ECLI:NL:RBAMS:2002:AF1639
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.M.I. van der Does
- S. Tammes
- A.R.J.M. Vermolen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens ernstige overschrijding redelijke termijn in strafzaak vliegtuigongeval
De rechtbank Amsterdam behandelde een strafzaak tegen verdachte omtrent een vliegtuigongeval van 13 juni 1998. Verdachte werd op 17 september 1998 als verdachte gehoord, waarna het onderzoek en de vervolging langdurig duurden. De verdediging voerde aan dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden doordat alleen verdachte werd vervolgd.
De rechtbank overwoog dat de termijn voor het redelijke termijnbeginsel aanving bij het eerste verhoor van verdachte op 17 september 1998. Gezien de duur van ruim vier jaar tot aan de dagvaarding en het stilzitten na mei 2000, achtte de rechtbank de overschrijding ernstig. De complexiteit van de zaak was beperkt, er waren geen medeverdachten en geen gerechtelijk vooronderzoek.
De rechtbank concludeerde dat het maatschappelijk belang bij vervolging niet meer opwoog tegen het persoonlijk belang van verdachte bij niet-vervolging. Ook was geen sprake van vertraging door verdachte of zijn raadsman. Daarom werd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte. Het subsidiaire feit was wegens verjaring eveneens niet ontvankelijk.
De uitspraak bevestigt het belang van het respecteren van redelijke termijnen in strafzaken en weegt zorgvuldig het belang van normhandhaving tegen het recht op een tijdige berechting.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.