ECLI:NL:RBAMS:2008:BG4500
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen verplichting werkgever tot alternatieve pensioenvoorziening na beëindiging aanvullende pensioenregeling
De werknemer trad in 1976 in dienst bij de werkgever en nam deel aan een pensioenregeling die in 1992 werd gewijzigd van een eindloon- naar een middelloonregeling. Voor werknemers voor wie deze wijziging nadelig was, waaronder de werknemer, sloot de werkgever een aanvullende ouderdomspensioenverzekering (AOV) bij de Stichting Pensioenfonds voor de Woningcorporaties (SPW).
De SPW zegde de AOV op per 1 januari 2003 wegens strijdigheid met gewijzigde fiscale wetgeving (Wet Witteveen). De werkgever accepteerde deze opzegging en besloot geen vervangende voorziening te treffen, wat leidde tot een lager pensioen voor de werknemer.
De werknemer vorderde dat de werkgever een alternatieve pensioenvoorziening zou treffen om het pensioen op het niveau van de eindloonregeling te houden. De kantonrechter oordeelde dat de AOV niet strijdig was met de CAO en dat de opzegging door SPW gerechtvaardigd was. Gelet op de redelijkheid en belangenafweging was de werkgever niet gehouden een alternatieve voorziening te treffen.
De vordering van de werknemer werd afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt de gevolgen van fiscale regelgeving op pensioenregelingen en de beperkte verplichtingen van werkgevers bij beëindiging van aanvullende pensioenvoorzieningen.
Uitkomst: De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet gehouden is een alternatieve pensioenvoorziening te treffen na beëindiging van de aanvullende pensioenregeling.