Conclusie
Libra c.s.(in vrouwelijk enkelvoud). Verzoekster onder 1 als
Libraen verzoeker onder 2 als
[verzoeker 2]. Verweerder onder 1 als
[verweerder 1], verweerster onder 2 als
SCLI, verweerder onder 3 als
[verweerder 3]en verweerder onder 4 als
[verweerder 4].
1.Feiten
beschikking) van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het
hof). [1]
[de vader]), de vader van [verzoeker 2] , Libra International B.V. (hierna:
Libra Oud) opgericht ten behoeve van projectontwikkeling en het beheer van onroerend goed (voor derden). Libra Oud heeft een omvangrijke vastgoedportefeuille opgebouwd. [de vader] was enig aandeelhouder en bestuurder van Libra Oud. Hij heeft op een gegeven moment aan elk van zijn drie kinderen (hierna tezamen: [de kinderen]), [verzoeker 2] , [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]), ongeveer 6,9% van de aandelen in Libra Oud overgedragen. De door [de vader] gehouden aandelen in Libra Oud vielen in de huwelijksgoederengemeenschap van [de vader] en zijn echtgenote [de moeder] (hierna:
[de moeder]).
SCLI-statuten) als volgt: [2]
buitenstaanders).
blokkeringsregeling) luidt: [3]
Familieafspraken). [de vader] en [de kinderen] zijn in de kop, bij de opsomming van de partijen, tezamen aangeduid als “de Familieleden”. In de considerans staat onder meer:
Almade, een vennootschap van [betrokkene 2] ) een overeenkomst tot splitsing in de zin van art. 2:334cc BW van Libra Oud gesloten (hierna: de
splitsingsovereenkomst), inhoudende dat Libra Oud ophoudt te bestaan, 31,05% van Libra Oud wordt afgesplitst en overgaat naar Almade en de resterende aandelen overgaan naar een nieuw op te richten vennootschap met dezelfde naam, dus ‘Libra International B.V.’ (dit werd verzoekster onder 1 in cassatie, oftewel Libra). SCLI heeft met een unaniem bestuursbesluit ingestemd met deze splitsing. Bij een splitsing in de zin van art. 2:334cc BW kan een beroep worden gedaan op vrijstellingen met betrekking tot de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en overdrachtsbelasting indien de aandelen van de verkrijgende vennootschappen gedurende drie jaar na de splitsing niet worden vervreemd en de onderneming grotendeels in stand blijft. Met het oog op deze fiscale vrijstellingen zijn [verzoeker 2] , [betrokkene 2] en Almade in de splitsingsovereenkomst op straffe van een boete van € 100 miljoen overeengekomen dat zij gedurende drie jaar na de splitsing niet overgaan tot verkoop van aandelen in Libra en Almade of tot vervreemding van een substantieel deel (gesteld op meer dan 30% van het aantal eenheden) van beide vastgoedportefeuilles. De splitsingsovereenkomst bepaalt onder meer dat al het personeel in dienst van Libra Oud in dienst zal treden van Libra en dat sprake zal zijn, uitgaande van het door het hof gehanteerde citaat, van:
splitsing) in Libra en Almade. Als gevolg van de splitsing is Libra Oud opgehouden te bestaan en is haar vermogen verdeeld tussen, en onder algemene titel overgegaan op, Libra en Almade.
[betrokkene 3]), de partner van [verzoeker 2] . Het bestuur bestaat thans naast [betrokkene 3] uit [verzoeker 2] , [verweerder 1] en de buitenstaanders. De blokkeringsregeling in art. 16 lid 1 van Pro de statuten van Libra is gelijkluidend aan art. 16 lid 1 van Pro de statuten van Libra Oud, met dien verstande dat “ [de vader] ” is vervangen door “ [verzoeker 2] ” aan wie en aan wiens nazaten aandelen buiten de blokkeringsregeling om mogen worden overgedragen.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) verzocht om:
rechtbank-beschikking) heeft de rechtbank SCLI ontbonden, de griffier opgedragen daarvan opgaaf te doen aan de registers, het destijds zittende bestuur van SCLI benoemd tot vereffenaars van het vermogen, aan hen bevolen de prioriteitsaandelen in Libra aan Libra te verkopen tegen maximaal de nominale waarde, en aan hen opgedragen om zodra de vereffening eindigt daarvan opgaaf te doen aan de registers. De rechtbank heeft verder het meer of anders verzochte afgewezen en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
p-v).
Verzoek van Libra c.s.; oordeel van rechtbank; grieven van [verweerder 1]Libra c.s. verzoekt de ontbinding van SCLI, met benoeming van een vereffenaar die de door SCLI gehouden prioriteitsaandelen aan Libra moet verkopen. In de rechtbank-beschikking is SCLI ontbonden en zijn de huidige leden van het bestuur van SCLI tot vereffenaars benoemd, met het bevel de prioriteitsaandelen in Libra aan Libra te verkopen tegen maximaal de nominale waarde. De grieven richten zich tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. (rov. 4.1)
Wettelijke basis van verzoek van Libra c.s.Het verzoek van Libra c.s. is gegrond op art. 2:301 lid Pro 1, aanhef en onder b BW. Daarin is bepaald dat de rechtbank de stichting ontbindt op verzoek van een belanghebbende of het openbaar ministerie, indien het doel der stichting is bereikt of niet meer kan worden bereikt, en wijziging van het doel niet in aanmerking komt. (rov. 4.2)
Grondslag van verzoek van Libra c.s.Libra c.s. stelt dat de doelomschrijving van SCLI het in stand houden is van een achterhaalde beschermingsconstructie ten behoeve van een rechtspersoon die niet meer bestaat. Volgens Libra c.s. kan SCLI haar statutaire doel niet meer bereiken, omdat de huidige situatie wezenlijk verschilt van die ten tijde van oprichting van SCLI, de relevante fiscale termijnen zijn verstreken en de huidige algemene vergadering van Libra niet de bescherming vereist waarin SCLI voorziet. (rov. 4.4)
Strekking van grief 1 van [verweerder 1]Grief 1 strekt ertoe te betogen dat de rechtbank de verzoeken van Libra c.s. ten onrechte heeft toegewezen, omdat SCLI is opgericht om de continuïteit van ‘Libra International B.V.’ te waarborgen, Libra nog steeds kwalificeert als familievennootschap en het doel van SCLI nog steeds kan worden verwezenlijkt. (rov. 4.5)
Statutaire doel van SCLI; beschermingsconstructie
beschermingsconstructie) voor Libra Oud in het leven geroepen waarbij een scheiding is aangebracht tussen economisch eigendom en zeggenschap in de algemene vergadering. De gewone aandeelhouders kunnen alleen beslissingen nemen in de algemene vergadering als SCLI daarmee instemt en een aantal beslissingen vergt goedkeuring van SCLI, terwijl bestuurders van de vennootschap alleen op voordracht van SCLI kunnen worden benoemd. Met de (nog onverkort geldende) statutaire bepaling dat de “Partners” in het bestuur van SCLI bloedverwanten van [de vader] in de rechtstreekse neergaande lijn moeten zijn of personen met wie zij zijn getrouwd of via een geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract zijn verbonden, en dat één van hen een bloedverwant in rechtstreekse neergaande lijn van [de vader] moet zijn, is de stem van [de familie] in het bestuur van SCLI verzekerd. De bloedverwanten die als “partner” bestuurder van SCLI kunnen zijn, zijn niet beperkt tot [de kinderen] en kunnen dus ook bloedverwanten uit volgende generaties zijn. Als de “Partners” in het bestuur van SCLI het onderling eens zijn, kunnen zij tezamen via SCLI de aan de prioriteitsaandelen verbonden 51% zeggenschap uitoefenen in Libra Oud. Als de “Partners” verdeeld zijn, hebben de buitenstaanders een doorslaggevende stem. Art. 16 lid 1 van Pro de statuten van Libra Oud werpt voorts een blokkade op voor overdracht van aandelen aan anderen dan (onder meer) [de vader] en zijn bloedverwanten in de rechte neerdalende lijn. Ook deze bepaling laat ruimte voor volgende generaties. Terecht is niet in geschil dat de continuïteit van Libra Oud als familievennootschap werd gediend met de beschermingsconstructie. (rov. 4.6)
Ruime formulering van SCLI’s statutaire doel: continuïteit van familievennootschap, wat mede ziet op continuïteit van gedreven onderneming(en); geen (beoogde) beperking of nadere begrenzing van SCLI’s doelstellingEr is voor gekozen het statutaire doel van SCLI ruim te formuleren; het houdt alleen in dat de familievennootschap wordt gecontinueerd. De aanduiding van ‘de familievennootschap’ als ‘Libra International B.V. en de met haar in een groep verbonden vennootschappen’ wijst erop dat de statutaire doelstelling mede ziet op de continuïteit van de onderneming(en) die door deze vennootschappen worden gedreven. Dat volgt ook uit de aanleiding voor oprichting van SCLI en de daarbij in het leven geroepen beschermingsconstructie, waarmee een scheiding is aangebracht tussen de economische eigendom van Libra Oud en zeggenschap in haar algemene vergadering. Noch uit art. 2 van Pro de SCLI-statuten noch uit het geheel van de statutaire bepalingen - onder meer de ruime omschrijving van “Partners” - volgt een (beoogde) beperking of nadere begrenzing van de doelstelling van SCLI. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat dit wel had kunnen gebeuren, bijvoorbeeld door: het doel te beperken tot de specifieke situatie ten tijde van oprichting; te kiezen voor de bescherming van aandeelhouders en niet van de onderneming; begrenzingen in de tijd tot bijvoorbeeld de fiscaal relevante periode van vijf jaar na het overlijden van [de moeder] ; een en ander te beperken tot een bepaalde generatie - alleen [de vader] en [de kinderen] en niet toekomstige generaties - of tot de situatie dat meer dan één familielid (gewoon) aandeelhouder is. (rov. 4.7)
Belang van redelijke verwachtingen van oprichters en andere bij oprichting betrokkenen; Familieafspraken kleuren redelijke verwachtingen inVoor de interpretatie van de doelomschrijving in de statuten van SCLI zijn verder de redelijke verwachtingen van de oprichters en anderen die bij haar oprichting waren betrokken van belang. De Familieafspraken kleuren de redelijke verwachtingen van de oprichters van SCLI, Libra Oud, de gewone aandeelhouders ( [de vader] en [de kinderen] ) en SCLI nader in. Libra c.s. kan niet worden gevolgd in haar betoog dat uit de Familieafspraken volgt dat alle betrokkenen destijds de statutaire doelstelling van SCLI (alleen) opvatten als het voorkomen dat “Familieleden” zoals gedefinieerd in de Familieovereenkomst met een meerderheid van de stemrechten in de algemene vergadering van Libra Oud ingrijpende beslissingen zouden kunnen nemen tegen de wens van minderheidsaandeelhouder. Er zijn geen aanknopingspunten dat met de Familieafspraken op voorhand afscheid is genomen van SCLI, zoals Libra c.s. stelt, of dat de familievennootschap bij alle vormen van uit elkaar gaan zou ophouden te bestaan. De uitvoering van deze afspraken wijst veeleer erop dat juist is getracht het karakter van familievennootschap in stand te houden. (rov. 4.8)
SCLI’s statutaire doel ziet ook op Libra; Libra is thans ‘familievennootschap’ in zin van dat doelOmdat ‘Libra International B.V.’ zowel de naam is van Libra Oud als van Libra, en een specificering met bijvoorbeeld een inschrijvingsnummer in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ontbreekt, kan de tekst van art. 2 van Pro de SCLI-statuten op twee manieren worden uitgelegd, namelijk: (a) dat ‘de familievennootschap’ ‘Libra International B.V.’ alleen ziet op Libra Oud; en (b) dat dit ook ziet op Libra. Het hof concludeert dat de statutaire doelstelling van SCLI ook ziet op Libra en dat Libra thans ‘de familievennootschap’ is in de zin van art. 2 van Pro de SCLI-statuten. Hieraan staat niet in de weg dat [verzoeker 2] vrijwel alle gewone aandelen houdt, vrijwel volledig economisch eigenaar en enig bestuurder is van Libra en zonder beschermingsconstructie in de algemene vergadering van Libra niet kan worden overstemd. (rov. 4.9)
Geen tijdelijke beperking van SCLI’s statutaire doelstelling na splitsingDe volgens Libra c.s. door [verzoeker 2] beoogde tijdelijkheid van het na de splitsing voortbestaan van SCLI, uitsluitend of overwegend om fiscale redenen, komt niet tot uitdrukking in de (ongewijzigde) statuten van SCLI, de statuten van Libra of de splitsingsovereenkomst. Ook overigens blijkt niet van consensus tussen de aandeelhouders van Libra dat SCLI na verloop van de door [verzoeker 2] genoemde periode haar doel zou hebben bereikt of niet meer zou kunnen bereiken. (rov. 4.10)
TussenconclusieGelet op het voorgaande is de statutaire doelstelling van SCLI ongewijzigd van toepassing in de huidige situatie, ook al is deze anders dan toen SCLI werd opgericht en zijn de fiscaal relevante periodes met het oog waarop [verzoeker 2] naar eigen zeggen heeft ingestemd met het na de splitsing voortbestaan van SCLI verstreken. De door de jaren heen gedane uitlatingen van [de vader] , [verzoeker 2] en de buitenstaanders over nut en noodzaak van (het voortbestaan van) SCLI en de feiten en omstandigheden waarop partijen wijzen leiden niet tot een ander oordeel. Daaruit volgt geen consensus van de aandeelhouders van Libra Oud of Libra die de statutaire doelstelling van SCLI nader zou kunnen inkleuren. (rov. 4.11)
Stellingen van Libra c.s. gaan niet opDe stelling van Libra c.s. dat SCLI haar statutaire doel niet meer kan bereiken, omdat Libra Oud niet meer bestaat, stuit af op het hiervoor gegeven oordeel dat ‘de familievennootschap’ ‘Libra International B.V.’ in art. 2 van Pro de SCLI-statuten ook ziet op Libra en dat Libra ‘de familievennootschap’ is in de zin van dit art. 2. Omdat de statutaire doelstelling na de splitsing ongewijzigd is gehandhaafd, zonder aanpassing met het oog op de door [verzoeker 2] naar eigen zeggen beoogde tijdelijkheid van het uitsluitend of overwegend om fiscale redenen voortbestaan van SCLI, leidt het verstrijken van de door Libra c.s. genoemde fiscale termijnen niet ertoe dat het statutaire doel van SCLI niet meer kan worden bereikt. De stelling van Libra c.s. dat de huidige algemene vergadering van Libra niet de bescherming vereist waarin SCLI voorziet, gaat voorbij aan de ruim omschreven doelstelling van SCLI, die zich niet beperkt tot het behoud van de familievennootschap voor alleen huidige generaties en niet beperkt is tot bijvoorbeeld de zich nu voordoende situatie dat één familielid vrijwel alle gewone aandelen houdt en vrijwel volledig eigenaar is van Libra. Het betoog van Libra c.s. over de betrekkelijke waarde van de blokkeringsregeling ziet slechts op een onderdeel van de beschermingsconstructie, waarmee een scheiding is aangebracht tussen economisch eigendom en zeggenschap in de algemene vergadering van Libra. Het daarmee gediende doel van continuïteit van Libra als familievennootschap, ook voor toekomstige generaties, kan nog steeds worden bereikt. (rov. 4.12)
Conclusie; verzoek van Libra c.s. is niet toewijsbaarDe slotsom luidt dat grief 1 slaagt en dat het verzoek van Libra c.s. niet toewijsbaar is. De rechtbank-beschikking kan niet in stand blijven. Bij verdere bespreking van de grieven en de weren bestaat geen belang. Er is geen bewijs aangeboden van stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Libra c.s. wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [verweerder 1] in beide instanties, zoals vermeld in het dictum. (rov. 4.13)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nr. 1.1) en welke stellingen van Libra c.s. het hof wel en niet (kenbaar) in zijn oordeel zou hebben betrokken (
nrs. 1.2-1.3). Vervolgens wordt betoogd dat het hof niet uiteenzet
hoehet beoordeelt of het doel van SCLI nog kan worden bereikt, maar enkel in rov. 4.12 de conclusie trekt
dathet doel nog kan worden bereikt. Dit zou het hof doen op basis van het feit dat de in nr. 1.2 genoemde omstandigheden geen afbreuk doen aan het alsnog behalen van dat doel, [9] maar zonder daarbij de in nr. 1.3 genoemde omstandigheden te betrekken (
nr. 1.4). [10] Daarmee geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Bij toetsing aan art. 2:301 lid Pro 1, aanhef en onder b BW dient de rechter immers alle (relevante) omstandigheden van het geval te betrekken. [11] Het hof had moeten beoordelen of (redelijkerwijs voorzienbaar is dat) de doelstelling van SCLI, in de gegeven omstandigheden, daadwerkelijk nog kan worden bereikt. Die toets heeft het hof niet uitgevoerd (
nr. 1.5).
datSCLI nog steeds haar statutaire doel kan bereiken: het hof zet in rov. 4.12 ook uiteen
hoehet daartoe komt, met inachtneming van dat betoog van Libra c.s. en in het licht van diens analyse in rov. 4.6-4.11 betreffende aspecten van SCLI en haar statutaire doelomschrijving. [13] Iets anders is dat het hof in rov. 4.12 (en 4.6-4.11): met kracht van argumenten niet meegaat in dat betoog van Libra c.s.; uitgaat van dat betoog van Libra c.s. zoals verstaan door het hof; en onder meer de werking van art. 24 Rv Pro in het oog houdt.
Nr. 2.1komt neer op een herhaling van de hoofdklacht, met de toevoeging: dat Libra c.s. heeft gesteld dat van een familievennootschap dus geen sprake meer is. En: dat SCLI hooguit een andere bereidwillige derde kan aanwijzen die de aandelen tegen contante betaling koopt, nu de statuten van Libra geen kwaliteitseisen voor aandeelhouders bevatten (ook niet de eis dat alleen familieleden aandeelhouder kunnen zijn). [16]
nr. 2.2).
nrs. 2.3-2.4nader ingegaan op stelling (i) in de hoofdklacht. Eerst wordt opgemerkt: dat anders dan het hof vaststelt in rov. 3.7 en 3.16, de statuten van Libra Oud niet bepalen dat aandelen vrij overdraagbaar zijn aan SNA. [18] En: dat het daarmee onmiskenbaar de bedoeling was een ‘extra’ mogelijkheid te bieden voor [verzoeker 2] om zijn aandelen aan een ander dan een familielid over te dragen (
nr. 2.3).
nr. 2.4: dat rov. 4.12, voorlaatste zin eraan voorbijgaat dat [verzoeker 2] zijn aandelen in Libra (zoals de bedoeling was bij haar oprichting) vrijelijk kan overdragen aan SNA, een algemeen nut beogende instelling die zich inzet voor het algemeen belang en (dus) niet voor de belangen van [de familie] . En:
nr. 2.5nader ingegaan op stelling (ii) in de hoofdklacht. Eerst wordt opgemerkt dat voor de desbetreffende stelling van Libra c.s. [19] “praktisch [hetzelfde] geldt”, wat kennelijk terugslaat op nr. 2.4. Daaraan wordt kort gezegd toegevoegd dat SCLI het - of zij nu zeggenschap heeft in de algemene vergadering of niet - niet in de hand heeft om de continuïteit van Libra als ‘familievennootschap’ te bevorderen, nu het feit dat SCLI een andere bereidwillige partij zou kunnen aanwijzen die de aandelen tegen contante betaling koopt “in praktische zin” [20] niet ertoe zal leiden dat SCLI de aandelenoverdracht aan niet-familieleden kan ‘blokkeren’.
nr. 2.6, tot slot, is de enkele overweging in rov. 4.12, laatste zin ontoereikend. Want in het licht van “de twee hiervoor besproken stellingen van Libra c.s.” blijft onduidelijk
hoeSCLI haar statutaire doel nog kan bereiken als zij niet redelijkerwijs kan verhinderen dat [verzoeker 2] zijn aandelen overdraagt aan een derde.
stelling (i) in de hoofdklacht, zie onder 3.13 hiervoor. Op de daarmee verband houdende vindplaatsen in de gedingstukken [24] respondeert het hof wel degelijk. De desbetreffende stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel: van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans SCLI’s relevantie voor Libra in de huidige situatie, [25] , [26] waarop het hof uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 [27] in verbinding met rov. 4.11-4.12; [28] en van de ommekomst van bepaalde fiscale termijnen en de betekenis daarvan voor (het statutaire doel van) SCLI, [29] wat het hof expliciet adresseert in rov. 4.10 [30] in verbinding met rov. 4.11-4.12. [31] Zie nader onder 2.13, 3.6-3.9 en 3.11 hiervoor, hetgeen voor zich spreekt. Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in de hoofdklacht (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. Dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien. Ik verwijs kortheidshalve naar 2.13 hiervoor.
nr. 2.1. Voor zover daarin wordt gewezen op vindplaatsen in de gedingstukken, [32] geldt ook daarvoor dat het hof daarop wel degelijk respondeert. Ook deze stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof dus uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in nr. 2.1 (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. Dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien. Voor het overige mist nr. 2.1 zelfstandige betekenis althans voldoet het niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv bij gebrek aan vindplaatsverwijzing.
nr. 2.2. Dit mist zelfstandige betekenis althans voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv, nu het niet meer bevat dan een blote stelling bij een citaat uit rov. 4.12.
nr. 2.3. Het is juist dat, anders dan het hof vaststelt in rov. 3.7 en 3.16, art. 16 van Pro de statuten van Libra Oud [33] (in tegenstelling tot art. 16 van Pro de statuten van Libra) niet bepaalde dat aandeelhouders hun aandelen vrijelijk konden overdragen aan SNA. [34] In nr. 2.3 (of elders in de procesinleiding) wordt hieraan op zichzelf evenwel geen concrete klacht verbonden, [35] laat staan conform de eisen van art. 426a lid 2 Rv. [36] Dát als gevolg van die enkele feitenvaststelling ’s hofs oordeel wegens onvoldoende (begrijpelijke) motivering niet in stand zou kunnen blijven, valt zonder meer ook niet in te zien. De vervolgopmerking in nr. 2.3 dat “het daarmee” (ik begrijp: die aanpassing van art. 16 van Pro de statuten van Libra) onmiskenbaar de bedoeling was een ‘extra’ mogelijkheid te bieden voor [verzoeker 2] om zijn aandelen aan een ander dan een familielid over te dragen, kan Libra c.s. evenmin baten, reeds bij gebrek aan verwijzing naar een vindplaats waar te lezen valt dat Libra c.s. een dergelijke stelling al in feitelijke instanties heeft betrokken.
nr. 2.4. Wat er zij van hetgeen daarin te berde wordt gebracht over kort gezegd SNA als “algemeen nut beogende instelling”, etc., dienaangaande ontbreekt iedere verwijzing naar een vindplaats waar te lezen valt dat Libra c.s. een dergelijke stelling al in feitelijke instanties heeft betrokken. Daarmee ontvalt in zoverre reeds de bodem aan nr. 2.4. Voor de herhaling in nr. 2.4 “dat [verzoeker 2] zijn aandelen in Libra Nieuw (…) vrijelijk kan overdragen aan SNA”, geldt hetgeen ik schreef onder 3.17 hiervoor. De daar gesignaleerde lacune in de procesinleiding wordt (dus) ook door nr. 2.4 niet weggenomen.
stelling (ii) in de hoofdklacht, zie onder 3.13 hiervoor. Dit loopt vast in lijn met 3.17 hiervoor. Op de daarmee verband houdende vindplaatsen in de gedingstukken [37] respondeert het hof wel degelijk. De desbetreffende stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof zoals gezegd uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in de hoofdklacht (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. En ook hier geldt: dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien.
nr. 2.5. Dit loopt vast in lijn met 3.18 hiervoor. Voor zover in nr. 2.5 wordt gewezen op vindplaatsen in de gedingstukken, [38] geldt ook daarvoor dat het hof daarop wel degelijk respondeert. Ook deze stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof dus uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in nr. 2.5 (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. En wederom: dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien. Voor het overige mist nr. 2.5 zelfstandige betekenis althans voldoet het niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv bij gebrek aan vindplaatsverwijzing.
nr. 2.6. Dit ziet vooreerst eraan voorbij dat ’s hofs oordeel dat SCLI nog steeds haar statutaire doel kan bereiken niet enkel hangt op rov. 4.12, laatste zin. Verder bouwt nr. 2.6 voort op de hoofdklacht en nrs. 2.1 t/m 2.5, die dus niet de conclusie rechtvaardigen dat ’s hofs oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Zie onder 3.16-3.23 hiervoor. Dit is al fataal. Overigens zet het hof in rov. 4.12 - tegen de achtergrond van rov. 4.6-4.11 in onderling verband en samenhang - goed navolgbaar uiteen dat de stellingen van Libra c.s., zoals eerder samengevat in rov. 4.4, onverlet laten dat SCLI nog steeds haar statutaire doel kan bereiken. Dit is zodanig gemotiveerd dat het hof daarmee royaal inzicht geeft in de gedachtegang die ten grondslag ligt aan diens beslissing. [39]
Nr. 3.1bevat slechts een korte duiding van rov. 4.6-4.12.
Nr. 3.2bevat slechts de opmerking dat “[d]it oordeel van het hof” onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, aangezien het hof in het geheel niet heeft gerespondeerd op de in de hoofdklacht onder (i)-(ii) bedoelde stellingen van Libra c.s.
nr. 3.3nader ingegaan op stelling (i) in de hoofdklacht. Dit komt neer op het volgende. [verzoeker 2] kan vrijelijk en zonder tussenkomst van SCLI bewerkstelligen dat [verweerder 1] de aandelen in Libra nooit zal verkrijgen. De testamenten van [de vader] en [de moeder] bevatten geen tweetrapsmaking. [42] Er zijn ook geen indicaties dat het hun intentie was dat de onderneming zou worden overgedragen aan [verweerder 1] . [43] De vrijheid van [verzoeker 2] om zijn nalatenschap in te richten naar eigen goeddunken brengt mee dat SCLI het door het hof vastgestelde doel niet meer kan bereiken. Libra is door deze testeervrijheid geen familievennootschap meer. [44] Niet valt in te zien hoe de zeggenschap van SCLI in de algemene vergadering van Libra ertoe kan leiden dat de continuïteit van Libra als familievennootschap wordt bereikt, nu SCLI op geen enkele wijze invloed kan uitoefenen op de inrichting van [verzoeker 2] nalatenschap.
nr. 3.4nader ingegaan op stelling (ii) in de hoofdklacht. Dit komt neer op het volgende. [verzoeker 2] heeft bovendien [verweerder 1]
daadwerkelijkonterfd. [45] Dit brengt mee dat [verweerder 1] , na het overlijden van [verzoeker 2] , de aandelen in Libra niet zal verkrijgen. [verweerder 1] heeft namelijk ‘slechts’ recht op zijn legitieme portie, die uitsluitend uit een geldbedrag bestaat (art. 4:80 lid 1 BW Pro). De aandelen in Libra zullen (dus) niet overgaan op ‘toekomstige generaties’. De ‘neerdalende lijn’ vanaf [de vader] eindigt bij [verzoeker 2] . Wederom valt niet in te zien hoe de zeggenschap van SCLI in de algemene vergadering van Libra ertoe kan leiden dat de continuïteit van Libra als familievennootschap wordt bereikt, nu SCLI op geen enkele manier de onterving van [verweerder 1] kan terugdraaien.
nrs. 3.5 t/m 3.8. Daarin wordt aangevoerd dat de tweeconclusieregel niet eraan in de weg staat dat het hof de door Libra c.s. bij mondelinge behandeling betrokken stelling dat [verweerder 1] is onterfd in zijn oordeel diende te betrekken (
nr. 3.5). Ofwel omdat geen sprake is van een nieuwe grond, want van een nadere precisering (
nr. 3.6); [46] ofwel, zo sprake zou zijn van een nieuwe grond, omdat deze stelling dusdanig in het verlengde lag van de grond dat [verzoeker 2] niet beperkt is in zijn testeervrijheid dat het hof op die stelling acht had moeten slaan (
nr. 3.7). [47] Daarnaast geldt dat Libra c.s. de stelling dat [verweerder 1] is onterfd niet eerder kon innemen dan tijdens de mondelinge behandeling (
nr. 3.8).
nr. 3.9. Daarin wordt toegevoegd dat het hof in het geheel geen inzicht geeft in zijn gedachtegang die heeft geleid tot het oordeel dat SCLI haar statutaire doel nog steeds kan bereiken, ondanks het feit dat [verzoeker 2] zijn aandelen in Libra kan nalaten aan een niet-familielid en dat dit inmiddels ook is bewerkstelligd. Zonder nadere motivering, die in de beschikking ontbreekt, valt niet in te zien waarom en hoe SCLI toch de continuïteit van Libra als familievennootschap kan (blijven) bevorderen.
stelling (i) in de hoofdklacht, zie onder 3.26 hiervoor. Op de daarmee verband houdende vindplaatsen in de gedingstukken [48] respondeert het hof wel degelijk. De desbetreffende stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans SCLI’s relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Zie nader onder 3.17 hiervoor. [49] Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in de hoofdklacht (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. Dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien. Ik verwijs kortheidshalve naar 2.13 hiervoor.
nrs. 3.1-3.2. Deze missen zelfstandige betekenis althans bevatten geen klacht die voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.
nr. 3.3. Voor zover daarin wordt gewezen op vindplaatsen in de gedingstukken, [50] geldt ook daarvoor dat het hof daarop wel degelijk respondeert. Ook deze stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof dus uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in nr. 3.3 (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. Dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien. Voor het overige mist nr. 3.3 zelfstandige betekenis althans voldoet het niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv bij gebrek aan vindplaatsverwijzing.
stelling (ii) in de hoofdklacht, zie onder 3.26 hiervoor. Dit loopt vast in lijn met 3.29 hiervoor. Op de met die stelling (ii) verband houdende vindplaatsen in de gedingstukken [51] respondeert het hof wel degelijk. De desbetreffende stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof zoals gezegd uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. [52] Waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in de hoofdklacht (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. En ook hier geldt: dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien.
nr. 3.4. Dit loopt vast in lijn met 3.31 hiervoor. Voor zover in nr. 3.4 wordt gewezen op vindplaatsen in de gedingstukken, [53] geldt ook daarvoor dat het hof daarop wel degelijk respondeert. Ook deze stellingen zijn - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - door Libra c.s. geplaatst in de sleutel van uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving althans haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, waarop het hof dus uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Het wordt repeterend, maar ja: waaruit dan precies zou blijken dat het hof dit een en ander niettemin onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet specifiek in het licht van die stellingen van Libra c.s., blijft in nr. 3.4 (en elders in de procesinleiding) onuitgewerkt. En wederom: dát daarvan sprake zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien. Voor het overige mist nr. 3.4 zelfstandige betekenis althans voldoet het niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv bij gebrek aan vindplaatsverwijzing.
nrs. 3.5 t/m 3.8, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking. Daarin veronderstelt Libra c.s. dat het hof op basis van de tweeconclusieregel niet in zijn oordeel betrekt haar stelling dat [verweerder 1] is onterfd. Naar volgt uit het voorgaande mist dit feitelijke grondslag, want gaat Libra c.s. daarmee uit van een onjuiste lezing van de beschikking. Het hof neemt die (met de testeervrijheid van [verzoeker 2] verband houdende) stelling mee in het kader van de uitleg van SCLI’s statutaire doelomschrijving en haar relevantie voor Libra in de huidige situatie, [54] waarop het hof dus uitgebreid ingaat in rov. 4.6-4.9 in verbinding met rov. 4.11-4.12. Zie onder 3.32-3.33 hiervoor.
nr. 3.9. Dit ziet vooreerst eraan voorbij dat ’s hofs oordeel dat SCLI nog steeds haar statutaire doel kan bereiken niet enkel hangt op rov. 4.12. Verder bouwt nr. 3.9 voort op de hoofdklacht en nrs. 3.1 t/m 3.8, die dus niet de conclusie rechtvaardigen dat ’s hofs oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Zie onder 3.29-3.34 hiervoor. Dit is al fataal. Overigens zet het hof in rov. 4.12 - tegen de achtergrond van rov. 4.6-4.11 in onderling verband en samenhang - dus goed navolgbaar uiteen dat de stellingen van Libra c.s., zoals eerder samengevat in rov. 4.4, onverlet laten dat SCLI nog steeds haar statutaire doel kan bereiken. Zoals gezegd: dit is zodanig gemotiveerd dat het hof daarmee royaal inzicht geeft in de gedachtegang die ten grondslag ligt aan diens beslissing.