ECLI:NL:RBAMS:2006:AX8469
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toestaan overlevering aan Duitsland ondanks beroep op overschrijding redelijke termijn en rechtsmacht Nederland
De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 mei 2006 een verzoek tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) wegens illegale handel in verdovende middelen. De opgeëiste persoon betwistte de overlevering onder meer met een beroep op artikel 11 van Pro de Overleveringswet (OLW), vanwege een vermeende overschrijding van de redelijke termijn tussen het aanhoudingsbevel en de feitelijke uitlevering.
De rechtbank oordeelde dat hoewel er een periode van circa drieënhalf jaar lag tussen het opnieuw in werking stellen van het aanhoudingsbevel en het uitvaardigen van het EAB, de opgeëiste persoon zich in strijd met haar toezeggingen aan de Duitse autoriteiten onttrok en met onbekende bestemming Keulen verliet. Hierdoor was geen flagrante schending van haar rechten aan te nemen die een weigering van overlevering zou rechtvaardigen.
Daarnaast stelde de raadsman dat de feiten deels in Nederland zouden zijn gepleegd, waardoor Nederland rechtsmacht zou hebben en een terugkeergarantie zou moeten worden gegeven. De rechtbank concludeerde echter dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht uitsluitend betrekking heeft op handel in cannabis in Keulen en niet op invoer vanuit Nederland, zodat Nederland geen rechtsmacht heeft.
Gelet op het feit dat aan alle wettelijke eisen van de OLW is voldaan, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe.