Conclusie
[eisers]) hebben een uit 1750 daterende Midden-Limburgse hoeve gekocht van verweerders in cassatie (hierna:
[verweerders]). Zij stellen na de levering diverse gebreken te hebben geconstateerd, waaronder de aanwezigheid van asbest en verkleuringen in het witte buitenschilderwerk. [eisers] stellen dat met betrekking tot deze gebreken sprake is van non-conformiteit als bedoeld in art. 7:17 BW Pro. Rechtbank Limburg en gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna:
het hof) zijn daar niet in meegegaan. [eisers] komen daartegen op met voornamelijk motiveringsklachten.
1.Feiten
Zijn er voor zover u bekend in het pand en/of in een bijgebouw (...) Eternietplaten, asbestplaten of ander asbesthoudenmateriaal aangebracht?
“De door de verkoper geuitte claim uitstekend onderhouden aantoonbaar wordt weerlegd door onderstaande gebreken zoals vastgesteld in het bouwkundig onderzoek d.d. 10-10-2008.”Op 1 november 2008 hebben [eisers] meegedeeld van de koop af te gezien.
Uiteindelijk komen we weer uit bij onze eerste liefde, het prachtige huis aan de Hoofdstraat 17 te Herten. Graag willen we dan ook weer een bieding uitbrengen. (...) Bieding: (...). De discussie zoals tussen ons gevoerd in oktober 2008 over de bouwkundige staat t.a.v. de houtaantastende insecten wordt niet meer herhaald: er wordt geen nieuw bouwkundig onderzoek aangevraagd.”
“Compleet buitenschilderwerk in 2009”, alsmede de volgende bepalingen:
Verantwoording: Hoewel de grootst mogelijke zorgvuldigheid bij de samenstelling van deze brochure is betracht, aanvaarden wij geen aansprakelijkheid voor de juistheid van de vermelde gegevens. (...)
5.3 De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als: woonhuis. (...) Verkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. Verkoper staat ook niet in voor de afwezigheid van gebreken die dat normale gebruik belemmeren en die aan koper kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst.
Artikel 6
2.Procesverloop
asbest:
3.8.1. De derde grief van [eisers] betreft de beslissing van de rechtbank dat - anders dan [eisers] hebben gesteld - zij er niet van uit mochten gaan dat asbesthoudende eternietplaten zich uitsluitend in het dak boven het koetshuis bevonden aangezien dat dak zich zichtbaar ook uitstrekt over het koetsiershuisje en over 1/3 deel van de hoeve.
Zij stellen dat zij er op grond van deze bepaling niet op hoefden te rekenen dat zich ook in het dak van het koetsiershuisje en in een deel van het dak van de hoeve asbesthoudende eternietplaten bevonden. Achteraf bleek dit wel het geval te zijn. [eisers] stellen dat het gekochte hiermee - in strijd met artikel 7:17 BW Pro - niet de eigenschappen bezat die zij op grond van de overeenkomst mochten verwachten.
buitenschilderwerk:
3.9.1. De vierde grief van [eisers] betreft het schilderwerk. Uit de toelichting op de grief begrijpt het hof dat dat [eisers] zich in het bijzonder beklagen over terugkerende bruine vlekken op het (witte) schilderwerk van een of meer buitengevels.
3.Juridisch kader
eerste volzinvan art. 7:17 lid 2 BW Pro maakt duidelijk wanneer een zaak
nietbeantwoordt aan de overeenkomst en er dus sprake is van
non-conformiteit:
2. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. (…).”
eerste volzinvan art. 7:17 lid 2 BW Pro volgt dat een conformiteitsoordeel scharniert op de vraag of de koper op grond van de overeenkomst
mocht verwachtendat de door hem gekochte zaak bepaalde eigenschappen zou bezitten of juist niet zou hebben. [15] Beslissend is derhalve het gerechtvaardigde verwachtingspatroon van de koper omtrent de eigenschappen van de zaak. Bij het vaststellen van dit verwachtingspatroon is niet alleen de koopovereenkomst van belang, maar spelen alle (relevante) omstandigheden van het geval een rol. [16] In de wetgeschiedenis worden als voorbeelden van dergelijke omstandigheden genoemd: de aard van de zaak, de door de verkoper over de zaak gedane mededelingen - beide thans genoemd in art. 7:17 lid 2 BW Pro - de hoogte van de prijs, het soort winkel waarin de zaak is verkocht en de omstandigheden waaronder de koop plaatsvond. [17] Ook de wetenschap die de koper heeft of behoort te hebben speelt hierbij een rol. Dit volgt uit het arrest
KTDC/Impro, waarin de Hoge Raad, algemeen gezegd, aangeeft dat voor het antwoord op de vraag wat de koper mag verwachten niet alleen van belang is waarvan de verkoper ter zake van de eigenschappen van de zaak uitgaat en hetgeen deze daarover aan de koper heeft medegedeeld, maar ook wat de koper ten tijde van het aangaan van de overeenkomst over deze eigenschappen wist dan wel redelijkerwijs had kunnen weten. [18]
tweede volzinvan art. 7:17 lid 2 BW Pro kleurt vervolgens de in de eerste volzin gegeven algemene regel nader in door het volgende te bepalen :
gebruikdat van de zaak zal worden gemaakt. [19]
“waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen”, [20] maar aangenomen wordt dat zij ook reeds in het slot van de eerste volzin (
“mocht verwachten”) besloten ligt. [21] Schendt de koper zijn onderzoeksplicht, dan komt hem geen beroep op non-conformiteit toe. [22] Dit kan weer anders zijn als de verkoper een op hem rustende mededelingsplicht heeft geschonden, zoals volgt uit het arrest
[…] /Gemeente Kampen. In dit arrest heeft Hoge Raad de voor dwaling ontwikkelde regel dat een mededelingsplicht in beginsel (behoudens de bijzondere omstandigheden van het geval) voorrang heeft boven een onderzoeksplicht toegepast binnen het kader van het conformiteitsvereiste: [23]
Gelet op de verwijzing in de eerste volzin van art. 7:17 lid 2 BW Pro naar ‘de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan’, wordt aangenomen dat de koper normaliter géén onderzoek behoeft te doen naar de juistheid van door de verkoper verstrekte inlichtingen over de eigenschapen van de zaak, althans indien die inlichtingen zodanig specifiek, serieus en (ook overigens) vertrouwenwekkend waren, dat de koper daarop in redelijkheid mocht afgaan.”
“of de koper redelijkerwijze op de mededeling van zijn wederpartij mocht bouwen.” [31]
(…) uiteindelijk van de aard van de overeenkomst, de omstandigheden van het geval en de opvattingen in het maatschappelijke verkeer [zal] afhangen of er ondanks de mededelingen van de verkoper toch nog een onderzoeksplicht bij de koper bestaat.” [33]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
hebbenmeegedeeld onjuist is en, anderzijds, dat zij relevante informatie hebben verzwegen.
redelijkerwijs niet hoefden te verwachten. Met betrekking tot de na de levering ontstane bruine vlekken op het buitenschilderwerk - waarvan onduidelijk is hoeveel dat er nu eigenlijk zijn – kan worden betwijfeld of wel is aangetoond dat sprake is van
gebrek.
pro ratatoedeling van de algemene kosten). [37]
allereerstdat het hof in de bestreden rechtsoverwegingen (rov. 3.8.1-3.8.6) uitsluitend ingaat op de stelling van [eisers] dat zij
op grond van art. 5.4.3 van de koopovereenkomst [38] er niet op hoefden te rekenen dat zich ook in het dak van het koetsiershuisje en in een deel van het dak van de hoeve asbesthoudende eternitplaten bevonden. Het hof miskent daar volgens [eisers] mee dat zij ook andere stellingen aan hun vordering ter zake van de non-conformiteit wegens de asbesthoudende eternitplaten ten grondslag hebben gelegd, te weten (onderstreping toegevoegd; A-G): [39]
a. dat [verweerders] in een door [eisers] aan hen ter hand gestelde vragenlijst verklaard hebben dat enkel sprake was van asbest in het koetshuis en dat deze verklaring inhoudt:
aanvullingen
uitbreidingvan deze grondslag behelst. [42] Daarvan is geen sprake als de rechter een bepaalde, door een partij aan zijn vordering, verzoek of verweer ten grondslag gelegde stelling niet in zijn oordeel heeft betrokken. Daarnaast is het vaste rechtspraak dat de rechter niet verplicht is om in te gaan op alle argumenten en stellingen die procespartijen ter ondersteuning van hun standpunt aanvoeren. Alleen als
essentieelaan te merken stellingen mag de rechter niet onbehandeld laten of ongemotiveerd verwerpen. [43] De klacht over de schending van art. 24 Rv Pro stuit reeds hierop af.
vervolgensaan dat, zo het hof in hetgeen [eisers] hebben gesteld niet de onder 4.5 genoemde essentiële stellingen zou hebben gelezen, dit oordeel onbegrijpelijk is, nu het door [eisers] gestelde zich niet anders laat verstaan dan dat zij deze stellingen wél hebben betrokken.
tot slotdat, indien het hof tot het oordeel is gekomen dat voornoemde stellingen niet essentieel zouden zijn, dit oordeel onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd is. Volgens het subonderdeel heeft het hof (met name) miskend dat mededelingen van de verkoper omtrent de zaak die als serieuze inlichtingen kunnen worden aangemerkt, in het algemeen een beroep op non-conformiteit rechtvaardigen als de werkelijkheid van het gemelde afwijkt. [46] Althans heeft het hof, aldus nog steeds het subonderdeel, niet (voldoende) gemotiveerd waarom de door [verweerders] gedane mededelingen als aan de orde gesteld in voornoemde stellingen geen serieuze inlichtingen zouden vormen.
“deze stellingen van [eisers] ”gemotiveerd hebben bestreden. Indien dit oordeel (mede) betrekking zou hebben op de stelling van [eisers] dat achteraf bleek dat ook het dak van het koetsiershuisje en een deel van het dak van de hoeve asbesthoudende eternitplaten bevatten, dan is dit oordeel volgens het subonderdeel onbegrijpelijk. Deze stelling zou door [verweerders] namelijk niet, laat staan gemotiveerd, zijn betwist.
Kern van de klacht van [eisers] is dat zij weliswaar bekend waren met het feit dat het gekochte asbesthoudend materiaal in de dakbedekking bevatte, maar dat zij onjuist zijn geïnformeerd omtrent de hoeveelheid asbest.”
In de onroerende zaak kunnen asbesthoudende stoffen aanwezig zijn” en: “
Koper (…) vrijwaart verkoper voor alle aansprakelijkheid die uit de aanwezigheid van enig asbest in de woning voortvloeien.” Deze asbestclausule heeft dus betrekking op de gehele woning en niet slechts op het koetshuis. Ten tweede bedienen [eisers] zich van een
a contrario-redenering, namelijk dat zij erop mochten vertrouwen dat in de in art. 5.4.3 niet genoemde onderdelen van het gekochte geen asbest was verwerkt. [51] Ten derde is de (enkele) stelling dat art. 5.4.3 moest worden betrokken bij de toepassing van art. 5.4.3.1 niet van zodanig gewicht dat het hof daarin aanleiding had moeten zien om de asbestclausule toe te passen zoals door het subonderdeel wordt voorgestaan. Het hof kon aan deze stelling op dit punt voorbij gaan. Ten vierde wijs ik op rov. 3.8.4 waar het hof (ten overvloede) overweegt dat [eisers] onvoldoende hebben gesteld om te kunnen concluderen dat [verweerders] expliciet hebben toegezegd dat in het dak boven het koetsiershuisje en boven de hoeve géén asbest aanwezig was (in cassatie onbestreden). Ik voeg daar nog aan toe dat nergens uit blijkt dat [eisers] ooit aan [verweerders] of hun makelaar hebben gevraagd dat laatste te bevestigen.
“reeds op grond van het voorgaande”, gedragen door rov. 3.8.3. [52] De overwegingen in rov. 3.8.4 zijn in zoverre overwegingen ten overvloede, zoals de zinsnede
“mogelijk zou anders moeten worden geoordeeld indien”ook duidelijk maakt. Derhalve is met het falen van subonderdelen 1.1 tot en met 1.5 gegeven dat onderdeel 1 in zijn geheel niet tot cassatie kan leiden. De subonderdelen 1.6 en 1.7, beide gericht tegen rov. 3.8.4 behoeven bij deze stand van zaken geen bespreking. Mocht uw Raad evenwel anders oordelen, dan noopt dat tot behandeling van deze twee laatste subonderdelen, omdat het in rov. 3.8.4 gegeven oordeel de beslissing van het hof ook zelfstandig zou kunnen dragen.
“dat mogelijk anders zou moeten worden geoordeeld indien door [verweerders] expliciet zou zijn toegezegd dat in het dak boven het koetsiershuisje en boven de hoeve géén asbest aanwezig was.”Volgens het subonderdeel miskent het hof aldus dat serieuze inlichtingen bij gebleken onjuistheid in het algemeen een beroep op non-conformiteit rechtvaardigen, [53] althans heeft het hof niet (voldoende) gemotiveerd waarom de door [verweerders] gedane mededelingen geen serieuze inlichtingen zouden vormen. Gezien de door [verweerders] gegeven serieuze inlichtingen aan [eisers] was
“een expliciete toezegging”niet vereist om non-conformiteit aan te nemen.
eerstepijlen van het subonderdeel zijn gericht op het oordeel dat [eisers] er rekening mee moesten houden dat ook elders in de dakbedekking sprake zou kunnen zijn van asbest. Het hof zou hebben miskend dat [eisers] gezien de mededeling van [verweerders] dat het dak van het
koetshuisasbest bevatte erop mochten vertrouwen dat de rest van het dakbeschot asbestvrij was.
“dit klemt temeer resp. althans”) komt het subonderdeel op met de motiveringsklacht dat die feiten en omstandigheden het gegeven oordeel niet kunnen dragen. Hiertoe voert het subonderdeel aan:
onder 1weergegeven stelling gaat niet op. Op p. 3 van het rapport staat vermeld dat de vraag of er asbesthoudende materialen in of buiten de woning aanwezig zijn door de verkoper en/of de makelaar met
“Ja”is beantwoord. De inspecteur heeft daarbij de opmerking geplaatst:
“Dakbeschot, vermoedelijk rookgasafvoer.”Op p. 5 van het rapport wordt voorts vermeld:
“De opstal verkeerd in redelijke conditie. Het dakbeschot is van asbesthoudende materialen. (…).”Aldus wordt in het rapport van Perfectbouw wel degelijk een melding gedaan van een ‘asbesthoudend dakbeschot anders dan boven het koetshuis’, zij het in algemene termen. Of deze vermeldingen (mede) voldoende zijn om te kunnen oordelen dat [eisers] er rekening mee moesten houden dat ook in het dak van het koetsiershuisje en (een deel van) de hoeve asbest zou kunnen zijn verwerkt, kan in het midden blijven, nu daarover niet wordt geklaagd (en het hof overigens algemeen spreekt van asbest
“op andere plaatsen”).
onder 2.Inderdaad heeft het voorbehoud in het rapport van Perfectbouw waarop het hof wijst, [55] een algemeen en abstract karakter. In zoverre volgt uit dat voorbehoud
op zichzelfniet dat [eisers] er (concreet) rekening mee moesten houden dat ook elders in het dakbeschot asbest verwerkt zou kunnen zijn. Maar dat overweegt het hof ook niet. Uit het woord
“bovendien”, waarmee het hof zijn bestreden overweging begint, blijkt dat het hof dit voorbehoud niet als een zelfstandige omstandigheid (in de door het subonderdeel voorgestane zin) aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, maar veeleer als voortbouwend op het gegeven dat in het rapport van Perfectbouw melding wordt gemaakt van asbesthoudend dakbeschot anders dan boven het koetshuis. Dat het hof dit betrekt in zijn oordeel dat [eisers] rekening moesten houden met asbest op andere plaatsen dan in het dakbeschot van het koetshuis is niet onbegrijpelijk.
onder 3bestreden omstandigheden aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Daargelaten dat in de procesinleiding niet wordt aangegeven waarom het oordeel van het hof in het licht van de genoemde stellingen aan een motiveringsgebrek zou lijden, ligt de verwerping van de door het subonderdeel genoemde stellingen in de overweging van het hof besloten. Het hof overweegt immers niet alleen dat
[verweerders] in voldoende mate hebben onderbouwddat het dak van het koetshuis samen met het dak van het koetsiershuisje en 1/3 deel van de hoeve één geheel vormt, maar spreekt heel algemeen van
“het dak”, in welke algemeenheid de verwerping van de stellingen besloten ligt.
all over the placete zitten, zelfs in de binnenwanden. Daarin boren was zonder veiligheidsmaatregelen niet verantwoord en normaal gebruik als woonhuis was niet mogelijk. Een dergelijke situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor.
“compleet schilderwerk”in 2009, terwijl de muren slechts zijn overgeschilderd; en ii) de geschilderde buitenmuren vertonen bruine verkleuringen.
scratchaf aan zou zijn gedaan (dus compleet met het afbranden van oude verflagen, het prepareren van de ondergrond, etc.). De term compleet wordt dan heel letterlijk en kwalitatief uitgelegd. Het ligt m.i. meer voor de hand dat bedoeld is dat het schilderwerk van het gehele (‘complete’) huis in goede staat verkeert zodat het er weer even tegen kan. Dat is ook waar de rechtbank van uit is gegaan. [60]
mochtde koper - gelet op alle omstandigheden van het concrete geval -
verwachtendat de zaak bepaalde eigenschappen zou bezitten of juist niet zou bezitten? Hieraan ziet het subonderdeel - dat in de kern betoogt dat de non-conformiteit voor wat betreft het buitenschilderwerk
een gegevenis - voorbij.
“dat [eisers] gemotiveerd gesteld hebben dat dit schilderwerk ten tijde van deze aankoop ondeugdelijk was, wat zich niet anders laat verstaan, dan dat zij wél betwist hebben dat dit schilderwerk toen deugdelijk geweest zou zijn.”
“Door [eisers] is niet dan wel onvoldoende betwist (…)”. Dit oordeel kan niet met succes bestreden worden met de klacht dat [eisers] dit een en ander
“wél betwist hebben”: dat de stellingen van [eisers] een dergelijke betwisting (kunnen) behelzen - zij het volgens het hof onvoldoende - komt immers wel degelijk tot uitdrukking in de bestreden overweging. In zoverre acht ik het aldaar gegeven oordeel niet onbegrijpelijk. Dat de stellingen van [eisers] een
voldoendebetwisting in zouden houden, wordt door het subonderdeel niet gesteld. Het subonderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld. [62]
verborgen gebrek.Uit het feit dat [eisers] de kwaliteit van de gevels en het schilderwerk hebben kunnen waarnemen kan daarom niet “
volgen dat er ‘dus’ geen aan dit verborgen gebrek gerelateerd non-conformiteit zou zijn”. Het hof had moeten responderen op de stelling van [eisers] dat [verweerders] niet hebben medegedeeld dat sprake was van terugkerende bruine en overgeschilderde verkleuringen. Bovendien, aldus nog steeds het subonderdeel, ligt in deze stelling
“onmiskenbaar besloten”dat [verweerders] dit hadden moeten mededelen.
“onjuist”) beoogt op te komen tegen het oordeel van het hof, zonder dat wordt aangegeven in welk opzicht het hof met zijn bestreden oordeel het recht zou hebben geschonden. Bovendien is het bestreden oordeel van feitelijke aard, zodat dit oordeel in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst.
verborgengebrek vormen -, niet zonder meer valt in te zien waarom uit het feit dat [eisers] de kwaliteit van de gevels en het schilderwerk hebben kunnen waarnemen (omdat zij de gevels zowel vóór als na de schilderbeurt in 2009 meermaals hebben bezichtigd) mede zou volgen dat geen sprake is van non-conformiteit. Wat is verborgen is immers niet met het blote oog waarneembaar.
“compleet buitenschilderwerk”, welke mededeling onmiskenbaar een serieuze inlichting van de verkoper is (
klacht 1). Verder klaagt het subonderdeel dat als [eisers] niet mochten verwachten dat de ondergrond van het buitenschilderwerk van
nieuwbouwwoningkwaliteit was, daaruit niet volgt “
dat [eisers] niet erop mochten vertrouwen dat de ondergrond van het schilderwerk in elk geval van zodanige kwaliteit zou zijn, dat deze ondergrond niet (telkens) tot die bruine verkleuringen zou leiden”(
klacht 2). Dit klemt volgens het subonderdeel temeer omdat [eisers] de stelling hebben betrokken dat compleet schilderwerk óók behelst het verwijderen van oude en/of loszittende verflagen en het behoorlijk prepareren van de ondergrond en dat gebreken in de onderlaag moeten worden hersteld of bijgewerkt. Het subonderdeel concludeert dat het oordeel van het hof
“derhalve, mede gezien deze stellingen,”onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd is.
“mede”, zou willen betogen dat het oordeel van het hof onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd is op grond van andere stellingen (c.q. feiten en omstandigheden) dan de door het subonderdeel genoemde, loopt het stuk op de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. Voor het overige heeft ten aanzien van de drie door het onderdeel betrokken klachten het volgende te gelden.
“compleet schilderwerk”. Eerder ligt in het oordeel van het hof een verwerping van deze stelling besloten, in die zin dat [eisers] , gelet op de ouderdomsclausule, rekening moesten houden met gebreken in het schilderwerk die het gevolg zijn van de ouderdom van het gekochte registergoed (meer specifiek: de ouderdom van de ondergrond van het buitenschilderwerk), zoals in casu kennelijk de bruine verkleuringen. Een ouderdomsclausule stelt het verwachtingspatroon van de koper naar beneden bij, in die zin dat de koper er gezien de leeftijd van het gekochte, rekening mee moet houden dat aan de woning niet dezelfde eisen mogen worden gesteld als aan een nieuwe woning. [65] De charme van een oude hoeve heeft zijn prijs. In de omstandigheden van het geval konden [eisers] dan ook niet redelijkerwijs verwachten dat het schilderwerk zou inhouden dat die muren volledig zouden worden geprepareerd.
nieuwbouwkwaliteit mochten verwachten, (te) nietszeggend is (in het licht van de stellingen van [eisers] ). Dienaangaande verwijs ik naar hetgeen ik zojuist onder 4.47 heb opgemerkt. Ik voeg daar volledigheidshalve aan toe dat in het bestreden oordeel ligt besloten dat [eisers] , gelet op de ouderdomsclausule, rekening moesten houden met gebreken in het schilderwerk die het gevolg zijn van de ouderdom van de ondergrond van het schilderwerk, waaronder kennelijk de bruine verkleuringen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
“compleet schilderwerk”dient te worden verstaan. [66] Dit laatste kan m.i. moeilijk anders gelezen worden dan dat wordt gesteld wat [eisers] – gelet op de vermelding
“compleet schilderwerk 2009”in de verkoopbrochure – van (de kwaliteit van) het schilderwerk mochten verwachten. Het hof heeft dit betoog van [eisers] blijkens de laatste alinea van rov. 3.9.3 ook aldus opgevat. [67] Vervolgens heeft het hof deze verwachting van [eisers] ten aanzien van het schilderwerk als ‘niet zonder meer te aanvaarden’ verworpen. Daarmee heeft het hof, zij het summier, gerespondeerd op de stelling dat het uitgevoerde schilderwerk niet is aan te merken als compleet schilderwerk. Bij deze stand van zaken kon het hof in het midden laten wat in het onderhavige geval dan wél als
“compleet schilderwerk”had te gelden.
tweede klacht) dat het hof miskent dat [eisers] geen bijzondere omstandigheden hoefden te stellen, zulks reeds gezien de door de eerste klacht genoemde stelling dat compleet schilderwerk méér behelst dan het uitsluitend overschilderen van het schilderwerk. Ook deze klacht faalt. Afgezien van de zinsnede
“reeds gezien voornoemde stelling”, licht de klacht niet toe waarom het hof heeft miskend dat [eisers] geen bijzondere omstandigheden behoefden te stellen. Indien en voor zover de klacht ertoe strekt dat voornoemde stelling van [eisers] reeds voldoende grond vormde voor het oordeel dat sprake was van non-conformiteit (hetgeen het hof zou hebben miskend door bijzondere omstandigheden te vereisen), dient de klacht te falen omdat - evenals bij subonderdeel 2.1 - er dan aan voorbij wordt gegaan dat de gerechtvaardigde verwachtingen van de koper centraal staan bij de beantwoording van de conformiteitsvraag van art. 7:17 BW Pro. Het gaat dus om de vraag of [eisers] , gelet op alle omstandigheden van het geval, ‘compleet schilderwerk’ in de door hen kennelijk voorgestane zin mochten verwachten.
derde klachtomvat de stelling dat het hof
“sowieso (‘los’ van gestelde bijzondere omstandigheden)”had moeten vaststellen welke eigenschappen van het gekochte registergoed door [eisers] mochten worden verwacht.