ECLI:NL:RBAMS:2007:BB1461
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling waarde onroerende zaak met onvolledige waardering leidt tot verlaging WOZ-waarde
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een perceel met een recreatiewoning, een tweede woning en een stal. De gemeente had de waarde vastgesteld op €59.000, waarbij alleen de recreatiewoning was gewaardeerd. De recreatiewoning was in 2005 gesloopt. Eiser stelde dat de tweede woning en stal eveneens tot de onroerende zaak behoren en dat deze in de waardering moesten worden meegenomen, anders moest de waarde nihil zijn.
De rechtbank oordeelde dat de objectafbakening niet onjuist was, aangezien de gehele onroerende zaak het perceel met alle gebouwen betreft. Wel was sprake van een onvolledige waardering omdat de tweede woning en stal niet waren meegenomen. Een nieuwe waardevaststelling die deze objecten zou meenemen, zou leiden tot een hogere waarde en hogere aanslagen, wat in strijd is met artikel 8:69 Awb Pro, omdat verweerder niet bevoegd is om voor het betreffende tijdvak een nieuwe waardebeschikking af te geven.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde de waarde vast op €33.000, de door verweerder in beroep bepleite waarde. Het verzoek van eiser om de waarde nihil te stellen werd afgewezen omdat onvolledige waardering niet automatisch tot nihilwaarde leidt. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €21 en het griffierecht van €38 werd aan eiser terugbetaald.
Tenslotte wees de rechtbank erop dat hoger beroep mogelijk is binnen zes weken bij het gerechtshof Amsterdam, belastingkamer.
Uitkomst: De WOZ-waarde van het perceel wordt vastgesteld op €33.000 en de aanslagen onroerende zaakbelasting worden dienovereenkomstig verminderd.