ECLI:NL:RBAMS:2001:AD5055
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- T. van Peijpe
- R.B. Kleiss
- J.C. Boeree
- Rechtspraak.nl
Gelijkstelling bevallingsverlof met ziekte leidt tot discriminatie in WAO-wachttijdberekening
Eiseres, een zwangere vrouw die arbeidsongeschikt werd wegens zwangerschapsklachten, stelde dat verweerder ten onrechte de perioden van zwangerschapsongeschiktheid en bevallingsverlof had meegeteld bij de berekening van de wachttijd van 52 weken voor haar WAO-uitkering. Verweerder had deze perioden gelijkgesteld aan ziekte, wat volgens eiseres in strijd was met het discriminatieverbod van artikel 4 van Pro Richtlijn 79/7/EEG.
De rechtbank onderscheidde drie perioden: de zwangerschapsongeschiktheid voorafgaand aan het bevallingsverlof, het bevallingsverlof zelf, en de arbeidsongeschiktheid aansluitend op het bevallingsverlof. Voor de eerste en derde periode oordeelde de rechtbank dat gelijkstelling met ziekte gerechtvaardigd was en geen discriminatie opleverde, omdat de arbeidsongeschiktheid niet werd veroorzaakt door zwangerschap maar door ziekte en dus gelijk behandeld kon worden als bij mannen.
Voor de tweede periode, het bevallingsverlof, concludeerde de rechtbank echter dat de automatische gelijkstelling met ziekte leidt tot discriminatie. Dit omdat zwangere vrouwen hierdoor eerder de maximale wachttijd bereiken dan mannen, wat een ongerechtvaardigd onderscheid op grond van geslacht vormt. De rechtbank volgde hiermee de redenering uit het arrest Mary Brown van het HvJEG en wees op recente wetsvoorstellen die deze discriminatie moeten corrigeren.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en beval verweerder een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan eiseres vergoed.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het meetellen van bevallingsverlof bij de WAO-wachttijdberekening een verboden discriminatie vormt en vernietigt het besluit van verweerder.