ECLI:NL:RBAMS:2003:AI0400
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijheid van meningsuiting versus privacy bij publicatie over verzetsdaad en moord uit WOII
De zaak betreft een geschil tussen eiser en gedaagde over een open brief waarin gedaagde kritiek uit op de presentatie door eiser van het ombrengen van een joodse onderduiker tijdens de Tweede Wereldoorlog als verzetsdaad.
Eiser was in 1944 veroordeeld voor doodslag op de onderduiker en kreeg later gratie. In latere publicaties en een televisie-interview presenteerde eiser deze daad als een verzetsdaad. Gedaagde stelde in haar open brief vraagtekens bij dit verzetsmotief en verwees op spottende wijze naar mogelijke andere motieven, waaronder geldelijk gewin.
De rechtbank weegt het recht op vrije meningsuiting van gedaagde tegen het privacybelang van eiser. Gezien de aard van de open brief als column met scherpe en prikkelende uitlatingen, de nieuwe feiten sinds eerdere rechtspraak, en het feit dat eiser zelf opnieuw in de publiciteit trad, oordeelt de rechtbank dat de open brief niet onrechtmatig is. De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de open brief niet onrechtmatig is en wijst de vorderingen van eiser af.