Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Beroep in cassatie
‘zoveel mogelijk’). Daarbij komt dat de rechtsbescherming van [X] ernstig tekort zou worden gedaan indien de namen en adressen van de getuigen - op voorhand - met de Inspecteur zouden worden gedeeld. Gelet op het (vergrijp)boeterisico kunnen de getuigen als 'bedreigde' getuige worden aangemerkt. In dat geval moet de openbaarmaking van namen en adressen wijken voor het rechtsbeschermingsbelang van belanghebbende en het belang bij geheimhouding voor de getuige van diens gegevens. Dat [X] niet gehouden is reeds op voorhand namen en adressen van getuigen mede te delen (aan het Hof en daarmee aan de Inspecteur) kan ook, naar analogie, worden afgeleid uit het overzichtsarrest dat de strafkamer van uw College heeft gewezen op 1 juli 2014 (nr. 13/00445, ECLI:NL:HR:2014:1496).
4.Afdrachtvermindering onderwijs
Wettelijk kader
BNB2016/82). [11]
3.registers met erkende onderwijsinstellingen
BNB2016/82 oordeelde de Hoge Raad dat niet is vereist dat een volledige beroepsopleiding is gevolgd: [21]
5.Anonieme getuigen
Wettelijk kader
BNB2014/154 oordeelde de Hoge Raad dat het wijzen van een belanghebbende op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit op te roepen, niet altijd volstaat: [29]
BNB2010/4, vrij “alleen dan (zelf) een getuige op te roepen indien hem dit in het kader van de op hem rustende taak zinvol voorkomt.” [30] De rechter dient dit wel te motiveren (HR
BNB2016/217): [31]
BNB2016/39) werd van de kant van de inspecteur toegezegd dat een getuige, wel slechts anoniem, kon worden gehoord: [35]
BNB2009/153 betrof een geval waarin door de inspecteur een achttal gespreksverslagen bij zijn verweerschrift was overgelegd. De Hoge Raad oordeelde als volgt: [36]
Reikwijdte.Anders dan bij art. 217 en Pro 218 is het verschoningsrecht beperkt tot het beantwoorden van bepaalde vragen. Het lijkt uitgesloten dat een verschoningsrecht op grond van art. 219 kan Pro worden ingeroepen voor het gehele getuigenverhoor. Daar staat tegenover dat de vergaande reikwijdte van eventuele strafrechtelijke aansprakelijkheid aan de hand van bijvoorbeeld algemene deelnemingsvormen als medeplegen, uitlokken (art. 47 lid 1 Sr Pro), medeplichtigheid (art. 48 Sr Pro) en het functioneel daderschap van de feitelijk leidinggevers dan wel opdrachtgever (art. 51 Sr Pro) een al te strikte benadering van dit verschoningsrecht niet toelaat. Indien de OvJ toezegt de desbetreffende getuige nimmer strafrechtelijk te zullen vervolgen en diens verklaring raakt niet aan het gevaar voor zijn bloed- en aanverwanten als genoemd in art. 219, lijkt een beroep op het verschoningsrecht niet meer mogelijk. Een latere strafrechtelijke vervolging zou dan namelijk in strijd zijn met de beginselen van een goede procesorde, namelijk met het vertrouwensbeginsel. Een getuige die zelf slachtoffer is van een schietincident, lijkt geen verschoningsrecht toe te komen ten aanzien van de vragen wie hem heeft beschoten en met wie hij op het moment van de beschieting had afgesproken (zie HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2859).
Kers)). De bepaling is van overeenkomstige toepassing op getuigenverhoren ingevolge art. 66 Fw Pro. Zulks is in overeenstemming met het in art. 6 EVRM Pro besloten liggende beginsel dat niemand verplicht is tot medewerking aan het leveren van bewijs dat kan bijdragen tot zijn strafrechtelijke veroordeling (HR 11 februari 1994, NJ 1994/336 (
Kers), verwijzend naar EHRM 25 februari 1993, NJ 1993/485 (
Funke)).
Anonieme getuigen.Op voorwaarde dat er ander verifieerbaar bewijsmateriaal bestaat en indien het handhaven van de anonimiteit op zeer zwaarwegende gronden noodzakelijk is (bijvoorbeeld indien de getuige deel uitmaakt van een inlichtingendienst) is het niet uitgesloten dat het gebruik van een anonieme getuige wordt toegestaan (CRvB 22 november 1990, TAR 1991/20 [57] ).
6.Beschouwing WVA
met betrekking tot de beroepsopleidingen[cursivering toegevoegd; A-G] waarvoor eindtermen zijn vastgesteld en de examinering die door de exameninstellingen wordt verzorgd”. [62] Ik leid daaruit af dat de in het CREBO opgenomen opleidingen kwalificerende ‘beroepsopleidingen’ in de zin van artikel 7.2.2 WEB zijn, waarbij is getoetst of het praktijkdeel, bij een beroepsbegeleidende leerweg, 60% of meer van de studieduur omvat. [63] Dit blijkt mede uit de uitlatingen op de website van de Rijksoverheid en de website van DUO. [64] Artikel 6.4.1 WEB belast de minister van OCW met de aanleg en het beheer van het register. [65] Dat hierbij de eigen expertise van deze dienst van wezenlijke betekenis is, is vanzelfsprekend.
BNB2016/82 is niet vereist dat de gehele beroepsopleiding wordt gevolgd. [70] Voldoende is dat de beroepspraktijkvorming die als zodanig deel uitmaakt van de beroepsbegeleidende leerweg van een van de beroepsopleidingen, wordt gevolgd. De belastinginspecteur is in dat geval de bevoegdheid gelaten om te beoordelen of de beroepspraktijkvorming van
dieberoepsopleiding is gevolgd. De inhoudingsplichtige dient dit aannemelijk te maken.
7.Behandeling van de middelen
Eerste middel
Ruebheeft, mijn inziens terecht, opgemerkt dat het recht zichzelf te verschonen daarmee van louter theoretische betekenis is geworden. [90]
kaningevolge artikel 8:43 Awb Pro de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen schriftelijk te repliceren. De Rechtbank is dus niet gehouden een procespartij de gelegenheid te bieden om conclusie van repliek te nemen. Zulks heeft de Rechtbank ook niet gedaan.