ECLI:NL:RBAMS:2001:AF0031
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot omzetting faillissement in wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid
Verzoeker werd op 23 november 1999 failliet verklaard op verzoek van drie crediteuren. Hij stelde verzet in en vroeg op 8 december 1999 surséance van betaling aan, die uiteindelijk definitief werd verleend op 2 februari 2000. Op 9 augustus 2000 werd de surséance ingetrokken en het faillissement uitgesproken. De onderneming werd medio december 2000 verkocht.
Verzoeker verzocht vervolgens om opheffing van het faillissement en toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De curator en rechter-commissaris concludeerden tot niet-ontvankelijkheid van dit verzoek. De rechtbank overwoog dat verzoeker het verzoek tot toepassing van de WSNP niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na ontvangst van de brief conform artikel 3 Faillissementswet Pro had ingediend.
De rechtbank oordeelde dat de wet geen mogelijkheid biedt om na omzetting van surséance in faillissement alsnog een verzoek tot toepassing van de WSNP in te dienen. Het beroep op artikel 15b Faillissementswet kon verzoeker niet baten. De omstandigheden rondom de verkoop van de onderneming rechtvaardigen geen andere uitleg. Het verzoek werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot omzetting van het faillissement in toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.