ECLI:NL:RBALM:2012:BV9032

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
13 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
385438 CV EXPL 11-9798
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.H. van Rhijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:224 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding na gedwongen ontruiming wegens onvoldoende onderbouwing herstelkosten

De Woonplaats verhuurde een woning aan de huurder, die de huurovereenkomst verloor en de woning gedwongen moest ontruimen. De corporatie voerde herstelwerkzaamheden uit en vorderde van de huurder een schadevergoeding van €1.956,30 plus buitengerechtelijke kosten en rente.

De huurder betwistte de vordering en stelde dat hij niet in de gelegenheid was gesteld om de schade zelf te herstellen. De corporatie hanteert beleid waarbij bij gedwongen ontruiming geen inspectieprocedure wordt uitgevoerd, waardoor de huurder niet vooraf kon weten welke herstelwerkzaamheden vereist waren.

De rechtbank oordeelde dat het onduidelijk was of partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst een opleveringsbeschrijving hadden opgesteld. Volgens jurisprudentie moet een huurder de kans krijgen om gebreken te herstellen, tenzij het voor hem evident is dat herstel op zijn kosten komt. Dit was hier niet het geval.

Verder ontbrak inzicht in de specificatie van de herstelkosten die de huurder zelf zou hebben gemaakt. Daarom was de vordering onvoldoende onderbouwd en werd deze afgewezen. De Woonplaats werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding van de woningcorporatie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
Sector Kanton
Locatie Enschede
Zaaknummer : 385438 CV EXPL 11-9798
Uitspraak : 13 maart 2012 (mvr)
Vonnis in de zaak van:
de stichting WONINGSTICHTING DE WOONPLAATS
gevestigd en kantoorhoudende te Enschede
eisende partij
hierna ook wel De Woonplaats te noemen
gemachtigde: N.J.M. Tijhuis, deurwaarder te Almelo
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
gedaagde partij, hierna ook wel [gedaagde] te noemen
gemachtigde: mr. M.S.R. Dijkstra, advocaat te Enschede
1. Het verloop van de procedure:
1.1 Dit verloop blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 augustus 2011 ;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
2. De feiten:
2.1 De Woonplaats is in 2009 aan [gedaagde] gaan verhuren de woning c.a. staande en gelegen te [plaats] aan [adres]. De kantonrechter te Enschede heeft bij verstekvonnis van 1 juni 2010 de huurovereenkomst ontbonden en [gedaagde] is daarbij veroordeeld aan De Woonplaats te voldoen een huurachterstand van € 1.191,81 alsmede het gehuurde te ontruimen en te verlaten. Dit vonnis is op 13 juni 2010 aan [gedaagde] betekend en daarbij is aangezegd dat [gedaagde], indien hij De Woonplaats niet onder meer voormelde huurachterstand voldoet, de gerechtelijke ontruiming van het gehuurde zal plaatsvinden op 13 juli 2010. Zover komt het niet want [gedaagde] ontruimt het gehuurde op 12 juli 2010.
3. De vordering:
3.1 De Woonplaats vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] wordt veroordeeld aan haar te betalen het bedrag van € 2.383,74 met de wettelijke rente over € 1.956,30 vanaf 17 augustus 2011 tot de dag van de algehele voldoening. De vordering is gebaseerd op de feiten en op de volgende stellingen:
3.2 [gedaagde] heeft het gehuurde niet naar behoren opgeleverd. De Woonplaats heeft als gevolg daarvan de volgende werkzaamheden moeten (doen) uitvoeren, hetgeen een schadepost oplevert van € 1.956,30. Dit bedrag laat zich als volgt specificeren:
* Reparatie plafond woonkamer € 1.662,56
* Verwijderen tegels uit gang/keuken € 75,00
* Plaatsen nieuwe keukendeur € 218,74
Totaal € 1.956,30
[gedaagde] dient de schade te vergoeden, maar hij weigert dat. Voormeld
totaalbedrag dient te worden vermeerderd met € 357,00 als vergoeding voor
gemaakte buitengerechtelijke kosten en met een bedrag van € 70,44 als wettelijke
vertragingsrente.
3.3 In het geval van [gedaagde] ging het om een gedwongen ontruiming van het gehuurde. In een dergelijk geval wordt het gehuurde niet geïnspecteerd om de huurder de gelegenheid te geven eventuele geconstateerde gebreken zelf (te doen) herstellen.
4. Het verweer:
4.1 [gedaagde] is van mening dat bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, De Woonplaats niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, althans dat deze vordering dient te worden afgewezen, zulks met veroordeling van De Woonplaats in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis.
4.2 Het meest vergaande verweer van [gedaagde] is dat hij niet in de gelegenheid is gesteld, voor zover er al schade aan het gehuurde zou zijn die tijdens de huurovereenkomst is ontstaan, deze zelf te herstellen.
5. De beoordeling van het geschil:
5.1 De Woonplaats heeft niet toegelicht waarom zij bij gedwongen ontruimingen geen inspectieprocedure uitvoert, terwijl, zo begrijpt de kantonrechter, dat wel het geval is als ontruimd wordt wegens een opzegging van de huurovereenkomst. Ongewis is gebleven of partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst een beschrijving hebben opgemaakt als bedoeld in artikel 7: 224 lid 2 BW. Een huurder die het gehuurde bij het einde van de huur niet in juiste staat oplevert zal in beginsel toerekenbaar tekort schieten in de nakoming van zijn teruggaveplicht. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1998, NJ 1999, 380 (Van der Meer/Beter Wonen) is het niet altijd nodig dat de huurder door de verhuurder in gebreke wordt gesteld. Had De Woonplaats [gedaagde] de gelegenheid moeten geven, zulks met een redelijke termijnstelling, de in het geding zijnde schade door zelfwerkzaamheid of anderszins te beperken? Deze vraag wordt mede aan de hand van vorenbedoeld arrest bevestigend beantwoord. Immers niet is gesteld of is gebleken dat het voor [gedaagde] evident was of redelijkerwijze kon zijn dat het hier om gebreken ging die op zijn kosten moesten worden hersteld. Voorts is van belang dat indien geen inspectieprocedure wordt gevolgd de verhuurder slechts die herstelkosten kan vorderen die de huurder zelf zou hebben gemaakt. De Woonplaats heeft daarin geen inzicht gegeven. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de vordering worden afgewezen. De vordering is onvoldoende onderbouwd. De Woonplaats zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
Beslissing:
Wijst de vordering af.
Veroordeelt De Woonplaats in de kosten van de procedure tot op heden aan de zijde
van [gedaagde] begroot op € 150,-- wegens het salaris van de gemachtigde.
Verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen te Enschede door mr. M.H. van Rhijn, kantonrechter, en op
13 maart 2012 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.