ECLI:NL:RBAMS:2006:BD2852
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toestemming overlevering Nederlandse verdachte aan Frankrijk ondanks verweer slechte detentieomstandigheden
De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 december 2006 de vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Frankrijk op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse justitiële autoriteiten. De verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij illegale handel in verdovende middelen, strafbare feiten volgens zowel Frans als Nederlands recht.
De rechtbank oordeelde dat de vereisten van de Overleveringswet (OLW) waren vervuld, waaronder de geldigheid van het EAB en de strafbaarheid van de feiten onder Nederlands recht. Het verweer van de verdachte dat het ontbreken van het onderliggende verstekvonnis een beletsel vormde, werd verworpen omdat de OLW dit niet vereist.
Daarnaast werd het verweer dat overlevering zou leiden tot een schending van mensenrechten vanwege de slechte omstandigheden in Franse gevangenissen afgewezen. De rechtbank vond dat er geen reëel risico bestond op een behandeling in strijd met artikel 1 EVRM Pro. De Franse autoriteiten hadden bovendien garanties gegeven over de mogelijkheid van een nieuw proces en de uitvoering van de straf in Nederland.
De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en verlengde de uitspraaktermijn vanwege procedurele omstandigheden. Tegen deze beslissing is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Frankrijk toe ondanks het verweer over slechte detentieomstandigheden.