ECLI:NL:RBAMS:2009:BI0772
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- F. Salomon
- J.H.M. van de Ven
- L. Biller
- Rechtspraak.nl
Toetsing overleveringsverzoek en verblijfsvergunning bij Europees aanhoudingsbevel
In deze zaak verzocht de officier van justitie de rechtbank Amsterdam om een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit te voeren ten behoeve van strafvervolging van een Duitse vrouw verdacht van illegale handel in verdovende middelen. De opgeëiste persoon verblijft sinds augustus 2008 in Nederland met een verblijfsvergunning op grond van het gemeenschapsrecht, maar niet met een vergunning voor onbepaalde tijd. De rechtbank onderzocht of zij gelijkgesteld kon worden met een houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, zoals vereist in artikel 6, lid 5 van de Overleveringswet (OLW).
De verdediging voerde aan dat overlevering disproportioneel zou zijn vanwege haar zwangerschap, het verlies van baan en woning, en het feit dat zij deels in Nederland is gehoord door Duitse rechercheurs. De rechtbank oordeelde dat de ernst van de feiten en het belang van het strafrechtelijk onderzoek zwaarder wegen dan deze omstandigheden en wees het beroep op disproportionaliteit af. Tevens werd vastgesteld dat de feiten deels in Nederland plaatsvonden, maar dat de officier van justitie terecht afzag van de weigeringsgrond op grond van artikel 13 OLW Pro.
De rechtbank besloot het onderzoek te schorsen en te heropenen nadat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen prejudiciële vragen over de interpretatie van verblijfsbegrippen in het kader van het Kaderbesluit had beantwoord. Tevens werd de Immigratie- en Naturalisatiedienst verzocht advies uit te brengen over het behoud van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon na overlevering. De zaak wordt hervat op een nader te bepalen tijdstip, waarbij de opgeëiste persoon haar situatie in Nederland nader kan onderbouwen.
Uitkomst: Onderzoek geschorst om prejudiciële vragen en advies IND af te wachten; zaak wordt hervat op nader te bepalen tijdstip.