ECLI:NL:RBAMS:2008:BF0149
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toestaan overlevering verdachte drugsdelicten aan Duitsland ondanks gedeeltelijke Nederlandse feiten
De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) voor meerdere drugsdelicten. De verdachte werd ervan verdacht betrokken te zijn bij de levering van verdovende middelen, waarbij een deel van de handelingen op Nederlands grondgebied had plaatsgevonden.
De raadsman van de verdachte voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd omdat de feiten onvoldoende concreet waren omschreven en omdat de verdachte niet wist dat de drugs naar Duitsland werden gebracht. De rechtbank oordeelde echter dat de feiten voldoende specifiek waren omschreven en dat de rol van de verdachte duidelijk was, waardoor aan de vereisten van de Overleveringswet (OLW) werd voldaan.
Hoewel artikel 13, eerste lid onder a van de OLW overlevering verbiedt indien de feiten geheel of gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd, heeft de officier van justitie vordering gedaan om af te zien van deze weigeringsgrond. De rechtbank concludeerde dat deze vordering in redelijkheid kon worden gedaan, mede omdat Duitsland geen bezwaar maakte tegen vervolging in Nederland.
De rechtbank stelde vast dat de terugkeergarantie was gegeven, zodat de verdachte een eventuele straf in Nederland kan uitzitten. Gelet op de belangenafweging en de wettelijke vereisten, besloot de rechtbank de overlevering aan Duitsland toe te staan voor het strafrechtelijk onderzoek naar de drugsdelicten.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe ondanks gedeeltelijke Nederlandse feiten.