ECLI:NL:RBAMS:2005:AT9961

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13.497.159-2005 en 13.497.088-2005
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 EVRMArt. 11 OverleveringswetArt. 12 EG-VerdragArt. 15 OverleveringswetArt. 18 EG-Verdrag
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering aan Hongarije toegestaan ondanks onrechtmatige aanhouding en beroep op EVRM en EG-Verdrag

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een persoon aan Hongarije, die was aangehouden op basis van een Interpolsignalering. Hoewel de eerste aanhouding en de daaropvolgende inverzekeringstelling onrechtmatig werden geoordeeld omdat deze niet voldeden aan de voorwaarden van de Overleveringswet, werd de overlevering zelf wel toegestaan.

De opgeëiste persoon voerde onder meer aan dat er sprake was van een flagrante schending van artikel 5 EVRM Pro en dat zijn verblijfsrecht in Nederland op grond van het EG-Verdrag niet werd gerespecteerd. Deze beroepen werden door de rechtbank verworpen. De rechtbank oordeelde dat de feiten waarvoor overlevering werd gevraagd volledig in Hongarije waren gepleegd, waardoor een terugkeergarantie niet aan de orde was.

De rechtbank stelde vast dat de termijn voor overleveringsdetentie pas begon te lopen op het moment van de rechtmatige aanhouding op 25 april 2005, en dat de termijn dus nog niet was verstreken. Een verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie werd daarom afgewezen. De beslissing tot overlevering werd genomen door mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter, en de rechters B.M. Vroom-Cramer en J.L. Hillenius.

Uitkomst: De rechtbank wees het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie af en stond de overlevering aan Hongarije toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
Internationale rechtshulp kamer
Parketnummer: 13.497.159-2005 en 13.497.088-2005
RK nummer: 05/1344 en 05/1396
BESLISSING
De raadkamer van deze rechtbank heeft kennis genomen van het op 1 juli 2005 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie uit hoofde van artikel 22, vierde lid, van de Overleveringswet (OLW)van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats op [geboortedatum] 1963,
verblijvend op het [adres],
thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “Lelystad” te Lelystad.
De rechtbank heeft acht geslagen op het dossier, waaronder de stukken die op de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrekking hebben.
Gelet op de behandeling in raadkamer op 5 juli 2005, waar zijn gehoord de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. J. Pauw, advocaat te Amsterdam.
De raadsman van de opgeëiste persoon stelt zich op het standpunt dat de in artikel 22, derde lid OLW bedoelde, verlengde, termijn op 6 juli 2005 zal verlopen.
De officier van justitie verzet zich gemotiveerd tegen het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie en stelt zich op het standpunt dat de in artikel 22, derde lid, OLW bedoelde, verlengde, termijn niet eerder dan eind juli 2005 zal verstrijken.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op 5 april 2005 is de opgeëiste persoon aangehouden op basis van een Interpol signalering en op 6 april 2005 is hij in verzekering gesteld. Op 8 april 2005 is de voorlopige aanhouding omgezet in een definitieve aanhouding.
Bij beslissing van 20 april 2005 heeft de rechtbank overwogen dat, omdat artikel 15 OLW Pro slechts voorlopige aanhouding toelaat op basis van signalering in het Schengen Informatie Systeem (SIS), zowel de aanhouding op 5 april 2005 als de daaropvolgende inverzekeringstelling en de omzetting in een definitieve aanhouding onrechtmatig zijn geweest. De termijn als bedoel in artikel 22, derde en vierde lid, is derhalve niet aangevangen. De overleveringsdetentie is dientengevolge opgeheven en de opgeëiste persoon is in vrijheid gesteld.
Op 25 april 2005 is de opgeëiste persoon aangehouden op basis van ten parkette van de officier van justitie ontvangen EAB’s, uitgevaardigd door justitiële autoriteiten van Hongarije, en op 27 april 2005 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 29 april 2005 beslist dat deze nieuwe aanhouding rechtmatig is geweest.
De rechtbank is van oordeel dat de termijn, bedoeld in artikel 22, derde en vierde lid, OLW, is gaan lopen op de dag waarop de opgeëiste persoon rechtmatig werd aangehouden op de voet van artikel 21, eerste lid, OLW, derhalve op 25 april 2005. De termijn loopt derhalve eerst op 24 juli 2005 af.
Het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie wordt derhalve afgewezen.
BESLISSING:
Wijst af het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] voornoemd.
Deze beslissing is genomen op 5 juli 2005 door:
mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en J.L. Hillenius, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.