikel 29 lid 2 Wzd Pro kan zijn of is voldaan. Wat daar ook van zij (zie hiervoor onder 3.34 e.v.), het onderdeel miskent hiermee mijns inziens de strekking van het oordeel van het hof. Dit oordeel komt er niet alleen op neer dat in dit geval niet aan de voorwaarden voor een inbewaringstelling is voldaan, maar ook dat die inbewaringstelling geen meerwaarde heeft, gelet op de voortdurende geldigheid van het artikel 21-besluit, die voortvloeit uit artikel 22 lid Pro 10, aanhef en onder b, Wzd.
3.44
Nu alle klachten van onderdeel 1 onder a tot en met c op het voorgaande afstuiten, faalt ook de voortbouwklacht van onderdeel 1,
onder d.
3.45
Onderdeel 2betoogt, geheel in het verlengde van onderdeel 1, dat de vrijheidsbenemende maatregel krachtens het artikel 21-besluit voor de periode vanaf 20 maart tot en met 22 april 2024 niet kan worden aangemerkt als “
a lawful detention of [a person] of unsound mind” in de zin van artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM, en dat het hof in strijd met artikel 5 lid 5 EVRM Pro en artikel 44 lid 2 Wzd Pro heeft beslist dat betrokkene over deze periode geen recht heeft op schadeloosstelling.
3.46
Ook onderdeel 2 kan niet tot cassatie leiden. Ik verwijs naar onderdeel 1.
3.47
Overigens meen ik dat als Uw Raad daar anders over oordeelt en de bestreden beschikking wordt vernietigd, na cassatie en verwijzing aandacht zal moeten worden besteed aan de afbakening van de periode waarop het verzoek tot schadevergoeding betrekking heeft en waarop dus moet worden beslist. Onderdeel 2 gaat uit van de periode vanaf 20 maart tot en met 22 april 2024. Het inleidende verzoek van betrokkene betrof evenwel slechts een periode van achttien dagen gerekend vanaf 18 maart 2024 (zie hiervoor onder 2.5 en 2.6), en Sensire heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van dat verzoek op de mondelinge behandeling bij het hof (zie hiervoor onder 2.12). Het hof heeft niet uitdrukkelijk beslist op dat bezwaar en daarmee mijns inziens de toelaatbaarheid van deze vermeerdering van het verzoek in het midden gelaten. [31] Weliswaar heeft het hof in r.o. 5.9 en 5.10 van de bestreden beschikking een oordeel gegeven over de gehele periode vanaf het artikel 21-besluit tot aan de rechterlijke machtiging, maar niet is uitgesloten dat die overwegingen deels een ten overvloede-karakter hebben (te weten in het geval het hof van oordeel was dat de vermeerdering van het verzoek niet toelaatbaar was).
3.48
Nu onderdelen 1 en 2 niet tot cassatie kunnen leiden, geldt hetzelfde voor de daarop
voortbouwende klachtaan het slot van het middel die is gericht tegen de r.o. 5.12 t/m 5.14 en het dictum van de bestreden beschikking.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De hier vermelde feiten zijn vermeld voor zover in cassatie van belang en zijn ontleend aan de bestreden beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3014,
2.Het procesverloop is opgenomen voor zover in cassatie van belang. Zie voor het volledige procesverloop de beschikking van de rechtbank Gelderland van 15 juli 2024, zaakgegevens C/05/435005 / FZ RK 24/1024, r.o. 1.1-1.2 (nog niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) en de bestreden beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3014,
3.Hier staat “aanvraag” en niet “verzoek” in de bestreden beschikking, r.o. 3.4. Dit betreft mijns inziens een kennelijke verschrijving, gelet op art. 26 Wzd Pro. Bij het verzoek wordt wel o.m. de aanvraag meegestuurd (art. 26 lid Pro 6, onder b, Wzd).
4.Achttien dagen gerekend vanaf 18 maart 2024 komt overigens uit op 4 april, en niet op 3 april.
5.Rechtbank Gelderland 15 juli 2024, zaakgegevens C/05/435005 / FZ RK 24/1024 (nog niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
6.Zie r.o. 4.2 van de bestreden beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 mei 2025. De aldaar (en in r.o. 5.15) genoemde voorwaardelijke verhoging van het verzoek is in cassatie niet van belang.
7.Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 27 maart 2025, p. 4 en 5.
8.Zie nader hierover hierna onder 3.47.
9.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3014,
10.Hier heeft het hof m.i. lid 10 van art. 22 Wzd Pro bedoeld.
11.Zie p. 1 van de procesinleiding in cassatie: “In cassatie kan worden uitgegaan van (…) wat in rov. 5.7-5.8 is overwogen en (gedeeltelijk) beslist.”
12.In deze conclusie ook wel kortweg aangeduid als: de opname. Daarbij moet dan bedacht worden dat daarmee is bedoeld: de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf.
13.Zie ook
14.Zie o.m.
15.Zie
17.Zie Rechtbank Den Haag 29 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3668,
18.En indien het CIZ besluit om geen verzoek om een rechterlijke machtiging in te dienen, doet het hiervan mededeling aan de aanvrager en, indien het (verzoek) een persoon betreft die al in een accommodatie verblijft, deelt het CIZ zijn beslissing schriftelijk mee aan de zorgaanbieder die deze accommodatie beheert (art. 26 lid 4 en Pro 5 Wzd).
19.Het voorbereidingsproces kan als gezegd (zie de vorige voetnoot) ook al stranden bij het CIZ, maar in dat geval zal die beslissing uiterlijk aan het einde van de termijn voor indiening van het verzoekschrift vallen.
21.Voorgesteld art. 24 lid 1 Wzd Pro waarnaar wordt verwezen luidt: Gedwongen opname of gedwongen voortzetting van het verblijf van een cliënt is uitsluitend mogelijk met een rechterlijke machtiging in een geregistreerde accommodatie.
22.Concept memorie van toelichting Evaluatiewet Wvggz en Wzd, Artikelsgewijze toelichting, p. 141. Te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/evaluatiewetwvggzwzd/b1. De internetconsultatie is inmiddels gesloten.
23.Het huidige art. 21 lid 3 Wzd Pro komt in het concept wetsvoorstel Evaluatiewet Wvggz en Wzd niet meer terug. Lid 6 van art. 24 Wzd Pro is daarin wel gehandhaafd (met verder enige redactionele wijzigingen) en vernummerd tot lid 7.
24.Zie S. McFedries,
25.M. Swelsen en L.A.P. Arends,
26.Ik heb gezocht met combinaties van de volgende zoektermen “art. 21”, “art. 22” (of variaties op beide voorgaande zoektermen), “Wzd”, “verval”, “geldige titel”, niet-vrijwillig” en “onvrijwillig”.
27.Rechtbank Den Haag 29 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3668 en rechtbank Limburg 13 januari 2026, ECHL:NL:RBLIM:2026:1201.
28.Dat is anders bij een betrokkene die niet op grond van een artikel 21-besluit (geen bereidheid, geen verzet), maar
29.Vgl. in die zin ook rechtbank Den Haag 29 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3668.
30.Als gezegd beschouw ik de verwijzing door het hof naar art. 22 lid 9 Wzd Pro in dit verband als een kennelijke verschrijving; m.i. heeft het hof hier art. 22 lid 10 Wzd Pro bedoeld. Deze bepaling is, door invoeging van het huidige achtste lid bij Wet van 29 september 2021 (
31.Het hof vermeldt in r.o. 4.2 van de bestreden beschikking wel een voorwaardelijke verhoging van het verzoek tot schadevergoeding voor het geval betrokkene gehouden is het griffierecht in deze procedure te betalen.