ECLI:NL:RBALM:2011:BP9852

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
28 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
388827 / FA RK 11-1751
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet van 2 mei 1990Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961Art. 8 Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsenArt. 10 aanhef en onder a Brussel IIbisArt. 8 lid 1 Brussel IIbis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vaststellingsovereenkomst ouderlijke verantwoordelijkheid en verblijfplaats minderjarige

De rechtbank Almelo behandelde een verzoek van de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van een minderjarige uit Nederland naar België, ingediend door de vader. Tijdens de procedure hebben de ouders gezamenlijk besloten hun geschil via mediation op te lossen. Dit leidde tot een vaststellingsovereenkomst waarin is afgesproken dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige bij de moeder in Nederland zal zijn, met een contactregeling.

De Centrale Autoriteit trok haar verzoek tot teruggeleiding in en verzocht de rechtbank de vaststellingsovereenkomst te bekrachtigen. De moeder stemde hiermee in. De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was, nu de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats in Nederland had verkregen en de zaak na deze wijziging was ingediend.

De rechtbank nam de onderlinge regeling van de ouders betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid en verblijfplaats van de minderjarige over en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders verzochte werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door kinderrechter M. Kramer op 28 maart 2011.

Uitkomst: De rechtbank bekrachtigt de vaststellingsovereenkomst waarin de verblijfplaats van de minderjarige bij de moeder in Nederland is geregeld.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 11-1751
Zaaknummer: 388827
Datum beschikking: 28 maart 2011
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 22 februari 2011 ingekomen verzoek van:
de Directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), gevestigd te 's-Gravenhage,
verder te noemen: de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:
[de vader],
de vader,
wonende te [woonplaats A], België.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende te [woonplaats B],
advocaat: mr. L.J. Krijgsman te Enter (gemeente Wierden).
Procedure
Van de zijde van de vader is op 20 mei 2010 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding naar België van de minderjarige:
- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 1998 te [geboorteplaats minderjarige], België.
Op 22 februari 2011 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank te Almelo ingediend.
Bij beschikking d.d. 1 maart 2011 heeft de rechtbank te Almelo zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen en op grond van artikel 8 van Pro het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen d.d. 4 februari 2009 van de Raad voor de Rechtspraak bepaald dat de behandeling van de zaak plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief met bijlagen d.d. 8 maart 2011 van de Centrale Autoriteit;
- het verweerschrift van de zijde van de moeder.
Op 17 maart 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. M.M. Maljaars-Hendrikse;
- de vader bijgestaan door een tolk;
- de moeder bijgestaan door haar advocaat.
Het betrof een regiezitting met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. M. Kramer.
Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van mediation tot een minnelijke schikking te komen.
De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:
- de brief d.d. 22 maart 2011, van de zijde van de Centrale Autoriteit, met als bijlagen het wijzigingsverzoek en de vaststellingsovereenkomst;
- de brief met bijlagen d.d. 23 maart 2011, van de zijde van de moeder.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat tussen partijen het volgende vast.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast het met gezag over de minderjarige.
De vader heeft de Belgische en Tunesische nationaliteit en de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit.
Ter terechtzitting hebben de vader en de moeder besloten te trachten hun geschil door middel van mediation tot een oplossing te brengen.
De mediation heeft geresulteerd in algehele overeenstemming. De vader en de moeder hebben op 19 maart 2011 een vaststellingsovereenkomst ondertekend waarin zij zijn overeengekomen dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige bij de moeder, woonachtig te [woonplaats B] in Nederland, zal zijn. Verder hebben zij onder meer een contactregeling afgesproken.
Verzoek en verweer
De Centrale Autoriteit heeft haar verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar België ingetrokken.
De Centrale Autoriteit heeft de rechtbank bij wijzigingsverzoek d.d. 22 maart 2011 verzocht conform punt 2.3 van de vaststellingsovereenkomst het verzoekschrift d.d. 18 februari 2011 te wijzigen in dier voege dat zij de rechtbank verzoekt uitspraak te doen conform de bijgevoegde vaststellingsovereenkomst, zoals omschreven in punt 4 van het wijzigingsverzoek.
Blijkens de brief d.d. 23 maart 2011 stemt de moeder met het verzoek van de Centrale Autoriteit in.
Beoordeling
Rechtsmacht en relatieve bevoegdheid
De vader en de moeder zijn op 19 maart 2011 overeengekomen dat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats bij de moeder in Nederland zal hebben.
Derhalve is ingevolge artikel 10 aanhef Pro en onder a Brussel IIbis aan de bevoegdheid van de Belgische rechter ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid aangaande de minderjarige [de minderjarige] vanaf die datum een einde gekomen.
Nu het thans voorliggende verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordheid aangaande [de minderjarige] op 22 maart 2011 ter griffie is ingekomen - derhalve nadat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats in Nederland heeft verkregen - is de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 lid 1 Brussel Pro IIbis bevoegd om van dat verzoek kennis te nemen.
Nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in het arrondissement Almelo heeft, is de rechtbank Almelo bevoegd om van het verzoek van de Centrale Autoriteit kennis te nemen. De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.
Toepasselijk recht
Overeenkomstig de bepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 past de rechtbank Nederlands recht toe als haar interne recht.
Inhoudelijke beoordeling
De Centrale Autoriteit, mede namens de vader, en de moeder hebben eensluidend verzocht de door de moeder en de vader ondertekende vaststellingsovereenkomst te bekrachtigen door de afspraken voor zover mogelijk in de beschikking op te nemen. De rechtbank zal het verzoek als na te melden toewijzen.
Beslissing
De rechtbank:
neemt op de door de vader en de moeder getroffen onderlinge regeling ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid aangaande [de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 1998 te [geboorteplaats minderjarige], België, zoals neergelegd in de (in fotokopie) aan deze beschikking gehechte vaststellingsovereenkomst, en verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Kramer, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.M.J.H. van den Hurk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2011.