ECLI:NL:PHR:2026:96

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
17 januari 2026
Zaaknummer
24/04490
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid en bewijsvoering in strafzaken

In deze zaak gaat het om de feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een slachtoffer door de verdachte, die op 31 augustus 2022 in een supermarkt een ontuchtige handeling heeft verricht. De verdachte is eerder veroordeeld door de rechtbank Overijssel tot een taakstraf en een schadevergoedingsmaatregel. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis bevestigd, maar de verdachte heeft cassatie ingesteld. De conclusie van de procureur-generaal, D.J.C. Aben, is dat het beroep moet worden verworpen. De verdediging heeft twee middelen van cassatie ingediend, waarbij de eerste klacht zich richt op de motivering van de bewezenverklaring. De verdediging stelt dat het hof ten onrechte een foto als zelfstandig bewijsmiddel heeft gebruikt en dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is. Het hof heeft echter de bewijsmiddelen, waaronder de aangifte van het slachtoffer en camerabeelden, zorgvuldig gewogen en komt tot de conclusie dat de verdachte doelgericht heeft gehandeld. De tweede klacht betreft de strafoplegging, waarbij de verdediging aanvoert dat niet ten laste gelegde feiten ten onrechte zijn meegenomen. Het hof heeft echter de omstandigheden rondom het gedrag van de verdachte in het kader van de strafmotivering betrokken, zonder deze als strafverzwarend aan te merken. De conclusie is dat beide middelen falen en het beroep wordt verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/04490

Zitting20 januari 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Bij arrest van 4 december 2024 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-004566-23) het vonnis van de rechtbank Overijssel van 6 oktober 2023 bevestigd, met aanvulling van de bewijsoverwegingen. Bij dat vonnis is de verdachte ter zake van "
feitelijke aanranding van de eerbaarheid" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren subsidiair vijftig dagen hechtenis, waarvan veertig uren subsidiair twintig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

De klachten van het eerste middel

3. Het eerste middel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring en valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte gebruik heeft gemaakt van een foto als zelfstandig bewijsmiddel. De tweede deelklacht houdt in dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is.

De bewezenverklaring en de bewijsvoering

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 31 augustus 2022 in [plaats] [slachtoffer] , door een feitelijkheid heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, door onverhoeds
-
zijn hand langs de zij heup van die [slachtoffer] te steken en
-
de bil van die [slachtoffer] vast te pakken en te betasten.”
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 16 september 2022, pagina’s 7-9, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Tegen wie wil je aangifte doen?
A: [verdachte] .
V: Wanneer heeft de aanranding plaatsgevonden?
A: woensdag 31 augustus, een week later ben ik naar de winkel gegaan en heb ik de beelden veilig laten stellen.
V: Vertel eens wat er gebeurd is?
Omdat hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) langs mij heen wilde, maakte ik ruimte. Op dat moment is hij zo dicht langs mij heen gelopen dat hij mij eerst om mijn middel vastpakte en vervolgens greep hij naar mijn kont.
V: Hoe ging dat verder met die hand?
A: Die zakte naar beneden en pakte hij mij bij mijn kont.
V : Wat voelde jij op jouw bil?
A: Een hand, het voelde als een stevige handdruk
V: Deed hij nog wat met zijn vingers?
A: Het voelde alsof ik werd vastgepakt met die hand.
V: Hoe lang heeft dat geduurd?
A: Heel kort, het was vastpakken en direct weer loslaten.
2. Het proces-verbaal van bevindingen van 17 november 2022, pagina’s 17-20, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 17-11-2022 heb ik de ontvangen beelden van de [A] supermarkt in [plaats] bekeken. Op deze beelden is het volgende te zien. Op 31-08-2022 om 17:04 uur komt de [verdachte] binnen. Op 31-08-2022 om 17:06 uur loopt de [verdachte] in hetzelfde gangpad als het slachtoffer [slachtoffer] . Enkele seconden later kijkt het slachtoffer naar de verdachte, en ziet dat hij duidelijk aan de rechterkant van de stelling langs wil lopen. Het slachtoffer kiest ervoor om aan de andere kant van de stelling te gaan lopen als de verdachte, de verdachte ziet dit en maakt een plotselinge beweging en het lijkt alsof hij bewust richting het slachtoffer loopt. Enkele ogenblikken later is te zien dat het lijkt alsof het slachtoffer schrikt van de verdachte omdat deze wel heel dichtbij komt. Het slachtoffer pakt vervolgens iets uit de stelling. Op het moment dat de [verdachte] langs het slachtoffer loopt is te zien dat hij zijn linkerhand op haar linker bil/heup legt en voorbij loopt.
[afbeelding]”
6. De rechtbank heeft ten aanzien van het bewezen verklaarde verder onder meer het volgende overwogen:
“Op de camerabeelden van de supermarkt is te zien dat verdachte en aangeefster in tegengestelde richting in een gangpad lopen, aan dezelfde zijde van het gangpad. Aangeefster loopt om een actiebak heen, die in het midden van het gangpad staat, naar de andere kant van het gangpad. Verdachte kijkt in de richting van aangeefster en loopt voor de actiebak naar links, waarna hij aan dezelfde kant van het gangpad loopt als aangeefster. Aangeefster pakt een product uit het winkelschap en doet het in haar winkelmand. Terwijl zij dat doet, loopt verdachte vlak langs haar. Verdachte draait zijn arm en handpalm richting aangeefster en raakt met zijn handpalm de bil van aangeefster aan.
(…)
De rechtbank is van oordeel dat het aanraken van de bil van aangeefster in dit geval een handeling van seksuele aard is die in strijd is met de sociaal ethische norm. De bil is een intiem lichaamsdeel. Aanraking van de bil van een jonge vrouw zoals door verdachte gedaan, te weten met de binnenkant van de hele hand, kan niet anders dan aangemerkt worden als een ontuchtige handeling. De aangifte en de camerabeelden laten geen ruimte voor een andere interpretatie, dan dat sprake was van een gerichte handeling van verdachte. Verdachte verandert plotseling van looprichting, zodat hij vlak langs aangeefster loopt en daarbij zijn handpalm richting aangeefster draait, waarna hij de bil van aangeefster betast. Verdachte heeft bewust de nabije fysieke aanwezigheid van aangeefster opgezocht, terwijl daar geen enkele aanleiding voor was en de omstandigheden daar niet toe noopten. Het betasten had een onverhoeds karakter en uit de verklaring van aangeefster en de appjes die zij kort daarna aan haar vriend heeft verzonden, blijkt hoezeer zij door het handelen van verdachte werd overvallen. Aangeefster heeft zich niet (tijdig) kunnen verzetten tegen het handelen van verdachte. Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte aangeefster heeft betast en de positie waarin zij zich bevond, is de rechtbank van oordeel dat aangeefster gedwongen werd deze handelingen te dulden. Door het onverhoedse karakter van het betasten had aangeefster daarop immers niet bedacht hoeven zijn en van dwingen kan ook sprake zijn indien het onverhoedse karakter van het handelen van de verdachte aangeefster heeft overvallen en daardoor verzet heeft voorkomen, zoals hier het geval is geweest.
7. Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank als volgt aangevuld:
“Ter terechtzitting van het hof is door en namens verdachte aangevoerd dat hij sinds 2010 lijdt aan diabetische neuropathie aan beide voeten en hij daardoor minder stabiliteit ervaart, waardoor hij met zijn armen zwaait en daardoor soms een persoon of iets anders aanraakt om het evenwicht te bewaren. Zeer waarschijnlijk heeft dit ertoe geleid dat hij aangeefster kort heeft aangeraakt. De verdediging heeft ter onderbouwing hiervan een brief overgelegd van de huisarts van 15 november 2024, waarin de huisarts ook een eigen interpretatie heeft gegeven van de camerabeelden in het licht van de aandoening van verdachte.
Het hof heeft ter terechtzitting de camerabeelden uitvoerig en gedetailleerd getoond en besproken en het hof komt met betrekking tot deze beelden tot dezelfde waarnemingen en overwegingen die in het vonnis van de rechtbank staan vermeld. Op de beelden is namelijk vanaf het moment dat hij de [A] -supermarkt binnenloopt op geen enkel moment te zien dat verdachte instabiel loopt of beweegt, laat staan dat hij zijn evenwicht op enig moment verliest. Integendeel lijkt hij juist op het laatste moment, heel schielijk, -in een fractie van een seconde- van richting te kunnen veranderen en vanuit zijn positie gezien scherp naar links te kunnen draaien als aangeefster plotseling die kant oploopt. Een dergelijke manoeuvre vergt naar het oordeel van het hof niet alleen een goede beheersing van de motoriek maar ook een goede balans. Het door de verdediging naar voren gebrachte scenario, kort gezegd inhoudende dat verdachte aangeefster zeer waarschijnlijk vanwege stabiliteitsproblemen en daarmee per ongeluk heeft aangeraakt, acht het hof op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Ook de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof ‘dat hij het niet expres heeft gedaan’ acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. Het hof acht op grond van de aangifte en de camerabeelden, in onderling verband en samenhang bezien, boven elke redelijke twijfel verheven dat verdachte aangeefster doelgericht heeft opgezocht en hij vervolgens opzettelijk met zijn linker handpalm de bil van aangeefster heeft aangeraakt.
Dat de huisarts bij de bestudering van de beelden het waarschijnlijk acht wel instabiliteit te zien in de bewegingen van verdachte, laat het hof voor haar rekening. Het is aan het hof om het bewijs te waarderen.

De bespreking van het eerste middel

De eerste deelklacht
8. De eerste deelklacht berust op de opvatting dat het hof een foto/afbeelding als zelfstandig bewijsmiddel voor het bewijs heeft gebruikt.
9. De door het hof bevestigde bewezenverklaring steunt op twee bewijsmiddelen: het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer] en een proces-verbaal van bevindingen van 17 november 2022. Bij dit proces-verbaal van bevindingen is een printscreen van de beelden van de [A] supermarkt opgenomen. Daaruit kan niet worden afgeleid dat het hof deze afbeelding als zelfstandig bewijsmiddel voor het bewijs heeft gebruikt. De redengevende feiten en omstandigheden die aan het bewijsmiddel zijn ontleend, betreffen de waarneming van de verbalisant van hetgeen op de beelden is waargenomen. De klacht berust dus op een onjuiste lezing van het arrest.
10. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
11. De stellers van het middel voeren daarnaast aan dat de voor het bewijs gebruikte verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar bij haar kont pakte in strijd is met de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen waarin de beelden worden beschreven. Ter onderbouwing van die stelling wijzen de stellers van het middel op de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren, inhoudende dat de verdachte het slachtoffer niet bij haar bil en/of andere intieme lichaamsdelen heeft vastgepakt en deze gedragingen niet op de beelden waarneembaar zijn.
12. De aangifte van [slachtoffer] houdt in dat de verdachte haar eerst bij haar middel vastpakte en haar vervolgens bij haar kont pakte. In het proces-verbaal van bevindingen beschrijft de verbalisant dat op het moment dat de verdachte langs [slachtoffer] loopt, hij zijn linkerhand op haar linker bil/heup legt. Anders dan de stellers van het middel betogen, zijn deze vaststellingen niet tegenstrijdig. De omstandigheid dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd dat de bewezen verklaarde handeling en/of andere ontuchtige handelingen niet op de camerabeelden waarneembaar zijn, maakt dat niet anders.
13. De tweede deelklacht faalt eveneens.
14. Het middel faalt.

Het tweede middel

15. Het middel bevat de klacht dat bij de strafoplegging ten onrechte rekening is gehouden met niet ten laste gelegde feiten.
16. De rechtbank heeft ten aanzien van de op te leggen straf of maatregel onder meer het volgende overwogen:
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 8 augustus 2023. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 30 mei 2023. De reclassering adviseert om een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
De informatie uit het dossier en de verklaringen van verdachte ter zitting geven er geen blijk van dat verdachte inzicht heeft in de strafbaarheid van zijn eigen gedrag en de impact van zijn gedrag op anderen, in het bijzonder op jonge vrouwen. Op de camerabeelden van de [A] is, naast het incident met het slachtoffer, te zien dat verdachte bij de kassa een andere (jonge) vrouw aanraakt en dat deze vervolgens lijkt terug te deinzen. Ook heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij een winkelverbod heeft gekregen bij een andere supermarkt vanwege het aanraken van de wang van een medewerkster. Deze gebeurtenissen wekken de indruk dat verdachte erg ‘aanrakerig’ is en in het sociale contact gemakkelijk over andermans grenzen kan gaan. Om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw in de fout te gaan, zal de rechtbank dan ook een deels voorwaardelijke straf opleggen.
17. Uit de strafmotivering volgt dat bij de strafoplegging onder meer rekening is gehouden met een tweetal omstandigheden, te weten het eerder aanraken van de wang van een supermarktmedewerkster en het aanraken van een (jonge) vrouw bij de kassa in (kennelijk) dezelfde [A] -supermarkt als waar het bewezen verklaarde incident plaatsvond. De stellers van het middel betogen dat deze omstandigheden niet bij de strafoplegging mochten worden betrokken, omdat niet wordt voldaan aan de eisen die de Hoge Raad in zijn jurisprudentie stelt aan het bij de strafoplegging betrekken van niet ten laste gelegde feiten. [1]
18. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest. De genoemde omstandigheden zijn weliswaar bij de strafmotivering betrokken in het kader van een overweging over het gebrek aan inzicht van de verdachte in de strafwaardigheid zijn gedrag en de impact van dat gedrag op anderen, maar houden niet meer in dan een omschrijving van gedrag van de verdachte, dat als “
erg ‘aanrakerig’” wordt getypeerd. Dat deze omstandigheden onder het kopje ‘de persoon van de verdachte’ zijn geschaard, wijst er ook op dat deze omstandigheden niet zijn aangemerkt als ‘omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan’. Mede gelet op de algemene bewoordingen waarin de gedragingen van de verdachte zijn omschreven, leid ik uit de strafmotivering ook niet af dat het hof heeft aangenomen dat dit niet ten laste gelegde
strafbarefeiten betroffen die het in strafverzwarende zin in de strafoplegging heeft betrokken. Het hof heeft het kader omtrent het bij de strafoplegging betrekken van niet ten laste gelegde feiten dan ook niet miskend.
19. Het middel faalt.

Slotsom

20. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968,