ECLI:NL:RBALM:2006:AZ2660
Rechtbank Almelo
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking jachtakte wegens anonieme getuigenverklaringen en onvoldoende verweer
Eiser kreeg op 25 maart 2004 een jachtakte, die op 22 september 2004 door de korpschef werd ingetrokken wegens bedreiging van een persoon en onjuiste opslag van wapens en munitie. Verweerder handhaafde dit besluit bij besluit van 14 april 2005. Eiser stelde dat de bedreiging niet aannemelijk was omdat de getuigenverklaringen anoniem waren en hij zich daardoor niet goed kon verweren. Ook was hij van mening dat de intrekking niet gebaseerd mocht zijn op het ontbreken van een goede wapenkast.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen kennis had van de identiteit van de getuigen, waardoor hij niet kon controleren of de verklaringen juist waren en geen mogelijkheid had om de getuigen te ondervragen. De rechtbank oordeelde dat hiervoor onvoldoende rechtvaardiging bestond en dat de anonieme verklaringen niet aan het besluit ten grondslag mochten worden gelegd. Hierdoor was het besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht.
Verder overwoog de rechtbank dat de constatering van onjuiste opslag van wapens niet zelfstandig tot intrekking kon leiden, omdat de korpschef beleid hanteert waarbij eerst gelegenheid wordt gegeven de overtreding te herstellen. Omdat de bedreiging niet als grond kon dienen, kon ook het ontbreken van een wapenkast niet leiden tot intrekking.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de jachtakte wordt vernietigd.