ECLI:NL:RBAMS:2007:BB5573
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning
De rechtbank Amsterdam behandelde een zaak waarin eiser een bestuurlijke boete van €4000 opgelegd kreeg wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete werd opgelegd omdat eiser een persoon van Roemeense nationaliteit zonder tewerkstellingsvergunning schilderwerkzaamheden liet verrichten aan zijn woning.
Eiser voerde aan dat hij niet als werkgever in de zin van de Wav kon worden aangemerkt, omdat er geen relatie was met de arbeidskracht en dat de Arbeidsinspectie onzorgvuldig had gehandeld door geen verklaring af te nemen van de arbeidskracht en de eigenaar van het schildersbedrijf. Daarnaast stelde hij subsidiair dat de boete onevenredig was.
De rechtbank oordeelde dat de afwezigheid van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding niet relevant is voor de bevoegdheid tot boeteoplegging. Eiser was verantwoordelijk om te controleren of de voorschriften van de Wav werden nageleefd. Het onderzoek van verweerder was niet onzorgvuldig, ondanks het ontbreken van aparte verklaringen. De boete was passend en er waren geen omstandigheden die matiging rechtvaardigden.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde de boete. Er werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen of het griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de boete van €4000 wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning wordt ongegrond verklaard.