ECLI:NL:RBSGR:2008:BF1052
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens niet-overschrijding redelijke beslistermijn in vreemdelingenzaak
Eiser diende een verzoek tot schadevergoeding in wegens vermeende overschrijding van de redelijke beslistermijn in een vreemdelingenzaak. De rechtbank onderzocht of verweerder onrechtmatig had gehandeld door niet tijdig te beslissen op het bezwaarschrift tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning.
De rechtbank stelde vast dat de redelijke beslistermijn in vreemdelingenzaken niet rechtstreeks uit artikel 6 EVRM Pro voortvloeit, maar uit artikel 4:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens werden betrokken bij de beoordeling van spanning en frustratie als grond voor immateriële schadevergoeding.
De termijn werd berekend vanaf het indienen van het bezwaar op 25 september 2003 tot het einde van het materiële geschil op 8 augustus 2005, zijnde minder dan 24 maanden. De rechtbank concludeerde dat de redelijke beslistermijn niet was overschreden en dat er geen sprake was van een onrechtmatige overheidsdaad. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank ging niet in op de overige vereisten voor schadevergoeding zoals causaliteit en relativiteit, omdat aan de voorwaarde van overschrijding van de redelijke termijn niet was voldaan. Tevens werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de redelijke beslistermijn niet is overschreden.