Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2007:BA8476

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07-2399 WRO
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.3 Bouwverordening AmsterdamBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing bouwvergunning overdracht wegens twijfel aan rechtmatigheid besluit

Creative Leisure Company B.V. verzocht de rechtbank om schorsing van het besluit waarbij het stadsdeel Amsterdam Zuidoost een bouwvergunning voor een zomerrestaurant had overgedragen aan Bueno de Mesquita Holding B.V. Verzoekster was de oorspronkelijke vergunninghouder en stelde dat zij niet in de gelegenheid was gesteld om een zienswijze in te dienen over het voorgenomen besluit. De rechtbank stelde vast dat verzoekster belanghebbende was en dat het ontbreken van een zienswijze ernstige twijfel opriep over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

De rechtbank overwoog dat het onzeker was of artikel 10.3 van de Bouwverordening Amsterdam een voldoende grondslag bood voor de overdracht. Tevens werd erkend dat het besluit niet alleen het bouwplan betrof, maar ook vrijstelling van het bestemmingsplan. Hoewel verzoekster zelf niet kon exploiteren zonder gebruiksovereenkomst, had zij belang bij het voorkomen dat vergunninghoudster het restaurant zou exploiteren, omdat dit haar toekomstige positie zou kunnen schaden.

Gezien deze omstandigheden en het spoedeisende belang van verzoekster, besloot de rechtbank het verzoek tot voorlopige voorziening toe te wijzen. Het bestreden besluit werd geschorst tot zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift van verzoekster. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot overdracht van de bouwvergunning wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift.

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam
Sector Bestuursrecht Algemeen
voorlopige voorzieningen
UITSPRAAK
in het geding met reg.nr. AWB 07/2399 WRO
tussen:
Creative Leisure Company B.V., gevestigd te Amsterdam,
verzoekster,
vertegenwoordigd door mr. J.M. van den Berg en mr. J. de Koning,
en:
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Zuidoost van de gemeente Amsterdam,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. P.C Leegwater, mr. G. Koop, mr. L. Gratama en mr. E.J. Hetebrij.
Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:
Bueno de Mesquita Holding B.V., gevestigd te Amsterdam,
vergunninghoudster,
vertegenwoordigd door mr. S. Levelt.
1. PROCESVERLOOP
De rechtbank heeft een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van verzoekster gericht tegen het besluit van verweerder van 8 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit).
Het onderzoek is gesloten ter zitting van 22 juni 2007, alwaar mr. [betrokkene] namens de gemachtigde van vergunninghoudster aanwezig was.
2. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 14 juni 2006 heeft verweerder aan Creative Leisure Island B.V. een bouwvergunning met tijdelijke vrijstelling verleend voor de periodes van 1 juli 2006 tot 1 november 2006 en 1 mei 2007 tot 1 november 2007, voor het oprichten van een restaurant met terras op het Langbroekpad te Amsterdam Zuidoost en het gebruik daarvan als ‘zomerrestaurant’.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze vergunning overgedragen aan en op naam gesteld van vergunninghoudster. Daartoe heeft verweerder overwogen dat verzoekster heeft aangegeven onder dezelfde voorwaarden geen gebruik meer te willen maken van de verleende vergunning, doch heeft geweigerd mee te werken aan de overdracht van de vergunning aan vergunninghoudster. Nu verweerder de exploitatie van het in eigendom van de gemeente opgerichte restaurant evenwel wenselijk acht, heeft verweerder deze op grond van artikel 10.3 van de Bouwverordening Amsterdam (hierna: de Bouwverordening) overgedragen aan vergunninghoudster.
Verzoekster heeft de rechter verzocht te bepalen dat het bestreden besluit zal worden geschorst alsmede dat de bij het besluit van 14 juni 2006 aan verzoekster verleende vergunning wederom op naam zal worden gesteld van verzoekster.
De rechter overweegt als volgt.
Gelet op hetgeen verzoekster en verweerder hierover ter zitting hebben opgemerkt, acht de rechter voldoende aannemelijk dat verzoekster de rechtsopvolgster is van de aanvrager van de in het geding zijnde vergunning. Verzoekster is dan ook belanghebbende bij het bestreden besluit, zodat het verzoek ontvankelijk is.
Niet in geschil is dat verzoekster door verweerder niet in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen ten aanzien van het voorgenomen besluit. Voorts is vooralsnog niet gebleken dat verzoekster anderszins op zorgvuldige wijze in de gelegenheid is gesteld haar bezwaren hiertegen kenbaar te maken. Naar het oordeel van de rechter bestaat er dan ook reeds hierom ernstige twijfel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Bovendien is het de vraag of artikel 10.3 van de Bouwverordening voldoende grondslag biedt voor het bestreden besluit. Het is in dit stadium niet aan de voorzieningenrechter om deze vraag te beantwoorden. De rechter is echter wel van oordeel dat het standpunt van verzoekster niet bij voorbaat kansloos is.
Verder stelt de rechter vast dat het besluit van 14 juni 2006 niet alleen ziet op de aan verzoekster verleende vergunning voor de uitvoering van het daarbij behorende bouwplan, maar tevens vrijstelling regelt van het bepaalde in het bestemmingsplan ten aanzien van het gebruik van de grond. Het al dan niet reeds gerealiseerd zijn van het bouwplan door vergunninghoudster is dan ook niet doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag of er voor verzoekster thans nog een belang bestaat bij het treffen van de gevraagde voorziening. Hoewel verzoekster, bij gebreke van onder andere een gebruiksovereenkomst ten aanzien van het restaurant, zelf niet zal kunnen overgaan tot exploitatie indien de gevraagde voorziening wordt getroffen, heeft zij naar het oordeel van de rechter in ieder geval belang bij het evenmin kunnen gebruiken van de vergunning door vergunninghoudster. Immers, het in 2007 exploiteren van het restaurant door vergunninghoudster, die overigens wél de daarvoor benodigde contracten heeft kunnen sluiten, zal ertoe kunnen leiden dat vergunninghoudster ook in de toekomst hiervoor de gerede kandidaat zal zijn en niet verzoekster. De gevraagde voorziening heeft tot gevolg dat ook vergunninghoudster niet tot exploitatie kan overgaan. Bovendien is met het treffen van de gevraagde voorziening in ieder geval een beletsel voor de exploitatie door verzoekster weggenomen. Hierin is, wat er ook zij van het belang van vergunninghoudster bij het exploiteren van het zomerrestaurant, voldoende (spoedeisend) belang gelegen. De rechter onderschrijft dan ook niet het standpunt van verweerder en vergunninghoudster dat verzoekster geen (spoedeisend) belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening.
Nu hetgeen is overwogen ten aanzien van de rechtmatigheid van het bestreden besluit naar het oordeel van de rechter zou kunnen leiden tot een herroeping van het bestreden besluit en nu verzoekster belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening, ziet de rechter aanleiding het verzoek toe te wijzen in die zin, dat het bestreden besluit zal worden geschorst tot zes weken na de beslissing op verzoeksters bezwaarschrift. De rechter laat daarbij, gelet op de gerezen twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, in dit stadium het belang van verzoekster zwaarder wegen dan het belang van vergunninghoudster.
De rechter ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten, welke kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 644,00 (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter terechtzitting x factor 1 x € 322,00).
Tevens dient het betaalde griffierecht te worden vergoed.
3. BESLISSING
De rechter:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking door verweerder van de beslissing op het bezwaarschrift;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster, begroot op € 644,00 (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan verzoekster;
- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 143,00 (zegge: honderd en drieënveertig euro) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 29 juni 2007 door mr. H.P. Kijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.E. Dutrieux, griffier,
en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschrift verzonden op:
DOC: B