ECLI:NL:RBAMS:1999:AF0013

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 juni 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/5 R
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregeling ondanks niet-nakoming verplichtingen

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van een schuldenaar die zijn verplichtingen uit de regeling niet naar behoren was nagekomen. De schuldenaar had onder meer zijn adreswijzigingen niet doorgegeven, niet gereageerd op verzoeken om inzicht in vaste lasten, zijn auto niet ingeleverd ondanks afspraken, en de afgesproken aflossingscapaciteit niet betaald. Tevens liet hij na na 27 april 1999 contact te onderhouden met de bewindvoerder.

De bewindvoerder had de beëindiging van de schuldsanering verzocht en de rechter-commissaris had dit geadviseerd. De rechtbank constateerde dat de schuldenaar zijn verplichtingen niet was nagekomen en geprobeerd had zijn schuldeisers te benadelen, hetgeen hem verweten kon worden.

Desondanks bracht de rechtbank begrip op voor de moeilijke persoonlijke omstandigheden van de schuldenaar, waaronder een echtscheiding en het ontbreken van een eigen woning, waardoor hij bij familie en kennissen moest verblijven. Daarom achtte de rechtbank een tussentijdse beëindiging van de regeling een te strenge maatregel gezien de gevolgen daarvan.

De rechtbank wees het verzoek tot beëindiging af, maar waarschuwde de schuldenaar dat bij herhaalde niet-nakoming van verplichtingen de kans groot is dat een volgend verzoek wel wordt toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam
Tweede enkelvoudige kamer
Bij vonnis van deze kamer van 11 januari 1999 is de voorlopige schuldsanering uitgesproken, waarna bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 9 maart 1999 de definitieve schuldsanering is uitgesproken ten aanzien van:
X.
geboren op ...
voorheen wonende te ...
thans verblijvende te ...
hierna te noemen: de schuldenaar.
De bewindvoerder heeft verzocht de toepassing van de schuldsanering te beëindigen. De schuldenaar en zijn bewindvoerder zijn opgeroepen ten einde te worden gehoord ter terechtzitting van 2 juni 1999. De rechter-commissaris heeft geadviseerd de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.
Als grond voor de beëindiging is aangevoerd dat - kort samengevat - de schuldenaar zijn verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling niet is nagekomen en getracht heeft zijn schuldeisers te benadelen.
Uit de stukken en ter zitting is de rechtbank gebleken dat de schuldenaar:
niet aanstonds zijn adreswijzigingen aan de bewindvoerder heeft doorgegeven;
niet heeft gereageerd op het verzoek van de bewindvoerder om inzicht te geven in zijn vaste lasten;
zijn auto niet heeft ingeleverd bij de bewindvoerder ondanks de mondelinge en schriftelijke afspraak hieromtrent;
de door de bewindvoerder bepaalde aflossingscapaciteit over de periode van 11 januari 1999 tot en met 31 maart 1999 nog niet heeft betaald ondanks een hiertoe strekkend verzoek van de bewindvoerder;
na 27 april 1999, toen hij de bewindvoerder schriftelijk heeft laten weten dat hij zijn auto niet wenste in te leveren, in het geheel niets meer van zich heeft laten horen, totdat de bewindvoerder het onderhavige verzoek heeft ingediend.
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de schuldenaar een of meer van uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en getracht heeft zijn schuldeisers te benadelen, hetgeen de schuldenaar kan worden verweten.
De rechtbank kan echter wel enig begrip opbrengen voor de moeilijke situatie waarin de schuldenaar is komen te verkeren door de echtscheiding waarin hij is verwikkeld en de omstandigheid dat hij thans niet over een eigen woning beschikt, zodat hij gedwongen is bij familie en kennissen te logeren. Tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling acht de rechtbank thans een te strenge maatregel, mede gelet op de daaruit voortvloeiende consequenties. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
De rechtbank wijst de schuldenaar erop dat hij, indien hij wederom een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt, danwel zich niet houdt aan de voorwaarden en regels die door de bewindvoerder worden gesteld, hij bij een eventueel volgend verzoek tot beëindiging van de regeling een gerede kans loopt dat het verzoek dan wel wordt toegewezen.
BESLISSING
De rechtbank:
wijst af het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Gewezen door mr. J.C.W. Rang, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.