ECLI:NL:RBAMS:2006:AY6699
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering monumentenvergunning voor verplaatsing houtzaagmolen De Otter bevestigd
De Stichting Houtzaagmolen De Otter verzocht om een vergunning voor het verplaatsen van de monumentale paltrokmolen De Otter en de bijbehorende loodsen. Verweerder, het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark, weigerde deze vergunningen. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk was en dat het beroep tegen de weigering van de vergunning voor de loodsen eveneens niet-ontvankelijk was vanwege het ontbreken van bezwaar.
De rechtbank stelde vast dat de molen een onroerende zaak is op grond van de Monumentenwet en het Burgerlijk Wetboek, omdat deze duurzaam met de grond is verbonden. De molen staat sinds circa 1638 op dezelfde locatie en vervult een plaatsgebonden functie. De rechtbank vond dat verweerder in redelijkheid de vergunning kon weigeren, mede omdat de cultuurhistorische waarde van de situering aan de Kostverlorenvaart zwaarder woog dan het belang van eiseres bij verplaatsing.
De rechtbank concludeerde dat de onderzoeken en adviezen waarop verweerder zich baseerde, waaronder van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en Peutz & Associées, voldoende betrouwbaar waren. Er was geen sprake van strijd met de Monumentenwet of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld in beperkte proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de monumentenvergunning voor de verplaatsing van de molen is ongegrond verklaard.