In deze zaak stond de beoordeling van de auteursrechtelijke beschermingsomvang van een werk centraal en de vraag of daarop door een ander werk inbreuk werd gemaakt. Het geschil betrof een inbreukactie tussen Stokke c.s., vennootschappen en personen uit Noorwegen, en de Duitse vennootschap Hauck.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank ’s-Gravenhage en het arrest van het gerechtshof Den Haag, dat in cassatie werd aangevochten. De kern van de beoordeling in cassatie betrof de feitelijke toetsing van de auteursrechtelijke beschermingsomvang en de inbreukvraag, waarbij de Hoge Raad bevestigt dat deze beoordeling in hoge mate feitelijk is en slechts zeer beperkt vatbaar voor cassatietoetsing.
De klachten van Stokke c.s. betroffen feitelijke oordelen die niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd waren. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten feitelijk van aard zijn en niet tot cassatie kunnen leiden. Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad Stokke c.s. in de proceskosten, waarbij het indicatietarief voor IE-zaken wordt toegepast, omdat het door Hauck gevorderde bedrag niet voldoende was toegelicht.
Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2015.