ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ5573
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor bezit van cocaïne met rechtmatige identificatiecontrole
Op 21 april 2009 werd verdachte in Amsterdam aangetroffen met ongeveer 4,88 gram cocaïne en 0,85 gram hennep. De politierechter stelde vast dat de hoeveelheid hennep onder de vervolgingsgrens viel en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor dat feit. De cocaïne werd aangetroffen na een identificatiecontrole waarbij de politie verdachte slechts om vrijwillige medewerking vroeg en niet om het identificatiebewijs te vorderen.
De verdediging voerde aan dat deze identificatiecontrole onrechtmatig was, omdat de politie geen wettelijke grondslag had voor de vordering van het identiteitsbewijs, waardoor de daarop volgende aanhouding en vondst van cocaïne onrechtmatig waren. De rechtbank oordeelde echter dat het vragen om vrijwillige medewerking rechtmatig was en dat de verkregen gegevens als bewijs konden dienen.
De verklaring van verdachte na aanhouding kon niet als bewijs worden gebruikt, omdat hij niet was gewezen op zijn recht op een raadsman voorafgaand aan het verhoor. Desondanks vond de politierechter voldoende andere bewijsmiddelen aanwezig om het bezit van cocaïne te bewijzen.
Gezien het feit dat de hoeveelheid cocaïne niet als gering kon worden beschouwd en het een schadelijke stof betreft, maar verdachte geen eerdere veroordelingen had en er geen aanwijzing was voor handel, legde de politierechter een taakstraf van 20 uur op met een vervangende hechtenis van 10 dagen bij niet-naleving.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 20 uur wegens bezit van cocaïne met rechtmatig verkregen identificatiegegevens.