Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ5834

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
5 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
118576 FT RK 219/11 en 118578 FT RK 221/1
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.L.J. Koopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub c Fw.Art. 292 lid 3 Fw.Art. 361 Fw.
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet nakomen verplichtingen

Verzoekers, gehuwd in gemeenschap van goederen, dienden een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank oordeelde dat verzoeker 1 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de verplichtingen uit de regeling zal nakomen, mede vanwege zijn gedrag tijdens het faillissement waarbij hij informatievoorziening aan de curator vertraagde en onttrekking van goederen aan beslag niet aannemelijk kon verklaren.

De curator had verzocht om diverse bewijsstukken met betrekking tot verkoop van voertuigen waarop beslag was gelegd. Verzoeker 1 verstrekte deze informatie pas na een gedwongen verhoor en was zelfs in verzekerde bewaring gesteld vanwege het niet verstrekken van informatie. De rechtbank concludeerde dat dit gedrag niet wijst op een saneringsgezinde houding.

Omdat verzoekers in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en het verzoek van verzoeker 1 werd afgewezen, had verzoeker 2 geen belang meer bij haar verzoek. Toewijzing aan haar zou leiden tot een situatie waarin zij wel een schone lei krijgt, maar haar echtgenoot niet, waardoor schuldeisers verhaal kunnen blijven houden op het gemeenschappelijk vermogen.

Het verzoek van verzoeker 2 werd daarom eveneens afgewezen wegens gebrek aan belang. De rechtbank wees het verzoek tot schuldsanering af op grond van artikel 288 lid 1 sub c Faillissementswet Pro.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet nakomen van verplichtingen en gebrek aan belang.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
Sector civiel recht
zaaknummers: 118576 FT RK 219/11 en 118578 FT RK 221/11
datum vonnis: 5 april 2011
Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:
[verzoeker 1],
verder ook [verzoeker 1] te noemen,
en
[verzoeker 2],
verder ook [verzoeker 2] te noemen,
beiden wonende te [plaats] en [adres],
verzoekers.
Het procesverloop
Verzoekers hebben een verzoekschrift ingediend de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.
De zaak is behandeld ter terechtzitting van 24 maart 2011. Ter zitting zijn verzoekers verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
De beoordeling
De feiten
Verzoekers zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
Verzoekers ontvangen een gezamenlijke WWB-uitkering van € 1.239,15 per maand.
[verzoeker 1] heeft van 14 mei 2007 tot 4 juni 2009 de eenmanszaak ‘[X] gevoerd. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat [verzoeker 1] op 2 september 2009 op rekest failliet is verklaard en dat dit faillissement op 21 april 2010 is opgeheven wegens de toestand van de boedel. In dit faillissement is mr. S.J.M. Masselink tot curator benoemd.
Uit het faillissementsdossier is het navolgende gebleken. De curator heeft [verzoeker 1] verzocht de boekhouding van zijn onderneming te overhandigen. Voorts heeft de curator [verzoeker 1] verzocht bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt wanneer en aan wie de Citroën Berlingo is verkocht waarop de Belastingdienst op 23 april 2009 en 19 mei 2009 beslag heeft gelegd en op 25 juni 2009 openbaar zou verkopen. Daarnaast heeft de curator verzocht bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt wanneer en aan wie de Mercedes Benz E 3000 Diesel Sedan is verkocht. [verzoeker 1] heeft de boekhouding aan de curator overhandigd, nadat hij op 16 oktober 2009 door de rechter-commissaris is opgeroepen om te worden gehoord. Uit het proces-verbaal van dit verhoor blijkt dat [verzoeker 1] de twee auto’s op 17 juni 2009 heeft verkocht voor een bedrag ad € 1.000,00. Voorts heeft de curator [verzoeker 1] verzocht om bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt wanneer en aan wie hij de Mercedes Benz 280 SE Sedan heeft verkocht. Omdat [verzoeker 1] deze informatie niet aan de curator heeft verstrekt, is [verzoeker 1] op 26 februari 2010 in verzekerde bewaring gesteld. [verzoeker 1] is – nadat hij de gevraagde informatie heeft verstrekt – op 16 maart 2010 ontslagen uit de verzekerde bewaring.
Blijkens het door de Stadsbank Oost Nederland opgestelde schuldenoverzicht bedraagt de totale schuldenlast van verzoekers thans € 102.322,45.
De toelichting van verzoekers
[verzoeker 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens het faillissement in verzekerde bewaring is gesteld en dat hij toen alle door de curator opgevraagde informatie heeft verstrekt.
Voorts heeft [verzoeker 1] verklaard dat hij de auto waarop de Belastingdienst beslag heeft gelegd niet heeft verkocht. Volgens [verzoeker 1] heeft de curator geen aangifte gedaan van onttrekking van goederen aan het beslag.
De overwegingen van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker 1] niet aannemelijk gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. Uit het faillissementsdossier blijkt immers dat [verzoeker 1] eerst door de rechter-commissaris moest worden gehoord en gedurende bijna drie weken in verzekerde bewaring moest worden gesteld, alvorens hij de door de curator gevraagde informatie heeft willen verstrekken. Nu aldus is gebleken dat [verzoeker 1] in het faillissement de informatieverplichting niet naar behoren is nagekomen, is de rechtbank van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze verplichting in het faillissement wel nagekomen zal worden.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat het feit dat [verzoeker 1] een Citroën Berlingo, heeft onttrokken aan het door de Belastingdienst gelegde beslag, geen blijk geeft van een saneringsgezinde houding. De verklaring van [verzoeker 1] dat hij de auto waarop de Belastingdienst beslag heeft gelegd niet heeft verkocht, kan hem niet baten. Uit het faillissementsdossier is immers genoegzaam gebleken dat de Belastingdienst op 23 april 2009 en 19 mei 2009 beslag heeft gelegd op de Citroën Berlingo en dat [verzoeker 1] de Citroën Berlingo op 17 juni 2009 – en derhalve een week voordat de Belastingdienst de in beslaggenomen goederen openbare wilde verkopen – heeft verkocht.
Het verzoek van [verzoeker 1] zal worden afgewezen op grond van artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder c Faillissementswet (Fw.).
Nu verzoekers in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en de rechtbank het verzoek van [verzoeker 1] heeft afgewezen, is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker 2] geen belang meer heeft bij haar verzoek de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken. Indien [verzoeker 2] toegelaten zou worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, zou er namelijk een situatie ontstaan waarin [verzoeker 2] wel in aanmerking zal komen voor een schone lei voor haar (gemeenschaps-)schulden, maar haar echtgenoot niet. Hierdoor ontstaat de situatie dat de (gemeenschaps-)schuldeisers verhaal blijven houden op het tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende vermogen en inkomen van [verzoeker 2], zodat de door [verzoeker 2] te verkrijgen schone lei als het ware zonder betekenis is. Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van [verzoeker 2] eveneens afwijzen vanwege gebrek aan belang.
De schuldenlast van verzoekers behoeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen nadere bespreking.
De beslissing:
de rechtbank:
wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. M.L.J. Koopmans, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 5 april 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.
De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld bij door een advocaat ondertekend verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerechtshof te Arnhem. Wanneer de schuldenaar tevens een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord heeft ingediend, wordt dit verzoek eveneens aan het Gerechtshof voorgelegd (art. 292 lid 3 en Pro 361 Fw.).