ECLI:NL:RBAMS:2008:BG4476
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- F.G. Bauduin
- G.H. Marcus
- J.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens schending verschoningsrecht bij tapgesprekken met geheimhouders
In deze strafzaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) centraal, waarbij drie verweren werden aangevoerd, onder meer over het Alijda-project en het bewaren van gesprekken met geheimhouders. Het Alijda-project betreft een samenwerkingsverband tussen diverse overheidsinstanties gericht op de integrale aanpak van overlast en illegale praktijken van huiseigenaren. De rechtbank oordeelde dat het project geen strafvorderlijke dwangmiddelen toepast en dat de uitwisseling van openbare informatie niet onrechtmatig is.
Het belangrijkste verweer betrof het schenden van het verschoningsrecht doordat tapgesprekken met geheimhouders, zoals advocaten en notarissen, niet tijdig werden vernietigd. Ondanks bevelen tot vernietiging bleken vele gesprekken bewaard en toegankelijk voor tientallen personen, wat een ernstige en systematische inbreuk op het verschoningsrecht vormt. Dit recht beschermt de vertrouwelijkheid van communicatie met geheimhouders en is essentieel voor het vertrouwen in de rechtstaat.
De rechtbank stelde vast dat de officier van justitie onvoldoende controleerde of vernietigingsbevelen daadwerkelijk werden uitgevoerd en dat de maatstaf om gesprekken te vernietigen onjuist werd toegepast. De schending overstijgt het belang van de individuele verdachte en tast het vertrouwen in opsporing en vervolging aan. Daarom kon de rechtbank niet anders dan het OM niet-ontvankelijk verklaren en kwam zij niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens grootschalige schending van het verschoningsrecht bij tapgesprekken met geheimhouders.