ECLI:NL:RVS:2008:BC6368
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- M.A.A. Mondt-Schouten
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens tewerkstelling zonder vergunning op grond van de Wet arbeid vreemdelingen
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellant een boete op van €4.000 wegens het zonder tewerkstellingsvergunning laten verrichten van arbeid door een vreemdeling. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank Amsterdam, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat appellant terecht klaagde over de verwijzing naar beleidsregels die niet van toepassing waren, maar dat dit geen gevolgen had omdat de latere beleidsregels gunstiger waren en de boetebedragen niet waren gewijzigd. Ook werd het betoog dat het onderzoek onzorgvuldig was, verworpen omdat de inspecteurs de identiteit van de vreemdeling hadden vastgesteld en de verklaring van appellant ruimte liet voor de constatering dat de vreemdeling werkzaamheden had verricht.
Voorts faalde het verweer dat appellant niet als werkgever kon worden aangemerkt, aangezien degene die feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is. Ook het verzoek tot matiging van de boete werd afgewezen, omdat appellant geen concrete afspraken had gemaakt over de uitvoering van de werkzaamheden en daardoor het risico aanvaardde dat een ander dan de eigenaar van het schildersbedrijf de arbeid zou verrichten.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De boete van €4.000 wegens het zonder vergunning laten verrichten van arbeid door een vreemdeling wordt bevestigd en het hoger beroep afgewezen.