ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ7503
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Overlevering aan Frankrijk toegestaan ondanks verweer op grond van redelijke termijn en weigeringgronden
De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een persoon aan Frankrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) wegens vermoedelijke drugshandel. De verdachte, met dubbele nationaliteit, voerde verweren aan waaronder schending van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro en weigering op grond van artikel 11 en Pro 13 van de Overleveringswet (OLW).
De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie over de uitleg van 'handel in verdovende middelen' ongegrond was. De feiten vielen onder de uitzonderingen waarbij dubbele strafbaarheid niet vereist is. Het onschuldverweer van de verdachte werd niet aannemelijk geacht.
De rechtbank accepteerde de garanties van Frankrijk dat bij veroordeling de straf in Nederland kan worden uitgevoerd conform het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. Tevens werd afgezien van de weigeringgrond van artikel 13 OLW Pro op grond van goede rechtsbedeling en de dubbele WOTS-garantie. Het beroep op artikel 6 EVRM Pro werd verworpen omdat geen aannemelijk risico op flagrante schending was vastgesteld.
Het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie werd afgewezen als prematuur. Gezien de voldane voorwaarden en garanties stond de rechtbank de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Frankrijk toe en wijst verweren en verzoeken tot schorsing af.