ECLI:NL:RBAMS:2002:AF0366
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van OV-boete bij studiefinanciering in strijd met EVRM
Eiseres had in 1996 meerinkomen naast haar studiefinanciering, waarop verweerster een vordering baseerde, bestaande uit het meerinkomen en een OV-boete. De rechtbank oordeelt dat de vordering van het meerinkomen terecht is gebaseerd op de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en bevestigt dit deel van de vordering.
De OV-boete is opgelegd op grond van artikel 3.17, zevende lid, onder b, van de Wsf 2000 en wordt beschouwd als een punitieve sanctie. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van deze sanctie uitsluitend wordt bepaald door het aantal maanden waarin eiseres beschikte over een OV-studentenkaart, zonder rekening te houden met de ernst of omvang van het meerinkomen.
Dit leidt tot een disproportionele sanctie, in strijd met het evenredigheidsbeginsel van artikel 6 EVRM Pro. Daarom moet dit deel van de vordering worden vernietigd en mag de sanctie niet worden opgelegd. De rechtbank wijst het beroep tegen het meerinkomen af, verklaart het beroep tegen de OV-boete gegrond, en veroordeelt verweerster in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de OV-boete wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en handhaaft de vordering van het meerinkomen.