ECLI:NL:PHR:2026:87

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
25/01682
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 BWArt. 23 RvArt. 166 lid 1 RvArt. 362 RvArt. 284 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing schadevergoeding na koop tweedehands auto met verborgen total loss verleden

In deze zaak kocht eiser in april 2021 een gebruikte Porsche 911 van verweerders. Na een aanrijding in augustus 2021 ontdekte eiser dat de auto in 2019 als total loss was verklaard, wat niet aan hem was medegedeeld. Eiser vorderde schadevergoeding wegens waardeverlies en niet-uitkering door verzekeraars.

De kantonrechter en het hof wezen de vorderingen af, stellende dat de auto aan de overeenkomst voldeed en verweerders niet aansprakelijk waren. Het hof oordeelde dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat verweerders garanties hadden gegeven over de ongeschonden staat van de auto of dat zij wisten van het schadeverleden.

In cassatie stelde eiser dat het hof het begrip conformiteit te beperkt had uitgelegd, een mededelingsplicht had miskend en bewijsaanbod onterecht had gepasseerd. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de koper de stelplicht en bewijslast draagt omtrent de eigenschappen die hij mocht verwachten. Het hof had terecht geoordeeld dat de auto geschikt was voor normaal gebruik en dat geen sprake was van non-conformiteit.

De Hoge Raad benadrukte dat het ontbreken van gevaar voor verkeersveiligheid betekent dat de auto aan de overeenkomst voldoet, ook als er andere gebreken zijn. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat verweerders geen onderzoeksplicht hadden, omdat eiser onvoldoende had onderbouwd dat zij wisten of behoorden te weten dat de auto niet aan de overeenkomst voldeed.

De conclusie is dat het cassatieberoep wordt verworpen en de eerdere afwijzing van de schadevorderingen in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eerdere afwijzing van de schadevorderingen blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01682
Zitting16 januari 2026
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
[eiser](hierna: ‘ [eiser] ’)
tegen

1.[verweerder 1] h.o.d.n. [A] (hierna: ‘ [verweerder 1] ’)

2.
[verweerster 2] B.V.
(hierna gezamenlijk aangeduid als: ‘ [verweerders] ’)
[eiser] heeft in april 2021 een tweedehands auto van [verweerders] gekocht. In augustus 2021 is [eiser] met de auto bij een aanrijding betrokken geweest. Naar aanleiding van dit ongeval heeft [eiser] ontdekt dat de auto in het verleden – vóór de aankoop van de auto in februari 2019 door [verweerder 1] zelf –
total lossverklaard is geweest. [eiser] heeft geprobeerd om de schade aan de auto vergoed te krijgen door de bestuurder van de andere bij de aanrijding betrokken auto, de eigenaar van die auto en de aansprakelijkheidsverzekeraar van die auto in Duitsland in rechte aan te spreken, maar had daarbij geen succes. Ook zijn cascoverzekeraar heeft geweigerd de schade te vergoeden. In december 2021 heeft [eiser] de auto met verlies aan een handelaar verkocht.
In de onderhavige procedure heeft [eiser] de verkopers [verweerders] tot vergoeding van zijn schade aangesproken. Het gaat – kort gezegd – om vergoeding van het verschil tussen de aankoopprijs die [eiser] aan [verweerders] heeft betaald en de verkoopprijs die [eiser] van de handelaar heeft gekregen alsmede van de schade die is ontstaan als gevolg van niet-uitkering door de verzekering, de rechtsbijstandskosten voor de Duitse procedure en de deskundigenkosten. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zijn de schadevergoedingsvorderingen van [eiser] afgewezen. De kantonrechter en het hof zijn – vrij weergegeven – tot het oordeel gekomen dat van non-conformiteit geen sprake is en dat [verweerders] niet jegens [eiser] aansprakelijk zijn.
In cassatie voert [eiser] onder meer aan dat het hof bij de beantwoording van de vraag of de auto aan de overeenkomst heeft beantwoord het begrip conformiteit in de zin van art. 7:17 BW Pro te beperkt heeft uitgelegd en ten onrechte aan een bewijsaanbod van [eiser] is voorbijgegaan.

1.Feiten

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [1]
1.2
Het gaat in deze zaak om een gebruikte Porsche 911 (997) Carrera uit 2006 (hierna: ‘de auto’). De auto kwam oorspronkelijk uit Duitsland.
1.3
De auto is op 30 december 2018 betrokken geweest bij een ongeval. Zurich Insurance, de toenmalige cascoverzekeraar van de auto, heeft vervolgens een schade-expert de schade laten beoordelen. In zijn rapport (‘Gutachten’) van 4 januari 2019 staat onder meer:

Beurteilung reparaturwürdig
(…)
Reparaturkosten nach Abzug mit MwSt. EUR 19.818,13
(…)
Wiederbeschaffungswert steuerneutral EUR 36.950,00
Restwert EUR 22.440,00
(…)
Die Schäden sind durch einen Anstoß gegen den Stoßfänger vl.- Kotflügelvl.-[spatbord linksvoor,
A-G]
Felge Reifen vl.- Felge Reifen hl. des Fahrzeuges entstanden
(…)”
1.4
Op 29 januari 2019 is een ‘Totalschaden’ (een
total loss) geregistreerd in het ‘Hinweis- und Informationssystem der deutschen Versicherungswirtschaft’ (hierna: ‘HIS’). Dit is een extern verwijzingsregister dat door Duitse (auto-)verzekeraars wordt bijgehouden. Op verzoek is het voor een eigenaar mogelijk om een uitdraai uit het HIS te krijgen.
1.5
Op enig moment is de auto hersteld en verkocht. Op 15 februari 2019 is de auto in Duitsland door [verweerder 1] gekocht van [betrokkene 1] . Toen was de auto in herstelde staat. [betrokkene 1] heeft in zijn advertentie vermeld dat de auto in ‘tadellosen Zustand’ (onberispelijke staat) was. [verweerder 1] heeft de auto tot de aankoop door [eiser] gebruikt.
1.6
[eiser] heeft op 2 april 2021 de auto van [verweerders] gekocht voor een bedrag van € 37.000,00.
1.7
Op 14 augustus 2021 is [eiser] met de auto bij een aanrijding met een andere auto betrokken geraakt. Op verzoek van Europa Versicherung AG (hierna: ‘Europa Versicherung’), de aansprakelijk gestelde verzekeraar van de eigenaar van de andere bij de aanrijding betrokken auto, is de auto geïnspecteerd door een schade-expert. Naar aanleiding van dit schadeonderzoek heeft [eiser] het HIS geraadpleegd. Daaruit is de eerdere registratie uit 2019 naar voren gekomen. De door Europa Versicherung ingeschakelde schade-expert heeft in zijn rapportage van 28 september 2021 (‘Gutachten’) onder meer het volgende opgenomen (letterlijk geciteerd):

Reparierte Vorschäden
Kotflügel vorne links wurde sach- und fachgerecht instandgesetzt[vervangen,
A-G]
und lackiert. Die Stoßstange vorne wurde demontiert, zerlegt und lackiert. Die Motorhaube[motorkap,
A-G]
wurde demontiert und lackiert. Der Kotflügel rechts wurde lackiert.
1.8
Op 26 augustus 2021 heeft [eiser] [verweerder 1] verzocht om meer informatie vanwege een conflict met de cascoverzekeraar van [eiser] . [verweerder 1] schreef daarop (letterlijk geciteerd):

Wir haben ja dat uber gerdet das kottflugel nach meine Meinung neu war aber laut dein Messgerät nicht aber wenn ich dir helfen kan sag das den mann so das es am Gunstigsten fur dein unfall ist.
1.9
Op 13 september 2021 heeft [verweerder 1] een schriftelijke verklaring aan [eiser] gegeven, waarin staat (letterlijk geciteerd):

Hiermit bestatingen wir das der porsche 997 mit fahrgestellnr [001] unfallfrei ist nur teilen sind nachlackiert.
1.1
Europa Versicherung en de cascoverzekeraar van [eiser] zelf hebben beide geweigerd de schade te vergoeden. [eiser] heeft in Duitsland bij het Landgericht Krefeld een gerechtelijke procedure tot verhaal van de schade aan de auto gevoerd tegen de bestuurder van de andere bij het ongeval betrokken auto, de eigenaar van die auto en Europa Versicherung. Het Landgericht Krefeld heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen.
1.11
[eiser] heeft de auto op 13 december 2021 aan [B] verkocht voor € 22.0000,00. Deze heeft de schade als gevolg van het ongeval van 14 augustus 2021 hersteld en de auto te koop aangeboden voor € 39.890,00.

2.Procesverloop

Eerste aanleg

2.1
Bij dagvaarding van 11 april 2022 heeft [eiser] [verweerders] gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank Limburg (hierna: ‘de kantonrechter’). [eiser] heeft daarbij, in de weergave van de kantonrechter, het volgende gesteld:
“Op basis van de mededelingen van gedaagden mocht hij verwachten dat de auto ‘unfallfrei’ was. Omdat dat niet het geval was voldoet de auto niet aan wat hij ervan mocht verwachten. [eiser] zou de auto niet of niet voor deze prijs hebben gekocht als hij dit had geweten. Gedaagden wisten (of moesten weten) dat de auto niet ‘unfallfrei’ was toen zij de auto verkochten. Door hem niet of onjuist voor te lichten over het schadeverleden van de auto heeft [eiser] een geschil met de verzekeraar, die weigert een schade-uitkering te doen omdat hij bij het aangaan van de verzekering de ‘Totalschaden’ niet heeft medegedeeld. Gedaagden hebben onrechtmatig gehandeld en moeten de schade die voortvloeit uit het geschil met de verzekeraar vergoeden. Ook hebben gedaagden onrechtmatig gehandeld, omdat zij niet duidelijk zijn geweest over met wie [eiser] een overeenkomst heeft aangegaan.” [2]
2.2
[eiser] heeft bij de kantonrechter, voor zover in cassatie van belang, gevorderd dat:
- voor recht wordt verklaard dat [verweerders] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst onderscheidenlijk onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld en uit dien hoofde hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade;
- [verweerders] hoofdelijk worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding ter hoogte van minimaal € 13.800,00, [3] althans een door de kantonrechter nader te bepalen bedrag, althans een bedrag nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente; en
- [verweerders] hoofdelijk worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding voor de als gevolg van hun tekortkomingen/nalatigheden ontstane schade wegens niet-uitkering van de schade door de verzekering, de rechtsbijstandskosten voor de procedure in Duitsland en de kosten voor het deskundigenonderzoek, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente. [4]
2.3
[verweerders] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. [5]
2.4
Bij vonnis van 31 mei 2023 [6] heeft de kantonrechter de vorderingen van [eiser] afgewezen en [eiser] in de proceskosten veroordeeld. Bij herstelvonnis van 21 juni 2023 [7] heeft de kantonrechter een kennelijke fout in het dictum van het vonnis hersteld, waarbij de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
Hoger beroep
2.5
Bij appeldagvaarding van 28 juni 2023 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 31 mei 2023, zoals hersteld bij het herstelvonnis van 21 juni 2023. [eiser] heeft in hoger beroep geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat bestreden vonnis zal vernietigen en zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van [verweerders] in de proceskosten in beide instanties.
2.6
Bij memorie van grieven van 16 januari 2024 heeft [eiser] vijf grieven geformuleerd. [verweerders] hebben de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 31 mei 2023, zoals hersteld bij het herstelvonnis van 21 juni 2023.
2.7
Bij arrest van 11 maart 2025 [8] (hierna: ‘het bestreden arrest’) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: ‘het hof’) de vorderingen van [eiser] in hoger beroep op één na afgewezen, het herstelvonnis van 21 juni 2023 vernietigd en het vonnis van 31 mei 2023 bekrachtigd. De toegewezen vordering is in cassatie niet van belang. Ik laat haar daarom buiten beschouwing. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof eerst de eerste en derde grief van [eiser] en de daartegen gerichte betwisting van [verweerders] beschreven:
“6.7.1. Het hof zal de grieven I en III gezamenlijk bespreken. De grieven met de toelichting daarop bestrijden het oordeel van de kantonrechter dat niet is gebleken dat [verweerders] voorafgaand aan de koop hebben gezegd dat de auto “unfallfrei” was (rov. 2.20.), de vaststelling dat de auto in onberispelijke staat was toen [eiser] deze kocht en het oordeel dat niet valt in te zien dat de auto niet voldoet aan de overeenkomst (rov. 2.21.), alsmede het oordeel dat [eiser] geen schade heeft geleden (rov. 2.22.).
6.7.2.
[eiser] betoogt dat reeds ten tijde van het aangaan van de overeenkomst op de locatie van [verweerders] , het voertuig als unfallfrei is aangeprezen. Daar was volgens hem [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) als getuige bij aanwezig[.] [eiser] heeft een schriftelijke verklaring van [betrokkene 2] overgelegd, die niet goed leesbaar is, maar die als weergegeven in de memorie van grieven en niet betwist bij de memorie van antwoord luidt als volgt:

Sehr geehrte Damen und Herren,
Ich [betrokkene 2] kann bezeugen [eiser] den Porsche Carrera 911 977 vor Ortvom Verkäufer des [verweerster 2] , nach wiederholten nachfragen von [eiser] als Unfallfrei bestätigt wurde.
(…)”.
De kantonrechter heeft volgens [eiser] in strijd met het voorschrift van artikel 23 Rv Pro niet op het expliciete bewijsaanbod van [eiser] beslist. Het eerdere schadeverleden was, ook al was het voertuig op het eerste gezicht in goede staat, natuurlijk wel relevant voor de vraag of [eiser] schade heeft geleden. Het schadeverleden, dat bij de aankoopbeslissing van doorslaggevende betekenis kan zijn, leidt immers tot waardeverlies dat niet in de koopprijs verdisconteerd was. De kantonrechter had in ieder geval de gevorderde verklaring voor recht kunnen toewijzen en de zaak naar de schadestaat kunnen verwijzen. [verweerders] wisten, althans hadden behoren te weten, dat sprake was van een schadeverleden. De eigenaar van het voertuig kan de HIS-gegevens eenvoudig opvragen, aldus [eiser] .
6.7.3.
[verweerders] betwisten dat zij garanties hebben afgegeven betreffende het “unfallfrei” zijn van de auto. Sterker nog: zij hebben steeds gewezen op het spatbord linksvoor dat gespoten zou zijn, ondanks dat [eiser] de auto met een lakdiktemeter had gecontroleerd en van mening was dat de auto in de volledige fabriekslak stond en er geen delen waren overgespoten. [verweerders] voeren aan dat [betrokkene 2] niet aanwezig is geweest op het moment van het tot stand komen van de koopovereenkomst, doch enkel bij het ophalen van de auto. [verweerders] waren zelf ook niet bekend met het schadeverleden van de auto, zodat zij reeds om die eenvoudige reden ook geen mededeling konden doen. Zij waren ook niet bekend met het HIS-register, terwijl inzage daarin enkel mogelijk is als de eigenaar van de betreffende auto deze ook in Duitsland heeft geregistreerd, De Porsche is niet op naam van [A] (de bedrijfsnaam van [verweerder 1] , hof) geregistreerd, zodat inzage daarin reeds op die grond onmogelijk was. [eiser] heeft de auto onder handelscondities gekocht en heeft afgezien van garantie, zulks met als enige doel kennelijk de auto tegen de gunstigste prijs te kopen. Hij heeft nimmer gevraagd naar het “unfallfrei” zijn van de auto. De auto heeft aan de overeenkomst beantwoord.”
2.8
Daarna heeft het hof de inhoud van de leden 1 en 2 van art. 7:17 BW Pro, dat op (non-)conformiteit ziet, beschreven:
“6.7.4. Het hof overweegt als volgt. Artikel 7:17 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) verplicht de verkoper een zaak af te leveren die aan de overeenkomst beantwoordt. Ingevolge artikel 7:17 lid 2 BW Pro beantwoordt de zaak niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.”
2.9
In dit verband heeft het hof aan de hand van de op basis van het partijdebat vastgestelde feiten omtrent het moment van betrokkenheid van [betrokkene 2] bij de koop van de auto geoordeeld dat aan het bewijsaanbod van [eiser] om [betrokkene 2] als getuige te horen over de aanprijzing door [verweerders] wordt voorbijgegaan:
“6.7.5. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [eiser] op vragen van het hof nader uiteengezet hoe de koopovereenkomst tot stand is gekomen. Zakelijk weergegeven heeft hij verklaard dat hij de auto op een website heeft gevonden en dat hij toen alleen naar [verweerder 1] toe is gereden en de auto heeft bekeken. Hij heeft toen en ook daarna alleen met [verweerder 1] en niet met [verweerster 2] gesproken. Hij heeft tijdens het eerste bezoek nog niet gezegd dat de koop voor hem oké was, dat heeft hij achteraf telefonisch besproken. Hij heeft telefonisch akkoord gegeven en toen is hij weer bij [verweerders] gekomen voor het contract. Die tweede keer was [betrokkene 2] daarbij aanwezig. Enige tijd later – [eiser] moest het geld bij elkaar krijgen en er was intussen een afspraak over de inruil van een Volvo gemaakt – heeft [eiser] de auto opgehaald.
6.7.6.
Het hof stelt voorop dat naar Nederlands recht een koopovereenkomst mondeling tot stand kan komen. Uit de eigen, hiervoor in rov. 6.7.5. weergegeven, door [verweerder 1] niet betwiste, stellingen van [eiser] volgt dat de koopovereenkomst is gesloten in een telefoongesprek tussen [eiser] en [verweerder 1] , na [eiser] eerste bezoek aan [verweerders] en voorafgaand aan het tweede bezoek tijdens welk het contract werd ondertekend. Dat staat daarmee vast. Het contract bevestigde dus de voordien al telefonisch tot stand gekomen koopovereenkomst. Volgens [eiser] was [betrokkene 2] wel bij het tweede bezoek maar niet bij het eerste bezoek aanwezig. [verweerders] hebben dat niet betwist en ook dat staat dus vast. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] het telefoongesprek waarin de koopovereenkomst werd gesloten, in aanwezigheid van [betrokkene 2] heeft gevoerd. Het bewijsaanbod van [eiser] om [betrokkene 2] als getuige te horen die kan verklaren dat het voertuig reeds ten tijde van de aankoop als “unfallfrei” werd aangeprezen, is daarom niet ter zake dienend. Het hof gaat daaraan dan ook voorbij.”
2.1
Vervolgens heeft het hof (in het licht van het partijdebat) geoordeeld dat [eiser] bepaalde stellingen over de aanprijzing door en de verklaringen en wetenschap van [verweerders] onvoldoende heeft onderbouwd:
“6.7.7. [verweerders] hebben aangevoerd dat [eiser] de auto onder handelscondities heeft gekocht en heeft afgezien van garantie, zulks met als enige doel kennelijk de auto tegen de gunstigste prijs te kopen en dat hij nimmer heeft gevraagd naar het “unfallfrei” zijn van de auto. Ten opzichte van de gemotiveerde betwisting heeft [eiser] zijn stelling dat [verweerders] hebben gegarandeerd dat de auto “unfallfrei” was, onvoldoende onderbouwd. De verklaring van 13 september 2021 van [verweerders] zegt niet voldoende over wat ten tijde van de verkoop tussen partijen is besproken. [verweerders] betogen immers dat die verklaring, die dateert van meer dan vijf maanden na de koop en levering, enkel is afgegeven met het doel [eiser] ter wille te zijn om een probleem met zijn verzekering op te lossen. Ook aan de stelling dat [verweerders] wisten dat sprake was van een schadeverleden van de auto gaat het hof voorbij. In het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [verweerders] heeft [eiser] die onvoldoende onderbouwd. Gelet op het voorgaande is bewijslevering niet aan de orde.
6.7.8.
Voor zover [eiser] betoogt dat [verweerders] zelf onderzoek naar het ongevalsverleden van de auto hadden moeten doen volgt het hof [eiser] daarin niet. [eiser] heeft niet voldoende onderbouwd dat [verweerders] voorafgaand aan of ten tijde van de verkoop aan hem wisten of behoorden te weten dat de Porsche niet de eigenschappen bezat die nodig zijn voor het normaal gebruik van de zaak.”
2.11
Daarna heeft het hof beoordeeld of de auto aan de overeenkomst beantwoordde. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord en geoordeeld dat [verweerders] niet aansprakelijk zijn voor de door [eiser] gestelde schade en dat de kantonrechter de vorderingen tot het geven van een verklaring voor recht en tot schadevergoeding terecht heeft afgewezen:
“6.7.9. De vraag die vervolgens voorligt is of de auto aan de overeenkomst beantwoordde. Niet gesteld of gebleken is dat bij de overeenkomst een bijzonder gebruik van de auto is voorzien. Het gaat er in deze zaak dus om of de auto de eigenschappen bezat die nodig zijn voor een normaal gebruik daarvan. Uit een arrest van de Hoge Raad van 15 april 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC1338) [9] volgt de regel dat een (tweedehands) auto niet aan de overeenkomst beantwoordt indien als gevolg van een eraan klevend gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt en hersteld, gebruik van de auto door ermee aan het verkeer deel te nemen gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [eiser] op een vraag van het hof geantwoord dat hij vanaf de aflevering in april 2021 tot het ongeval in augustus 2021 probleemloos met de auto heeft gereden. Ook na het ongeval is hij met de auto blijven doorrijden. Daaruit volgt dat [eiser] niet voldoende heeft onderbouwd dat hij niet zonder gevaar voor de verkeersveiligheid aan het verkeer heeft kunnen deelnemen en dat de auto niet de eigenschappen bezat die voor een normaal gebruik ervan nodig waren.
6.7.10.
De conclusie is dat de auto aan de koopovereenkomst heeft beantwoord en dat er dus geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming daarvan. [eiser] heeft (behoudens het gestelde over een oneerlijke handelspraktijk, zie de bespreking van grief V hierna) niets aangevoerd dat het oordeel kan dragen dat [verweerders] jegens [eiser] wel een onrechtmatige daad hebben gepleegd. [verweerders] zijn daarom niet aansprakelijk voor de door [eiser] gestelde schade. De kantonrechter heeft de vorderingen tot het geven van een verklaring voor recht en tot schadevergoeding terecht afgewezen. De grieven slagen niet.”
In cassatie
2.12
Bij procesinleiding van 1 mei 2025 heeft [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. [verweerders] zijn niet verschenen en tegen hen is verstek verleend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vier met Romeinse cijfers aangeduide onderdelen. De eerste drie onderdelen stellen achtereenvolgens aan de orde dat het hof het begrip conformiteit in de zin van art. 7:17 BW Pro te beperkt heeft uitgelegd, dat het hof heeft miskend dat [verweerders] een mededelingsplicht jegens [eiser] hadden en dat het hof het bewijsaanbod van [eiser] (om [betrokkene 2] als getuige te horen) niet had mogen passeren. Het vierde en laatste onderdeel bevat een “
Veegklacht”.
Onderdeel I
3.2
Onderdeel I voert in de kern aan dat het hof het begrip conformiteit in art. 7:17 BW Pro te beperkt heeft uitgelegd. Het onderdeel valt uiteen in verschillende klachten, die (gedeeltelijk) op elkaar voortbouwen.
3.3
De eerste klacht is gericht tegen de uitleg die het hof in rov. 6.7.9. aan het arrest
[…] / […] [10] heeft gegeven. Volgens het onderdeel heeft Uw Raad slechts geoordeeld dat er in elk geval geen sprake is van conformiteit, indien een tweedehands auto de verkeersveiligheid in gevaar brengt terwijl hij bedoeld is om in te rijden. Volgens de klacht heeft het hof dit omgedraaid door te oordelen dat een tweedehands auto aan de overeenkomst voldoet, indien met de auto kan worden gereden zonder gevaar voor de verkeersveiligheid.
3.4
In dat verband voert de tweede klacht, onder verwijzing naar het arrest
KTDC/Impro Hergiswil A.V., [11] aan dat het hof met zijn uitleg heeft miskend dat hetgeen de koper van de eigenschappen van de gekochte zaak mag verwachten, afhangt van alle relevante omstandigheden van het geval. In dit verband stelt het onderdeel, onder verwijzing naar conclusies van twee van mijn (voormalig) ambtgenoten, [12] dat het gerechtvaardigde verwachtingspatroon van de koper omtrent de eigenschappen van de zaak bepalend is. Volgens de klacht heeft het hof dit miskend in rov. 6.7.9. door daar een verkeerde uitleg aan het arrest
[…] / […]te geven en heeft het hof dit ook miskend in de beschrijving van het juridisch kader van non-conformiteit in de zin van art. 7:17 BW Pro zoals geschetst in rov. 6.7.4.
3.5
Daarop voortbouwend stelt de derde klacht dat het hof in rov. 6.7.4. ervan uit lijkt te gaan dat de in art. 7:17 lid 2 en Pro 3 BW opgesomde gevallen van non-conformiteit limitatief zouden zijn bedoeld. Volgens het onderdeel is dat niet het geval en kan ook zonder ongeschiktheid voor normaal of bijzonder gebruik sprake van non-conformiteit zijn. Het onderdeel verwijst op dit punt naar de parlementaire geschiedenis. [13]
3.6
Ten slotte is de laatste klacht van het onderdeel gericht tegen rov. 6.7.7. en 6.7.8., waar het hof, in de lezing van het onderdeel, heeft vastgesteld dat de verkoper geen garantie heeft gegeven en dat de verkoper niet zelf onderzoek naar het ongevalsverleden van de auto hoefde te doen. Volgens het onderdeel heeft het hof daarmee ten onrechte (overwegend) gewicht toegekend aan hetgeen [verweerders] aan onderzoek en mededelingen hadden moeten doen, terwijl de non-conformiteit er, zo stelt het onderdeel, in schuilt dat [verweerders] aan [eiser] een auto hebben verkocht als een “
gewone” tweedehands auto waar niet veel bijzonders mee was, terwijl de auto
total lossis geweest. Daardoor heeft [eiser] een auto gekocht die aanzienlijk minder waard was en in feite, zonder dat hij dat wist, onverzekerbaar rondreed, aldus het onderdeel. [14]
3.7
Voordat ik toekom aan de bespreking van deze klachten, maak ik een enkele opmerking over het conformiteitsleerstuk.
3.8
De implementatie van de nieuwe Richtlijn consumentenkoop [15] heeft geleid tot wijziging van titel 7.1 BW, [16] waarin de koopovereenkomst en in dat verband onder meer het onderwerp (non-)conformiteit zijn geregeld. Op koopovereenkomsten gesloten vóór 1 januari 2022 blijft evenwel het oude regime van toepassing. [17] Dat geldt ook in het onderhavige geval, omdat [eiser] de auto van [verweerders] heeft gekocht op 2 april 2021 (dus vóór 1 januari 2022). Daarom bespreek ik hierna art. 7:17 BW Pro zoals dat ten tijde van de koop luidde. De door implementatie van de nieuwe Richtlijn consumentenkoop meegebrachte wetswijziging heeft overigens niet tot wijziging van de formulering van art. 7:17 BW Pro geleid, maar wel tot een voor het beoordelen van (non-)conformiteit relevante aanpassing van art. 7:18 BW Pro. [18] Daarom spreek ik hierna in de tegenwoordige tijd over art. 7:17 BW Pro.
3.9
Ingevolge art. 7:17 lid 1 BW Pro moet de afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. Art. 7:17 lid 2 BW Pro bevat een uitwerking van art. 7:17 lid 1 BW Pro. Blijkens de wetsgeschiedenis betreft het een niet-limitatieve uitwerking. [19] In de eerste volzin van art. 7:17 lid 2 BW Pro staat uitgewerkt wanneer een zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Dat is het geval wanneer de zaak niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Of dat het geval is, hangt af van alle relevante omstandigheden van het geval. [20] De eerste volzin van art. 7:17 lid 2 BW Pro noemt daarbij twee omstandigheden in het bijzonder: de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan. De tweede volzin van art. 7:17 lid 2 BW Pro bevat vervolgens een uitwerking van de eerste volzin: de koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien. Dit concretiseert de gerechtvaardigde verwachtingen van de koper, maar geeft daar ook weer geen limitatieve invulling aan. [21]
3.1
Het grote belang van de (relevante) omstandigheden van het geval sluit niet uit dat op sommige punten een meer algemene lijn kan worden getrokken. [22] Een voorbeeld is het hiervoor (zie randnummer 2.11) en ook in de procesinleiding genoemde arrest
[…] / […], waarin Uw Raad heeft geoordeeld dat “
een (tweedehands) auto niet aan de overeenkomst beantwoordt indien als gevolg van een eraan klevend gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt en hersteld, gebruik van de auto door ermee aan het verkeer deel te nemen gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren”. [23]
3.11
In het kader van art. 7:17 lid 2 BW Pro draagt de koper de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden waaruit volgt welke eigenschappen hij op grond van de overeenkomst mocht verwachten en waaruit volgt dat die eigenschappen inderdaad ontbreken. [24]
3.12
Tegen deze achtergrond bespreek ik de klachten van onderdeel I.
3.13
Alle vier de klachten falen. Ik bespreek deze klachten in een van de procesinleiding afwijkende volgorde, namelijk de eerste pas als laatste.
3.14
De tweede klacht, dat het hof heeft miskend dat hetgeen de koper van de eigenschappen van de zaak mag verwachten, afhangt van alle relevante omstandigheden van het geval, faalt. Het hof heeft eerst in rov. 6.7.2. de relevante stellingen van [eiser] beschreven en in rov. 6.7.3. de relevante betwistingen van [verweerders] Het hof heeft daarna in rov. 6.7.4. art. 7:17 lid 1 en Pro lid 2 BW vrijwel letterlijk aangehaald. Uit de laatstgenoemde overweging kan niet worden opgemaakt dat het hof van oordeel is geweest dat hetgeen de koper van de eigenschappen van de gekochte zaak mag verwachten, niet afhangt van alle relevante omstandigheden van het geval. Het hof heeft vervolgens in rov. 6.7.7. en 6.7.8. de onderbouwing door partijen over en weer van relevante stellingen (rov. 6.7.2.) en betwistingen (rov. 6.7.3.) gewogen. Op basis van die weging is het hof in die overwegingen tot het oordeel gekomen dat geen van de omstandigheden waarop [eiser] zich heeft beroepen ter onderbouwing van de stellingen, die hij in het kader van de conformiteitstoets heeft aangevoerd, is komen vast te staan (zie ook randnummers 3.16-3.19 hierna). Het hof heeft dus alle, naar het oordeel van [eiser] zelf, relevante omstandigheden van het geval in zijn beoordeling willen betrekken, maar is daar gezien het partijdebat niet aan toegekomen. Dat het hof heeft miskend dat hetgeen de koper van de eigenschappen van de zaak mag verwachten, afhangt van alle relevante omstandigheden van het geval, kan in het licht van het voorgaande moeilijk worden volgehouden.
3.15
Ook de derde klacht, dat het hof ervan uit lijkt te gaan dat de in art. 7:17 lid 2 en Pro 3 BW opgesomde gevallen van non-conformiteit limitatief zijn bedoeld, mist doel. Anders dan de klacht suggereert, kan uit rov. 6.7.4., waarin het hof de inhoud van art. 7:17 lid 1 en Pro lid 2 BW vrijwel letterlijk heeft weergegeven, niet worden opgemaakt dat het hof van oordeel is geweest dat art. 7:17 lid 2 BW Pro een limitatieve invulling geeft aan art. 7:17 lid 1 BW Pro. En opnieuw anders dan de klacht suggereert, kan uit die overweging evenmin worden opgemaakt dat het hof van oordeel is geweest dat
alleenbij ongeschiktheid voor normaal of bijzonder gebruik sprake kan zijn van non-conformiteit. Het hof heeft, zo herhaal ik, de inhoud van art. 7:17 lid 1 en Pro lid 2 BW vrijwel letterlijk weergegeven. In de tekst van lid 2 (en van het niet door het hof geciteerde lid 3) is niet in expliciete zin aangegeven dat ook buiten de in de wet genoemde gevallen sprake kan zijn van non-conformiteit. Toch is dat buiten discussie (randnummer 3.9 hiervoor) en wordt dat als het ware in de tekst van de wet gelezen. Het ligt tegen deze achtergrond niet voor de hand aan te nemen dat het hof met zijn bijna letterlijke weergave van deze tekst, wel heeft willen aannemen dat van een limitatieve invulling door de wetgever sprake is.
3.16
De vierde klacht is gericht tegen rov. 6.7.7. en 6.7.8., waar het hof, in de lezing van het onderdeel, heeft vastgesteld dat de verkoper geen garantie heeft gegeven en dat de verkoper niet zelf onderzoek naar het ongevalsverleden van de auto hoefde te doen. Volgens de klacht heeft het hof daarmee ten onrechte (overwegend) gewicht toegekend aan hetgeen [verweerders] aan onderzoek en mededelingen hadden moeten doen, terwijl de non-conformiteit er, zo stelt het onderdeel, in schuilt dat [verweerders] aan [eiser] een auto, die
total lossis geweest, hebben verkocht als een “
gewone” tweedehands auto waar niet veel bijzonders mee was.
3.17
Anders dan de klacht suggereert, heeft het hof in rov. 6.7.7. niet geoordeeld dat [verweerders] geen garantie (dat de auto “
unfallfrei” was) hebben gegeven. Aan die conclusie is het hof niet toegekomen, gelet op de in het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerders] onvoldoende onderbouwing van de betreffende stelling door [eiser] . Hetzelfde geldt voor de stelling van [eiser] dat [verweerders] wisten van het schadeverleden van de auto (hetgeen tot een mededelingsplicht zou leiden). Gelet op het partijdebat zijn beide oordelen overigens goed te volgen en in ieder geval niet onbegrijpelijk. In rov. 6.7.8. heeft het hof vervolgens, voor zover [eiser] heeft willen betogen dat [verweerders] zelf onderzoek naar het ongevalsverleden van de auto hadden moeten doen, geoordeeld dat daarvoor niet zonder meer grond was. Voor een dergelijk onderzoek zou, zo lees ik rov. 6.7.8., aanleiding zijn wanneer [verweerders] voorafgaand aan of ten tijde van de verkoop aan [eiser] wisten of behoorden te weten dat de auto niet de eigenschappen bezat die nodig zijn voor het normaal gebruik van de zaak. Dat van een dergelijke, in mijn woorden: ‘verontrustende indicatie’, sprake was, heeft [eiser] volgens het hof niet voldoende onderbouwd, zodat het hof, voor zover [eiser] heeft willen betogen dat [verweerders] zelf onderzoek naar het ongevalsverleden van de auto moesten doen, hem daarin niet heeft gevolgd. Daargelaten of dat ‘ten onrechte’ is gebeurd, heeft het hof in de bestreden rechtsoverwegingen niet in het kader van de non-conformiteitsvraag (overwegend) gewicht toegekend aan hetgeen de verkopers aan onderzoek en mededelingen hadden moeten doen. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
3.18
Voor zover de klacht aan de kaak probeert te stellen dat het hof in rov. 6.7.7 en 6.7.8. niet datgene heeft beoordeeld wat volgens [eiser] de non-conformiteit is, faalt zij. Die rechtsoverwegingen zien niet op de centrale non-conformiteitsvraag (daarop ziet rov. 6.7.9. waartegen [eiser] in onderdeel I specifieke klachten heeft geformuleerd), maar op enkele door [eiser] zelf ingenomen stellingen met betrekking tot (schending van) een op [verweerders] rustende mededelingsplicht. In rov. 6.7.7. heeft het hof geoordeeld dat het voorbijgaat aan de stelling dat [verweerders] wisten dat sprake was van een schadeverleden van de auto, omdat [eiser] zijn stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerders] onvoldoende heeft onderbouwd. Vervolgens heeft het hof in rov. 6.7.8. nog de mogelijkheid besproken dat [eiser] (mede) heeft betoogd dat [verweerders] zelf onderzoek hadden moeten doen naar het ongevalsverleden van de auto (hetgeen had kunnen leiden tot de verplichting eventuele verkregen informatie te delen), maar ook op dit punt heeft het hof [eiser] dus niet gevolgd (randnummer 3.17 hiervoor).
3.19
Ook de vierde klacht mist wat mij betreft dus doel.
3.2
Dan resteert nog de eerste klacht, dat het hof het arrest
[…] / […]heeft miskend. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Anders dan de klacht suggereert, heeft het hof in rov. 6.7.9. niet geoordeeld dat een auto slechts niet-conform is als er een gebrek aan kleeft dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt en hersteld én gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou meebrengen. In die overweging heeft het hof eerst benoemd dat de vraag voorligt of de auto aan de koopovereenkomst heeft beantwoord. Het hof heeft daarna verduidelijkt dat het in het onderhavige geval niet gaat om (on)geschiktheid voor bijzonder gebruik maar om (on)geschiktheid voor normaal gebruik. Het hof heeft vervolgens naar het arrest
/ […]verwezen, waarin Uw Raad een meer algemene lijn heeft gegeven voor (non-)conformiteit vanwege verkeersonveiligheid (zie hierover randnummer 3.10 hiervoor). Na deze verwijzing heeft het hof, gelet op hetgeen [eiser] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gezegd, geoordeeld dat [eiser] niet voldoende heeft onderbouwd dat hij niet zonder gevaar voor de verkeersveiligheid aan het verkeer heeft kunnen deelnemen en, zo begrijp ik het hof,
evenmindat de auto (anderszins) niet de eigenschappen bezat die voor een normaal gebruik ervan nodig waren. Anders dan de klacht betoogt, heeft het hof de regel van
[…] / […]dus niet omgedraaid door te oordelen dat een tweedehands auto aan de overeenkomst voldoet, indien met de auto kan worden gereden zonder gevaar voor de verkeersveiligheid.
3.21
Nu alle klachten falen, is onderdeel I dus tevergeefs voorgesteld.
Onderdeel II
3.22
Onderdeel II is gericht tegen de oordelen in rov. 6.7.4.-6.7.10., die volgens het onderdeel onbegrijpelijk dan wel rechtens onjuist zijn, omdat het hof heeft miskend dat [verweerders] een mededelingsplicht jegens [eiser] hadden.
3.23
Het onderdeel wijst er daarbij op dat [verweerder 1] heeft geschreven dat ten tijde van de koop het spatbord volgens hem nieuw was, maar dat volgens het meetapparaat van [eiser] niet zo bleek te zijn. Daarmee, zo stelt het onderdeel, moet bij [verweerder 1] , als professionele autohandelaar, twijfel zijn gerezen over de “
tadellosen Zustand” waarin de auto zou hebben verkeerd toen [verweerders] de auto in Duitsland van een particulier kochten. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis [25] voert het onderdeel in dit verband aan dat op een professionele koper een zwaardere onderzoeksplicht rust dan op een particuliere koper, vooral indien de eerstbedoelde koper de zaak van een particuliere verkoper koopt.
3.24
Ter nadere onderbouwing (“
Dit te meer”) van de stelling dat bij [verweerder 1] twijfel moet zijn gerezen over de “
tadellosen Zustand” van de auto ten tijde van de koop door [verweerder 1] van een particulier in Duitsland, wijst het onderdeel nog op de stelling van [verweerders] dat [eiser] dacht dat de auto, ook na het meten met een lakdiktemeter, in de fabriekslak stond. Volgens hun eigen stellingen zouden het juist [verweerders] zijn geweest die hebben gezegd dat het spatbord linksvoor gespoten was en dus zouden hebben gewezen op mogelijke eerdere schade. Wanneer dat het geval was, zou [verweerder 1] als professionele handelaar in tweedehands auto’s zeker hebben getwijfeld of moeten twijfelen aan de “
tadellosen Zustand” van de auto.
3.25
Vervolgens voert het onderdeel als tweede klacht aan dat het hof het arrest
[…] /Westminster Rental [26] heeft miskend. Volgens het onderdeel blijkt uit dit arrest dat een professionele autoverkoper als [verweerders] , die weet dat het overgespoten zijn van de spatborden duidt op schade aan de auto, in beginsel met een mededeling daarover aan de koper kan volstaan,
mitshij de bestaande twijfel omtrent de juistheid van de staat van de auto met voldoende duidelijkheid aan de koper mededeelt. In dit geval heeft [verweerder 1] , aldus het onderdeel, ondanks de twijfels die hij, gezien het overgespoten zijn van het voorspatbord, moest hebben gehad, geen enkele mededeling gedaan, laat staan een mededeling die, zoals het genoemde arrest vereist, duidelijk genoeg was voor [eiser] , zodat [eiser] nader onderzoek kon (laten) doen.
3.26
Ten slotte klaagt het onderdeel nog dat het hof is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk heeft geoordeeld door in deze omstandigheden, waarin [verweerders] zelf stellen dat (rov. 6.7.7.) zij ten tijde van de koop op de hoogte waren van een feit dat hen aan het twijfelen had moeten brengen over de staat van de auto, te oordelen dat het aan [eiser] was om voldoende onderbouwd te stellen dat er een garantie was dat de auto “
unfallfrei” was, dat [verweerders] wisten dat sprake was van een schadeverleden, of dat [eiser] verder moest onderbouwen dat (rov. 6.7.8.) [verweerders] – naar ik begrijp [27] – het schadeverleden van de auto hadden moeten onderzoeken of dat [verweerders] ten tijde van de verkoop van de auto wisten of behoorden te weten dat de auto niet de eigenschappen bezat die nodig zijn voor het normaal gebruik ervan.
3.27
De klachten falen. Ik licht hierna toe waarom.
3.28
Zie ik het goed, dan draaien de klachten allemaal om de vraag of er niet toch reden was voor twijfel bij [verweerders] over het schadeverleden van de auto. Die reden voor twijfel zou, zo wordt in de procesinleiding aangevoerd, gelegen zijn in de verwarring omtrent de lak van het spatbord linksvoor. Volgens het onderdeel had die twijfel moeten aanzetten tot het doen van onderzoek naar het schadeverleden van de auto en/of tot het doen van een voldoende duidelijke mededeling over die twijfel.
3.29
Het hof heeft, na een weging van de onderbouwing door partijen over en weer van de relevante stellingen en betwistingen zoals weergegeven in rov. 6.7.2. en 6.7.3., in rov. 6.7.8. niet zonder meer geoordeeld dat [verweerders] niet zelf onderzoek naar het ongevalsverleden van de auto hoefden te doen. [28] Voor een dergelijk onderzoek, ik ging daarop al in randnummer 3.17 hiervoor in, zou volgens het hof, zo lees ik rov. 6.7.8., aanleiding zijn wanneer [verweerders] voorafgaand aan of ten tijde van de verkoop aan [eiser] wisten of behoorden te weten dat de auto niet de eigenschappen bezat die nodig zijn voor het normaal gebruik van de zaak. Dat van een dergelijke, in mijn woorden: ‘verontrustende indicatie’, sprake was, heeft [eiser] volgens het hof niet voldoende onderbouwd, zodat het hof, voor zover [eiser] heeft willen betogen dat [verweerders] zelf onderzoek naar het ongevalsverleden van de auto moesten doen, hem daarin niet volgt. In dat oordeel ligt besloten dat het hof geen aanleiding heeft gezien voor een onderzoeks- of mededelingsplicht te verbinden aan twijfel ingegeven door onduidelijkheid over het spatbord linksvoor. Gelet op het partijdebat is dat wat mij betreft goed te volgen en in ieder geval niet onbegrijpelijk (vergelijk randnummers 3.16-3.19 hiervoor).
3.3
Voorts is de verwijzing naar de parlementaire geschiedenis en het arrest
[…] / […] en Rantonaldaar niet
to the point. Daar is te lezen dat met de woorden “
en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen” in de zin van de tweede volzin van art. 7:17 lid 2 BW Pro wordt gerefereerd aan de onderzoeksplicht die afhankelijk van de omstandigheden van het geval op de koper kan rusten en dat hiervoor de hoedanigheid van partijen van belang zal zijn in de zin dat op een professionele koper een zwaardere onderzoeksplicht zal rusten dan op een particuliere koper, met name indien de eerstbedoelde koper de zaak van een particuliere verkoper heeft gekocht. [29] De parlementaire geschiedenis ziet op het geval dat een (professionele) koper van mening is dat hij een zaak geleverd heeft gekregen die niet geschikt is voor normaal gebruik en de (particuliere) verkoper hem tegenwerpt dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Dat is een ander geval dan het onderhavige. In het onderhavige geval gaat het om de particuliere koper [eiser] die van mening is dat de door professionele verkopers [verweerders] afgeleverde auto niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. De door de klacht onderstreepte passage in de parlementaire geschiedenis heeft betrekking op de vraag of het verschil zou maken voor de vraag naar een eventuele onderzoeksplicht van de koper (en de in dat verband te verlangen inspanningen) of de koper niet een particulier is maar een professional. Het antwoord, niet verrassend, luidt bevestigend. Zo zou het verschil hebben kunnen maken dat [eiser] een handelaar zou zijn geweest. De klacht suggereert echter dat van
verkoper[verweerders] in de relatie tot koper [eiser] op het vlak van onderzoek meer kon worden verwacht. Wat daar verder van zij, dit volgt in ieder geval niet uit de bedoelde passage in de parlementaire geschiedenis en evenmin uit het daarin genoemde arrest van Uw Raad. [30]
3.31
Ook de verwijzing naar het arrest
[…] /Westminster Rentalmag niet baten. [31] In dit arrest heeft Uw Raad in het kader van het dwalingsleerstuk geoordeeld dat ook een professionele autoverkoper in beginsel, mits hij de bestaande twijfel omtrent de juistheid van de kilometerstand met voldoende duidelijkheid aan de koper mededeelt, met een dergelijke mededeling mag volstaan en aan de koper mag overlaten of deze daaromtrent nader onderzoek wenst te (laten) doen. [32] Het arrest gaat over de vraag wanneer de verkoper aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan. In het onderhavige geval draait het om een vraag die daaraan voorafgaat: was er reden voor twijfel die zou dwingen tot het meedelen daarvan? Was er wel een mededelingsplicht? Het hof heeft geoordeeld dat [eiser] niet voldoende heeft onderbouwd dat sprake was van een mededelingsplicht (zie hierover randnummer 3.29 hiervoor). Gelet op dit oordeel, dat niet onbegrijpelijk is (randnummers 3.16-3.19 hiervoor), is het hof niet toegekomen aan de regel uit het arrest
[…] /Westminster Rental. [33]
3.32
De klacht, dat het hof, gelet op de omstandigheid dat [verweerders] zelf stellen dat zij ten tijde van de koop op de hoogte waren van een feit dat hen, volgens [eiser] , aan het twijfelen had moeten brengen over de staat van de auto, ten onrechte heeft geoordeeld dat de stelplicht op [eiser] rust, faalt. Voorop moet worden gesteld dat [eiser] als koper van de auto de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast draagt met betrekking tot de feiten en omstandigheden waaruit volgt welke eigenschappen hij op grond van de overeenkomst mocht verwachten en waaruit volgt dat die eigenschappen inderdaad ontbreken (randnummer 3.11 hiervoor). [34] De klacht neemt tot uitgangspunt dat het feit dat [verweerder 1] [eiser] erop heeft gewezen dat het spatbord linksvoor was overgespoten, terwijl de auto volgens het meetapparaat van [eiser] in de fabriekslak stond, [verweerders] aan het twijfelen had moeten brengen over de staat van de auto. Gelet op dit uitgangspunt hadden de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast anders moeten uitvallen dan zojuist beschreven, aldus de klacht. Daargelaten of dat klopt, heeft het hof niet geoordeeld, en gelet op het lot van de hiervoor besproken klachten ook niet hoeven oordelen, dat het feit dat [verweerder 1] [eiser] erop heeft gewezen dat het spatbord linksvoor was overgespoten, terwijl de auto volgens het meetapparaat van [eiser] in de fabriekslak stond, [verweerders] aan het twijfelen had moeten brengen over de staat van de auto (vergelijk randnummer 3.29 hiervoor). Het aan de klacht ten grondslag liggende uitgangspunt gaat niet op.
3.33
Onderdeel II is dus tevergeefs voorgesteld.
Onderdeel III
3.34
Met onderdeel III wordt geklaagd dat het hof het bewijsaanbod van [eiser] niet had mogen passeren.
3.35
Het onderdeel vangt aan met een verwijzing naar het bewijsaanbod dat [eiser] in randnummer 65. van zijn memorie van grieven heeft gedaan om [betrokkene 2] , [verweerder 1] en zichzelf als (partij)getuige te horen en om enkele stellingen te bewijzen. Ik citeer de in de procesinleiding genoemde onderdelen van het bewijsaanbod letterlijk:
“(i) [betrokkene 2] die samen met [eiser] bij de aankoop van het voertuig aanwezig was en uitdrukkelijk kan verklaren dat het voertuig reeds ten tijde van de aankoop als zijnde “
unfallfrei” werd aangeprezen;
(ii) [verweerder 1] die ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst aanwezig was en kan verklaren omtrent zijn toezeggingen dat het voertuig unfallfrei zou zijn;
(iii)
[eiser]als (partij)getuige die kan verklaren omtrent de aanprijzen van het voertuig als zijnde “
unfallfrei”, alsmede het ná aankoop vastgestelde schadeverleden (en de hieraan verbonden gevolgen);
(…)
A. Reeds tijdens de aankoopfase en het aangaan van de koopovereenkomst is het voertuig als zijnde “unfallfrei” door geïntimeerden, althans [verweerder 1] , aangeprezen;
B. Geïntimeerden hadden deze informatie reeds ten tijde van de aankoop, althans hadden hiervoor redelijkerwijs kunnen beschikken;
C. Geïntimeerden hebben nagelaten om [eiser] als consument naar waarheid en volledig te informeren;”
3.36
In dit verband voert het onderdeel aan dat de stellingen, die te bewijzen zijn aangeboden, concreet en relevant zijn voor de uitkomst van de zaak. Volgens het onderdeel was het hof dan ook gehouden om op grond van art. 166 lid 1 jo Pro. 362 en 284 Rv – bedoeld zal zijn art. 166 lid 1 in Pro verbinding met art. 353 lid 1 Rv Pro [35] – [eiser] tot getuigenbewijs toe te laten.
3.37
Het onderdeel voert voorts aan dat, voor zover het hof zijn oordeel in rov. 6.7.7. over het passeren van het bewijsaanbod heeft gebaseerd op de in klacht I en II – bedoeld zijn (de klachten van) wat ik hiervoor als onderdeel I en II heb aangeduid – aan de orde gestelde onjuiste rechtsopvattingen, het oordeel op grond van die klachten niet in stand kan blijven. Deze klacht bouwt dus voort op onderdeel I en II en deelt daarom het lot ervan.
3.38
Verder is het onderdeel gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.7.5. en 6.7.6. om [betrokkene 2] niet als getuige te horen. Het onderdeel voert aan dat dat oordeel rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat [betrokkene 2] kan verklaren wat partijen zeiden toen de auto werd opgehaald, wat een indicatie kan zijn van wat eerder telefonisch werd besproken. In dat verband verwijst het onderdeel naar de arresten van Uw Raad inzake
International Strategies Group/The Royal Bank of Scotland [36] en
[…] /TMF. [37]
3.39
De klachten falen wat mij betreft. Het hof heeft, na weging van de onderbouwing door partijen over en verweer van de stellingen en betwistingen, geoordeeld dat alle omstandigheden, waarop [eiser] zich heeft beroepen ter onderbouwing van zijn stellingen, niet zijn komen vast te staan, waarna het hof heeft geoordeeld dat bewijslevering niet aan de orde is (rov. 6.7.7.). Dat het hof bij deze stand van zaken niet is toegekomen aan de vraag of de te bewijzen aangeboden stellingen voldoende concreet en relevant zijn, is onjuist noch onbegrijpelijk.
3.4
Daar komt bij dat ook nog wel wat valt af te dingen op de klacht die is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.7.5. en 6.7.6. om [betrokkene 2] niet als getuige te horen. Het aanbod om [betrokkene 2] als getuige te horen heeft alles te maken met de stelling van [eiser] dat [verweerders] zouden hebben gegarandeerd dat de auto “
unfallfrei” was, althans dat zij de auto als zodanig hebben aangeprezen (rov. 6.7.2.). [verweerders] hebben dat betwist (rov. 6.7.3.). Het hof heeft in rov. 6.7.6. vastgesteld dat de koopovereenkomst is gesloten in een telefoongesprek tussen [eiser] en [verweerder 1] , na [eiser] eerste bezoek aan [verweerders] en voorafgaand aan het tweede bezoek tijdens welk het contract werd ondertekend. Vaststaat ook dat [betrokkene 2] alleen bij het tweede bezoek aanwezig was. Niet gesteld of gebleken is, zo heeft het hof daarop overwogen, dat [eiser] het telefoongesprek waarin de koopovereenkomst werd gesloten, in aanwezigheid van [betrokkene 2] heeft gevoerd. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat het bewijsaanbod om [betrokkene 2] als getuige te horen “
die kan verklaren dat het voertuig reeds ten tijde van de aankoop als “unfallfrei” werd aangeprezen” daarom niet ter zake dienend is.
3.41
Volgens het bewijsaanbod zou [betrokkene 2] bij de aankoop van de auto aanwezig zijn geweest, en zou hij kunnen verklaren dat het voertuig reeds ten tijde van de aankoop als zijnde “
unfallfrei” werd aangeprezen (randnummer 3.38 hiervoor). [betrokkene 2] was echter niet aanwezig bij het eerste bezoek van [eiser] en niet gesteld of gebleken is dat hij aanwezig was bij het telefoongesprek waarin de koopovereenkomst werd gesloten. Hij kan dus niet verklaren dat de auto reeds ten tijde van de aankoop als “
unfallfrei” werd aangeprezen. Dat het hof bij die stand van zaken het bewijsaanbod heeft gepasseerd is onjuist noch onbegrijpelijk.
3.42
Het onderdeel suggereert nu dat dat toch wel zo is, omdat “
[betrokkene 2] kan verklaren wat partijen zeiden toen de Porsche werd opgehaald” terwijl “
dit een indicatie kan zijn van wat eerder telefonisch werd besproken”. Aan de daaraan door het onderdeel te verbinden conclusie staat reeds in de weg dat dit een
anderaanbod is dan door [eiser] is gedaan. De verwijzing in dit verband naar de arresten van Uw Raad inzake
International Strategies Group/The Royal Bank of Scotlanden
[…] /TMF, die inderdaad betrekking hebben op de vraag of latere gedragingen een rol kunnen spelen bij de uitleg van een rechtshandeling, kan in dit verband niet baten. Daar wordt het bewijsaanbod niet anders van.
3.43
Onderdeel III is dus tevergeefs voorgesteld.
Onderdeel IV
3.44
Onderdeel IV bevat een voortbouwklacht die voortbouwt op onderdelen I-III en het lot van die onderdelen dus deelt.
Slotsom
3.45
Nu het middel tevergeefs is voorgesteld, strekt de conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Deze feiten zijn, met een enkele redactionele aanpassing, ontleend aan het bestreden arrest: hof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:646, rov. 6.2.1.-6.2.10. Uit rov. 6.1. blijkt dat het hof in hoger beroep is uitgegaan van door de kantonrechter vastgestelde en in hoger beroep niet betwiste feiten, aangevuld met enkele andere feiten.
2.Ontleend aan Rb. Limburg 31 mei 2023, zaaknummer: 9821887 CV EXPL 22-1892, hersteld bij vonnis van 21 juni 2023 met hetzelfde zaaknummer (geen van beide gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 2.16. Zie ook het bestreden arrest, rov. 6.3.2.
3.Uit Rb. Limburg 31 mei 2023, zaaknummer: 9821887 CV EXPL 22-1892, hersteld bij vonnis van 21 juni 2023 met hetzelfde zaaknummer (geen van beide gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 2.16. blijkt dat dit bedrag als volgt is opgebouwd: “(…)
4.Vergelijk Rb. Limburg 31 mei 2023, zaaknummer: 9821887 CV EXPL 22-1892, hersteld bij vonnis van 21 juni 2023 met hetzelfde zaaknummer (geen van beide gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 2.15. en het bestreden arrest, rov. 6.3.1.
5.Rb. Limburg 31 mei 2023, zaaknummer: 9821887 CV EXPL 22-1892, hersteld bij vonnis van 21 juni 2023 met hetzelfde zaaknummer (geen van beide gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 2.17. Zie ook het bestreden arrest, rov. 6.3.3.
6.Rb. Limburg 31 mei 2023, zaaknummer: 9821887 CV EXPL 22-1892 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
7.Rb. Limburg 21 juni 2023, zaaknummer: 9821887 CV EXPL 22-1892 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
8.Het bestreden arrest: hof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:646.
9.Dit is het arrest
10.HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1338,
11.HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8295,
12.Conclusie van A-G Drijber (ECLI:NL:PHR:2018:396) voor HR 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:919,
13.TM,
14.In het kader van deze klacht wordt in de laatste zin van het laatste randnummer (5.) van dit onderdeel I tussen haakjes verwezen naar rov. 6.2.2., 6.2.3. en 6.2.9. van het bestreden arrest, randnummers 2.7.-2.14. en 3.17. van de inleidende dagvaarding en randnummers 14., 31., 32. en 51.-58. van de memorie van grieven.
15.Richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG, en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG (
16.Implementatiewet richtlijnen verkoop goederen en levering digitale inhoud,
17.Art. 24 lid 2 van Pro de nieuwe Richtlijn consumentenkoop en
18.De voornaamste wijziging die de Implementatiewet richtlijnen verkoop goederen en digitale inhoud op het gebied van (non-)conformiteit teweeg heeft gebracht, is dat in het huidige art. 7:18 BW Pro voor consumentenkoop wordt uitgewerkt aan welke ‘conformiteitscriteria’ de afgeleverde zaak met name moet voldoen om aan de overeenkomst te beantwoorden. Voordien werd dit enkel in art. 7:17 lid Pro 2-5 BW uitgewerkt.
20.Zie onder meer Asser Bijzondere overeenkomsten/Jac. Hijma,
21.Zie bijvoorbeeld K.J.O. Jansen,
22.Asser Bijzondere overeenkomsten/Jac. Hijma,
23.HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1338,
24.Zie in dit verband W.L. Valk, in R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk (red.),
25.MvA II,
26.HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2410,
27.In randnummer 9. van de procesinleiding is deze omstandigheid – abusievelijk – niet volledig uitgeschreven. Daar staat slechts “
28.In randnummer 7. van procesinleiding wordt tussen haakjes gewezen op de discrepantie tussen het bericht van [verweerder 1] dat ten tijde van de koop het spatbord volgens hem nieuw was (randnummer 3.23 hiervoor en rov. 6.2.7. van het bestreden arrest) en de stelling van [verweerders] dat zij hebben gezegd dat het spatbord linksvoor gespoten was (randnummer 3.24 hiervoor en rov. 6.7.3. van het bestreden arrest). Gelet op de “
29.MvA II,
30.Het gaat om HR 15 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC4399,
31.HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2410,
32.HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2410,
33.In genoemd arrest ging het om een kilometerstand die vragen opriep. De professionele verkoper hoeft dan geen onderzoek te doen, maar kan volstaan met het, op voldoende duidelijke wijze, meedelen van zijn twijfels. Tot meer (onderzoek bijvoorbeeld) is hij niet gehouden. Zie in dit verband de instemmende
34.Zie in dit verband W.L. Valk, in R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk (red.),
35.De in de procesinleiding genoemde bepalingen zijn van toepassing in het geval van verzoekschriftprocedures. In het onderhavige geval betreft het een dagvaardingsprocedure.
36.HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741,
37.HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063,