ECLI:NL:RBAMS:2006:AU9280
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.J.R.M. Vermolen
- J.L. Hillenius
- J.N.A. Jolink
- Rechtspraak.nl
Weigering overlevering wegens flagrante schending redelijke termijn en gebrek aan effectieve rechtsmiddelen in Frankrijk
De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een persoon aan Frankrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd in verband met een veroordeling bij verstek in 1991 tot zes jaar gevangenisstraf wegens illegale handel in verdovende middelen.
De rechtbank stelde vast dat tussen het vonnis in 1991 en het uitvaardigen van het EAB in 2005 een periode van ruim veertien jaar is verstreken zonder dat de Franse autoriteiten de opgeëiste persoon actief opspoorden of internationaal signaleerden. Dit lange tijdsverloop werd door de rechtbank aangemerkt als een flagrante schending van het recht op een redelijke termijn zoals beschermd door artikel 6 EVRM Pro.
Verder oordeelde de rechtbank dat de mogelijkheid tot verzet in Frankrijk geen effectieve remedie biedt, aangezien de opgeëiste persoon mogelijk langdurig in voorlopige hechtenis zal worden gehouden en het proces niet binnen een redelijke termijn zal aanvangen. De rechtbank hechtte vertrouwen aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar concludeerde dat de omstandigheden in deze zaak onvoldoende waarborgen bieden voor een effectieve rechtsbescherming.
Op grond van artikel 11 van Pro de Overleveringswet (OLW) weigerde de rechtbank daarom de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk wegens flagrante schending van het recht op een redelijke termijn en het ontbreken van een effectieve rechtsmiddel.