ECLI:NL:RBAMS:2004:AQ5611
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.N. Dalebout
- P.B. Martens
- A. Van Nass
- Rechtspraak.nl
Beslissing over vergoeding kosten raadsvrouw bij voorwaardelijke toevoeging in strafzaak
De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek ex artikel 591a Sv tot vergoeding van kosten voor de raadsvrouw van de verzoeker in een strafzaak. Het verzoek betrof een bedrag van €2.701,29, waaronder kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van verzoekschriften.
Tijdens de procedure verwees de rechtbank naar een arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2004 (LJN AO4098), waarin werd geoordeeld dat kosten van een raadsman die na afloop van de strafzaak een overeenkomst sluit met de gewezen verdachte over niet-gebruik van de toevoeging, niet als kosten van een raadsman in de zin van artikel 591a Sv kunnen worden aangemerkt. De rechtbank paste dit arrest ook toe op situaties waarin bij aanvang van de zaak een voorwaardelijke toevoeging is overeengekomen.
De rechtbank oordeelde dat een voorwaardelijke toevoeging niet verenigbaar is met het systeem van rechtsbijstand en dat de gemaakte kosten na het arrest van de Hoge Raad niet meer vergoed kunnen worden. Wel kende de rechtbank een billijke vergoeding van €810 toe voor kosten die gemaakt zijn vóór het arrest, inclusief een toeslag wegens een tweede behandeling ter zitting.
De beslissing werd genomen door de twaalfde kamer van de rechtbank Amsterdam op 27 juli 2004. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen een maand na betekening.
Uitkomst: Verzoek tot vergoeding kosten raadsvrouw bij voorwaardelijke toevoeging wordt afgewezen, met een billijke vergoeding van €810 toegekend voor kosten voorafgaand aan arrest Hoge Raad.