ECLI:NL:RBAMS:2006:AY8670
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering overlevering wegens flagrante schending redelijke termijn en gebrek aan effectieve rechtsbescherming
De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 augustus 2006 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Frankrijk op basis van een Europees aanhoudingsbevel van juli 2006. De opgeëiste persoon wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, waarvoor in Frankrijk in 1992 een verstekvonnis is uitgesproken.
De rechtbank constateert dat het verstekvonnis is gewezen zonder dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard of op de hoogte is gesteld van de behandeling, maar dat de Franse autoriteiten de garantie hebben gegeven dat hij verzet kan aantekenen en opnieuw berecht zal worden. De rechtbank stelt vast dat het beginpunt van de redelijke termijn in deze zaak ligt bij het verhoor van de opgeëiste persoon in november 1991.
Er is echter een periode van bijna 15 jaar verstreken zonder dat de Franse autoriteiten actief hebben gezocht naar de opgeëiste persoon, terwijl zij op de hoogte waren van zijn verblijf in Nederland. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van een flagrante schending van het recht op een berechting binnen een redelijke termijn zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de mogelijkheid tot een effectieve rechtsbescherming (effective remedy) in Frankrijk onvoldoende is, mede omdat de opgeëiste persoon vrijwel zeker langdurig in voorlopige hechtenis zal worden gehouden. Gelet op deze omstandigheden weigert de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk.
Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering wegens flagrante schending van het recht op een berechting binnen een redelijke termijn en het ontbreken van een effectieve rechtsbescherming.