ECLI:NL:RBAMS:1999:AF0009

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/4R
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw aangegane schulden

X. heeft een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De schulden betreffen een bijstandsuitkering van de gemeente en twee schulden aan het GAK Nederland B.V., die allen verband houden met ten onrechte verstrekte uitkeringen.

De rechtbank overweegt dat deze schulden niet te goeder trouw zijn aangegaan. Hoewel niet precies is vastgesteld wanneer de uitkeringsinstanties het verzaken van de inlichtingenplicht hebben ontdekt, is dit niet eerder dan 1995 geweest, dus korter dan vijf jaar geleden.

Gezien deze omstandigheden wijst de rechtbank het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling af. Het vonnis is uitgesproken op 4 februari 1999 door mr. J.C.W. Rang.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw aangegane schulden.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam
Tweede enkelvoudige kamer
X.,
wonende te...
verzoekster,
heeft op 30 december 1998 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Bij vonnis van deze kamer van 11 januari 1999 is op het verzoek voorlopig beslist.
De rechtbank overweegt als volgt:
Betrokkene heeft ter terechtzitting verklaard dat de schuld aan de gemeente Muiden van in totaal f. 547,77 betrekking heeft op een ten onrechte verstrekte bijstandsuitkering in 1995.
Voorts heeft betrokkene verklaard dat een tweetal schulden aan het GAK Nederland BV eveneens verband houden met een ten onrechte verstrekte uitkering. Eén schuld ad f. 3.175,21 is ontstaan in de periode van 13 juni 1994 t/m 14 augustus 1994 en 23 januari 1995 t/m 19 februari 1995. Van de andere schuld ad f. 6.946,14 is niet gebleken dat deze vóór genoemde periode is ontstaan.
Naar het oordeel van de rechtbank moet van de drie hiervoor bedoelde schulden worden aangenomen dat deze niet te goeder trouw zijn aangegaan. Hoewel uit de overgelegde stukken niet - precies - blijkt wanneer de beide uitkeringsinstanties het verzaken van de inlichtingenverplichting hebben ontdekt, moet worden geconcludeerd dat dit niet eerder dan 1995, en derhalve korter dan vijf jaar geleden is geweest.
Alle omstandigheden meegewogen is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling dient te worden afgewezen.
BESLISSING
De rechtbank
- wijst het verzoek af;
Gewezen door mr. J.C.W. Rang, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.