ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ4372
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- F.G. Bauduin
- W.M.C. van den Berg
- J.M. van Hall
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens overschrijding redelijke termijn in strafzaak
In deze strafzaak heeft de rechtbank Amsterdam het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en artikel 14 BUPO Pro. De vervolging begon op het moment van het eerste verhoor van verdachte op 23 maart 2001 en duurde tot en met de uitspraak op 9 november 2006, een periode van vijf jaar en acht maanden.
De rechtbank constateerde dat na het afsluiten van het proces-verbaal in oktober 2001 de onderzoekshandelingen zich beperkten tot het horen van slechts twee getuigen en dat er tussen oktober 2001 en oktober 2003 geen onderzoekshandelingen plaatsvonden. Ook de proceshouding van verdachte rechtvaardigde deze vertraging niet. De voortvarendheid van het openbaar ministerie en de rechter-commissaris was onvoldoende, ondanks het gebruik van dwangmiddelen zoals voorlopige hechtenis en beslag.
De verdediging voerde aan dat het beginsel van equality of arms was geschonden doordat stukken niet aan de raadsman waren verstrekt. De rechtbank stelde vast dat het belang van verdachte bij verval van het recht op strafvervolging zwaarder woog dan het belang van de gemeenschap bij normhandhaving door berechting.
Hierdoor verklaarde de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn.