ECLI:NL:RBAMS:2008:BG4479
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- F.G. Bauduin
- G.H. Marcus
- J.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens schending verschoningsrecht bij tapgesprekken met geheimhouders
De rechtbank Amsterdam behandelde een strafzaak waarin verdachte werd vervolgd op basis van bewijsmateriaal deels verkregen via het Alijda-project, een samenwerkingsverband tussen diverse overheidsinstanties gericht op de integrale aanpak van overlast en illegale praktijken van huiseigenaren.
De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder dat het Alijda-project geen wettelijke basis heeft voor opsporingshandelingen en dat er sprake was van schending van het verschoningsrecht doordat gesprekken met geheimhouders niet tijdig of juist vernietigd werden. De rechtbank overwoog dat het Alijda-project zelf geen strafvorderlijke dwangmiddelen toepast en dat uit openbare bronnen verkregen informatie in beginsel mag worden gedeeld met politie en justitie.
Echter, de kern van het vonnis betrof de grootschalige en systematische inbreuk op het verschoningsrecht. Het bleek dat vele gesprekken met geheimhouders, waaronder advocaten en notarissen, onterecht niet werden vernietigd en dat sommige gesprekken die vernietigd hadden moeten zijn, toch bewaard bleven en toegankelijk waren voor tientallen personen. Dit vormde een ernstige aantasting van het vertrouwen in de rechtstatelijkheid van opsporing en vervolging.
De rechtbank concludeerde dat deze schending van het verschoningsrecht zo fundamenteel was dat geen andere sanctie dan niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging kon worden opgelegd. Hierdoor kwam de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege grootschalige schending van het verschoningsrecht.