ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7525
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Th.P.J. de Graaf
- H.J. Tijselink
- C.G. Meeder
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schending redelijke termijn en proceskostenvergoeding in bezwaar tegen terugvordering WW-uitkering
Eiseres maakte bezwaar tegen een terugvordering van een WW-uitkering over de periode januari 2003 tot maart 2004. Verweerder had het bezwaar aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard, maar herzag dit later en trok de terugvordering in. De procedure duurde in totaal 23 maanden, waarbij eiseres stelde dat dit de redelijke termijn overschreed en zij daarom recht had op schadevergoeding.
De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn begint bij de indiening van het bezwaarschrift en eindigt bij het bestreden besluit II waarin het materiële geschil werd beëindigd. Omdat de totale duur 23 maanden bedroeg en de termijn voor schending op 24 maanden ligt, werd geen schending van de redelijke termijn aangenomen. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd daarom afgewezen.
Verder beoordeelde de rechtbank de proceskostenvergoeding. Verweerder kende een vergoeding toe op basis van 2 punten volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht, hetgeen de rechtbank passend vond. Extra proceshandelingen van eiseres werden niet als bijzondere omstandigheden aangemerkt die een hogere vergoeding rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, wees het schadevergoedingsverzoek af en veroordeelde verweerder tot betaling van €322,- aan proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn niet is geschonden en wijst het verzoek om schadevergoeding af, terwijl een deel van de proceskosten aan eiseres wordt toegekend.